Gemeenteblad van Beek

Datum publicatieOrganisatieJaargang en nummerRubriek
BeekGemeenteblad 2020, 340126Beleidsregels



Beleidsregels bestuurlijke boete Participatiewet, IOAW en IOAZ gemeente Beek 2018

Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Beek;

 

Gelet op:

• artikel 18a van de Participatiewet;

• artikel 20a van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte

werkloze werknemers;

• artikel 20a van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen;

• artikel 2 Boetebesluit socialezekerheidswetten;

 

Overwegende dat het wenselijk is om regels vast te stellen over het gebruik van de in

bovenvermelde bepalingen neergelegde bevoegdheden tot het opleggen van de bestuur-lijke

boete;

 

Besluit vast te stellen:

 

Beleidsregels bestuurlijke boete Participatiewet, IOAW en IOAZ gemeente Beek 2018.

 

 

 

 

Artikel 1. Begripsomschrijvingen

a) IOAW: Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers

b) IOAZ: Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen

c) Inlichtingenplicht: verplichting genoemd in artikel 17, eerste lid van de Participatiewet, artikel 13, eerste lid van de IOAW en artikel 13, eerste lid van de IOAZ;

d) College: college van burgemeester en wethouders van de gemeente Beek.

e) Benadelingsbedrag: Het ten onrechte of een te hoog ontvangen bedrag aan bijstand als gevolg van het niet of niet behoorlijk voldoen aan de inlichtingenbijstand en dat niet meer verrekend kan worden met de lopende uitkering.

 

Artikel 2. Schending Inlichtingenplicht

Het niet, niet behoorlijk of niet tijdig voldoen aan de inlichtingenplicht is een overtreding die

wordt gesanctioneerd met een boete of een waarschuwing. Er wordt tijdig voldaan aan de inlichtingenplicht indien de vereiste inlichtingen worden verstrekt uiterlijk de eerste dag van de maand, die volgt op de maand waarin de wijziging zich heeft voorgedaan.

 

Artikel 3. Afstemming van de boete op de financiële omstandigheden

1. De hoogte van de boete wordt als volgt bepaald in combinatie met de ernst van de ge-draging;

a. bij opzet bedraagt de maximale boete een bedrag ter hoogte van 24 maal het bedrag boven de niet-gecorrigeerde beslagvrije voet

b. bij grove schuld bedraagt de maximale boete een bedrag ter hoogte van 18 maal het bedrag boven de niet-gecorrigeerde beslagvrije voet

c. bij normale verwijtbaarheid bedraagt de maximale boete een bedrag ter hoogte van 12 maal het bedrag boven de niet-gecorrigeerde beslagvrije voet

d. bij verminderde verwijtbaarheid bedraagt de maximale boete een bedrag ter hoogte van 6 maal het bedrag boven de niet-gecorrigeerde beslagvrije voet

 

2. Indien de belanghebbende ten tijde van het opleggen van de boete andere inkomsten of vermogen heeft dan een uitkering:

a. En bekend is hoe hoog deze inkomsten zijn, dan wordt de hoogte van de maximale boete vastgesteld door het bedrag van de niet-gecorrigeerde be-slagvrije voet, in mindering te brengen op het netto inkomen per maand en het verschil bij opzet met 24 te vermenigvuldigen, bij grove schuld met 18, bij normale verwijtbaarheid met 12 en bij verminderde verwijtbaarheid met 6;

b. En géén medewerking verleent om inzicht te bieden in de hoogte van de in-komsten of vermogen, dan wordt bij de bepaling van de boete geen rekening gehouden met de draagkracht.

 

 

Artikel 4. Draagkracht

1. De fictieve draagkracht wordt vastgesteld op basis van de beslagvrije voet genoemd in artikel 475d Rv, waarbij geen rekening wordt gehouden met de verhogingen in dat artikel genoemd.

2. Het college zal per individueel geval beoordelen of het vermogen wordt betrokken bij de vaststelling van de draagkracht.

3. Bij recidive wordt de maximale aflossingsduur, bepaald door de mate van verwijtbaar-heid, ook gerespecteerd bij de bepaling van de hoogte van de recidive-boete.

 

 

Artikel 5. Waarschuwing in plaats van boete

Het college ziet af van een bestuurlijk boete en volstaat met het geven van een schriftelijke

waarschuwing, waarbij ten volle de mogelijkheden worden benut zoals genoemd in artikel

2aa “Waarschuwing” van het Boetebesluit socialezekerheidswetten.

 

Artikel 6. Kwijtschelding

Het college kan gebruik maken van de bevoegdheid om onder de voorwaarden zoals in ar-ti-

kel 18a lid 13 en 14 van de Participatiewet en artikel 20a lid 12 en 13 van de IOAW en de IOAZ gesteld, kwijtschelding van een opgelegde boete te verlenen in verband met toegang tot een minnelijke schuldenregeling.

 

Artikel 7. Hardheidsclausule

Het college kan in bijzondere gevallen gemotiveerd afwijken van de bepalingen in deze re-ge-

ling, indien toepassing ervan tot kennelijke onredelijkheid en onbillijkheid leidt.

 

Artikel 8. Intrekken, inwerkingtreding en citeertitel

1. Deze beleidsregels treden in werking op 1 januari 2018 onder gelijktijdige intrekking van de ‘Beleidsregels bestuurlijke boete Participatiewet, IOAW en IOAZ gemeente Beek’.

2. Deze beleidsregels worden aangehaald als ‘Beleidsregels bestuurlijke boete

Participatiewet, IOAW en IOAZ gemeente Beek 2018’.

 

 

Aldus besloten door het college van de gemeente Beek in zijn vergadering

van 15 december 2020.

BURGEMEESTER EN WETHOUDERS VAN BEEK

Paul de Jonge Christine van Basten-Boddin

Waarnemend gemeentesecretaris Burgemeester

Toelichting Algemeen

 

Deze beleidsregels zijn het sluitstuk van de eerdere jurisprudentie in 2014 en 2015, de daar-door gewijzigde wetten per 1 januari 2017 (waaronder Participatiewet en IOAW en IOAZ), en het gewijzigde Boetebesluit Socialezekerheidswetten. Samen maken de wet, het besluit en de keuzes die het college maakt in de bevoegdheden die wet en het besluit bieden, de uitvoering duidelijk naar de burger.

 

Handhaving omvat een breed scala aan instrumenten die moeten voorkomen dat burgers onterecht een uitkering ontvangen, met als sluitstuk het opleggen van een sanctie bij overtreding van de regels. Per 1 januari 2013 is de Wet Aanscherping handhaving en sanctie-beleid SZW-wetgeving in werking getreden. Deze wet heeft als uitgangspunten solidariteit, preventie, fraude mag niet lonen en straffen is geen doel op zich.

 

Deze wet is aangepast per 1 januari 2017. Door deze wetswijziging is de gemeente verplicht om bij schending inlichtingenplicht de boete af te stemmen op de individuele situatie van de persoon in combinatie met de verwijtbaarheid. Naar aanleiding van jurisprudentie in 2015 en 2016 is nu wettelijk vastgelegd, dat iemand in de uiterste situatie door een boete niet langer dan twee jaar onder het minimum mag leven. De afstemming van de boete op de verwijtbaarheid en de ernst van de gedraging, heeft als basis schuld, waarbij van 50% bij gemiddelde verwijtbaarheid wordt uitgegaan en niet meer de 100% die eerder automatisch werd opgelegd als basis. Samen vormen deze twee criteria de waarborg dat bij de opleg-ging van een boete getoetst moet zijn aan de evenredigheid.

 

Artikelsgewijs

 

Artikel 1

Ten opzichte van de vorige beleidsregels is het basisboetebedrag niet meer van toepassing, een gefixeerde boete mag niet meer automatisch worden opgelegd.

 

Artikel 2

Eerste lid, het verstrekken van inlichtingen betreffende wijzigingen die van belang kunnen zijn voor het bepalen van het recht op uitkering moeten via het mutatieformulier aangeleverd worden bij het college uiterlijk de eerste dag van de maand, die volgt op de maand waarin de wijziging heeft plaatsgevonden. Het college sluit bij boeteoplegging volledig aan bij het Boetebesluit socialezekerheidswet-

ten.

 

Artikel 3

Afstemmen op de individuele, dus ook financiële situatie is nodig om te voorkomen dat iemand door een boete langdurig onder het bestaansminimum moet leven. Het college moet rekening houden met de fictieve draagkracht.

 

Het college mag er vanuit gaan dat de cliënt over minimale draagkracht beschikt en hoeft deze niet nogmaals vast te stellen en niet opnieuw te vragen. Voor een niet-cliënt op het moment van boeteoplegging (o.a. personen met een inkomen net boven minimum), die mogelijk wél over voldoende middelen en/of vermogen kan beschikken moet het college de boete dus ook afstemmen op de financiële situatie. Als een cliënt is uitgestroomd is het aan de belanghebbende om aan te tonen of zijn draagkracht mee moet wegen in het bepalen van de hoogte van de boete. Het college moet hier wel actief om vragen en uitleggen dat de financiële draagkracht van invloed is op de hoogte van de boete. De bewijslast ligt bij belanghebbende.

Het vragen naar en wijzen op de invloed van draagkracht op de boete doet het college bij het voornemen tot opleggen van de boete.

 

Artikel 4

De fictieve draagkracht voor de bepaling van de maximale boete, is het bedrag boven de beslagvrije voet, welk bedrag niet gecorrigeerd wordt met de verhogingen geregeld in artikel 475d Rv. In 2016 is dat 90% van de bijstandsnorm. De basis is de bijstandsnorm voor die cliënt ten tijde van boeteoplegging. Bij de kostendelersnorm wordt er in een gelijke verhouding met de bijstandsnorm, een bedrag bepaald dat maximaal beschikbaar is als fictieve draagkracht voor de boete. De periode die volgt uit de verwijtbaarheid maal bovenstaande maandelijkse bedrag aan aflossingscapaciteit is de maximale boete. Dit wordt ook bij recidive gerespecteerd.

 

Artikel 5

Dit artikel behoeft geen nadere toelichting.

 

Artikel 6

Vanaf 1 januari 2017 is het verbod op meewerken door het college aan een minnelijke schuldregeling opgeheven, voor zover het een bestuurlijke boete betreft en het college werkt hieraan mee. Conform de wet kan het besluit tot kwijtschelding weer teruggedraaid worden als binnen 5 jaar na dit besluit weer een overtreding door eenzelfde gedraging wordt begaan.

 

Artikel 7

Bepaald is dat het bestuur in gevallen waarin de beleidsregels niet voorzien kan afwijken van deze beleidsregels.

 

Artikel 8

Dit artikel behoeft geen nadere toelichting.