Gemeenteblad van Den Helder

Datum publicatieOrganisatieJaargang en nummerRubriek
Den HelderGemeenteblad 2020, 321738Verordeningen



Besluit van de raad van de gemeente Den Helder, houdende regels over de heffing en de invordering van precariobelasting [Verordening precariobelasting 2021]

De raad van de gemeente Den Helder;

 

gelezen het raadsvoorstel van het college van burgemeester en wethouders van Den Helder van 29

september 2020,

 

kennis genomen hebbende van de voorbereidende commissievergadering Raadscommissie Bestuur

en Middelen op 26 oktober 2020.

 

besluit:

  • 1.

    de Verordening precariobelasting 2021 vast te stellen.

 

Verordening op de heffing en de invordering van precariobelasting 2021

 

Artikel 1 Definities

In deze verordening wordt verstaan onder:

  • a.

    jaar: een kalenderjaar

  • b.

    maand: een kalendermaand;

  • c.

    week: een periode van zeven opeenvolgende dagen;

  • d.

    dag: een periode van vierentwintig uren, beginnend bij 0.00 uur of een gedeelte daarvan;

  • e.

    seizoen: de periode van 1 maart tot en met 31 oktober

  • f.

    gemeentebezitting: voor de openbare dienst bestemd(e) bezitting, werk of inrichting in eigendom, beheer of onderhoud van de gemeente;

  • g.

    gemeentegrond: voor de openbare dienst bestemde gemeentegrond;

  • h.

    bermen: niet bestrate, voor de openbare dienst bestemde stroken gemeentegrond tussen het kanaal of de gracht en de aangrenzende rijstraten;

  • i.

    de onderlinge ruimte tussen op voor openbare dienst bestemde grond bijeen geplaatste voorwerpen wordt geacht mede door die voorwerpen te zijn ingenomen.

  • j.

    vergunning: een door het gemeentebestuur verleende en in een gemeentelijke registratie opgenomen toestemming op grond waarvan een persoon een of meer voorwerpen onder, op of boven voor de openbare dienst bestemde gemeentegrond mag hebben.

Artikel 2 Belastbaar feit

Onder de naam precariobelasting wordt een directe belasting geheven ter zake van het hebben van voorwerpen onder, op of boven voor de openbare dienst bestemde gemeentegrond, bedoeld of genoemd in deze verordening en de daarbij behorende tarieventabel.

Artikel 3 Belastingplicht

  • 1.

    De precariobelasting wordt geheven van degene die het voorwerp of de voorwerpen onder, op of boven voor de openbare dienst bestemde gemeentegrond heeft, dan wel van degene ten behoeve van wie dat voorwerp of die voorwerpen onder, op of boven voor de openbare dienst bestemde gemeentegrond aanwezig zijn.

  • 2.

    In afwijking in zoverre van het eerste lid wordt, indien de gemeente een vergunning heeft verleend voor het hebben van het voorwerp of de voorwerpen onder, op of boven voor de openbare dienst bestemde gemeentegrond, degene aan wie de vergunning is verleend of diens rechtsopvolger aangemerkt als degene bedoeld in het eerste lid, tenzij blijkt dat hij niet het voorwerp of de voorwerpen onder, op of boven voor de openbare dienst bestemde gemeentegrond heeft.

Artikel 4 Vrijstellingen

  • 1.

    De precariobelasting wordt niet geheven van:

  • a.

    zonneschermen en markiezen;

  • b.

    erkers, balkons, luifels, uitstalkasten en dergelijke, die geacht kunnen worden deel van de gevel uit te maken;

  • c.

    voorwerpen als bedoeld in hoofdstuk 2 van de tarieventabel, indien deze, gerekend van de grens van de voor de openbare dienst bestemde gemeentegrond of -water, niet meer dan 0,15 m over die grond of water uitsteken;

  • d.

    voorwerpen te algemene nutte;

  • e.

    indien en voor zover daarvoor op grond van bijzondere verordeningen van de gemeente een andere belasting wordt geheven;

  • f.

    voor vlaggenstokken en de daaraan bevestigde vlaggen en wimpels welke niet worden gebruikt voor reclamedoeleinden;

  • g.

    ten aanzien van inrichtingen, met bijbehorende wagens, schepen en dergelijke, waarvoor plaatsen zijn verpacht voor de jaarlijkse feestweek;

  • h.

    h voorwerpen ten behoeve van de uitvoering van bouwwerken in door het college van burgemeester en wethouders aan te wijzen gedeelten van de gemeente, waar grote complexen woningen in aanbouw zijn, totdat deze aanwijzing door het college van burgemeester en wethouders weer wordt ingetrokken;

  • i.

    uitstallinkjes, etc. voor winkels en dergelijke bedrijven;

  • j.

    voorwerpen, waarvan de gemeente genot hebbende krachtens eigendom, bezit of beperkt recht is, met uitzondering van voorwerpen die in gebruik zijn bij een derde.

  • 2.

    De belasting wordt niet geheven van voorwerpen, indien de gemeente van het gebruik van de voor de openbare dienst bestemde gemeentegrond waarop het voorwerp of de voorwerpen zich bevinden een recht heft op grond van artikel 229, eerste lid, onderdeel a, van de Gemeentewet, dan wel een privaatrechtelijke vergoeding is overeengekomen.

Artikel 5 Maatstaf van heffing en belastingtarief

De precariobelasting wordt geheven naar de maatstaven en de tarieven opgenomen in de bij deze verordening behorende tarieventabel, met inachtneming van het overigens in deze verordening bepaalde.

Artikel 6 Berekening van de precariobelasting

  • 1.

    Voor de berekening van de precariobelasting wordt met betrekking tot een in de tarieventabel genoemde lengte- of oppervlaktemaat een gedeelte daarvan als een volle eenheid aangemerkt.

  • 2.

    Indien een tarief per oppervlakte is vastgesteld, wordt de precariobelasting berekend naar de oppervlakte van de horizontale projectie van de voorwerpen, tenzij anders is bepaald.

  • 3.

    De oppervlakte van andere dan rechthoekige voorwerpen wordt gesteld op het product van de twee aangrenzende zijden van een om het voorwerp geplaatste denkbeeldige rechthoek.

  • 4.

    Indien de gemeente een vergunning heeft verleend voor het hebben van het voorwerp of de voorwerpen onder, op of boven voor de openbare dienst bestemde gemeentegrond, wordt voor de berekening van de precariobelasting aangesloten bij de geldigheidsduur van die vergunning, tenzij blijkt dat het belastbaar feit zich gedurende een kortere periode heeft voorgedaan. In dat geval bestaat aanspraak op ontheffing, waarbij het vijfde lid van overeenkomstige toepassing is.

  • 5.

    Indien in de tarieventabel voor een voorwerp tarieven voor verschillende tijdseenheden zijn opgenomen, wordt de precariobelasting berekend op de voor de belastingplichtige meest voordelige wijze.

  • 6.

    In afwijking van het bepaalde in artikel 1 wordt voor de berekening van de precariobelasting:

  • a:

    indien in de tarieventabel voor een voorwerp wel een weektarief, maar geen dagtarief is opgenomen, een gedeelte van een week gelijkgesteld met een week;

  • b:

    indien in de tarieventabel voor een voorwerp wel een maandtarief, maar geen dag- of weektarief is opgenomen, een gedeelte van een maand gelijkgesteld met een maand.

  • 7.

    Indien in de tarieventabel voor een voorwerp een dagtarief, weektarief of maandtarief is opgenomen en het belastingtijdvak een langere periode dan een dag, onderscheidenlijk een week of een maand omvat, gelden deze tarieven per dag, onderscheidenlijk week of maand van het belastingtijdvak.

Artikel 7 Belastingtijdvak

  • 1.

    In de gevallen waarin de gemeente een vergunning heeft verleend voor het hebben van het voorwerp of de voorwerpen onder, op of boven de voor de openbare dienst bestemde gemeentegrond, is het belastingtijdvak de periode waarvoor de vergunning is verleend, met dien verstande dat bij een kalenderjaar overschrijdende geldigheidsduur van de vergunning het belastingtijdvak gelijk is aan het kalenderjaar.

  • 2.

    In andere dan in het eerste lid bedoelde gevallen, is het belastingtijdvak de in het kalenderjaar gelegen aaneengesloten periode gedurende welke het belastbare feit zich voordoet of heeft voorgedaan.

Artikel 8 Wijze van heffing

  • 1.

    De precariobelasting wordt bij wege van aanslag geheven.

  • 2.

    In afwijking van het eerste lid wordt de voor een dag verschuldigde precariobelasting geheven door middel van een mondelinge kennisgeving, dan wel gedagtekende schriftelijke kennisgeving waarop het gevorderde bedrag is vermeld. Het gevorderde bedrag wordt mondeling, dan wel door toezending of uitreiking van de schriftelijke kennisgeving aan de belastingschuldige bekendgemaakt.

Artikel 9 Ontstaan van de belastingschuld en heffing naar tijdsgelang

  • 1.

    De precariobelasting is verschuldigd bij de aanvang van het belastingtijdvak, of indien dit later is, op het tijdstip waarop de belastingplicht aanvangt.

  • 2.

    Indien de belastingplicht in de loop van het belastingtijdvak aanvangt is de naar jaartarieven geheven precariobelasting verschuldigd voor zoveel twaalfde gedeelten van de voor dat tijdvak verschuldigde belasting als er in dat tijdvak, na de aanvang van de belastingplicht, nog volle kalendermaanden overblijven.

  • 3.

    Indien de belastingplicht in de loop van het belastingtijdvak eindigt, bestaat aanspraak op ontheffing voor de naar jaartarieven geheven precariobelasting voor zoveel twaalfde gedeelten van de voor dat tijdvak verschuldigde precariobelasting als er in dat tijdvak, na het einde van de belastingplicht, nog volle kalendermaanden overblijven.

  • 4.

    Voor belastingbedragen tot € 10,00 vindt geen invordering plaats. Voor de toepassing van de vorige volzin wordt het totaal van de op één aanslagbiljet verenigde aanslagen precariobelasting al dan niet tezamen met andere heffingen aangemerkt als één aanslagbiljet.

  • 5.

    Bij toepassing van maand-, week- en dagtarieven wordt geen ontheffing verleend.

Artikel 10 Termijnen van betaling

  • 1.

    In afwijking van artikel 9, eerste lid, van de Invorderingswet 1990 moeten de aanslagen worden betaald binnen twee maanden na de dagtekening van het aanslagbiljet of de schriftelijke kennisgeving.

  • 2.

    In afwijking van het eerste lid geldt, ingeval het totaalbedrag van de op één aanslagbiljet verenigde aanslagen, of als het aanslagbiljet één aanslag bevat, het bedrag daarvan meer is dan € 100,00 en minder is dan € 5.000,00 en zolang de verschuldigde bedragen door middel van automatische incasso kunnen worden afgeschreven, moeten de aanslagen worden betaald in negen gelijke termijnen. De eerste termijn vervalt op de laatste dag van de tweede maand volgend op die welke in de dagtekening van het aanslagbiljet is vermeld en elk van de volgende termijnen steeds één maand later.

  • 3.

    De precariobelasting moet worden betaald ingeval de kennisgeving als bedoeld in artikel 8, tweede lid:

  • a.

    mondeling wordt gedaan, op het moment van het doen van de kennisgeving;

  • b.

    schriftelijk wordt gedaan, op het moment van het uitreiken van de kennisgeving, dan wel ingeval van toezending daarvan, binnen 2 maanden na de dagtekening van de kennisgeving.

  • 4.

    De Algemene Termijnenwet is niet van toepassing op het in de voorgaande leden gestelde.

Artikel 11 Inwerkingtreding en citeertitel

  • 1.

    De ‘Verordening precariobelasting 2020’ van 6 november 2019 wordt ingetrokken met ingang van de in het derde lid genoemde datum van ingang van de heffing, met dien verstande dat zij van toepassing blijft op de belastbare feiten die zich voor die datum hebben voorgedaan.

  • 2.

    Deze verordening treedt in werking met ingang van de eerste dag na die van bekendmaking.

  • 3.

    De datum van ingang van de heffing is 1 januari 2021.

  • 4.

    Deze verordening wordt aangehaald als “Verordening precariobelasting 2021”.

 

Aldus besloten in de raadsvergadering van 4 november 2020

voorzitter

J.J. Nobel

griffier

mr. drs. M. Huisman

Tarieventabel behorende bij de “Verordening precariobelasting 2021”

Hoofdstuk 1

1.1

De belasting bedraagt voor het hebben van voorwerpen onder, op of boven voor de openbare dienst bestemde gemeentegrond per m2, voor zover niet hierna vermelde bijzonder tarieven van toepassing zijn:

 

1.1.2

voor een dag of gedeelte van een dag, langer dan een uur

€ 0,32

1.1.3

voor een week

€ 0,63

1.1.4

voor een maand

€ 1,43

1.1.5

voor een jaar

€ 13,66

1.2.1

De belasting bedraagt voor het hebben van voorwerpen onder, op of boven voor de openbare dienst bestemd gemeentewater per m2, voor zover niet hierna vermelde bijzonder tarieven van toepassing zijn:

 

1.2.2

voor een week

€ 0,32

1.2.3

voor een maand

€ 0,63

1.2.4

voor een jaar

€ 6,75

 

Hoofdstuk 2

2.1

De belasting bedraagt voor lichtbakken, lantaarns, neonlichtbuizen of dergelijke lichtapparaten, letterreclames, uithangborden, uithangtekens, gevelborden, gevelplaten, alsmede alle andere voorwerpen of inrichtingen, voor elk voorwerp, met inbegrip van bijbehorende bevestigingsijzers en dergelijke, gemeten over het grootste oppervlakte, voor een jaar:

 

2.1.1

met een oppervlakte van 30 dm2 of minder:

€ 4,60

2.1.2

met een oppervlakte van meer dan 30 dm2, doch niet meer dan 1 m2:

€ 13,35

2.1.3

met een oppervlakte van meer dan 1 m2, doch niet meer dan 2 m2:

€ 26,70

2.1.4

voor elke m2 meer:

€ 13,35

2.2

voor letterreclames die voor maximaal drie maanden zijn aangebracht, ongeacht het oppervlak, per letterreclame, voor een jaar:

€ 4,60

 

Hoofdstuk 3

3.1

De belasting bedraagt voor het hebben van een motorbrandstof aftappunt

 

3.1.1

voor een maand:

€ 8,90

3.1.2

voor een jaar:

€ 88,39

 

Hoofdstuk 4

4.1

De belasting bedraagt voor een tank met een inhoudscapaciteit tot 3.000 liter

 

4.1.1

voor een maand:

€ 4,04

4.1.2

voor een jaar:

€ 41,33

4.2

voor een tank met een inhoudscapaciteit van meer dan 3.000 liter

 

4.2.1

voor een maand:

€ 4,04

4.2.2

voor een jaar:

€ 41,33

 

vermeerderd per liter waarmee de 3.000 liter wordt overschreden per:

 

4.2.3

maand:

€ 1,33

4.2.4

jaar:

€ 13,55

 

Hoofdstuk 5

5.1

De belasting bedraagt voor een toonkast, uitstalkast, vitrine of automaat of dergelijke inrichting, anders dan onder 3.1 bedoeld, indien de grootste horizontale doorsnede bedraagt:

 

5.1.1

niet meer dan 5 dm2, per jaar

€ 8,95

5.1.2

groter dan 5 dm2 doch kleiner dan 10 dm2, per jaar

€ 18,06

5.1.3

groter dan 10 dm2 doch kleiner dan 20 dm2, per jaar

€ 27,37

5.1.4

voor elke 10 dm2 groter dan 20 dm2 per jaar:

€ 9,05

5.2

voor onoverdekte terrassen per seizoen per m2

€ 9,67

 

Hoofdstuk 6

6.1

voor een paal, mast of dergelijke, niet in verband met een bouwsteiger of kanaalsteiger

 

6.1.1

voor een maand

€ 1,07

6.1.2

voor een jaar

€ 3,73

6.2

voor rijwielblokken per blok

 

6.2.1

voor een jaar

€ 4,60

 

Hoofdstuk 7

7.1

De belasting bedraagt voor het opslaan van goederen in of langs de berm van het Helders kanaal, per strekkende meter in gebruik genomen grond, gemeten evenwijdig aan het kanaal of gracht

 

7.1.1

voor een dag of gedeelte van een dag, langer dan een uur

€ 0,61

7.1.2

voor een week

€ 1,33

7.1.3

voor een maand

€ 3,38

7.1.4

voor een jaar

€ 15,75

7.2

Het plaatsen van een afsluiting Indien als gevolg van het plaatsen van voorwerpen of gebruik van een gemeentebezitting tevens een of meer voor de openbare dienst bestemde (water)weg(en) voor het verkeer wordt afgesloten, wordt naast de onder vorenstaande rubrieken vermelde bedragen geheven, per dag:

€ 22,45

 

Behoort bij raadsbesluit van 4 november 2020 no. RB20.

 

de griffier

 

mr. drs. M. Huisman