Gemeenteblad van Stein

Datum publicatieOrganisatieJaargang en nummerRubriek
SteinGemeenteblad 2020, 337718Verordeningen



Verordening op de heffing en de invordering van rioolheffing Stein 2021

De Raad der gemeente Stein;

 

Gezien het voorstel inzake Belasting- en legesverordeningen 2021

(Gem. blad Afd. A 2020, zaaknummer 0971155840);

 

gelet op artikel 228a van de Gemeentewet;

 

besluit:

 

Vast te stellen de volgende verordening

 

VERORDENING OP DE HEFFING EN DE INVORDERING VAN RIOOLHEFFING STEIN 20 2 1

Artikel 1 Begripsomschrijvingen

In deze verordening en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

  • a)

    perceel: een onroerende zaak bedoeld in Hoofdstuk III van de Wet WOZ, een roerende zaak of een zelfstandig gedeelte van een roerende zaak in de zin van artikel 4;

  • b)

    gemeentelijke riolering: voorziening of combinatie van voorzieningen voor inzameling, verwerking, zuivering of transport van afvalwater, hemelwater of grondwater, in eigendom, in beheer of in onderhoud bij de gemeente;

Artikel 2 Aard van de belasting

Onder de naam rioolheffing wordt een directe belasting geheven ter bestrijding van de kosten die voor de gemeente verbonden zijn aan:

  • a)

    de inzameling en het transport van huishoudelijk afvalwater en bedrijfsafvalwater, alsmede de zuivering van huishoudelijk afvalwater; en

  • b)

    de inzameling van afvloeiend hemelwater en de verwerking van het ingezamelde hemelwater, alsmede het treffen van maatregelen teneinde structureel nadelige gevolgen van de grondwaterstand voor de aan de grond gegeven bestemming zoveel mogelijk te voorkomen of te beperken.

Artikel 3 Belastbaar feit en belastingplicht

  • 1.

    De belasting wordt geheven:

    • a)

      van degene die bij het begin van het belastingjaar het genot heeft krachtens eigendom, bezit of beperkt recht het genot heeft van een perceel dat direct of indirect is aangesloten op de gemeentelijke riolering, verder te noemen: eigenarendeel; en

    • b)

      van de degene die een perceel van waaruit water direct of indirect op de gemeentelijke riolering wordt afgevoerd al dan niet krachtens eigendom, bezit of beperkt recht of persoonlijk recht gebruikt, verder te noemen: gebruikersdeel.

  • 2.

    Voor het eigenarendeel wordt, als het perceel een onroerende zaak is, als genothebbende krachtens eigendom, bezit of beperkt recht aangemerkt degene die bij het begin van het belastingjaar als zodanig in de basisregistratie kadaster is vermeld, tenzij blijkt dat hij op dat tijdstip geen genothebbende krachtens eigendom, bezit of beperkt recht is.

  • 3.

    Voor het gebruikersdeel wordt:

    • a)

      gebruik van een perceel door de leden van een huishouden aangemerkt als gebruik door het door in artikel 231, tweede lid, onderdeel b, van de Gemeentewet bedoelde gemeenteambtenaar aangewezen lid van dat huishouden;

    • b)

      gebruik door degene aan wie een deel van het perceel – niet zijnde een gedeelte als bedoeld in artikel 4 – in gebruik is gegeven, aangemerkt als gebruik door degene die dat deel in gebruik heeft gegeven;

    • c)

      het ter beschikking stellen van een perceel voor volgtijdig gebruik aangemerkt als gebruik door degene die dat perceel ter beschikking heeft gesteld.

Artikel 4 Zelfstandige gedeelten

Indien gedeelten van een roerende zaak blijkens hun indeling bestemd zijn om als afzonderlijk geheel te worden gebruikt, wordt de belasting geheven ter zake van elk als zodanig bestemd gedeelte, met dien verstande dat indien twee of meer van die gedeelten tezamen als een geheel worden gebruikt, deze als één perceel worden aangemerkt.

Artikel 5 Maatstaf van heffing

  • 1.

    Het eigenarendeel wordt geheven naar een vast bedrag per perceel.

  • 2.

    Het gebruikersdeel wordt geheven over het aantal kubieke meters water dat vanuit het perceel wordt afgevoerd.

  • 3.

    Het aantal kubieke meters water wordt gesteld op het aantal kubieke meters water dat in de laatste aan het begin van het belastingjaar voorafgaande verbruiksperiode naar het perceel is toegevoerd of opgepompt. Indien dit aan het begin van het belastingjaar niet bekend is, wordt het aantal kubieke meters afvalwater gesteld op het aantal kubieke meters dat naar het perceel is toegevoerd of opgepompt van de laatst bekende verbruiksperiode. Ingeval de verbruiksperiode niet gelijk is aan een periode van twaalf maanden, wordt de hoeveelheid water door herleiding naar tijdsgelang bepaald. Bij een herleiding wordt een gedeelte van een kalendermaand voor een volle maand gerekend.

  • 4.

    Ingeval de toegevoerde hoeveelheid water van een perceel, dat aangesloten is op het waterleidingnet dan wel waarbij water wordt opgepompt, niet kan worden vastgesteld vanwege het ontbreken van een watermeter en het perceel ook niet aangesloten is op een gemeenschappelijke watermeter, wordt de toegevoerde hoeveelheid water gesteld op 100 m3 of minder.

  • 5.

    Ingeval de toegeleverde hoeveelheid water niet kan worden vastgesteld doordat meerdere percelen op één gemeenschappelijke watermeter zijn aangesloten, wordt de toegevoerde hoeveelheid water als bedoeld in het tweede lid gesteld op het rekenkundig gemiddelde van die groep of complex.

  • 6.

    Ingeval gebruik wordt gemaakt van een pompinstallatie moet die pompinstallatie zijn voorzien van:

    • a)

      watermeter, waarvan de hoeveelheid opgepompt kan worden afgelezen, of

    • b)

      bedrijfsurenteller, waarvan het aantal uren dat een pompinstallatie met vaste capaciteit in bedrijf is geweest kan worden afgelezen. De eerste volzin is niet van toepassing indien vaststelling van de hoeveelheid opgepompt water geschiedt op grond van enige andere wettelijke bepaling.

  • 7.

    De op de voet van het derde lid berekende hoeveelheid toegevoerd op opgepompt water wordt verminderd met de hoeveelheid water die niet is afgevoerd.

Artikel 6 Belastingtarieven

  • 1)

    Het eigenarendeel van de rioolheffing als bedoeld in artikel 3, eerste lid, onderdeel a, bedraagt per perceel € 153,45

  • 2)

    Het gebruikersdeel van de rioolheffing als bedoeld in artikel 3, eerste lid, onderdeel b, bedraagt bij een hoeveelheid water van :

    • a.

      1 m³ tot en met 100 m³ € 50,00;

    • b.

      meer dan 100 m³ tot en met 200 m³ € 100,00;

    • c.

      meer dan 200 m³ tot en met 300 m³ € 150,00;

    • d.

      meer dan 300 m³ € 220,00, vermeerderd met € 110,00 per 100 m³ of deel daarvan waarmee de hoeveelheid water 400 m³ te boven gaat, tot een maximum van € 15.000,-.

Artikel 7 Vrijstelling

De belasting wordt niet geheven ter zake van:

  • a)

    Percelen die een WOZ-waarde hebben van minder dan € 25.000,- of een

    bebouwde)oppervlakte hebben van minder dan 25m2;

  • b)

    Onbebouwde percelen;

  • c)

    Percelen die voor de publieke dienst bestemd zijn en waarvan de gemeente Stein genothebbende is

Artikel 8 Belastingjaar

Het belastingjaar is gelijk aan het kalenderjaar.

Artikel 9 Wijze van heffing

De belasting wordt bij wege van aanslag geheven.

Artikel 10 Ontstaan van de belastingschuld

  • 1.

    De belasting voor het eigenarendeel is verschuldigd bij het begin van het belastingjaar of voor het gebruikersdeel, zo dit later is, bij de aanvang van de belastingplicht.

  • 2.

    Indien de belastingplicht met betrekking tot het perceel voor het gebruikersdeel in de loop van het belastingjaar aanvangt, is belasting verschuldigd over zoveel twaalfde gedeelten van het voor dat jaar verschuldigde gebruikersdeel als er in dat jaar, na de aanvang van de belastingplicht, nog volle kalendermaanden overblijven.

  • 3.

    Indien de belastingplicht met betrekking tot het perceel voor het gebruikersdeel in de loop van het belastingjaar eindigt, bestaat aanspraak op ontheffing voor zoveel twaalfden gedeelten van het voor dat jaar verschuldigde gebuikersdeel als er in dat jaar, na het einde van de belastingplicht, nog volle kalendermaanden overblijven.

  • 4.

    Het tweede en derde lid zijn niet van toepassing indien de belastingplichtige binnen de gemeente verhuist en aldaar een ander perceel in gebruik neemt.

  • 5.

    Voor de vaststelling van de gebruikssituatie is beslissend hetgeen ter zake in de basisregistratie personen is geregistreerd, tenzij blijkt dat de gebruikssituatie anders is.

  • 6.

    Belastingbedragen van minder dan € 5,00 worden niet geheven.

  • 7.

    Voor de toepassing van het vorig lid wordt het totaal van de op één aanslagbiljet verenigde aanslagen aangemerkt als één belastingbedrag.

Artikel 11 Termijnen van betaling

  • 1.

    In afwijking van artikel 9, eerste lid, van de Invorderingswet 1990 moet een aanslag worden betaald in twee gelijke termijnen, waarvan de eerste vervalt op de laatste dag van de maand volgend op de maand die in de dagtekening van het aanslagbiljet is vermeld en de tweede termijn een maand later.

  • 2.

    In afwijking van het eerste lid geldt, in geval het totaalbedrag van de op één aanslagbiljet verenigde aanslagen, of als het aanslagbiljet maar één aanslag bevat en het bedrag daarvan niet hoger is dan € 20.000,- en zolang de verschuldigde bedragen door middel van automatische incasso kunnen worden afgeschreven, dat de aanslagen moeten worden betaald in zoveel gelijke termijnen als er na de maand van dagtekening van het aanslagbiljet nog niet geëindigde maanden in het kalenderjaar overblijven, met dien verstande dat het aantal termijnen ten minste vier en ten hoogste tien bedraagt.

  • 3.

    Betaling van de termijnen zoals bedoeld in de leden 1 en 2 is mogelijk via automatische incasso, mits wordt voldaan aan de voorwaarden van de Uitvoeringsregeling automatische incasso van de Belastingsamenwerking Gemeenten en Waterschappen (BsGW).

  • 4.

    De Algemene Termijnenwet is niet van toepassing op de in de in het voorgaande lid gestelde termijnen.

Artikel 12 Nadere regels door het colleg e van burgemeester en wethouders

Het college van burgemeester en wethouders kan nadere regels geven met betrekking tot de heffing en de invordering van de rioolheffing.

Artikel 13 Kwijtschelding

  • 1)

    Bij de invordering van de rioolheffing kan gehele of gedeeltelijke kwijtschelding worden verleend, indien de belasting niet anders dan met buitengewoon bezwaar kan worden betaald.

  • 2)

    In afwijking van de Uitvoeringsregeling Invorderingswet 1990 wordt het percentage voor de berekening van de kosten van bestaan vastgesteld op 100 percent.

Artikel 14 Inwerkingtreding en citeertitel

  • 1.

    De "Verordening rioolheffing Stein 2020", vastgesteld bij raadsbesluit van 14 november 2019 wordt ingetrokken met ingang van de in het derde lid genoemde datum van ingang van de heffing. Zij blijft van toepassing op de belastbare feiten die zich voor die datum hebben voorgedaan.

  • 2.

    Deze verordening treedt in werking met ingang van de eerste dag na die van de bekendmaking.

  • 3.

    De datum van ingang van de heffing is 1 januari 2021.

  • 4.

    Deze verordening wordt aangehaald als "Verordening rioolheffing Stein 2021".

 

Aldus besloten in de openbare vergadering van 12 november 2020

 

De Raad voornoemd,

de Griffier, de Voorzitter,