Gemeenteblad van Vlissingen

Datum publicatieOrganisatieJaargang en nummerRubriek
VlissingenGemeenteblad 2020, 341144Verordeningen



Nadere regels Wmo en Jeugd 2021 Gemeente Vlissingen

 

Burgemeester en wethouders van de gemeente Vlissingen;

 

gelet op artikel 8, 11, 12, 15, 24 en 30 van de Integrale verordening Wmo en Jeugd 2021;

 

besluiten vast te stellen de Nadere regels Wmo en Jeugd 2021 gemeente Vlissingen.

 

Hoofdstuk 1. Inleiding

 

De Verordening Wmo en jeugdhulp gemeente Vlissingen 2021 (hierna: de Verordening) is vastgesteld door de gemeenteraad. Op een aantal onderdelen heeft de gemeenteraad hierin de opdracht of de bevoegdheid aan het college gegeven om nadere regels te stellen. In deze Nadere regels Wmo en Jeugd 2021 maakt het college gebruik van de bevoegdheid die de gemeenteraad gegeven heeft. Hiermee vormen ze een nadere uitwerking van de Verordening en zijn ze hiermee onlosmakelijk verbonden.

Alle definities en begrippen in deze nadere regels, hebben dezelfde betekenis als in de Jeugdwet, de Wmo 2015 en de Verordening. Overal waar we in dit document spreken over ouders bedoelen we ook eventuele pleegouders of verzorgers. Overal waar we in dit document spreken over hij of zijn bedoelen we ook zij of haar.

Hoofdstuk 2. Procedureregels

 

Toegang tot jeugdhulp kan via verschillende wegen verkregen worden. Aansluitend op artikel 9, 10 en 11 van de Verordening wordt hieronder uitleg gegeven over hoe de procedure eruit ziet. De toegang tot Wmo maatwerkvoorzieningen loopt altijd via de gemeente. De Wmo kent daarbij een afwijkende procedure die altijd start met een melding. Dit proces staat in artikel 25 en 26 van de Verordening.

2.1 Toegang jeugdhulp via de huisarts, medisch specialist of jeugdarts

In de Jeugdwet is vastgelegd dat ook de huisarts, jeugdarts en medisch specialist toegang kunnen geven tot jeugdhulp. Dit geldt zowel voor de algemene voorzieningen als de individuele voorzieningen. De gemeente heeft een leveringsplicht. Dat wil zeggen dat de gemeente er voor moet zorgen dat de jeugdhulp waarnaar verwezen wordt, ook daadwerkelijk wordt ingezet.

Met een verwijzing van de huisarts, jeugdarts en medisch specialist, kan een jeugdige of zijn ouders direct aankloppen bij de jeugdhulpaanbieder. In de praktijk schat deze aanbieder (bijv. jeugdpsychiater of orthopedagoog) vaak in wat er nodig is als het gaat om de concrete inhoud, vorm, omgang en duur van de benodigde jeugdhulp. De aanbieder moet met de gemeente afstemmen over het woonplaatsbeginsel, of er een contract is, welke productcategorie en -code het betreft, de eenheid/frequentie, de leeftijd van de jeugdige, de relatie met al toegekende jeugdhulp en de termijn en evaluatiemomenten. De gemeente legt de inzet van de jeugdhulp vervolgens vast in een beschikking. Op grond van het programma van eisen in het moedercontract tussen de aanbieder en de Inkooporganisatie Jeugdhulp Zeeland namens de gemeente Vlissingen is, indien sprake is van wettelijke verwijzing naar jeugdhulp, de aanbieder verplicht met de gemeentelijke toegangsorganisatie af te stemmen. Deze afstemming betreft het woonplaatsbeginsel, of er een contract is, de productcategorie en –code, de eenheid/frequentie, de leeftijd van de jeugdige, de relatie met al toegekende jeugdhulp en de termijn en evaluatiemomenten. De gemeente legt de inzet van de jeugdhulp vervolgens vast in een beschikking.

Geen vergoeding voor niet gecontracteerde jeugdhulp

De huisarts, medisch specialist, jeugdarts en jeugdhulpaanbieder (na verwijzing) zijn gebonden aan het gecontracteerde aanbod van de gemeente. Zij mogen dus niet verwijzen naar een jeugdhulpaanbieder waar de gemeente geen contract mee heeft. Als dat toch gebeurt, dan vergoedt de gemeente de zorg door de niet-gecontracteerde jeugdhulpaanbieder niet als de gemeente passende jeugdhulp kan bieden door de inzet van een jeugdhulpaanbieder die wél is gecontracteerd.

Bij verwijzing naar een niet-gecontracteerde aanbieder is het altijd aan de jeugdige of zijn ouders om aan de gemeente een beschikking te vragen voor eventuele vergoeding. Ook in de situatie dat de gemeente geen soortgelijke jeugdhulp kan laten leveren door een gecontracteerde aanbieder.

Inzet van pgb na verwijzing

Als de jeugdige of zijn ouder(s) een pgb wensen, beoordeelt de gemeente of aan de voorwaarden voor een pgb wordt voldaan. De huisarts, medisch specialist en jeugdarts mogen dus niet bepalen dat een pgb wordt toegekend. Alleen de gemeente is bevoegd om hierover te oordelen. De noodzaak van de in te zetten hulp staat in dit geval vast. Daar mag de gemeente dus niet meer over oordelen. Het gaat enkel nog om de vraag of dit in de vorm van een pgb kan.

Regie gemeente

De gemeente wil zoveel mogelijk zelf regie houden op de jeugdhulp die wordt ingezet. Zowel vanuit de gedachte dat de gemeente zelf het beste zicht heeft op de ondersteuningsmogelijkheden in de gemeenten als binnen het gezin, als vanuit het feit dat de gemeente de hulp financiert. De gemeente stuurt er daarom op aan dat artsen zoveel mogelijk jeugdigen en ouders doorsturen naar de gemeentelijke toegang voor jeugdhulp. Ook wordt in de beschikking opgenomen dat als de jeugdige of zijn ouders een verlenging van de hulp wensen, zij zich hiervoor bij de gemeente moeten melden.

2.2 Toegang jeugdhulp via de gecertificeerde instelling, de kinderrechter, het openbaar ministerie en de directeur of de selectiefunctionaris van de justitiële jeugdinrichting

De rechter, het OM en de justitiële jeugdinrichting (JJI) kunnen in het kader van het jeugdstrafrecht toegang geven tot jeugdhulp. Gecertificeerde instellingen (GI’s) voeren kinderbeschermingsmaatregelen en jeugdreclassering uit. De gemeente is verantwoordelijk voor alle jeugdhulp die voortvloeit uit een kinderbeschermingsmaatregel, strafrechtelijke beslissing binnen het jeugdstrafrecht en voor de inzet van alle vormen van jeugdreclassering. De gemeente is verplicht deze jeugdhulp in te zetten en kan hier geen beschikking voor afgeven.

Jeugdhulp via de GI

De GI moet met de gemeente overleggen als ze jeugdhulp wil inzetten. De wijze waarop de GI en de gemeente dit doen is vastgelegd in een protocol. Het overleg is er primair op gericht dat de GI weet welke jeugdhulp door de gemeente is gecontracteerd. Uit die jeugdhulp kan de GI een keuze maken. In de gevallen dat de GI jeugdhulp noodzakelijk acht die niet is gecontracteerd, moet ze daarover op casusniveau overleggen met de gemeente.

De GI mag alleen tijdens de uitvoering van een kinderbeschermingsmaatregel of jeugdreclassering bepalen welke jeugdhulp nodig is. Dit betekent dat de GI geen jeugdhulp mag toekennen die de termijn van de ondertoezichtstelling of jeugdreclasseringsmaatregel te buiten gaat.

Inzet van pgb

De hulp die ingezet moet worden via bovengenoemde instanties zal vaak als zorg in natura geboden kunnen worden. Als echter een pgb gewenst is, dan moet hiervoor een aanvraag bij de gemeente worden ingediend. De bovengenoemde instanties kunnen dus niet zelf bepalen dat er een pgb wordt toegekend. Die bevoegdheid heeft alleen de gemeente.

2.3 Toegang jeugdhulp via het college

Voor jeugdigen of ouders met een hulpvraag zijn er algemene voorzieningen in de gemeente die vrij toegankelijk zijn. Wil de jeugdige of zijn ouders in aanmerking komen voor een individuele voorziening, dan moet een aanvraag worden ingediend. Een onafhankelijke cliëntondersteuner kan de jeugdige of ouder(s) in het gesprek helpen zijn hulpvraag te verwoorden en keuzes te maken als zij hier zelf moeite mee hebben. De jeugdige of ouder(s) kan er ook voor kiezen zijn ondersteuning zelf te organiseren, bijvoorbeeld door een familielid of kennis bij het gesprek aanwezig te laten zijn. De gemeente wil, om een zo objectief mogelijk onderzoek te kunnen doen, waar mogelijk voorkomen dat een zorgaanbieder wordt ingeschakeld. Afstemming met de zorgaanbieder vindt waar nodig op een later moment plaats. Als iemand zelf een professionele cliëntondersteuner inschakelt, vergoedt de gemeente de kosten daarvan niet.

Vervolgens voert de medewerker van de gemeentelijke toegang op basis van een methodische werkwijze een onderzoek uit naar de hulpvraag. Een gesprek met de jeugdigen en/of de ouder(s), maakt in elk geval deel uit van het onderzoek. Met de jeugdige en/of de ouder(s) wordt bepaald:

  • wat de hulpvraag is van de jeugdige en/of zijn ouder(s);

  • of er sprake is van opgroei- en opvoedingsproblemen, psychische problemen en stoornissen en zo ja, welke problemen en stoornissen dat zijn;

  • welke hulp, zorg en ondersteuning naar aard en omvang nodig is voor de vastgestelde problemen en stoornissen;

  • wat het resultaat van die hulp, zorg en ondersteuning moet zijn;

  • of de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen van de ouder(s) en hun sociaal netwerk ontoereikend zijn om zelf deze hulp, zorg en ondersteuning te kunnen bieden.

Hierbij wordt in ieder geval rekening gehouden met het belang van de ouder(s) om het gezin te voorzien in een inkomen, de belastbaarheid en draagkracht van de ouder(s). Inhoudelijk is dit verder uitgewerkt bij de criteria voor een individuele voorziening.

Als blijkt dat de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen van de jeugdige en/of de ouders en hun sociaal netwerk ontoereikend zijn om de hulp, zorg en ondersteuning zelf te kunnen bieden, wordt met de jeugdige en/of de ouders nader onderzoek gedaan naar:

  • de mogelijkheid om gebruik te maken van een andere voorziening en als dit geen afdoende oplossing biedt;

  • de mogelijkheid om gebruik te maken van een algemene voorziening en als dit geen afdoende oplossing biedt;

  • de mogelijkheden om een individuele voorziening te verlenen.

Voor zover het onderzoek specifieke deskundigheid vereist, zorgt de toegang er voor dat die deskundigheid is gewaarborgd.

Pgb

Als een jeugdige of zijn ouder(s) in aanmerking komt voor een individuele voorziening, maar de ondersteuning wenst in te kopen door middel van een pgb, dient hij daartoe een budgetplan in volgens een format dat de gemeente aan hem verstrekt. Het budgetplan voldoet in elk geval aan de voorwaarden die zijn opgenomen in artikel 15 lid 2 van de Verordening.

De medewerker van de gemeentelijke toegang beoordeelt of de aanvrager voldoet aan de voorwaarden voor verstrekking van een pgb.

Beschikking

Binnen acht weken na de schriftelijke aanvraag ontvangt de jeugdige en/of de ouder(s) de beslissing op zijn aanvraag. Als deze termijn overschreden lijkt te worden, wordt de inwoner schriftelijk geïnformeerd binnen een zo kort mogelijke termijn. De beschikking voldoet aan de voorwaarden die zijn opgenomen in artikel 14 van de Verordening.

Hoofdstuk 3. Criteria voor een individuele voorziening

 

In dit hoofdstuk staan regels die aanvullend zijn op artikel 12 lid 1 van de Verordening of hier een nadere uitleg aan geven. Jeugdigen en/of ouders kunnen alleen in aanmerking komen voor een individuele voorziening als zij binnen hun eigen mogelijkheden en probleemoplossend vermogen, geen oplossing kunnen vinden voor de hulpvraag. Hierbij wordt in elk geval rekening gehouden met de mogelijkheden van:

  • Gebruikelijke hulp, mantelzorg en hulp van andere personen uit het sociale netwerk;

  • Bovengebruikelijke hulp van ouders voor zover zij beschikbaar en in staat zijn de noodzakelijke hulp te bieden, dit geen overbelasting oplevert en er ook geen financiële problemen in het gezin ontstaan als de hulp door de ouder wordt geboden;

3.1 Gebruikelijke hulp

Of er sprake is van gebruikelijke hulp wordt beoordeeld aan de richtlijn die is opgenomen in Bijlage 1: Richtlijn gebruikelijke hulp.

3.2. Bovengebruikelijke hulp van ouders

Het uitgangspunt van de Jeugdwet is dat de verantwoordelijkheid voor het gezond en veilig opgroeien van jeugdigen allereerst bij de ouders en jeugdigen zelf ligt. Het doel van de Jeugdwet is immers het versterken van de eigen kracht van de jongere en het zorgend en probleemoplossend vermogen van diens gezin en sociale omgeving (artikel 2.3 Jeugdwet). Ook bovengebruikelijke hulp kan in beginsel van ouders worden verwacht. Dit kan betekenen dat ouders hun eigen carrière of financiële situatie moeten bijstellen om voor het kind beschikbaar te zijn en de noodzakelijke zorg te kunnen bieden. Het college is alleen gehouden om een voorziening te treffen (dat geldt voor zowel gebruikelijke als bovengebruikelijke hulp) als de jeugdige en zijn ouders er op eigen kracht niet uitkomen. De verantwoordelijkheid van de ouders voor het gezond en veilig opgroeien van hun kinderen is geregeld in de artikelen 82 en 247 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek. Het moet voor ouders en professionals vanzelfsprekend zijn dat ouders zelf de regie nemen en houden over de opvoeding van hun kinderen (tenzij dit een onverantwoord risico voor het kind oplevert). Dat vraagt een vraaggerichte houding van hulpverleners, waarbij uitgegaan wordt van de «eigen kracht» van jongeren en ouders en het besef dat zij verantwoordelijk zijn voor zichzelf en, in het geval van ouders, ook voor hun kinderen. Hierop zijn zij ook aanspreekbaar (KAMERBRIEF zie TK 2012-2013, 33684, nr. 3 blz 18).

Wanneer een jeugdige of een ouder zich meldt met een vraag om jeugdhulp moet vastgesteld worden:

  • 1.

    Wat de hulpvraag van de jeugdige of zijn ouder is

  • 2.

    Of er sprake is van opgroei- en opvoedingsproblemen en/of psychische problemen en stoornissen en zo ja welke

  • 3.

    Welke hulp er naar aard en omvang nodig is om gezond en veilig op te groeien, te groeien naar zelfstandigheid en voldoende zelfredzaam te zijn en maatschappelijk te participeren

  • 4.

    Welke hulp er vanuit ouders en/of het sociale netwerk kan worden geboden

 

Om te bepalen of er sprake is van voldoende eigen kracht van ouders, moeten de volgende vier vragen beantwoord worden:

  • 1.

    Is de ouder in staat de noodzakelijke hulp te bieden?

  • 2.

    Is de ouder beschikbaar om de noodzakelijke hulp te bieden?

  • 3.

    Levert het bieden van de hulp door de ouder geen overbelasting op?

  • 4.

    Ontstaan er geen financiële problemen in het gezin als de hulp door de ouder wordt geboden?

Het is mogelijk dat een ouder in staat en beschikbaar is om de benodigde hulp te bieden en onderzocht is dat dit geen overbelasting oplevert, maar dat de ouder stelt dat er financiële problemen ontstaan als de hulp door de ouder wordt geboden. Bijvoorbeeld doordat de ouder minder is gaan werken door de zorg aan de jeugdige. Als een ouder stelt dat er daardoor financiële problemen (zijn) ontstaan moet dat onderbouwd worden door het verstrekken van een financieel overzicht met vaste lasten. Indien nodig stelt een deskundige vast wat het noodzakelijk gezinsinkomen is op basis van de uitgaven van vergelijkbare gezinnen. Hierbij wordt het 'persoonlijk budgetadvies' van het NIBUD gebruikt voor de vaststelling van het huishouden, de gezinsinkomsten en wat een vergelijkbaar huishouden minimaal nodig heeft voor de uitgaven van het huishouden.

Hoofdstuk 4. Persoonsgebonden budget

 

De voorwaarden voor verstrekking van een pgb staan in de Jeugdwet (artikel 8.1.1), Wmo 2015 (artikel 2.3.6) en artikel 15 (Jeugd) en artikel 30 (Wmo) van de Verordening. Als een jeugdige, zijn ouder(s) of een Wmo cliënt in aanmerking wenst te komen voor een pgb, wordt hij in begrijpelijke bewoordingen ingelicht over de voorwaarden verbonden aan het pgb en de gevolgen van die keuze. Vervolgens onderzoekt de medewerker van de gemeentelijke toegang of aan deze voorwaarden wordt voldaan. De jeugdige, ouder(s) of cliënt dient hiervoor altijd een budgetplan in.

4.1 Voorwaarden pgb

 

De voorwaarden voor verstrekking van een pgb zijn vergelijkbaar in de Wmo 2015 en de Jeugdwet, te weten:

  • 1.

    de aanvrager is, al dan niet met hulp van (de in de Jeugdwet of Wmo genoemde) derde, in staat de taken die verbonden zijn aan het pgb uit te voeren

  • 2.

    de jeugdige of ouder stelt zich gemotiveerd op het standpunt dat hij de individuele voorziening die wordt geleverd door een aanbieder, niet passend acht of, in geval van de Wmo, de cliënt motiveert waarom hij de maatwerkvoorziening als pgb wenst;

  • 3.

    de voorziening die ingekocht wordt is van goede kwaliteit. In de Wmo wordt dit omschreven als ‘veilig, doeltreffend en cliëntgericht’.

Bekwaamheid aanvrager

De eerste voorwaarde betreft de bekwaamheid van de aanvrager. Is iemand in staat om zelf, of met hulp van anderen, de taken en verantwoordelijkheden die horen bij een pgb uit te voeren?

Als de jeugdige of de ouder(s) zelf niet bekwaam zijn, wordt beoordeeld of de jeugdige en/of zijn ouder(s) met hulp uit het sociale netwerk óf met hulp van een curator, bewindvoerder, mentor, gemachtigde, gecertificeerde instelling of aanbieder van gesloten jeugdhulp in staat zijn de aan een pgb verbonden taken op verantwoorde wijze uit te voeren. De Wmo cliënt kan hulp inschakelen uit zijn sociale netwerk of van zijn vertegenwoordiger (curator, bewindvoerder, mentor, gemachtigde). De gemeente sluit hierbij uit dat de ‘derde’ die de jeugdige, ouder(s) of cliënt ondersteunt bij het pgb-beheer, ook de beoogde zorgverlener is. Deze dubbelrol vindt de gemeente niet wenselijk.

Om na te gaan of de pgb-budgethouder op verantwoorde wijze om kan gaan met een pgb zijn er de volgende 10 beoordelingscriteria:

  • 1.

    U overziet uw eigen situatie, dan wel die van de zorgvrager, en u heeft een duidelijk beeld van de zorgvraag;

  • 2.

    U bent op de hoogte van de regels en verplichtingen die horen bij het PGB, of u weet die zelf bij de desbetreffende instanties te vinden;

  • 3.

    U bent in staat om een overzichtelijk pgb-administratie bij te houden, waardoor u inzicht heeft in de besteding van het PGB;

  • 4.

    U bent voldoende vaardig te communiceren met de gemeente, zorgverzekeraar of het zorgkantoor, de SVB en zorgverleners;

  • 5.

    U bent in staat om zelfstandig te handelen en onafhankelijk voor een zorgverlener te kiezen;

  • 6.

    U bent in staat om afspraken te maken en vast te leggen, en om dit te verantwoorden aan verstrekkers van het PGB;

  • 7.

    U kunt beoordelen en beargumenteren of de geleverde zorg passend en kwalitatief goed is;

  • 8.

    U kunt de inzet van zorgverleners coördineren, waardoor de zorg door kan gaan, ook bij verlof en ziekte;

  • 9.

    U bent in staat om als werk-of opdrachtgever de zorgverleners aan te sturen en aan te spreken op hun functioneren;

  • 10.

    U heeft voldoende juridische kennis over het werk- of opdrachtgeverschap, of weet deze kennis te vinden.

De bekwaamheid om de taken en de verantwoordelijkheden die bij een pgb horen uit te voeren, wordt in samenspraak met de aanvrager getoetst. Echter is het oordeel van het college (in de praktijk de medewerker van de gemeentelijke toegang) leidend. Mocht het college van oordeel zijn dat de persoon dan wel met hulp van bovengenoemde derden niet bekwaam is een pgb te beheren, dan wordt het pgb geweigerd.

Om de bekwaamheid van de budgethouder te beoordelen wordt rekening gehouden met de volgende factoren:

  • de budgethouder is handelingsonbekwaam;

  • de budgethouder heeft als gevolg van dementie, een verstandelijke handicap of ernstige psychische problemen onvoldoende inzicht in de eigen situatie;

  • er is sprake van verslavingsproblematiek;

  • er is sprake van schuldenproblematiek;

  • eerder is door de budgethouder misbruik gemaakt van een pgb;

  • eerder is sprake geweest van fraude door de budgethouder.

Als één of meerdere van de volgende situaties zich voordoet kan dat een reden zijn om het pgb te weigeren. Dat is het geval als gevolg van één van deze factoren de aanvrager – ook met hulp van bovengenoemde derden – niet in staat is om de taken verbonden aan het pgb op de juiste manier uit te kunnen voeren. Deze opsomming is niet limitatief. Er kunnen andere situaties denkbaar zijn waarin het verstrekken van een pgb niet gewenst is omdat de taken niet naar behoren kunnen worden uitgevoerd, waardoor het pgb wordt geweigerd.

Motivatie aanvrager pgb

Een individuele of maatwerkvoorziening in de vorm van een pgb wordt alleen verstrekt als de aanvrager dat gemotiveerd, aan de hand van een opgesteld budgetplan, indient bij de gemeente. In dit plan moet duidelijk worden aangetoond dat de verstrekking van een pgb aantoonbaar leidt tot veilige, cliëntgerichte en doelmatige ondersteuning. Met argumenten moet duidelijk worden dat de aanvrager zich voldoende heeft georiënteerd op de mogelijke voorzieningen in natura. Door het opstellen van een budgetplan worden cliënten gestimuleerd na te denken over de zorgvraag en de ondersteuning.

Het is de keuze van de aanvrager om voor een pgb te kiezen en niet van de in te huren aanbieder of ondersteuner. Wel kan iemand uit het sociale netwerk of een onafhankelijk cliëntondersteuner ondersteunen bij het motiveren van de aanvraag.

Enkele concrete voorbeelden (niet uitputtend) van argumenten, die aanvragers in het kader van hun motivering kunnen aanvoeren om een pgb te willen ontvangen, zijn:

  • de benodigde hulp is niet goed vooraf in te plannen;

  • de benodigde hulp moet op ongebruikelijke tijden geleverd worden;

  • de benodigde hulp moet op veel korte momenten per dag worden geboden;

  • de benodigde hulp moet op verschillende locaties worden geleverd;

  • als het noodzakelijk is om 24 uurs hulp op afroep te organiseren;

  • als de hulp door de aard van de beperking door een vaste hulpverlener moet worden geboden. Denk hierbij aan bijvoorbeeld een persoon met autisme of hechtingsproblematiek;

  • als het gaat om een hulpmiddel en de cliënt een duurder hulpmiddel wenst aan te schaffen dan waarin de gemeente voorziet. De meerkosten zijn dan voor eigen rekening.

Tot slot dient er rekening te worden gehouden met de behoeften van personen op het gebied van godsdienstige gezindheid, levensovertuiging of culturele achtergrond. Deze kunnen een reden vormen om te kiezen voor een pgb, omdat met het budget een aanbieder kan worden gecontracteerd bij de eigen levensovertuiging.

Kwaliteitseisen

De derde voorwaarde waar aan moet worden voldaan om in aanmerking te komen voor een pgb, is dat de kwaliteit van de door middel van het pgb in te kopen voorziening naar het oordeel van het college gewaarborgd moet zijn.

Voor formele jeugdhulp, die wordt ingekocht met het pgb, gelden dezelfde eisen als voor aanbieders die gecontracteerd zijn. Deze kwaliteitseisen staan in hoofdstuk 4 van de Jeugdwet (zoals de norm van verantwoorde werktoedeling, de verplichting van een VOG en het werken met familiegroepsplan). De landelijke Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ) houdt toezicht op het naleven van deze kwaliteitseisen. Het college moet daarnaast in het kader van de voorwaarden van kwaliteit beoordelen of de hulp die de jeugdprofessional/jeugdhulpaanbieder zal verlenen een passende oplossing biedt voor de hulpvraag van de jeugdige. Het gaat hier vooral om een toets op de doelmatigheid: gaat de in te zetten jeugdhulp een oplossing bieden voor de ontwikkeldoelen van de jeugdige.

Voor wat betreft formele Wmo ondersteuning die met behulp van een pgb wordt ingekocht worden de volgende kwaliteitscriteria gehanteerd in aanvulling op de eisen in de verordening:

  • De beoogde ondersteuner biedt de medewerker van de gemeentelijke toegang desgevraagd de informatie waarmee beoordeeld kan worden of de kwaliteit toereikend is;

  • De beoogde ondersteuner zet personeel in dat beschikt over de gangbare competenties en vaardigheden die nodig zijn om de benodigde activiteiten uit te voeren. De competenties en vaardigheden moeten in overeenstemming zijn met de in de relevante branches vastgestelde basiscompetentieprofielen (bcp's). Ook ingehuurd personeel en zelfstandigen zonder personeel moeten voldoen aan deze bcp's;

  • De beoogde ondersteuner stemt de werkzaamheden af op de persoonlijke situatie van de cliënt en op eventuele andere vormen van ondersteuning die de cliënt ontvangt;

  • De beoogde ondersteuner ziet erop toe dat beroepskrachten tijdens hun werkzaamheden in het kader van het leveren van voorzieningen handelen in overeenstemming met de professionele standaard.

Ook voor informele hulp moet de gemeente beoordelen of de kwaliteit van de hulp die deze persoon zal gaan bieden gewaarborgd is. Het college moet dus vaststellen of de kwaliteit van de hulp die de persoon uit het sociaal netwerk biedt, passend en toereikend is gelet op de problematiek en ontwikkelingsdoelen van de aanvrager. De medewerker van de gemeentelijke toegang moet hiervoor dus eerst altijd onderzoeken welke hulp er nodig is. Het gaat dan niet alleen om de vorm, frequentie en duur. Ook moet beoordeeld worden of de situatie van de aanvrager, professionele hulp noodzakelijk maakt, of dat de doelen ook bereikt kunnen worden als er hulp wordt geboden door een informele hulpverlener. Voorwaarde hierbij is altijd dat de beoogde informele hulpverlener meerderjarig is, zelf niet overbelast raakt door de uit te voeren ondersteuning en ook anderszins in staat is om de ondersteuning te verlenen.

Als de beoordeling van de situatie tot de conclusie leidt dat – gelet op de specifieke problematiek – alleen professionele hulp een doeltreffende oplossing voor de hulpvraag biedt, dan kan deze hulp niet door iemand uit het sociaal netwerk worden geboden. Professionele hulp betekent immers niet alleen dat er aan de hand van bepaalde methoden wordt gewerkt en de betreffende professional de noodzakelijke diploma’s heeft, maar ook dat de professional objectief en onafhankelijk kan handelen. Een persoon uit het sociale netwerk kan door zijn persoonlijke relatie met de aanvrager niet volledig objectief en onafhankelijk handelen.

Zorgovereenkomst en administratie

De aanvrager is verplicht voor de hulp die hij wenst in te kopen met een pgb een schriftelijke overeenkomst af te sluiten met de zorgverleners die hij daarvoor in wenst te schakelen. De SVB heeft modelovereenkomsten opgesteld. De budgethouders en degenen die de hulp gaan leveren moeten gebruik maken van deze modelovereenkomsten. De SVB toetst deze zorgovereenkomst aan arbeidsrechtelijke en fiscale juridische aspecten. De gemeente beoordeelt de overeenkomst op inhoudelijke gronden: welke hulp wordt ingekocht en is dit in lijn met het doel waarvoor het pgb is verstrekt? De budgethouder is verder verplicht een deugdelijke administratie te voeren ten aanzien van de besteding van het pgb.

4.2 Voorkoming en bestrijding oneigenlijk gebruik pgb

Hoewel de gemeente graag preventief te werk wil gaan om zo oneigenlijk gebruik en fraude te voorkomen, zal de gemeente ook toezicht houden op zowel de rechtmatigheid, doelmatigheid, kwaliteit als het te bereiken resultaat van de verstrekte voorziening. Hiervoor vindt standaard na een jaar een evaluatiegesprek plaats. De zorgverlener levert hiervoor een zorgplan aan waarin eventuele behaalde doelen/ resultaten staan beschreven.

De gemeente doet daarnaast periodiek onderzoek of er aanleiding is om het pgb te heroverwegen. Dit kan zijn door een huisbezoek af te leggen en/of alle administratie omtrent de pgb op te vragen en te toetsen. De budgethouder krijgt hier bericht over.

Oneigenlijk gebruik pgb

Als er sprake is van misbruik van de voorziening zal het college hier tegen optreden. De gemeente heeft een toezichthoudende verantwoordelijkheid. Bij een vermoeden of signaal van oneigenlijk gebruik van het pgb wordt dit gemeld bij de toezichthouder. Deze is conform artikel 4 van de Verordening aangewezen. De toezichthouder doet een gedegen onderzoek omtrent het vermoeden of signaal.

Handhaving wordt ingezet zodra blijkt dat het pgb niet rechtmatig, doelmatig, volgens kwaliteit- en resultaatsafspraken wordt ingezet. Dit gebeurt in overleg met de jeugdige en/of ouder(s) of cliënt betrokken medewerker van de gemeentelijke toegang en eventueel de betrokken zorgverlener.

De gemeente heeft op grond van artikel 8.1.4 Jeugdwet en 2.3.10 Wmo 2015 en artikel 20 en artikel 37 van de Verordening diverse mogelijkheden om een pgb te herzien of in te trekken en in bepaalde gevallen ook om het pgb terug te vorderen.

Hoofdstuk 5. Jaarlijkse waardering mantelzorgers

 

In dit hoofdstuk staan regels die aanvullend zijn op artikel 24 van de Verordening of hier een nadere uitleg aan geven.

Het college zorgt voor een jaarlijkse blijk van waardering voor de mantelzorgers van cliënten in de gemeente (zie artikel 2.1.6 van de Wmo 2015). Die mantelzorgers hoeven zelf dus niet in de gemeente te wonen. Het begrip ‘cliënten’ is hierbij breder dan alleen personen die gebruik maken van Wmo-ondersteuning. Het gaat om alle zorgvragers die ondersteunt worden door (één of) meerdere mantelzorger(s). Het criterium dat wordt gehanteerd is dat minimaal 8 uur mantelzorg per week verleend moet zijn gedurende minimaal de afgelopen 3 maanden.

De blijk van waardering bestaat uit tegoedbonnen met een totale waarde van € 35,-, welke ingeleverd kunnen worden bij deelnemende lokale ondernemers. Deze tegoedbonnen zijn aan te vragen door de zorgvrager zelf en die kan deze bonnen geven aan (één van) zijn mantelzorger(s).

Aanvragen is jaarlijks mogelijk in de periode februari tot en met april. De exacte periode wordt door Manteling kenbaar gemaakt. Bij bijzondere omstandigheden kan van deze periode worden afgeweken. De uitvoering van de mantelzorgwaardering is gemandateerd aan Manteling.

Het kan gebeuren dat een persoon niet aan de voorwaarden voldoet en dus geen bijdrage ontvangt. Hiertegen staat bezwaar en beroep open.

Hoofdstuk 6 Vormen van jeugdhulp

 

In dit hoofdstuk staan regels die aanvullend zijn op artikel 8 van de Verordening of hier een nadere uitleg aan geven.

Vervoersdiensten

 

  • 1.

    Een jeugdige komt in aanmerking voor een vervoersvoorziening op basis van de jeugdwet naar een locatie, waar de meest doelmatige jeugdzorg wordt geboden, als:

    • a.

      de zorg medisch noodzakelijk is en;

    • b.

      de jeugdige niet op eigen gelegenheid naar de locatie kan reizen én;

    • c.

      er sprake is van beperkingen in de zelfredzaamheid van de ouders én;

    • d.

      er geen sprake is van mogelijkheden in de sociale omgeving van de jeugdige om het vervoer te kunnen verzorgen;

    • e.

      de locatie waar de zorg wordt geboden verder is dan zes kilometer van het adres waar de jeugdige op basis van het woonplaatsbeginsel woonachtig is

    • f.

      van het zes kilometer-criterium kan worden afgeweken indien maatwerk nodig is.

 

  • 2.

    De vervoersvoorziening kan bestaan uit het vervoer door derden in opdracht van de zorgaanbieder of het college,

    • a.

      een vergoeding voor een openbare vervoersvoorziening tegen de laagste klasse,

    • b.

      een vergoeding voor een openbare vervoersvoorziening tegen de laagste klasse, met begeleiding

    • c.

      een kilometervergoeding van € 0,19 per kilometer

    • d.

      aangepast vervoer (taxiververvoer) indien voorgaande mogelijkheden niet tot de opties behoren

 

Crisis

Spoedeisende gevallen:

In geval van spoed, crisis en dwang treft het college direct een tijdelijke voorziening. Er wordt achteraf beschikt, waarbij in eerste instantie uit wordt gegaan van kortdurende hulp.

Bij spoed is een beschikking achteraf mogelijk mits er multidisciplinair overleg is geweest met het netwerk (tenzij de veiligheid dat verhindert; professional moet dit kunnen motiveren). Gemotiveerd kan worden waarom deze zorg, met spoed, noodzakelijk is.

Voor crisis en dwang is een beschikking achteraf mogelijk, mits:

Het protocol met de Raad voor de Kinderbescherming toegepast werd en gemotiveerd kan worden waarom deze zorg noodzakelijk is.

 

 

Vastgesteld in de vergadering van burgemeester en wethouders van de gemeente Vlissingen op 15 december 2020.

Drs. A.R.B. van den Tillaar, burgemeester

Mr. drs. ing. M. van Vliet, secretaris