Gemeenteblad van Grave

Datum publicatieOrganisatieJaargang en nummerRubriek
GraveGemeenteblad 2020, 308861Verordeningen



VERORDENING OP DE RAADSENQUETE GRAVE 2020

 

De raad van de gemeente Grave

 

gelet op de artikelen 155a tot en met 155f van de Gemeentewet;

 

besluit

 

Vast te stellen de navolgende

 

VERORDENING OP DE RAADSENQUETE GRAVE 2020

 

Artikel 1 Begripsbepalingen

In deze verordening wordt verstaan onder:

 

  • a.

    getuigen en deskundigen: personen als bedoeld in artikel 155b, eerste lid, juncto artikel 155c, eerste lid, van de Gemeentewet;

  • b.

    griffier: de griffier van de gemeente Grave;

  • c.

    onderzoek: een onderzoek als bedoeld in artikel 155a, eerste lid, van de Gemeentewet;

  • d.

    onderzoekscommissie: een commissie als bedoeld in artikel 155a, derde lid, van de Gemeentewet;

  • e.

    raad: de raad van de gemeente Grave;

  • f.

    college: het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Grave.

     

Artikel 2 Instellen van onderzoek

  • 1.

    De raad kan besluiten tot het doen van een vooronderzoek naar de zin, passendheid, mogelijke gevolgen en kosten van een mogelijk in te stellen onderzoek naar het door het college van burgemeester en wethouders of de burgemeester gevoerde bestuur. De raad stelt hiertoe een voorbereidingscommissie in bestaande uit ten minste drie raadsleden.

  • 2.

    Op basis van de resultaten van het vooronderzoek kan de raad op voorstel van een of meer van zijn leden besluiten tot het instellen van een onderzoek.

  • 3.

    Het voorstel tot het uitvoeren van een onderzoek bevat tenminste een omschrijving van het onderwerp van het onderzoek met een toelichting.

     

Artikel 3. Onderzoekscommissie

  • 1.

    In de eerstvolgende raadsvergadering na de raadsvergadering waarin het in artikel 2, eerste lid, bedoelde besluit wordt genomen stelt de raad de onderzoekscommissie in. Deze commissie bestaat uit minimaal 3 raadsleden waarbij iedere fractie die bij aanvang van de enquête in de gemeenteraad is vertegenwoordigd het recht heeft om deel te nemen. Nadere invulling inclusief de onderverdeling van werkzaamheden wordt op een later tijdstip bepaald.

  • 2.

    De raad wijst een genoegzaam aantal plaatsvervangende leden aan.

  • 3.

    Bij de instelling van de onderzoekscommissie stelt de raad het budget vast dat de onderzoekscommissie voor het onderzoek ter beschikking staat. Gedurende het onderzoek kan de raad het budget aanpassen.

  • 4.

    De onderzoekscommissie stelt vooraf gezamenlijk vast welke personen voor de commissie worden opgeroepen.

  • 5.

    Bij de instelling van de onderzoekscommissie stelt de raad tevens nadere regels vast met betrekking tot de rapportage van de onderzoekscommissie aan de raad.

 

Artikel 4. Voorzitter/plaatsvervangend voorzitter

  • 1.

    De leden van de onderzoekscommissie kiezen uit hun midden een voorzitter en een plaatsvervangend voorzitter.

  • 2.

    De voorzitter is belast met:

    • a.

      het leiden van de beraadslaging en zitting;

    • b.

      het handhaven van de orde;

    • c.

      het bewaken van het door de raad voor het onderzoek vastgestelde budget;

    • d.

      het doen naleven van bij of krachtens deze verordening gestelde regels;

    • e.

      hetgeen deze verordening hem verder opdraagt.

 

Artikel 5. Beëindiging van het lidmaatschap

  • 1.

    Het lidmaatschap van de onderzoekscommissie eindigt indien:

    • a.

      de raad besluit tot opheffing van de onderzoekscommissie;

    • b.

      een lid ophoudt lid te zijn van de raad;

    • c.

      de onderzoekscommissie besluit een lid te horen;

    • d.

      een lid ontslag neemt.

  • 2.

    Een lid van de onderzoekscommissie kan op elk moment ontslag nemen. Hiervan brengt hij de raad en de voorzitter van de onderzoekscommissie zo spoedig mogelijk schriftelijk op de hoogte.

  • 3.

    In openstaande vacatures wordt zo spoedig mogelijk voorzien.

  • 4.

    De leden 1 tot en met 3 zijn van overeenkomstige toepassing op de plaatsvervangende leden.

     

Artikel 6. Bevoegdheden van de onderzoekscommissie

  • 1.

    De onderzoekscommissie besluit alvorens het eerste getuigenverhoor plaats vindt of getuigen uitsluitend verhoord worden na het afleggen van de eed of belofte.

  • 2.

    De onderzoekscommissie kan buiten de in artikel 155b, eerste lid, van de Gemeentewet genoemde personen tevens anderen verzoeken om medewerking aan het onderzoek te verlenen. Laatstgenoemde medewerking geschiedt slechts op vrijwillige basis.

  • 3.

    De onderzoekscommissie kan besluiten derden in te schakelen voor het uitvoeren van opdrachten die zij in het kader van de onderzoeksopdracht en de uitoefening van haar taak nodig acht, mits dit binnen het door de raad vastgestelde onderzoeksbudget blijft.

  • 4.

    De onderzoekscommissie kan in het belang van het onderzoek in beslotenheid met een ieder informatieve gesprekken voeren, welke als zodanig geen onderdeel van het onderzoek uitmaken. Er bestaat hiertoe geen plicht tot medewerking.

  • 5.

    De onderzoekscommissie kan de bovengenoemde bevoegdheden uitsluitend uitoefenen indien ten minste drie van haar leden aanwezig zijn.

  • 6.

    De onderzoekscommissie besluit met meerderheid van stemmen. In geval de stemmen staken is de stem van de voorzitter doorslaggevend.

  • 7.

    Het Reglement van orde voor vergaderingen en andere werkzaamheden van de gemeenteraad van Grave is niet van toepassing.

 

Artikel 7. Ambtelijke bijstand

  • 1.

    De griffier ondersteunt de onderzoekscommissie.

  • 2.

    Indien de gevraagde ondersteuning niet door de griffier kan worden verleend kan de griffier de gemeentesecretaris verzoeken, één of meer ambtenaren aan te wijzen, die de gevraagde ondersteuning zo spoedig mogelijk verlenen.

  • 3.

    De griffier is bij iedere zitting van de onderzoekscommissie aanwezig.

  • 4.

    Bij verhindering of afwezigheid wordt zijn plaats ingenomen door de plaatsvervangende griffier.

  • 5.

    De Verordening op de ambtelijke bijstand en de fractieondersteuning 2020 is niet van toepassing.

 

Artikel 8. Zittingen

  • 1.

    De voorzitter van de commissie bepaalt plaats en tijdstip van de zitting en brengt die ter openbare kennis.

  • 2.

    De voorzitter roept de leden van de onderzoekscommissie, getuigen en deskundigen ten minste twee weken voor de zitting op.

  • 3.

    Binnen drie werkdagen na verzending van de oproep kunnen de getuigen en deskundigen onder opgaaf van redenen de voorzitter verzoeken het tijdstip van de zitting te wijzigen.

  • 4.

    De beslissing van de voorzitter op dit verzoek wordt uiterlijk één week voor het tijdstip van de zitting aan de betrokken getuige of deskundige medegedeeld en openbaar gemaakt.

 

Artikel 9. Onwillige getuigen en deskundigen

  • 1.

    Indien een opgeroepen getuige of deskundige niet verschijnt, wordt daarvan door de griffier een proces-verbaal opgemaakt. In dit proces-verbaal staan in ieder geval een nauwkeurige omschrijving van de wijze van oproeping en van de reden waarom naar de mening van de onderzoekscommissie de getuige of deskundige verplicht is om aan de oproep van de onderzoekscommissie te voldoen.

  • 2.

    De onderzoekscommissie besluit indien een situatie als genoemd in het eerste lid zich voordoet of een niet verschenen getuige of deskundige met gebruikmaking van artikel 155d, tweede lid van de gemeentewet alsnog voor de commissie zal worden gebracht.

  • 3.

    Indien een getuige weigert de eed of belofte af te leggen of weigert te antwoorden op vragen van de onderzoekscommissie wordt hiervan door de griffier een proces-verbaal opgemaakt;

  • 4.

    Indien de onderzoekscommissie het sterke vermoeden heeft dat door een getuige meineed wordt gepleegd, doet de voorzitter hiervan aangifte bij het openbaar ministerie.

  • 5.

    Opgestelde processen-verbaal worden door de aanwezige leden van de onderzoekscommissie en de griffier ondertekend.

 

Artikel 10. Toehoorders en pers

  • 1.

    De toehoorders en vertegenwoordigers van de pers kunnen uitsluitend op de voor hen bestemde plaatsen openbare zittingen bijwonen.

  • 2.

    Het geven van tekenen van goed- of afkeuring of het op andere wijze verstoren van de orde is verboden.

  • 3.

    De voorzitter is bevoegd toehoorders die op enigerlei wijze de orde van de vergadering verstoren te doen vertrekken.

  • 4.

    Tijdens de zitting is het gebruik van elektronische hulpmiddelen zoals smartphone, tablet, iPad en laptop toegestaan. Indien dit gebruik de orde van de zitting verstoort, dient de gebruiker op eerste aanwijzing van de voorzitter het betreffende apparaat uit te schakelen. Indien hieraan geen gehoor wordt gegeven is de voorzitter bevoegd de betrokken persoon en/of het betreffende apparaat uit de raadzaal te verwijderen of te doen verwijderen.

 

Artikel 11. Geluid- en beeldregistraties

  • 1.

    De griffier draag zorg voor het maken geluidsopnames van de verhoren, tenzij de onderzoekscommissie oordeelt dat dit niet noodzakelijk is.

  • 2.

    Anderen die tijdens de zitting geluid- dan wel beeldregistraties willen maken doen hiervan mededeling aan de voorzitter en gedragen zich naar diens aanwijzingen.

 

Artikel 12. Verslaglegging zitting

  • 1.

    De griffier draagt zorg voor de verslaglegging van de zitting.

  • 2.

    Het verslag vermeldt de namen van de aanwezigen en hun hoedanigheid voor zover van belang.

  • 3.

    Het verslag houdt een zakelijke vermelding in van wat over en weer is gezegd en wat verder ter zitting is voorgevallen.

  • 4.

    Het verslag verwijst naar de op de zitting overgelegde bescheiden, die aan het verslag kunnen worden gehecht.

  • 5.

    Het verslag wordt ondertekend door de voorzitter en de griffier.

  • 6.

    Verklaringen die ten overstaan van de onderzoekscommissie zijn afgelegd worden ter zitting door partijen ondertekend.

 

Artikel 13. Beraadslagingen

  • 1.

    De onderzoekscommissie beraadslaagt indien een lid dat nodig acht.

  • 2.

    De onderzoekscommissie beraadslaagt achter gesloten deuren.

 

Artikel 14. Afronding onderzoek

Na afronding van het onderzoek brengt de onderzoekscommissie schriftelijk rapport uit aan de raad.

 

Artikel 15. Inwerkingtreding

Deze verordening treedt in werking op 1 december 2020.

 

Artikel 16. Citeertitel

Deze verordening wordt aangehaald als: Verordening op de raadsenquête Grave 2020.

 

Aldus vastgesteld in de openbare vergadering van de raad van de gemeente Grave, gehouden op 3 november 2020.

 

De raad voornoemd,

Griffier

D.S.J. Thissen

Voorzitter

A.M.H. Roolvink MSc

Artikelsgewijze toelichting

 

Algemeen

Het onderzoeksrecht van de raad is uitvoerig geregeld in de artikelen 155a tot en met 155f van de Gemeentewet. Deze verordening, die in nauwe samenhang met de artikelen uit de Gemeentewet dient te worden gelezen, bevat nadere regels met betrekking tot dit onderzoeksrecht. Het onderzoeksrecht is een exclusief recht van de raad dat ingevolge artikel 156, tweede lid, van de Gemeentewet niet overdraagbaar is.

 

Artikel 1 Begripsbepalingen

Dit artikel spreekt voor zich.

 

Artikel 2 Instellen van het onderzoek

Ter verduidelijking wordt hier nogmaals aangegeven dat op voorstel van leden van de raad, bij raadsbesluit, een onderzoek kan worden ingesteld naar het door het college of de burgemeester gevoerde bestuur. Ingevolge artikel 155a, eerste lid Gemeentewet omvat het besluit tot het instellen van een onderzoek een omschrijving van het onderwerp van onderzoek alsmede een toelichting. Die omschrijving kan hangende het onderzoek door de raad worden gewijzigd.

 

Artikel 3 Onderzoekscommissie

Indien de raad tot een onderzoek besloten heeft dient in de eerstvolgende raadsvergadering besloten te worden omtrent het aantal leden dat in de onderzoekscommissie plaats zal nemen en welke leden dat zijn (samenstelling).

 

Ingevolge artikel 155a, derde en vierde lid, Gemeentewet moet de onderzoekscommissie uit ten minste drie raadsleden bestaan. De raad draagt bij de samenstelling zorg voor een evenwichtige vertegenwoordiging van de in de raad vertegenwoordigde groeperingen. Omdat het denkbaar is dat hieromtrent nader overleg tussen raadsfracties nodig is, is dit besluitmoment verschoven naar de eerstvolgende raadsvergadering na het besluit tot het instellen van een onderzoek.

 

Omdat de onderzoekscommissie ingevolge artikel 6 van deze modelverordening besluit met meerderheid van stemmen verdient het aanbeveling om een oneven aantal leden te benoemen. Op deze wijze kan het staken van stemmen worden voorkomen. Voor het geval een even aantal leden wordt benoemd, is in model opgenomen dat bij het staken van de stemmen de stem van de voorzitter doorslaggevend is.

 

Het tweede lid voorziet in de benoeming van plaatsvervangende leden. Het aantal plaatsvervangende leden is afhankelijk van de omvang van de onderzoekscommissie. Omdat de uitoefening van bevoegdheden van de onderzoekscommissie gekoppeld is aan de aanwezigheid van tenminste drie leden kan benoeming van plaatsvervangende leden bij een omvangrijke commissie achterwege blijven.

 

In het derde lid wordt vastgelegd dat de raad het budget vaststelt dat voor de onderzoekscommissie ter beschikking staat.

 

Het vijfde lid bepaalt dat er bij de instelling van de onderzoekscommissie wordt bepaald hoe en op welk moment deze commissie aan de raad rapporteert. Voorstelbaar zou zijn dat hier bepaald wordt dat de voorzitter in elke raadsvergadering een kort verslag doet omtrent de vorderingen.

 

Artikel 4 Voorzitter/plaatsvervangend voorzitter

In deze verordening is ervoor gekozen dat de onderzoekscommissie haar voorzitter en plaatsvervangend voorzitter benoemt. Het staat de raad echter vrij om te bepalen dat de raad deze “uit zijn midden” benoemt. De voorzitter maakt tevens deel uit van de onderzoekscommissie en is derhalve niet slechts (technisch) voorzitter.

 

Artikel 5 Beëindiging van het lidmaatschap

In artikel 155a, zesde lid, van de Gemeentewet is bepaald dat de bevoegdheden en werkzaamheden van een onderzoekscommissie niet worden geschorst door het aftreden van de raad. Nu de onderzoekscommissie slechts mag bestaan uit leden van de raad brengt dat met zich mee dat bij het aantreden van een nieuwe raad de samenstelling van de onderzoekscommissie wel zal moeten worden aangepast. Indien een individueel lid van de onderzoekscommissie ophoudt lid te zijn van de raad eindigt derhalve tevens zijn lidmaatschap van eerder genoemde commissie.

 

Voorts eindigt een lidmaatschap uiteraard bij opheffing van de onderzoekscommissie en bij het nemen van ontslag. De raad kan tevens, indien dit wenselijk wordt geacht, de onderzoekscommissie tussentijds opheffen.

 

Daarnaast eindigt het lidmaatschap indien de onderzoekscommissie besluit een van haar leden te horen. Artikel 155c, tweede lid, van de Gemeentewet bepaalt namelijk dat een getuige of deskundige die door de onderzoekscommissie wordt gehoord, niet tevens lid is van de onderzoekscommissie.

 

Het bepaalde is uiteraard ook van toepassing op de plaatsvervangende leden.

 

Artikel 6 Bevoegdheden van de onderzoekscommissie

De onderzoekscommissie heeft op basis van de bepalingen uit de Gemeentewet reeds een aantal bevoegdheden. Zo bepaalt artikel 155c, vijfde lid, van de Gemeentewet dat de onderzoekscommissie kan besluiten dat getuigen uitsluitend worden verhoord na het afleggen van een eed of belofte. Omdat het ten gevolge hiervan niet mogelijk is om de ene getuige wel en de andere niet onder ede te horen is in artikel 6, eerste lid, van deze verordening bepaald dat de onderzoekscommissie hieromtrent een besluit neemt alvorens de eerste getuige of deskundige gehoord is.

 

Artikel 155b, eerste lid, Gemeentewet bepaalt de groep van personen die verplicht zijn mee te werken aan een onderzoek en jegens wie dwangmiddelen kunnen worden ingezet. Dit laat onverlet de mogelijkheid om personen buiten deze groep te horen, zij het op vrijwillige basis. Deze personen zijn niet verplicht om een verklaring onder ede af te leggen. Indien een onderzoekscommissie derhalve bepaald heeft dat alle getuigen onder ede gehoord worden, zijn deze personen hiervan uitgezonderd.

 

Naast het horen op vrijwillige basis kan een onderzoekscommissie ook informele (informatieve) gesprekken voeren met getuigen en deskundigen, bijvoorbeeld om vast te stellen of horen ter zitting nuttig is.

 

Tenslotte bestaat de mogelijkheid om, bijvoorbeeld bij gebrek aan deskundigheid, opdrachten uit te besteden aan derden. Ingevolge artikel 155f Gemeentewet dient het college de door de raad geraamde kosten voor een onderzoek in een bepaald jaar op te nemen in de ontwerpbegroting. Voorstelbaar is dat hier tevens een post wordt opgenomen met betrekking tot deze (mogelijke) inschakeling van externen. Tot het aangaan van eventuele overeenkomsten met derden ter ondersteuning van de onderzoekscommissie moet de gemeenteraad beslissen.

 

De onderzoekscommissie kan ingevolge artikel 155a, vijfde lid, Gemeentewet, de haar bij die wet verleende bevoegdheden uitsluitend uitoefenen indien tenminste drie van haar leden aanwezig zijn. Met betrekking tot de bevoegdheden die op basis van deze verordening bestaan is gekozen voor hetzelfde regime. Er kan uiteraard bepaald worden dat alle of enkele van de bevoegdheden kunnen worden uitgeoefend bij de aanwezigheid van een kleiner aantal leden. Uit praktische overwegingen zou er bijvoorbeeld voor gekozen kunnen worden om het voeren van informatieve gesprekken ook door individuele leden mogelijk te maken. Daarnaast zegt het zesde lid dat de onderzoekscommissie beslist met een meerderheid van stemmen. Om deze reden wordt ook aanbevolen een oneven aantal leden te benoemen.

 

Het Reglement van orde is hier buiten toepassing verklaard omdat hierin zaken en bevoegdheden geregeld worden die bij het onderzoek niet toepasbaar dan wel onwenselijk zijn. Hierbij valt te denken aan zaken als spreekrecht voor burgers enz.

 

Artikel 7 Ambtelijke bijstand

Artikel 155a, achtste lid, van de Gemeentewet, bepaalt dat de raad, alvorens tot een onderzoek besloten wordt, bij verordening nadere regels stelt met betrekking tot deze onderzoeken. Hierin dienen in ieder geval regels opgenomen te worden over de wijze waarop ambtelijke bijstand wordt verleend aan de onderzoekscommissie.

 

Artikel 7 van de verordening voorziet in het aanwijzen van de griffier ter ondersteuning van de onderzoekscommissie.

 

Het staat de raad uiteraard vrij om in deze verordening te bepalen dat ambtelijke bijstand binnen of buiten de raadsgriffie gezocht dient te worden. Het is voorstelbaar dat daartoe tijdelijke krachten van buiten worden ingehuurd of dat direct een beroep wordt gedaan op het ambtelijke apparaat.

 

Artikel 8 Zittingen

Artikel 155d, eerste lid, van de Gemeentewet voorziet in de schriftelijke oproeping van getuigen en deskundigen die ter zitting dienen te verschijnen. Deze zitting dient te worden onderscheiden van de beraadslaging van de onderzoekscommissie, die ingevolge artikel 13 van de verordening achter gesloten deuren plaatsheeft. Op de zitting vinden de verhoren van getuigen en deskundigen plaats ex artikel 155c, zesde lid, van de Gemeentewet en zijn in beginsel openbaar. De onderzoekscommissie kan ingevolge artikel 155c, zevende lid, van de Gemeentewet om gewichtige redenen echter besluiten dat een verhoor of een gedeelte ervan niet in het openbaar plaatsvindt. De leden bewaren geheimhouding over hetgeen hen tijdens een besloten zitting ter kennis komt. De redenen om besloten te vergaderen zijn hierbij anders dan die genoemd in artikel 86, eerste lid, van de Gemeentewet. In artikel 86, eerste lid, wordt immers gesproken over belangen als bedoeld in artikel 10 Wet openbaarheid van bestuur. Dat is bij besloten vergaderingen in het kader van het onderzoeksrecht niet van belang. Slechts van belang is er of naar het oordeel van de onderzoekscommissie sprake is van ‘gewichtige redenen’. Het bepaalde in artikel 86, eerste lid, is derhalve op de onderzoekscommissie niet van toepassing.

 

Artikel 9 Onwillige getuigen en deskundigen

In dit artikel wordt de handelwijze van de onderzoekscommissie omschreven indien een opgeroepen getuige of deskundige niet verschijnt. In het tweede lid wordt verwezen naar artikel 155d, tweede lid Gemeentewet. Op grond van dat artikellid kan de onderzoekscommissie bevelen dat getuigen en deskundigen die, hoewel opgeroepen, niet zijn verschenen, door de openbare macht voor hen worden gebracht om aan hun verplichting te voldoen. De onderzoekscommissie stelt de getuige of deskundige hiervan schriftelijk in kennis op de wijze, bedoeld in het eerste lid. In de beschikking wordt een termijn gesteld waarbinnen de belanghebbende de tenuitvoerlegging kan voorkomen door alsnog aan zijn verplichting te voldoen.

 

Artikel 10 Toehoorders en de pers

Artikel 26, eerste en tweede lid, van de Gemeentewet regelen dat de voorzitter van de raad toehoorders die de orde verstoren, kan doen vertrekken en bij volharding in hun gedrag de toezegging kan ontzeggen. Voor de onderzoekscommissie ontbreekt een dergelijke bepaling in de Gemeentewet, het derde lid voorziet hierin.

 

Artikel 11 Geluid- en beeldregistraties

Aangezien de zittingen van een onderzoekscommissie in principe openbaar zijn, kunnen radio- en tv-stations geluids- en beeldregistraties maken. Dit is uiteraard niet het geval als het een besloten zitting betreft. De voorzitter kan aanwijzingen geven met betrekking tot bijvoorbeeld plaats en opstelling.

 

Artikel 12 Verslaglegging zitting

Het verdient aanbeveling om tijdens de verhoren een geluidsband mee te laten draaien of op andere wijze het gezegde exact vast te leggen. Op deze wijze ontstaat achteraf nooit discussie over hetgeen wel of niet gezegd is.

 

Artikel 13 Beraadslagingen

Beraadslaging vindt plaats achter gesloten deuren omdat de inhoud van een beraadslaging zich mogelijk niet voor openbaarheid leent. Het is namelijk zeer wel denkbaar dat er beraadslaagd wordt omtrent ondervragingsmethoden, tactieken en dergelijke, welke in het belang van het onderzoek niet naar buiten mogen worden gebracht. Daarnaast moet er vrij gesproken kunnen worden over personen en hetgeen door hen naar voren is gebracht.

 

De raad kan op basis van artikel 23, vijfde lid, van deze verordening, nadere regels stellen omtrent deze beraadslagingen in verband met de rapportage naar de raad.

 

Artikel 14 Afronding onderzoek

Indien de onderzoekscommissie haar werkzaamheden heeft afgerond legt zij haar bevindingen voor aan de raad. Hier is bepaald dat dit geschiedt in de vorm van een schriftelijk rapport. Het is aan de raad in het kader van de nadere regels als genoemd in artikel 3, vierde lid, van deze verordening hiervoor een andere vorm te kiezen. De vraag is wat de raad bij de rapportage door de onderzoekscommissie wenst. Is dit slechts een feitenrelaas van de onderzoekscommissie waarover de raad zich een oordeel vormt of dient er door de commissie ook zelf een oordeel gevormd te worden alvorens de raad zich erover buigt. Hier zal een oordeel over gevormd moeten worden.

 

Artikel 15 Inwerkingtreding

De inhoud van dit artikel spreekt voor zich.

 

Artikel 16 Citeertitel

Deze bepaling spreekt voor zich.