Gemeenteblad van Noordwijk

Datum publicatieOrganisatieJaargang en nummerRubriek
NoordwijkGemeenteblad 2020, 339382Verordeningen



Verordening van de gemeenteraad van de gemeente Noordwijk houdende regels omtrent de bedrijveninvesteringszone Gravendam (Verordening bedrijveninvesteringszone Gravendam 2016)

[Deze regeling is oorspronkelijk vastgesteld door de gemeenteraad van de voormalige gemeente Noordwijkerhout. Op 16 december 2020 heeft de gemeenteraad van de gemeente Noordwijk deze regeling bekrachtigd. Dit besluit is bekendgemaakt in Gemeenteblad 2020, 338905.]

 

De raad van de gemeente Noordwijkerhout;

 

gelezen het voorstel van burgemeester en wethouders van 12 april 2016

 

gelet op de artikelen 1, eerste, derde en vierde lid, 2, zesde lid, 3, eerste lid, en 7, eerste en vierde lid, van de Wet op de bedrijveninvesteringszones;

 

gezien de uitvoeringsovereenkomst van 20 april 2016 gesloten met BIZ-vereniging Gravendam en het advies van commissie Ruimte en Wonen;

 

besluit vast te stellen de Verordening bedrijveninvesteringszone Gravendam 2016.

 

Artikel 1 Begripsomschrijvingen

Deze verordening verstaat onder:

 

  • -

    bedrijveninvesteringszone: het bij deze verordening aangewezen gebied in de gemeente waarbinnen de BIZ-bijdrage wordt geheven. Het aangewezen gebied is vermeld op de bij deze verordening behorende en daarvan deel uitmakende kaart;

  • -

    college: college van burgemeester en wethouders van de gemeente;

  • -

    uitvoeringsovereenkomst: tussen de gemeente en de BIZ-vereniging Gravendam op 20 april 2016 gesloten overeenkomst als bedoeld in artikel 7, derde lid, van de wet;

  • -

    wet: Wet op de bedrijveninvesteringszones.

Hoofdstuk II Belastingbepalingen

Artikel 2 Belastbaar feit en aard van de belasting

  • 1.

    Onder de naam ‘BIZ-bijdrage’ wordt jaarlijks een directe belasting geheven ter zake van binnen de bedrijveninvesteringszone gelegen onroerende zaken die op grond van artikel 220a Gemeentewet niet in hoofdzaak tot woning dienen.

  • 2.

    De BIZ-bijdrage wordt geheven ter bestrijding van de kosten die zijn verbonden aan activiteiten in de openbare ruimte en op internet, die zijn gericht op het bevorderen van de leefbaarheid of de veiligheid in de bedrijveninvesteringszone of de ruimtelijke kwaliteit of de economische ontwikkeling van de bedrijveninvesteringszone.

Artikel 3 Belastingobject

Belastingobject is de onroerende zaak bedoeld in artikel 16 van de Wet waardering onroerende zaken.

Artikel 4 Belastingplicht

  • 1.

    Onder de naam ‘BIZ-bijdrage’ wordt jaarlijks een directe belasting geheven ter zake van binnen de bedrijveninvesteringszone gelegen onroerende zaken die op grond van artikel 220a Gemeentewet niet in hoofdzaak tot woning dienen.

  • 2.

    Voor de toepassing van dit artikel wordt:

    • a.

      gebruik door degene aan wie een deel van een belastingobject in gebruik is gegeven, wordt aangemerkt als gebruik door degene die dat deel in gebruik heeft gegeven; degene die het deel in gebruik heeft gegeven, is bevoegd de BIZ-bijdrage als zodanig te verhalen op degene aan wie dat deel in gebruik is gegeven;

    • b.

      het ter beschikking stellen van een belastingobject voor volgtijdig gebruik aangemerkt als gebruik door degene die dat belastingobject ter beschikking heeft gesteld; degene die het belastingobject ter beschikking heeft gesteld is bevoegd de BIZ-bijdrage als zodanig te verhalen op degene aan wie dat belastingobject ter beschikking is gesteld;

    • c.

      als eigenaar aangemerkt degene die bij het begin van het kalenderjaar als zodanig in de basisregistratie kadaster is vermeld, tenzij blijkt dat hij op dat tijdstip geen genothebbende krachtens eigendom, bezit of beperkt recht is.

    Indien een belastingobject bij het begin van het kalenderjaar geen gebruiker kent, wordt voor het belastingobject geen BIZ-bijdrage geheven.

Artikel 5 Maatstaf van heffing

  • 1.

    De BIZ-bijdrage wordt geheven naar de op de voet van hoofdstuk IV van de Wet waardering onroerende zaken voor het belastingobject vastgestelde waarde zoals deze geldt voor het kalenderjaar 2017.

  • 2.

    Indien met betrekking tot het belastingobject geen waarde is vastgesteld op de voet van hoofdstuk IV van de Wet waardering onroerende zaken wordt de heffingsmaatstaf van dat belastingobject bepaald met toepassing van artikel 6, alsmede met overeenkomstige toepassing van het bepaalde bij of krachtens de artikelen 17, 18 en 20, tweede lid, van de Wet waardering onroerende zaken.

Artikel 6 Vrijstellingen

  • 1.

    In afwijking in zoverre van artikel 5 wordt bij de bepaling van de heffingsmaatstaf buiten aanmerking gelaten, voor zover dit niet al is gebeurd bij de bepaling van de in dat artikel bedoelde waarde, de waarde van:

    • a.

      voor de land- of bosbouw bedrijfsmatig geëxploiteerde cultuurgrond, daaronder mede begrepen de open grond, alsmede de ondergrond van glasopstanden, die bedrijfsmatig aangewend wordt voor de kweek of teelt van gewassen, zonder daarbij de ondergrond als voedingsbodem te gebruiken;

    • b.

      glasopstanden, die bedrijfsmatig worden aangewend voor de kweek of teelt van gewassen, voor zover de ondergrond daarvan bestaat uit de in onderdeel a bedoelde grond;

    • c.

      onroerende zaken die in hoofdzaak zijn bestemd voor de openbare eredienst of voor het houden van openbare bezinningssamenkomsten van levensbeschouwelijke aard, een en ander met uitzondering van delen van zodanige onroerende zaken die dienen als woning;

    • d.

      één of meer onroerende zaken die deel uitmaken van een op de voet van de Natuurschoonwet 1928 aangewezen landgoed dat voldoet aan de voorwaarden genoemd in artikel 8 van het Rangschikkingsbesluit Natuurschoonwet 1928, met uitzondering van de daarop voorkomende gebouwde eigendommen;

    • e.

      natuurterreinen, waaronder mede worden verstaan duinen, heidevelden, zandverstuivingen, moerassen en plassen, die door rechtspersonen met volledige rechtsbevoegdheid welke zich uitsluitend of nagenoeg uitsluitend het behoud van natuurschoon ten doel stellen, beheerd worden;

    • f.

      openbare land- en waterwegen en banen voor openbaar vervoer per rail, een en ander met inbegrip van kunstwerken;

    • g.

      waterverdedigings- en waterbeheersingswerken die worden beheerd door organen, instellingen of diensten van publiekrechtelijke rechtspersonen, met uitzondering van de delen van zodanige werken die dienen als woning;

    • h.

      werken die zijn bestemd voor de zuivering van riool- en ander afvalwater en die worden beheerd door organen, instellingen of diensten van publiekrechtelijke rechtspersonen, met uitzondering van de delen van zodanige werken die dienen als woning;

    • i.

      werktuigen die van een onroerende zaak kunnen worden afgescheiden zonder dat beschadiging van betekenis aan die werktuigen wordt toegebracht en die niet op zichzelf als gebouwde eigendommen zijn aan te merken;

    • j.

      belastingobjecten voor zover die bestemd en in gebruik zijn voor de publieke dienst van de gemeente;

    • k.

      straatmeubilair, waaronder begrepen alle zodanige gebouwde eigendommen - niet zijnde gebouwen - welke zijn geplaatst voor het belang van het publiek, ten dienste van het verkeer of ter verfraaiing van de gemeente, zoals lichtmasten, verkeersinstallaties, standbeelden, monumenten, fonteinen, banken, abri's, hekken en palen;

    • l.

      plantsoenen, parken en waterpartijen, die bij de gemeente in beheer zijn of waarvan de gemeente het genot heeft krachtens eigendom, bezit of beperkt recht, met uitzondering van delen van zodanige onroerende zaken die dienen als woning;

    • m.

      begraafplaatsen, urnentuinen en crematoria, met uitzondering van delen van zodanige onroerende zaken die dienen als woning;

    • n.

      belastingobjecten voor zover die bestemd en in gebruik zijn voor het geven van onderwijs;

    • o.

      belastingobjecten die worden beheerd door een vereniging of stichting die geen onderneming drijft, voor zover die objecten bestemd en in gebruik zijn voor het geven van onderwijs, voor club- en buurthuiswerk, voor de beoefening van sport, kunst of cultuur, of voor andere activiteiten van sociale of culturele aard;

    • p.

      belastingobjecten voor zover die bestemd en in gebruik zijn voor de publieke dienst ter zake van brandweerzorg, rampenbeheersing, crisisbeheersing, geneeskundige hulpverlening in de regio en de handhaving van de openbare orde en veiligheid.

    In afwijking in zoverre van artikel 5 wordt bij de bepaling van de heffingsmaatstaf voor de BIZ-bijdrage van de gebruiker buiten aanmerking gelaten de waarde van gedeelten van het belastingobject die in hoofdzaak tot woning dienen dan wel in hoofdzaak dienstbaar zijn aan woondoeleinden.

Artikel 7 Tarief BIZ-bijdrage

  • 1.

    Het tarief van de BIZ-bijdrage bedraagt jaarlijks voor de gebruiker het bedrag zoals aangegeven in onderstaande tabel gebaseerd op de heffingsmaatstaf voor het kalenderjaar 2017.

    Woz - waarde van

    tot Woz - aarde

    bijdrage

    € 0

    € 100.000

    € 100

    € 100.001

    € 200.000

    € 125

    € 200.001

    € 300.000

    € 150

    € 300.001

    € 400.000

    € 200

    € 400.001

    € 500.000

    € 250

    € 500.001

    € 800.000

    € 300

    € 800.001

    € 1.000.000

    € 350

    € 1.000.001

    € 1.500.000

    € 450

    € 1.500.001

    € 2.000.000

    € 550

    > € 2.000.000

    € 600

  • 2.

    Bij een heffingsmaatstaf van minder dan €10.000 wordt geen BIZ-bijdrage geheven.

  • 3.

    Voor belastingbedragen tot €10 vindt geen invordering plaats. Voor de toepassing van de vorige volzin wordt het totaal van de op een aanslagbiljet verenigde verschuldigde bedragen aangemerkt als één belastingbedrag.

Artikel 8 Wijze van heffing

De BIZ-bijdrage wordt jaarlijks bij wege van aanslag geheven.

Artikel 9 Termijnen van betaling

  • 1.

    In afwijking van artikel 9, eerste lid, van de Invorderingswet 1990 worden de aanslagen betaald in twee gelijke termijnen waarvan de eerste vervalt op de laatste dag van de maand volgend op de maand die in de dagtekening van het aanslagbiljet is vermeld en de tweede twee maanden later.

  • 2.

    De Algemene termijnenwet is niet van toepassing op de in het eerste lid gestelde termijnen.

Artikel 10 Looptijd belastingheffing

De BIZ-bijdrage wordt ingesteld voor een periode van 5 jaar.

Artikel 11. Nadere regels door het college

Het college kan nadere regels stellen met betrekking tot de heffing en de invordering van de BIZ-bijdrage

Hoofdstuk III Subsidiebepalingen

Artikel 12 Aanwijzing vereniging

BIZ-vereniging Gravendam wordt aangewezen als de vereniging bedoeld in artikel 7 van de wet.

Artikel 13 Buiten toepassing algemene subsidieverordening

Op de subsidie bedoeld in artikel 14 is de algemene subsidieverordening Noordwijkerhout niet van toepassing.

Artikel 14 Subsidievaststelling

  • 1.

    De subsidie voor de uitvoering van de activiteiten die zijn opgenomen in de uitvoeringsovereenkomst wordt verstrekt aan de in artikel 12 aangewezen vereniging.

  • 2.

    De subsidie bedraagt maximaal het bedrag van de jaarlijks te ontvangen BIZ-bijdragen.

  • 3.

    Voor zover dit niet reeds is geschied in de uitvoeringsovereenkomst, kan het college nadere regels stellen met betrekking tot de verplichtingen van de subsidieontvanger.

Hoofdstuk IV Slotbepalingen

Artikel 15 Inwerkingtreding

  • 1.

    Deze verordening treedt in werking met ingang van deachtste dag nadat het college heeft bekendgemaakt dat van voldoende steun als bedoeld in artikel 4 van de wet is gebleken.

  • 2.

    De datum van ingang van de heffing is 1 januari 2017

Artikel 16 Citeertitel

Deze verordening wordt aangehaald als: Verordening bedrijveninvesteringszone Gravendam 2016

 

Aldus vastgesteld in de openbare raadsvergadering van 28 april 2016.

de voorzitter,

drs. G. Goedhart

de griffier,

mr. drs. C.B.H. Heusingveld

Toelichting op de verordening bedrijveninvesteringszone

 

A Algemeen

 

1 Inleiding

 

Van 2009 tot en met 2011 maakte de Experimentenwet bedrijveninvesteringszones het mogelijk dat ondernemers gezamenlijk investeren in een veilige en aantrekkelijke bedrijfsomgeving, waarbij alle ondernemers meebetalen. Het instrument dat hiervoor wordt ingezet, is een gebiedsgerichte heffing die door de gemeente op verzoek van een (nader bepaalde) meerderheid van de ondernemers kan worden ingesteld. Uit de evaluatie van deze experimentenwet is naar voren gekomen dat het opnieuw en permanent beschikbaar stellen van deze faciliteit gewenst is. Om die reden heeft de regering in april 2014 het voorstel voor de Wet op de bedrijveninvesteringszones (Wet BIZ; Kamerstukken 33 917) naar het parlement gestuurd. De wet van 19 november 2014 is gepubliceerd in Stb. 2014, 506 (ingangsdatum: Stb. 2014, 507).

 

2 Doel van de Wet BIZ

 

Zowel ondernemers als gemeenten hebben belang bij investeringen in de bedrijfsomgeving. Voor het bedrijfsleven is de kwaliteit en veiligheid van de bedrijfsomgeving een belangrijke factor voor de aantrekkelijkheid van een onderneming voor klanten. Voor de lokale overheid is een veilige en leefbare openbare ruimte van belang om bedrijven (werkgelegenheid) en bezoekers aan te trekken. Een leefbare bedrijfsomgeving heeft invloed op de leefbaarheid van het omliggende gebied; burgers willen een veilige en leefbare omgeving om in te werken, te wonen en te winkelen. Het collectieve belang van de ondernemers valt op deze punten samen met het algemene belang van een kwalitatief hoogwaardige bedrijfsomgeving. Gezamenlijke investeringen liggen voor de hand omdat dit synergievoordelen oplevert en het effect van de investeringen groter wordt.

 

Gemeenten hebben met de Wet BIZ de bevoegdheid om een gebied aan te wijzen (de bedrijveninvesteringszone (BIZ)) waarbinnen een bestemmingsbelasting (de BIZ-bijdrage) mag worden geheven ter financiering van door een meerderheid van de bijdrageplichtigen gewenste extra voorzieningen. De voorzieningen dienen zowel het gezamenlijk belang van de ondernemers als het algemeen belang. De BIZ kan echter niet worden ingezet voor de financiering van concrete verantwoordelijkheden die de wetgeving exclusief aan de gemeente opdraagt. De BIZ is alleen bedoeld om een hogere kwaliteit aan voorzieningen tot stand te brengen die de gemeente op grond van een optimale verdeling van de beschikbare middelen zelf niet kan en hoeft te realiseren.

 

Hoewel de Wet BIZ evenals de Experimentenwet BIZ vooral bedoeld is om ondernemers te faciliteren, is de wettelijke opzet ruimer. Door de gekozen begrippen zijn alle gebruikers en/of eigenaren van niet-woningen in de bedrijveninvesteringszone onderworpen aan de BIZ-bijdrage. Naast ondernemers die commerciële activiteiten verrichten, kunnen dat ook maatschappelijke organisaties zonder winstoogmerk zijn zoals club- en buurthuizen, sportverenigingen, culturele instellingen, kerken of overheidsinstellingen. Ondanks deze nuancering zal hierna kortweg steeds over ondernemers worden gesproken.

 

3 Stappenplan

 

In de kern komt de opzet van de Wet BIZ erop neer dat de gemeente haar exclusieve recht om belastingen te heffen, inzet om initiatieven van een groep ondernemers te financieren. Om die reden is de Wet BIZ gebouwd op een groot aantal waarborgen tussen initiatief en uitvoering. Na een informele fase waarin eerst de ondernemers onderling en vervolgens met de gemeente de mogelijkheden voor een bedrijveninvesteringszone verkennen, volgt de formele fase die bestaat uit (1) de oprichting van een BIZ-organisatie, (2) het opstellen van een uitvoeringsovereenkomst (3) het vaststellen van een verordening (4) een draagvlakmeting en (5) inwerkingtreding van de verordening. Deze opzet leidt tot het volgende stappenplan.

 

Stap 1 - Ondernemersinitiatief

 

De bedrijveninvesteringszone is er voor en door ondernemers. Het is dus aan de ondernemers in een bepaald gebied om met elkaar te bekijken of zij in hun gebied activiteiten willen uitvoeren om de aantrekkelijkheid en veiligheid van dat gebied te verbeteren. De wetgever gaat ervan uit dat de initiatiefnemers de animo voor hun plannen bij de overige ondernemers in het gebied toetsen en vervolgens in onderling overleg de plannen uitwerken in een projectplan. Overigens bleek tijdens de experimentenwet dat ondernemers voor raad en advies vaak ook terechtkonden bij adviseurs van de Kamer van Koophandel en gemeentelijke gebiedsmanagers.

 

Aandachtspunten bij een projectplan zijn:

 

  • -

    Wat willen de ondernemers bereiken met de BIZ?

  • -

    Welke activiteiten willen zij daartoe gaan ontplooien?

  • -

    In welke periode willen zij dat bereiken (maximaal 5 jaar)?

  • -

    Wat zijn de kosten?

  • -

    Hoe moeten deze kosten worden verdeeld?

  • -

    Hoe groot is het gebied van de bedrijveninvesteringszone en hoe wordt de zone afgebakend?

  • -

    Hoe wordt de organisatie geregeld?

Maar ook:

 

  • -

    Wat gaat er gebeuren als er te weinig geld is, of juist te veel geld?

  • -

    Wat gebeurt er als een bedrijveninvesteringszone tussentijds wordt opgeheven?

De ervaring leert dat stap 1 een van de allerbelangrijkste fases is die tijd kost omdat de ondernemers onderling draagvlak voor de plannen moeten creëren.

 

Stap 2 - Overleg met gemeente

 

Zodra de initiatiefnemers een goed beeld hebben van de wensen en de mogelijke uitvoering ervan, start het overleg met de gemeente. De ondernemers en de gemeente bekijken samen de plannen. Passen de plannen wel binnen de kaders van de wet? In hoeverre voert de gemeente de activiteiten al uit? Is de gemeente bereid een deel extra bij te dragen?

 

Stap 1 en stap 2 lopen door elkaar heen. Eerst moeten ondernemers een goed beeld hebben van wat zij willen. Maar door in een vroeg stadium al met de gemeente te overleggen kunnen de ondernemers sneller tot een concreet eindplan komen en kunnen eventuele teleurstellingen worden voorkomen.

 

Stap 3 - Oprichten BIZ-organisatie

 

Als duidelijk is dat bij de ondernemers een breed draagvlak is voor hun plan en de gemeente bereidheid heeft getoond hieraan mee te werken, richten de ondernemers een vereniging of stichting op die de bedrijveninvesteringszone gaat uitvoeren. Artikel 7 Wet BIZ stelt speciale eisen aan de inhoud van de statuten van deze BIZ-organisatie. Zo mag de BIZ-organisatie zich alleen bezighouden met de uitvoering van de BIZ-activiteiten. Als de BIZ-organisatie een vereniging is, moeten daarnaast de betrokken ondernemers tegen betaling van een kleine contributie lid kunnen worden van die vereniging. Bij een stichting moeten de betrokken ondernemers in voldoende mate bij het bestuur betrokken zijn.

 

Stap 4 - Uitvoeringsovereenkomst

 

Voordat de gemeenteraad de BIZ-verordening vaststelt, moet het college met de BIZ-organisatie een zogenoemde uitvoeringsovereenkomst hebben gesloten. Deze overeenkomst bevat de afspraken tussen de ondernemers en de gemeente. De meeste zaken kunnen direct overgenomen worden van het projectplan, zoals de doelstelling van BIZ, het tijdpad en dergelijke. Daarnaast kunnen afspraken worden vastgelegd over een eventuele extra subsidie van de gemeente, en over de verdeling van de perceptiekosten die de gemeente in rekening kan brengen.

 

Uit de Wet BIZ kan worden opgemaakt dat de uitvoeringsovereenkomst in ieder geval het volgende moet regelen:

 

  • -

    de activiteiten die de BIZ-organisatie gaat uitvoeren gedurende de verschillende jaren van de BIZ;

  • -

    het minimale niveau van dienstverlening van de gemeente voor de periode van de BIZ-bijdrage (de zogenoemde service level agreement (SLA));

  • -

    de verplichting dat de BIZ-organisatie de activiteiten verricht waarvoor de subsidie wordt verstrekt.

Stap 5 – BIZ-verordening

 

De gemeenteraad kan de BIZ-verordening vaststellen nadat de initiatieven voldoende zijn uitgewerkt en de afspraken zijn vastgelegd in de uitvoeringsovereenkomst. De BIZ-verordening is tweeledig. Enerzijds regelt de verordening de noodzakelijke voorwaarden om de BIZ-bijdrage te kunnen heffen en invorderen. Anderzijds regelt de BIZ-verordening dat de belastingopbrengst als subsidie zal worden verstrekt aan de BIZ-organisatie.

 

Stap 6 - Draagvlakmeting

 

Als de gemeenteraad instemt met de BIZ-verordening kan de verordening pas in werking treden nadat een draagvlakmeting is gehouden. Uit de draagvlakmeting moet blijken of de bedrijveninvesteringszone op voldoende steun onder de ondernemers in het gebied kan rekenen. Van voldoende steun is sprake als aan de volgende vereisten is voldaan:

 

  • -

    De respons bij de draagvlakmeting is minimaal 50%.

  • -

    Van de respondenten is minimaal 2/3 voor.

  • -

    En bij een tarief afhankelijk van de WOZ-waarde: de voorstemmers vertegenwoordigen meer WOZ-waarde dan de tegenstemmers.

Als zowel eigenaren als gebruikers de BIZ-bijdrage moeten gaan betalen, vindt de hiervoor beschreven toets plaats voor alle belanghebbenden gezamenlijk. Aanvullend daarop moet er ook onder de eigenaren en onder de gebruikers voldoende draagvlak zijn. Dit zal moeten blijken uit de volgende aanvullende vereisten:

 

  • -

    De respons van de betrokken eigenaren bij de draagvlakmeting is minimaal 50%.

  • -

    De respons van de betrokken gebruikers bij de draagvlakmeting is minimaal 50%.

  • -

    Van de responderende eigenaren heeft ten minste 50% zich voor inwerkingtreding uitgesproken.

  • -

    Van de responderende gebruikers heeft ten minste 50% zich voor inwerkingtreding uitgesproken.

Zodra de gemeenteraad de BIZ-verordening heeft vastgesteld, organiseert de gemeente de draagvlakmeting. Deze wordt dus georganiseerd in de loop van het jaar (en niet op 1 januari).

 

De draagvlakmeting vindt plaats onder de potentiële belastingplichtigen ten tijde van die draagvlakmeting. Dit vereiste brengt met zich dat de gemeente niet een-op-een de bestanden van de aanslagregeling in het jaar van de draagvlakmeting kan volgen, maar op zijn minst moet nagaan welke mutaties er hebben plaatsgevonden tot aan de draagvlakmeting.

 

Het college is verantwoordelijk voor de draagvlakmeting en moet ervoor zorgen dat alle bijdrageplichtigen zijn geïnformeerd over de strekking van de verordening. Daarnaast moet het college waarborgen dat de schriftelijke draagvlakmeting vertrouwelijk plaatsvindt. Omdat het college verantwoordelijk is voor de draagvlakmeting, zal hij ook de uitslag moeten vaststellen. Naast een (verkorte) weergave van de uitslag, kan dit collegebesluit ook de beslissing inhouden dat de verordening zal worden gepubliceerd op de daarvoor gebruikelijke wijze. Het collegebesluit over de vaststelling van de uitslag zal op grond van artikel 139 Gemeentewet bekend moeten worden gemaakt.

 

De eis van voldoende draagvlak staat los van de gebruikelijke regels voor de bekendmaking van de verordening. Zo moet de verordening worden opgenomen in de daartoe bestemde digitale registers en op internet raadpleegbaar zijn.

 

Stap 7 - Heffing, subsidie en uitvoering

 

Nadat de verordening in werking is getreden, kan de bedrijveninvesteringszone van start gaan. De gemeente zal zorgdragen voor de heffing en invordering van de BIZ-bijdrage en afdoening van eventuele bezwaar- en beroepsprocedures. De BIZ-organisatie zal de activiteiten uitvoeren en zorgdragen voor de verantwoording van de inkomsten en uitgaven.

 

Op afgesproken momenten (meestal jaarlijks) controleert de gemeente of de BIZ-organisatie nog steeds aan de subsidievoorwaarden voldoet. Dit zal het geval zijn als ondernemers hun afgesproken plan uitvoeren.

 

Stap 8 - Einde bedrijveninvesteringszone

 

De bedrijveninvesteringszone kan op twee manieren eindigen.

 

  • -

    De bedrijveninvesteringszone eindigt doordat de looptijd van de BIZ-verordening eindigt.

  • -

    De bedrijveninvesteringszone eindigt voortijdig omdat gaande weg het draagvlak wegvalt. Ondernemers kunnen tussentijds verzoeken om een hernieuwde draagvlakmeting met als doel de opheffing van de BIZ. Dit verzoek moet door minimaal 20% van de ondernemers worden ondersteund en kan pas na een jaar na de vorige draagvlakmeting worden ingediend. In afwijking van de voorwaarden bij eerste draagvlakmeting hoeft niet 2/3 maar 50% voor voortzetting van de draagvlakmeting te zijn.

4 Aandachtspunten gemeenteraad

 

De vaststelling van de bedrijveninvesteringszone door de gemeenteraad is een belangrijk moment bij de totstandkoming van de BIZ. Het is goed om te benadrukken dat de gemeenteraad een autonome positie heeft om de bedrijveninvesteringszone in te voeren. De gemeenteraad heeft dan ook de vrijheid om af te zien van het vaststellen van de verordening, of deze op punten anders in te richten. Het is aan de gemeenteraad om te besluiten dat zij het exclusieve recht om belastingen te heffen wil inzetten voor een groep ondernemers.

 

Naast de aandachtspunten die uit de Wet BIZ voortvloeien, is bij de parlementaire behandeling van de wet ook een aantal aandachtspunten meegegeven aan de gemeenteraad. Met het oog op een eventuele rechterlijke toetsing van de bedrijveninvesteringszone tijdens een beroepsprocedure tegen de BIZ-bijdrage, is het goed om deze aandachtspunten in de besluitvorming te betrekken. Dat kan door er aandacht aan te schenken in de begeleidende stukken.

 

Het gaat hierbij om de volgende aandachtspunten:

 

  • -

    Statuten BIZ-organisatie: De gemeenteraad zal zich ervan moeten overtuigen dat de aan te wijzen BIZ-organisatie voldoet aan de wettelijke eisen van artikel 7, tweede lid, Wet BIZ. In het bijzonder vraagt de (beperkte) statutaire doelstelling en de samenstelling van het bestuur aandacht.

  • -

    Uitvoeringsovereenkomst: Deze verordening moet de verplichting bevatten dat de activiteiten waarvoor de BIZ-subsidie wordt verstrekt ook daadwerkelijk worden uitgevoerd (de afdwingverplichting). Daarnaast is van belang dat de uitvoeringsovereenkomst alleen van toepassing is als de verordening uiteindelijk ook daadwerkelijk in werking treedt.

  • -

    Activiteiten: De gemeenteraad kan het initiatief van de ondernemers niet klakkeloos overnemen omdat de gemeenteraad dient te waken tegen instelling van een bedrijveninvesteringszone die leidt tot willekeurige of onredelijke belastingheffing. De gemeenteraad zal daarom elementen als tariefstelling, de verdeling van de lasten, de wijze waarop de grens van de bedrijveninvesteringszone is getrokken en het soort activiteiten zorgvuldig en in het licht van het algemeen belang moeten bezien. Wat de activiteiten betreft zal de gemeenteraad kenbaar moeten aangeven in hoeverre de afgesproken concrete activiteiten aansluiten op het abstracte begrip “activiteiten in de openbare ruimte en op het internet, die zijn gericht op het bevorderen van de leefbaarheid of de veiligheid in de bedrijveninvesteringszone of de ruimtelijke kwaliteit of de economische ontwikkeling van de bedrijveninvesteringszone”. Zie over de mogelijke activiteiten ook de toelichting op artikel 2, tweede lid, verordening.

  • -

    Vastlegging basisserviceniveau: Op grond van artikel 7, vijfde lid, Wet BIZ moeten gemeenteraad en de BIZ-organisatie schriftelijke afspraken maken over het minimale niveau van de gemeentelijke dienstverlening voor de periode dat de BIZ-bijdrage wordt geheven. Deze verplichting brengt met zich dat de gemeenteraad vastlegt welke diensten en activiteiten in de bedrijveninvesteringszone tot het reguliere takenpakket van de gemeente horen. Daarnaast is het raadzaam om een bepaling op te nemen die de invloed op het afgesproken basisserviceniveau regelt van latere ingrijpende aanpassingen in de algemene gemeentelijke dienstverlening en activiteiten. Het basisserviceniveau geldt immers voor de looptijd van de BIZ-bijdrage (maximaal 5 jaar) en in die periode kunnen

  • -

    Staatssteun: Door de systematiek van de bedrijveninvesteringszones kan volgens de wetgever de subsidie van de gemeente aan de BIZ-organisatie geen staatssteun zijn. Maar dat de subsidie van de gemeente aan de BIZ-organisatie niet leidt tot staatssteun laat onverlet dat gemeenten wel moeten nagaan in hoeverre het gerechtvaardigd is dat de perceptiekosten eventueel niet in mindering op de ontvangen BIZ-bijdragen wordt gebracht. Ook moeten gemeenten zich bewust zijn van staatssteunaspecten bij eventuele aanvullende bijdragen aan bedrijveninvesteringszones uit de algemene middelen.

5 Wettelijke basis

 

De verordening bedrijveninvesteringszone is gebaseerd op artikel 1, eerste, derde en vierde lid, artikel 2, artikel 3, eerste lid, en artikel 7, eerste en vierde lid, van de Wet BIZ. Gekozen is voor een zogenaamd ‘aangekleed model’, dat wil zeggen dat de tekst van hogere wettelijke regelingen, waar nodig voor de duidelijkheid, is overgenomen. Bij deze keuze speelt mee dat de gemeenteraad moet laten zien dat hij bij de invoering van de belasting alle essentiële elementen in ogenschouw heeft genomen. De meest voor de hand liggende manier waarop de gemeenteraad dat kan laten zien, is de tekst van de verordening. Die is immers bedoeld om de belastingschuldigen de omvang van de belastingschuld kenbaar te maken alsook de omstandigheden waaronder.

 

De wetgever heeft uit doelmatigheidsoverwegingen ervoor gekozen om voor de heffing zoveel mogelijk aan te sluiten bij de bepalingen voor de onroerendezaakbelastingen in de Gemeentewet. Daardoor zijn naast de bepalingen in de Wet BIZ ook de artikelen 220a, 220b, eerste lid, 220d, 220e en 220h van de Gemeentewet voor de vormgeving van de verordening van belang.

 

B Artikelsgewijze toelichting

 

Hoofdstuk I Algemene bepalingen

 

Artikel 1 Begripsomschrijvingen

Om duidelijkheid te scheppen over de inhoud van een aantal in de verordening voorkomende begrippen, is daarvan een omschrijving opgenomen in artikel 1.

 

Bij de omschrijving van het begrip ‘bedrijveninvesteringszone’ is aangegeven dat het aangewezen gebied is vermeld op de bij deze verordening behorende en daarvan deel uitmakende kaart..

 

Hoofdstuk II Belastingbepalingen

 

Artikel 2 Belastbaar feit en aard van de belasting

Het eerste lid beschrijft het belastbaar feit. In de bepaling wordt benadrukt dat het een jaarlijkse heffing betreft gedurende de looptijd van de verordening. Dit is gedaan om te voorkomen dat de indruk ontstaat dat het om een eenmalige bijdrage zou gaan. Door de verwijzing naar artikel 220a Gemeentewet wordt aangegeven dat het begrip niet-woning conform de daar gegeven regels moet worden uitgelegd. De jurisprudentie die voor artikel 220a Gemeentewet is gewezen, is daarmee ook van toepassing op de BIZ-bijdrage. Een nadere toelichting inclusief relevante jurisprudentie is te vinden in de toelichting op artikel 2 van de verordening onroerendezaakbelastingen.

 

Het tweede lid is opgenomen om er geen twijfel over te laten bestaan dat de heffing alleen bedoeld is ter bestrijding van de kosten die zijn verbonden aan de wettelijk toegestane activiteiten. Dit zijn activiteiten in de openbare ruimte en op internet, die zijn gericht op het bevorderen van de leefbaarheid of de veiligheid in de bedrijveninvesteringszone of de ruimtelijke kwaliteit of de economische ontwikkeling van de bedrijveninvesteringszone. Inpandige activiteiten kunnen in beginsel niet met een BIZ-bijdrage worden gefinancierd, tenzij het gaat om activiteiten die gericht zijn op een publiek belang in de openbare ruimte. Deze bepaling impliceert ook dat de gemeenteraad bij haar besluitvorming van mening is dat de afgesproken activiteiten voldoen aan de eisen van de Wet BIZ. Naar onze mening is het niet nodig om de omschrijving nader af te stemmen op afgesproken activiteiten.

 

Nieuw ten opzichte van de Experimentenwet zijn de activiteiten die op of via het internet plaatsvinden. De wenselijkheid van deze aanvulling komt voort uit het gegeven dat de detailhandel zich meer en meer richt op de mogelijkheden die het internet en het ‘nieuwe winkelen’ biedt. Deze activiteiten kunnen ook de economische ontwikkeling stimuleren en daarmee in het publiek belang zijn. Voorbeelden hiervan zijn een gezamenlijke website of activiteiten die via de sociale media worden ontplooid. Concreet betekent de toevoeging dat activiteiten die op het internet plaatsvinden en volgens de gemeente bijdragen aan de leefbaarheid of de veiligheid in de bedrijveninvesteringszone of de ruimtelijke kwaliteit of de economische ontwikkeling van de BIZ, ook kunnen worden gefinancierd met opbrengsten van de BIZ-bijdrage.

 

Een bedrijveninvesteringszone is uitdrukkelijk gericht op het verrichten van aanvullende activiteiten ten opzichte van de diensten van de gemeente. Het bestaande voorzieningenniveau dient als uitgangspunt te worden genomen bij het bepalen van de gewenste voorzieningen. Een bedrijveninvesteringszone kan alleen dan tot een verbetering van de kwaliteit leiden als het bestaande voorzieningenniveau minimaal gehandhaafd blijft. De activiteiten die de ondernemers in aanvulling daarop willen uitvoeren kunnen nieuwe aanvullende voorzieningen betreffen of kunnen gaan om een intensivering van bestaande activiteiten.

 

Activiteiten waar concreet aan gedacht kan worden zijn: het verbeteren van de verkeersvoorzieningen, de bewegwijzering, de groenvoorziening, afvalinzameling, verlichting, schoonmaak, onderhoud, brandveiligheid, graffitiverwijdering, het vergroten van de veiligheid door bijvoorbeeld extra surveillance, hekwerken en camerabewaking. Bij activiteiten die zich richten op de economische ontwikkeling gaat het om het versterken van de economische kracht van een gebied, door het versterken van het ondernemerschap in de zone. Dit kan bijvoorbeeld door het versterken van het zelf organiserend vermogen, bepaalde vormen van gebiedspromotie, of de inzet van een park- of winkelstraatmanager. Onder ‘economische ontwikkeling’ zijn allerlei activiteiten te rangschikken die men als winkeliers- of ondernemersgroep kan ondernemen omdat men ervan denkt dat men er in economisch opzicht met elkaar beter van kan worden. Meer concreet is te denken aan kerst- of sfeerverlichting, sinterklaasintocht of speciale evenementen.

 

De BIZ beperkt zich overigens niet tot winkelcentra of industrieterreinen. Ook land- en tuinbouwgebieden of toeristische gebieden kunnen gebruikmaken van bedrijveninvesteringszones. De wettelijke systematiek gaat uit van aanwijzing van een bepaald gebied in de gemeente, maar stelt geen beperkingen aan het soort gebied waar het om moet gaan.

 

Artikel 3 Belastingobject

Doordat artikel 220a Gemeentewet van overeenkomstige toepassing is, is de objectafbakening zoals die voor de Wet WOZ en de OZB geldt, ook van toepassing voor de BIZ-bijdrage. Dit is tot uitdrukking gebracht in artikel 3. Voor de leesbaarheid van de verordening is ervoor gekozen om hier niet te verwijzen naar artikel 220a Gemeentewet zoals de Wet BIZ doet, maar direct naar artikel 16 Wet WOZ.

 

Artikel 16 Wet WOZ merkt als belastingobject aan:

 

  • a.

    een gebouwd eigendom;

  • b.

    een ongebouwd eigendom;

  • c.

    een zelfstandig gedeelte van een gebouwd eigendom of ongebouwd eigendom;

  • d.

    een samenstel van een gebouwd eigendom, een ongebouwd eigendom of een zelfstandig gedeelte daarvan;

  • e.

    een als verblijfsrecreatie bestemd en geëxploiteerd geheel van twee of meer gebouwde eigendommen, ongebouwde eigendommen of zelfstandige gedeelten;

  • f.

    het binnen de gemeente gelegen deel van een gebouwd eigendom, een ongebouwd eigendom, een zelfstandig gedeelte, een samenstel of een als verblijfsrecreatie bestemd en geëxploiteerd geheel.

Op grond van jurisprudentie zijn schepen roerende zaken zodat daarvan geen BIZ-bijdrage kan worden geheven.

 

Een nadere toelichting op de objectafbakening inclusief relevante jurisprudentie is te vinden in de toelichting op artikel 2 van de verordening onroerendezaakbelastingen. Ook de Waarderingsinstructie jaarlijkse waardebepaling op de website van de Waarderingskamer bevat een nadere toelichting op de objectafbakening.

 

Artikel 4 Belastingplicht

De volgende artikelleden zijn van toepassing als de BIZ-bijdrage wordt geheven van:

 

Eerste lid

 

Onder de Experimentenwet werd de BIZ-bijdrage geheven van de gebruikers van de niet-woningen in de bedrijveninvesteringszone. De Wet BIZ is hier echter verruimd en biedt de mogelijkheid om te heffen van de gebruikers, de eigenaren of van beide categorieën. De keuze die de gemeente voor de bedrijveninvesteringszone heeft gemaakt, ligt vast in dit artikellid.

 

Tweede lid

 

Artikel 220b van de Gemeentewet geeft nadere invulling aan de begrippen ‘gebruik’ en ‘eigenaar’. Deze begrippen zijn overeenkomstig van toepassing op de BIZ-bijdrage.

 

Tweede lid, onderdeel a

 

Op grond van het tweede lid kunnen in bepaalde situaties belastingplichtigen aangewezen worden die niet feitelijk gebruik maken van een niet-woning. Zo regelt artikel 4, tweede lid, onderdeel a, van de verordening dat gebruik door degene aan wie een deel van een onroerende zaak in gebruik is gegeven, wordt aangemerkt als gebruik door degene die dat deel in gebruik heeft gegeven. Door deze bepaling is de verhuurder (al of niet tevens eigenaar) ook belastingplichtig voor de BIZ-bijdrage als hij niet zelf gebruiker (van een deel) van de niet-woning is. Dit betekent dat bij verzamelkantoorgebouwen met meer dan één gebruiker (die voor de Wet WOZ als één object kunnen gelden), de verhuurder in de heffing van de BIZ-bijdrage moet worden betrokken. De huurders zijn dan niet belastingplichtig. Voor alle duidelijkheid: de bepaling ziet alleen op situaties waarin (onzelfstandige) delen van de onroerende zaak worden gebruikt door afzonderlijke gebruikers, die niet gezamenlijk het geheel gebruiken. De verhuurder van een niet-woning kan niet als gebruiker worden aangemerkt als hij de niet-woning verhuurt aan bijvoorbeeld één onderneming of één persoon. Verhuurt hij de verschillende (onzelfstandige) delen aan verschillende gebruikers, dan is hij wel belastingplichtig. Verhuurt hij echter de niet-woning als geheel aan meerdere gebruikers (bijvoorbeeld van één onderneming), dan is hij niet belastingplichtig. Hij staat dan immers niet een deel van de niet-woning in gebruik af. Degene die het gebruik afstaat, mag overigens de gebruikersbelasting wel verhalen op degene aan wie het gebruik van een deel wordt afgestaan.

 

Tweede lid, onderdeel b

 

Dit onderdeel bepaalt dat het ter beschikking stellen van een onroerende zaak voor volgtijdig gebruik wordt aangemerkt als gebruik door degene die de onroerende zaak ter beschikking heeft gesteld. Dit ziet vooral op niet-woningen die voor korte perioden worden verhuurd. In beginsel is de eigenaar degene die de niet-woning ter beschikking stelt voor volgtijdig gebruik. Dit is alleen anders indien gebruik wordt gemaakt van een verhuurorganisatie en deze verhuurorganisatie grotendeels het financiële risico van meer- of minderopbrengsten uit de verhuur draagt. Alleen het uit handen geven van de bemiddeling (al dan niet tegen een beperkt percentage van de verhuurprijs) aan een verhuurorganisatie is niet voldoende om deze verhuurorganisatie als gebruiker aan te merken. Zie ook Hoge Raad 7 februari 2001, nr. 35865, ECLI:NL:HR:2001:AA9843 (Wierden) en Hoge Raad 22 november 2002, nr. 37361, ECLI:NL:HR:2002:AF0960 (Oostburg). Degene die de niet-woning ter beschikking stelt is bevoegd om de belasting te verhalen op degene aan wie die zaak ter beschikking is gesteld.

 

Derde lid In sommige gevallen is er als gevolg van leegstand geen sprake van een gebruiker in de zin van de Wet BIZ. In de verordening is bepaald dat als een onroerende zaak bij het begin van het kalenderjaar niet in gebruik is, de BIZ-bijdrage niet wordt geheven.

 

Artikel 5 Maatstaf van heffing

Algemeen

Artikel 2 Wet BIZ benoemt de heffingsmaatstaf voor de BIZ.

 

Eerste lid

De Wet BIZ hanteert de vastgestelde WOZ-waarde als heffingsmaatstaf. De heffingsmaatstaf voor het eerste kalenderjaar wordt ook gehanteerd in de latere belastingjaren

 

Tweede lid

Het tweede lid is een zogenaamde 'vangnetbepaling'. Deze bepaling maakt het mogelijk om toch een aanslag BIZ-bijdrage op te leggen in het geval er voor het belastingobject geen WOZ-waarde is vastgesteld. De vangnetbepaling is niet van toepassing als de WOZ-beschikking wel is vastgesteld maar niet is bekendgemaakt. In dat geval geldt de gewone hoofdregel van het eerste lid van dit artikel (Hoge Raad 13 mei 2005, nr. 39569, ECLI:NL:HR:2005:AR6816). De waardebepaling geschiedt in het kader van de vangnetbepaling zoveel mogelijk op gelijke wijze als voor de andere onroerende zaken, waarvoor wel een WOZ-beschikking is vastgesteld. Voor de tekst van de vangnetbepaling is aangesloten bij de tekst van artikel 220d, vierde lid, van de Gemeentewet.

 

Artikel 6 Vrijstellingen

Bij de toepassing van de WOZ-waarden gelden de wettelijke vrijstellingen zoals vermeld in artikel 220d Gemeentewet. Ter voorkoming van misverstanden daarover zijn deze als uitzondering geformuleerde vrijstellingen overgenomen in de verordening. Dit geldt ook voor de facultatieve vrijstellingen die de verordening onroerendezaakbelastingen vermeldt. Gelet op de beoogde doelmatige uitvoering is zoveel mogelijk aangesloten bij de OZB, de facultatieve vrijstellingen opgenomen.

 

Naast de vrijstellingen uit de onroerendezaakbelastingen, vermeldt artikel 6 nog enkele mogelijke vrijstellingen voor onroerende zaken die als niet-woning worden aangemerkt, maar die niet in gebruik zijn bij ondernemers. Tijdens de parlementaire behandeling zijn amendementen die niet-commerciële objecten standaard vrijstellen, verworpen omdat deze verplichte vrijstellingen te veel de autonome vrijheid van de gemeenteraad zouden aantasten. Dat laat onverlet dat deze vrijstellingen op lokaal niveau wel worden ingevoerd.

 

Artikel 7 Belastingtarief

AlgemeenArtikel 2 Wet BIZ benoemt de heffingsmaatstaf voor de BIZ.

 

Eerste li

De heffingsmaatstaf gaat uit van gelijkluidende tarieven gedurende de hele periode. De basisvorm is een vast bedrag afhankelijk van de WOZ waarde van het object volgens de tabel.

 

Leden 2 en 3

Deze facultatieve bepalingen voorkomen dat de gemeente grote inspanningen moet verrichten waarbij de kosten niet opwegen tegen de kosten. De genoemde maximumbedragen zijn ontleend aan artikel 220h Gemeentewet dat overeenkomstig van toepassing is.

 

Artikel 8 Wijze van heffing

Ingevolge artikel 233 van de Gemeentewet kunnen gemeentelijke belastingen worden geheven bij wege van aanslag, bij wege van voldoening op aangifte of op andere wijze. In de verordening hebben wij gekozen voor de heffing bij wege van aanslag. Voor een toelichting wordt verwezen naar de Verordeningen gemeentelijke belastingen (algemene toelichting) - Wijze van heffing, onder 'Heffing bij wege van aanslag'.

 

Artikel 9 Termijnen van betaling

Een toelichting op dit artikel is opgenomen in de Verordeningen gemeentelijke belastingen (algemene toelichting) - Termijnen van betaling.

 

Artikel 10 Looptijd belastingheffing

De Wet BIZ schrijft voor dat een BIZ-bijdrage voor ten hoogste vijf jaar kan worden geheven. Een kortere termijn is ook mogelijk. De gemaakte keuze wordt in dit artikel geregeld. Overigens kan de gemeenteraad, al dan niet op verzoek van de bijdrageplichtigen, besluiten de verordening eerder in te trekken. Een dergelijk besluit moet bij afzonderlijke belastingverordening worden vastgesteld.

 

Op grond van artikel 6 Wet BIZ kunnen ondernemers de gemeenteraad vragen om de BIZ-verordening in te trekken. Een dergelijk verzoek moet afkomstig zijn van minimaal 20% van de bijdrageplichtigen. Als de gemeente een voldoende ondersteund verzoek krijgt, organiseert het college van burgemeester en wethouders onder alle bekende bijdrageplichtigen een draagvlakmeting.

 

Het verschil met de draagvlakmeting bij de invoering is dat bij een tussentijdse draagvlakmeting wordt gevraagd naar steun voor intrekking. Voor een geldige tussentijdse draagvlakmeting is vereist dat tenminste de helft van de bijdrageplichtigen deelneemt. Omdat in deze situatie artikel 5, derde lid, Wet BIZ niet van toepassing is, is bij een heffing van gebruikers en eigenaren gezamenlijk niet vereist dat in iedere categorie afzonderlijk de helft deelneemt. Van voldoende steun voor intrekking is gebleken als ten minste de helft van deelnemers voor intrekking hebben gestemd en deze deelnemers ten minste de helft van de som aan WOZ-waarden representeert.

 

Artikel 11 Nadere regels door het college

Een uitgebreide toelichting op dit artikel is opgenomen in de Verordeningen gemeentelijke belastingen (algemene toelichting) - Nadere regels door het college van burgemeester en wethouders. Deze nadere regels zijn uitgewerkt in de uitvoeringsregeling gemeentelijke belastingen.

 

Hoofdstuk III Subsidiebepalingen

 

Artikel 12 Aanwijzing vereniging

De wet stelt verplicht dat er een vereniging of stichting wordt opgericht die de bedrijveninvesteringszone feitelijk beheert. Deze vereniging of stichting is ook de rechtspersoon die de subsidies ontvangt. Voor de leesbaarheid van deze toelichting wordt hierna gesproken over BIZ-organisatie.

 

Op grond van artikel 7 Wet BIZ moet de BIZ-organisatie aan strikte vereisten voldoen. Zo moet de BIZ-organisatie uitsluitend ten doel hebben de BIZ-activiteiten uit te voeren. Dat hoeven niet altijd met BIZ-bijdrage gesubsidieerde activiteiten te zijn. Vereist is dat de activiteiten van de BIZ-organisatie zijn aan te merken als activiteiten in de openbare ruimte en op internet, gericht op het bevorderen van de leefbaarheid in, de veiligheid in, de ruimtelijke kwaliteit van of de economische ontwikkeling van die zone. Artikel 7 Wet BIZ verhindert wel dat de BIZ-organisatie de algemene belangenbehartiging overneemt van een bestaande ondernemersvereniging.

 

Bij een vereniging is daarnaast vereist dat alle beoogde bijdrageplichtigen lid kunnen zijn van de vereniging en dat de jaarcontributie niet hoger is dan € 50. Bij een stichting is vereist dat ten minste 2/3 van de bestuursleden afkomstig is uit de kring van de beoogde bijdrageplichtigen.

 

Artikel 13 Algemene Subsidieverordening

Veel gemeenten hebben een algemene subsidieverordening die de essentiële elementen bevat van het proces van subsidieverstrekking, zoals een omschrijving van de te subsidiëren activiteiten, de bevoegdheid voor het vaststellen van een subsidieplafond en de bijbehorende verdelingsmaatstaf. Daarnaast bevat de algemene subsidieverordening een grondslag voor de verplichtingen die het bestuursorgaan aan de subsidieverlening kan verbinden voor zover die grondslag niet al in de Awb is neergelegd.

 

Aan de totstandkoming van de BIZ-verordening gaan stappen vooraf waardoor de te subsidiëren activiteiten bekend zijn en ook duidelijk is dat de BIZ-organisatie de belastingopbrengst (eventueel na aftrek van de perceptiekosten) zal ontvangen. Daarnaast is de BIZ-organisatie verplicht om die subsidie te besteden aan de overeengekomen activiteiten. Deze verplichtingen liggen vast in de BIZ-verordening (zie artikel 14 hierna). De totstandkoming en verstrekking van de BIZ-subsidie wijkt daarmee sterk af van de overige subsidies die de gemeente verstrekt. Vanwege deze afwijkingen is bepaald dat de Algemene Subsidieverordening niet van toepassing is.

 

Artikel 14 Subsidievaststelling

Rode draad in de BIZ is het heffen van de BIZ-bijdrage om daarmee de afgesproken activiteiten te subsidiëren. Deze rode draad is vastgelegd in artikel 14 waar in het eerste lid is bepaald dat de subsidie wordt verstrekt voor de afgesproken activiteiten. Het tweede lid bepaalt dat de subsidie maximaal het bedrag is van de ontvangen BIZ-bijdragen (eventueel na aftrek van de perceptiekosten).

 

Derde lid

 

Op grond van afdeling 4.2.4 van de Awb kan het bestuursorgaan verplichtingen opleggen aan de subsidieontvanger. Omdat de subsidie op grond van het eerste lid door de raad wordt toegekend, terwijl de uitvoering bij het college berust, kan onduidelijkheid ontstaan welk bestuursorgaan bevoegd is de verplichtingen op te leggen. Het derde lid neemt deze onduidelijkheid weg en legt de bevoegdheid bij het college neer.

 

De nader te regelen verplichtingen kunnen onder meer zien op wijze waarop de subsidie wordt uitgekeerd (bevoorschotting, vaststelling definitieve subsidie) en de wijze waarop de BIZ-organisatie verantwoording aflegt. Maar de verplichtingen kunnen ook zien op het melden van verandering of beëindiging van de activiteiten, of van veranderingen in de statuten of in de financiële situatie van de BIZ-organisatie.

 

In de voorbereiding van de BIZ zijn al veel afspraken gemaakt over de uit te voeren activiteiten en de subsidiëring daarvan via een BIZ-bijdrage. Als deze afspraken verplichtingen vastliggen in de uitvoeringsovereenkomst, is het niet nodig om de verplichtingen van de subsidie-ontvanger ook nog eens in nadere regels vast te leggen. Dit is in het derde lid tot uitdrukking gebracht met de zinsnede “voor zover dit niet reeds is geschied in de uitvoeringsovereenkomst”.

 

Mocht het voorkomen dat de BIZ-organisatie de afgesproken activiteiten niet uitvoert, dan kan de gemeente via de burgerlijke rechter nakoming afdwingen op grond van de uitvoeringsovereenkomst. Als dat tot niets leidt, kan de gemeenteraad de subsidie intrekken (artikel 4:49 Awb). De al betaalde bedragen kunnen dan als onverschuldigd betaald worden teruggevorderd. In dat geval zal de gemeenteraad zich ook moeten uitlaten over de vraag hoe de betaalde BIZ-bijdragen worden teruggegeven aan de ondernemers. De opbrengst van de bestemmingsheffing kan immers niet voor andere doeleinden worden aangewend.

 

Hoofdstuk IV Slotbepalingen

 

Artikel 15 Inwerkingtreding

Na volledige afweging van alle belangen door de gemeenteraad en vaststelling van de verordening vindt de draagvlakmeting plaats. Dit betekent dat de verordening pas in werking kan treden nadat de draagvlakmeting is gehouden en er gebleken is van voldoende draagvlak. Om die reden kan artikel 142 Gemeentewet niet zondermeer worden toegepast. In plaats daarvan is voor de inwerkingtreding aangesloten bij de bekendmaking van de uitslag van de draagvlakmeting.

 

Artikel 16 Citeertitel

Een toelichting op dit artikel is opgenomen in de Verordeningen gemeentelijke belastingen (algemene toelichting) - Citeertitel.