Gemeenteblad van Soest

Datum publicatieOrganisatieJaargang en nummerRubriek
SoestGemeenteblad 2020, 306412Verordeningen



Verordening van de gemeenteraad van de gemeente Soest houdende regels omtrent de heffing en de invordering van afvalstoffenheffing (Verordening afvalstoffenheffing 2021)

De raad van de gemeente Soest;

 

gelezen het voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 22 september 2020, nr. RV 20-44;

 

gelet op artikel 15.33 van de Wet milieubeheer;

 

gelet op de Afvalstoffenverordening;

 

b e s l u i t:

 

 

vast te stellen de volgende verordening:

 

 

Verordening op de heffing en de invordering van afvalstoffenheffing 2021.

Artikel 1 Definities

Voor de toepassing van deze verordening wordt verstaan onder “gebruik maken”: gebruik maken in de zin van artikel 15.33 Wet milieubeheer.

Artikel 2 Aard van de belasting en belastbaar feit

  • 1.

    Onder de naam "afvalstoffenheffing" wordt een directe belasting geheven als bedoeld in artikel 15.33 van de Wet Milieubeheer.

  • 2.

    De afvalstoffenheffing bedoeld in deze verordening wordt naar afzonderlijke grondslagen geheven ter zake van het gebruik maken van een perceel ten aanzien waarvan krachtens de artikelen 10.21 en 10.22 van de Wet milieubeheer een verplichting tot het inzamelen van huishoudelijke afvalstoffen geldt.

Artikel 3 Belastingplicht

  • 1.

    De belasting wordt geheven van degene die in de gemeente gebruik maakt van een perceel ten aanzien waarvan ingevolge de artikelen 10.21 en 10.22 van de Wet milieubeheer een verplichting tot het inzamelen van huishoudelijke afvalstoffen geldt.

  • 2.

    Voor de toepassing van het eerste lid wordt als gebruiker aangemerkt:

    • a.

      degene die naar de omstandigheden beoordeeld al dan niet krachtens eigendom, bezit, beperkt recht of persoonlijk recht gebruik maakt van het perceel;

    • b.

      ingeval een gedeelte van een perceel voor gebruik is gegeven: degene die dat gedeelte voor gebruik heeft afgestaan;

    • c.

      ingeval een perceel voor volgtijdig gebruik ter beschikking wordt gesteld: degene die dat perceel ter beschikking heeft gesteld.

Artikel 4 Maatstaf van heffing en belastingtarief

  • 1.

    De belasting bedraagt per perceel per belastingjaar:

    • a.

      bij gebruik daarvan door één persoon € 230,00;

    • b.

      bij gebruik daarvan door meer dan één persoon € 256,00.

  • 2.

    Het aantal personen dat gebruik maakt van een perceel wordt beoordeeld naar de situatie op 1 januari van het belastingjaar of indien later het tijdstip van het ontstaan van de belastingplicht.

  • 3.

    Voor het in bezit/gebruik hebben van meer dan één restafval-container, voor elke container boven het aantal van één € 97,00.

  • 4.

    Voor het in bezit/gebruik hebben van meer dan twee GFT-containers, voor elke container boven het aantal van twee € 47,50.

  • 5.

    Onverminderd het bepaalde in dit artikel, bedraagt de belasting voor het op aanvraag inzamelen van grove huishoudelijke afvalstoffen per aanvraag € 30,00.

  • 6.

    Onverminderd het bepaalde in dit artikel, bedraagt de belasting voor het achterlaten van meer dan een halve kubieke meter per 2 weken van de volgende afvalstromen op een daartoe door de gemeente aangewezen plaats:

    Asbest

    € 162,00

    Grond

    € 12,50

    Puin

    € 5,00

    Bouw- en sloopafval

    € 125,00

    Hout C

    € 102,00

    Hout B

    € 65,00

    Dakbedekking

    € 245,00

    Gips

    € 100,00

    Het werkelijk achtergelaten gewicht in kilo’s wordt in rekening gebracht met dien verstande dat het in rekening te brengen bedrag nimmer minder bedraagt dan € 10,00.

Artikel 5 Belastingjaar

Het belastingjaar is gelijk aan het kalenderjaar.

Artikel 6 Wijze van heffing

  • 1.

    De belasting bedoeld in artikel 4, lid 1, 3 en 4 wordt geheven bij wege van aanslag.

  • 2.

    De belasting bedoeld in artikel 4, lid 5 en 6, wordt geheven door middel van een schriftelijke gedagtekende kennisgeving waarop het gevorderde bedrag is vermeld. Het gevorderde bedrag wordt door uitreiking van de schriftelijke kennisgeving aan de belastingschuldige bekendgemaakt.

Artikel 7 Ontstaan van de belastingschuld en heffing naar tijdsgelang

  • 1.

    De belasting bedoeld in artikel 4, lid 1, 3 en 4 is verschuldigd bij het begin van het belastingjaar of, zo dit later is, bij de aanvang van de belastingplicht.

  • 2.

    Indien de belastingplicht van de belasting bedoeld in artikel 4, lid 1, 3 en 4 in de loop van het belastingjaar aanvangt, is de belasting verschuldigd voor zoveel twaalfde gedeelten van de voor dat jaar verschuldigde belasting als er in dat jaar, na de aanvang van de belastingplicht, nog volle kalendermaanden overblijven.

  • 3.

    Indien de belastingplicht van de belasting bedoeld in artikel 4, lid 1, 3 en 4 in de loop van het belastingjaar eindigt, bestaat aanspraak op ontheffing voor zoveel twaalfde gedeelten van de voor dat jaar verschuldigde belasting als er in dat jaar, na het einde van de belastingplicht, nog volle kalendermaanden overblijven.

  • 4.

    Het tweede en derde lid zijn niet van toepassing indien de belastingplichtige binnen de gemeente verhuist en aldaar van een ander perceel gebruik maakt.

  • 5.

    De belasting bedoeld in artikel 4, lid 5 en 6 is verschuldigd bij de aanvang van de dienstverlening.

  • 6.

    Indien het totaal van de op het aanslagbiljet verenigde bedragen minder dan € 10,00 bedraagt zal geen aanslag worden opgelegd.

Artikel 8 Termijnen van betaling

  • 1.

    In afwijking van artikel 9, eerste lid, van de invorderingswet 1990 moet een aanslag worden betaald in één termijn binnen twee maanden na de dagtekening van het aanslagbiljet.

  • 2.

    In afwijking van het eerste lid geldt, ingeval het totaal bedrag van de op één aanslagbiljet verenigde aanslagen, of als het aanslagbiljet maar één aanslag bevat het bedrag daarvan, meer is dan € 50,00 doch minder dan € 45.000,00 en zolang de verschuldigde bedragen door middel van automatische betalingsincasso van de betaalrekening van de belastingschuldige kunnen worden afgeschreven, dat de aanslagen moeten worden betaald in 9 gelijke termijnen. De eerste termijn vervalt een maand na de dagtekening van het aanslagbiljet en elk van de volgende termijnen telkens een maand later.

  • 3.

    De gedagtekende kennisgeving bedoeld in artikel 6 lid 2 waarop het gevorderde bedrag is vermeld moet worden betaald, op het moment van het doen van de kennisgeving.

  • 4.

    De Algemene Termijnenwet is niet van toepassing op de in voorgaande leden gestelde termijnen.

Artikel 9 Kwijtschelding

Bij de invordering van de afvalstoffenheffing wordt, in afwijking van de uitvoeringsregeling invorderingswet 1990, het percentage van de berekening van de kosten van bestaan vastgesteld op 100%.

Artikel 10 Overgangsrecht

  • 1.

    De "Verordening op de heffing en de invordering van afvalstoffenheffing 2020", vastgesteld bij raadsbesluit van 7 november 2019, wordt ingetrokken met ingang van de in artikel 11, tweede lid, genoemde datum van ingang van de heffing, met dien verstande dat zij van toepassing blijft op de belastbare feiten die zich voor die datum hebben voorgedaan.

Artikel 11 Inwerkingtreding

  • 1.

    Deze verordening treedt in werking met ingang van de eerste dag na die van de bekendmaking.

  • 2.

    De datum van ingang van de heffing is 1 januari 2021.

Artikel 12 Citeertitel

Deze verordening wordt aangehaald als: "Verordening afvalstoffenheffing 2021".

Aldus vastgesteld in de openbare raadsvergadering van 5 november 2020,

de griffier,

M. van Vliet MPM AA

de voorzitter,

R.T. Metz