Verordening op de heffing en de invordering van toeristenbelas­ting 2021

De raad van de gemeente Schiermonnikoog;

gezien het voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 20 oktober 2020;

gelet op de artikelen 216, 219 en 224 van de Gemeentewet;

 

b e s l u i t :

vast te stellen de:

Verordening op de heffing en de invordering van toeristenbelas­ting 2021

Artikel 1 Begripsomschrijvingen

Voor de toepassing van deze verordening wordt verstaan onder:

  • a.

    onderkomens: woningen en andere verblijven, niet zijnde mobiele kampeeronderko­mens, in hoofdzaak bestemd voor en gebezigd als verblijf voor vakantie- en andere doeleinden;

  • b.

    mobiele kampeeronderkomens: tenten, vouwwagens en soort­gelijke onderkomens welke bestemd zijn voor, dan wel gebezigd worden als verblijf voor vakantie en andere doeleinden;

  • c.

    niet-beroepsmatig verhuurde ruimten: woningen en andere verblijven, of gedeelten daarvan, niet zijnde mobiele kampeeronderkomens, welke niet in hoofdzaak bestemd zijn als verblijf voor vakantie en andere doel­einden, doch wel in bepaalde perioden van het jaar voor die doeleinden worden verhuurd dan wel te huur aangeboden;

  • d.

    vaste standplaats: een terrein of terreingedeelte dat in hoofdzaak bestemd is voor het gedurende een seizoen of een jaar plaatsen van eenzelfde mobiel kampeeronder­komen of stacaravan;

  • e.

    vaartuig: een vaartuig dat is bestemd of wordt gebezigd voor vakan­tie- of andere doeleinden;

  • f.

    één dag: de tijdsduur van 6:00 uur tot 21:00 uur;

  • g.

    forens: een persoon, die niet staat ingeschreven in de basisregistratie personen van de gemeente Schiermonnikoog, werkzaam bij een bedrijf of organisatie gevestigd in de gemeente Schiermonnikoog en in het bezit van een geldige Wagenborgpas voor forensen.

Artikel 2 Belastbaar feit

Ter zake van het houden van verblijf, al dan niet gevolgd door overnach­ting, binnen de gemeente in hotels, pensions, ­onderkomens, mobiele kampeeronderkomens, niet-beroepsmatig verhuurde ruimten, op vaste stand­plaatsen en op vaartuigen tegen vergoeding, in welke vorm dan ook door personen die niet als ingezetene met een adres in de gemeente in de basisregistratie personen zijn ingeschreven, wordt onder de naam toeristenbelasting een directe belasting gehe­ven.

Artikel 3 Belastingplicht
  • 1.

    Belastingplichtig is degene, die gelegenheid biedt tot verblijf als bedoeld in artikel 2 in hem ter beschikking staande ruimten dan wel op hem ter beschikking staande terreinen.

  • 2.

    De belastingplichtige is bevoegd de belasting als zodanig te verhalen op degene, ter zake van wiens verblijf de belasting verschuldigd wordt.

  • 3.

    Indien met toepassing van het eerste lid geen belasting­plichtige is aan te wijzen, is belastingplichtig degene die overeenkomstig het bepaalde in artikel 2 verblijf houdt.

Artikel 4 Vrijstelling

De belasting wordt niet geheven voor het verblijf:

  • 1.

    door personen en hun gezin die zonder in de gemeente hoofdverblijf te hebben op meer dan 90 dagen van een belastingjaar een gemeubileerde woning ter beschikking hebben waarvoor forensenbelasting is verschuldigd.

  • 2.

    van één dag of een gedeelte daarvan door een forens.

  • 3.

    van één dag of een gedeelte daarvan op een vaartuig in de Waddenhaven Schiermonnikoog.

Artikel 5 Maatstaf van heffing

De belasting wordt geheven naar het aantal keren dat verblijf wordt gehouden, alsmede naar het aantal overnachtingen.

Artikel 6 Berekeningswijze van de heffingsgrondslag
  • 1.

    De belasting wordt geheven naar het aantal malen c.q. etmalen of een gedeelte daarvan, dat een persoon binnen de gemeente heeft overnacht c.q. verblijf heeft gehouden.

  • 2.

    In afwijking van het bepaalde in het eerste lid is de grondslag voor de belasting ingeval van verblijf in vakantie-onderkomens en niet beroepsmatig verhuurde ruimten: (u x v) (y x z).

    De betekenis van de symbolen is als volgt:

    u: het werkelijk aantal slaapplaatsen.

    v: gemiddelde benuttingspercentage: 75%.

    y: maximale aantal overnachtingen c.q. etmalen verblijf per belas­tingjaar bij normaal gebruik: 365.

    z: gemiddelde bezettingspercentage van het maximum: 44%.

  • 3.

    Het gemiddelde bezettingspercentage van het maximum voor de forfaitaire heffing van de kampeerboerderijen wordt op 30% gesteld.

Artikel 7 Opteren voor niet-forfaitaire maatstaf van heffing

In afwijking van het bepaalde in artikel 6 wordt op een door de belastingplichtige bij de aangifte gedane aanvraag de maatstaf van heffing vastgesteld op het werkelijk aantal overnachtingen, indien blijkt dat dit aantal lager is dan het op grond van artikel 6 berekende aantal.

Artikel 8 Belastingtarief

De belasting bedraagt:

  • 1.

    bij verblijf van één dag of een gedeelte daarvan € 1,92 per persoon.

  • 2.

    bij een daaropvolgend langer verblijf € 1,69 per persoon per overnach­ting.v

Artikel 9 Belastingjaar

Het belastingjaar is gelijk aan het kalenderjaar.

Artikel 10 Wijze van heffing
  • a.

    De belasting, bedoeld in artikel 8, lid 2, wordt bij wege van aanslag geheven.

  • b.

    De belasting bedoeld in artikel 8, lid 1, wordt geheven door middel van een nota. Het verschuldigde bedrag wordt in de nota vermeld als toeslag op het tarief van de bootovertocht Lauwersoog – Schiermonnikoog.

Artikel 11 Ontstaan van de belastingschuld en heffing naar tijdsgelang
  • 1.

    De belastingschuld is verschuldigd bij het begin van het belastingjaar of, zo dit later is, bij de aanvang van de belastingplicht.

  • 2.

    Indien de belastingplicht in de loop van het belastingjaar aanvangt, is er belasting ver­schuldigd voor zoveel twaalfde gedeelten van de voor dat jaar verschuldigde belasting als er in dat jaar, na de aanvang van de belastingplicht, nog volle kalendermaanden overblijven.

  • 3.

    Indien de belastingplicht in de loop van het belastingjaar eindigt bestaat aanspraak op ontheffing voor zoveel twaalfde gedeelten van de voor dat jaar verschuldigde belasting als er in dat jaar, na het einde van de belastingplicht nog volle kalendermaanden overblijven.

Artikel 12 Termijnen van betaling
  • 1.

    In afwijking van artikel 9, eerste lid, van de Invorderingswet 1990 moet de in artikel 10 lid a genoemde belasting worden betaald in twee gelijke termijnbedragen waarvan de eerste vervalt op de laatste dag van de maand volgend op de maand die in de dagtekening van het aanslagbiljet is vermeld, de tweede twee maanden later.

  • 2.

    In afwijking van het eerste lid geldt, zolang de verschuldigde bedragen door middel van automatische betalingsincasso van de betaalrekening van de belastingplichtige kunnen worden afgeschreven, dat de aanslagen moeten worden betaald in tien gelijke termijnbedragen, waarvan de eerste vervalt op de laatste dag van de maand volgend op de maand die in de dagtekening van het aanslagbiljet is vermeld en elk van de volgende termijnbedragen telkens een maand later.

  • 3.

    In afwijking van het eerste en tweede lid geldt ingeval het totaalbedrag van de op één aanslagbiljet verenigde aanslagen, of als het aanslagbiljet maar één aanslag bevat, € 50,00 of minder bedraagt, dat de aanslag moet worden betaald in één termijn en wel één maand na dagtekening van het aanslagbiljet.

  • 4.

    In afwijking van het eerste lid, is de belastingschuld direct invorderbaar, indien de belastingschuldige niet binnen de gestelde termijnen betaalt.

  • 5.

    In afwijking van het tweede lid, is de belastingschuld direct invorderbaar, indien de verschuldigde bedragen niet kunnen worden afgeschreven.

  • 6.

    De in artikel 10 lid b genoemde belasting moet worden betaald op het moment van uitreiking van de nota.

  • 7.

    Met betrekking tot een ingevolge artikel 2, tweede lid, onderdeel c, van de Invorderingswet 1990, met een belastingaanslag gelijkgestelde beschikking inzake een bestuurlijke boete zijn de leden 1,2, 3, 4, 5 en 6 van overeenkomstige toepassing, voorzover deze gelijktijdig wordt opgelegd met de vaststelling van de aanslag.

  • 8.

    De Algemene Termijnenwet is niet van toepassing op de in de voorgaande leden gestelde termijnen.

Artikel 13 Nadere regels door het college van burgemeester en wethouders

Het college van burgemeester en wethouders kan nadere regels geven met betrekking tot de heffing en de invordering van de toeristenbelasting.

Artikel 14 Kwijtschelding

Bij de invordering van de toeristenbelasting wordt geen kwijtschelding verleend.

Artikel 15 Aanmeldingsplicht
  • 1.

    De belastingplichtige bedoelt in artikel 3, eerste lid, is gehouden, voordat hij voor de eerste maal na het in werking treden van deze verorde­ning gelegenheid tot overnachten ver­schaft, zulks schriftelijk te melden aan de door het college van burgemeester en wethouders aangewezen gemeenteambtenaar, bedoeld in artikel 231, tweede lid, onderdelen b en d van de Gemeentewet.

  • 2.

    De verplichting als bedoeld in het voorgaande lid geldt niet voor de belastingplichtige die met betrekking tot het jaar voorafgaand aan het belastingjaar in de heffing van de toeristenbelasting betrokken is.

Artikel 16 Inwerkingtreding, datum ingang heffing en citeertitel
  • 1.

    De "Verordening op de heffing en de invordering van toeristenbelasting 2020" van 5 november 2019, wordt ingetrokken met ingang van de in het derde lid genoemde datum van ingang van de heffing, met dien verstande dat zij van toepas­sing blijft op de belastbare feiten die zich voor die datum hebben voorgedaan.

  • 2.

    Deze verordening treedt in werking met ingang van de eerste dag na die van de bekend­making.

  • 3.

    De datum van ingang van de heffing is 1 januari 2021.

  • 4.

    Deze verordening kan worden aangehaald als "Verordening toeristenbe­lasting 2021".

     

Aldus vastgesteld in de openbare raadsvergadering van 10 november 2020.

 

, voorzitter (I. van Gent)

, griffier (M. van der Meer)

Naar boven