Gemeenteblad van Den Helder

Datum publicatieOrganisatieJaargang en nummerRubriek
Den HelderGemeenteblad 2020, 321239Verordeningen



Besluit van de raad van de gemeente Den Helder, houdende regels over de heffing en invordering van forensenbelasting [Verordening forensenbelasting 2021]

De raad van de gemeente Den Helder;

 

gelezen het raadsvoorstel van het college van burgemeester en wethouders van Den Helder van 29

september 2020,

 

kennis genomen hebbende van de voorbereidende commissievergadering Raadscommissie Bestuur

en Middelen op 26 oktober 2020.

 

besluit:

 

1. de Verordening forensenbelasting 2021 vast te stellen.

 

Verordening op de heffing en de invordering van een forensenbelasting 2021

 

Artikel 1 Definities

Voor de toepassing van deze verordening wordt verstaan onder woning:

een gemeubileerde woning als bedoeld in artikel 223 van de Gemeentewet.

 

Artikel 2 Belastbaar feit en belastingplicht

  • 1.

    Onder de naam "forensenbelasting" wordt een directe belasting geheven van de natuurlijke personen, die, zonder in de gemeente hoofdverblijf te hebben, er op meer dan 90 dagen van het belastingjaar voor zich of hun gezin een gemeubileerde woning beschikbaar houden.

  • 2.

    Of iemand in de gemeente hoofdverblijf heeft, wordt naar de omstandigheden beoordeeld.

 

Artikel 3 Vrijstellingen

  • 1.

    Niet belastingplichtig is degene die ter tijdelijke waarneming van een openbare betrekking of ter bijwoning van de vergaderingen van een algemeen vertegenwoordigend openbaar lichaam, waarvan hij het lidmaatschap bekleedt, dan wel ingevolge last of bevel van de overheid, buiten de gemeente van zijn hoofdverblijf vertoeft.

  • 2.

    Niet belastingplichtig is degene die een gemeubileerde woning aanbiedt voor welk verblijf toeristenbelasting is verschuldigd.

 

Artikel 4 Maatstaf van heffing

  • 1.

    De belasting wordt geheven naar de heffingsmaatstaf voor de onroerende-zaak belastingen zoals die voor het belastingobject waarvan de woning deel uitmaakt, voor het tijdvak waarbinnen het belastingjaar valt, is vastgesteld.

  • 2.

    In afwijking van het eerste lid wordt de belasting geheven naar de waarde, indien de heffingsmaatstaf voor de onroerende-zaak belastingen voor het belastingobject waarvan de woning deel uitmaakt voor het belastingjaar is vastgesteld met toepassing van artikel 16, onderdeel e, van de Wet waardering onroerende zaken.

  • 3.

    In geval geen heffingsmaatstaf voor de onroerende-zaak belastingen is vastgesteld, wordt de belasting geheven naar de waarde.

  • 4.

    De vaststelling van de waarde bedoeld in het tweede en derde lid geschiedt overeenkomstig de artikelen 220 tot en met 220d van de Gemeentewet, met dien verstande dat daarbij artikel 16, onderdeel e, van de Wet waardering onroerende zaken niet wordt toegepast.

 

Artikel 5 Belastingtarief

De belasting bedraagt bij een waarde van:

minder dan € 30.000,--

€ 388,95

€ 30.000,-- doch minder dan € 50.000,--

€ 737,30

€ 50.000,-- doch minder dan € 75.000,--

€ 832,45

€ 75.000,-- doch minder dan € 100.000,--

€ 871,50

€ 100.000,-- doch minder dan € 125.000,--

€ 914,75

€ 125.000,-- doch minder dan € 160.000,--

€ 960,30

€ 160.000,-- en meer

€ 996,45

 

Artikel 6 Belastingjaar

Het belastingjaar is gelijk aan het kalenderjaar

 

Artikel 7 Wijze van heffing

De belasting wordt bij wege van aanslag geheven.

 

Artikel 8 Termijnen van betaling

  • 1.

    In afwijking van artikel 9, eerste lid, van de Invorderingswet 1990 moeten de aanslagen worden betaald binnen twee maanden na dagtekening van het aanslagbiljet.

  • 2.

    In afwijking van het eerste lid geldt, ingeval het totaalbedrag van de op één aanslagbiljet verenigde aanslagen, of als het aanslagbiljet één aanslag bevat, het bedrag daarvan meer is dan € 100,00 en minder is dan € 5.000,00 en zolang de verschuldigde bedragen door middel van automatische betalingsincasso kunnen worden afgeschreven, moeten de aanslagen worden betaald in negen gelijke termijnen. De eerste termijn vervalt op de laatste dag van de tweede maand volgend op die welke in de dagtekening van het aanslagbiljet is vermeld en elk van de volgende termijnen telkens één maand later.

  • 3.

    De Algemene termijnenwet is niet van toepassing op de in de voorgaande leden gestelde termijnen.

 

Artikel 9 Inwerkingtreding en citeertitel

  • 1.

    De Verordening forensenbelasting 2020 van 6 november 2019, wordt ingetrokken met ingang van de in het derde lid genoemde datum van ingang van de heffing, met dien verstande dat zij van toepassing blijft op de belastbare feiten die zich voor die datum hebben voorgedaan.

  • 2.

    Deze verordening treedt in werking met ingang van de eerste dag na die van de bekendmaking.

  • 3.

    De datum van ingang van de heffing is 1 januari 2021.

  • 4.

    Deze verordening wordt aangehaald als: Verordening forensenbelasting 2021.

 

Aldus besloten in de raadsvergadering van 4 november 2020.

voorzitter

J.J. Nobel

griffier

mr. drs. M. Huisman