Besluit van het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam houdende aanvullende regels over het verbeteren van de financiële positie van Kunstenplaninstellingen die als gevolg van de coronamaatregelen in hun voortbestaan worden bedreigd (Regeling tot wijziging van de Subsidieregeling eenmalige aanvulling op Kunstenplansubsidie 2017-2020 voor instellingen die in zwaar weer verkeren als gevolg van de coronamaatregelen - fase 1)

Het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam,

 

gelet op artikel 160, eerste lid Gemeentewet en het besluit van het college d.d. 8 mei 2020 inzake de uitwerking van een steunmaatregel voor Kunstenplaninstellingen in aanvulling op de generieke economische Rijksmaatregelen en de specifieke Rijksmaatregelen voor de cultuursector.

 

besluit de volgende regeling vast te stellen:

 

Regeling tot wijziging van de Subsidieregeling eenmalige aanvulling op Kunstenplansubsidie 2017-2020 voor instellingen die in zwaar weer verkeren als gevolg van de coronamaatregelen - fase 1

Artikel I  

A.

Na paragraaf 2.1 wordt een paragraaf toegevoegd, luidende:

 

Paragraaf 2.2 Fase 2

 

Artikel 2.2.1 Subsidiabele activiteiten en hoogte van de subsidie

  • 1.

    Het college kan een eenmalige subsidie verlenen als gedeeltelijke compensatie van de verliezen die worden geleden als gevolg van de coronamaatregelen in de periode van half maart 2020 tot 1 januari 2021 aan de volgende te onderscheiden Kunstenplaninstellingen:

    • a.

      kunstinstellingen die na de vaststelling van de Hoofdlijnen kunst en cultuur 2021-2024 door het gemeentebestuur aanvullend op naam zijn aangewezen als behorende tot de Amsterdam Bis of het Cluster Cultuureducatie;

    • b.

      kunstinstellingen die in de Hoofdlijnen kunst en cultuur 2021-2024 zijn aangewezen:

      • i.

        in een functie van de Amsterdam Bis;

      • ii.

        als muziekscholen in het Cluster Cultuureducatie

    • c.

      kunstinstellingen waaraan het AFK een vierjarige subsidie heeft verleend in het kader van het Kunstenplan 2021-2024 en hiertoe uiterlijk 9 oktober 2020 de verleningsbeschikking hebben ontvangen en niet in aanmerking komen voor fase 1 van deze regeling;

    • d.

      kunstinstellingen die een vierjarige subsidie ontvangen van het AFK in het kader van het Kunstenplan 2017-2020 en in de periode 2021-2024 na een fusie onderdeel zijn van een kunstinstelling die een subsidie ontvangen van het AFK in het kader van het Kunstenplan 2021-2024;

    • e.

      een kunstinstelling die een vierjarige subsidie ontvangt van het AFK in het kader van het Kunstenplan 2017-2020 en waarvan na een opdeling in verschillende rechtspersonen, deze rechtspersonen afzonderlijk een subsidie ontvangen van het AFK in het kader van het Kunstenplan 2021-2024.

  • 2.

    Voor het bepalen van de maximale hoogte van de subsidie worden de Kunstenplaninstellingen bedoeld in het eerste lid onderverdeeld in de volgende groepen:

    • a.

      Groep 1: instellingen die geen bijdrage hebben ontvangen op basis van het eerste additionele noodpakket van het ministerie van OCW voor de cultuursector;

    • b.

      Groep 2: instellingen die een bijdrage hebben ontvangen uit stroom 1 van het additionele noodpakket van het ministerie van OCW én waarbij het verlies van de instelling aanmerkelijk groter is dan de ontvangen subsidie uit stroom 1.

  • 3.

    Voor groep 1 geldt dat de hoogte van de subsidie wordt bepaald op basis van de uitkomst van de volgende formule:

    • a.

      de hoogte van het verlies van half maart 2020 tot 1 januari 2021;

    • b.

      verminderd met het bedrag dat resulteert uit de som van de algemene reserve en de continuïteitsreserves over 2019 en voor zover dit bedrag niet nodig is om een weerstandsvermogen van maximaal 5% over 2019 te behouden.

  • 4.

    Voor groep 2 geldt dat de hoogte van de subsidie wordt bepaald op basis van de uitkomst van volgende formule:

    • a.

      de hoogte van het verlies van half maart 2020 tot 1 januari 2021, waarbij uit de opgave in de aanvraag blijkt dat er rekening wordt gehouden met de bijdrage uit stroom 1;

    • b.

      verminderd met het bedrag dat resulteert uit de som van de algemene reserve en de continuïteitsreserves over 2019 en voor zover dit bedrag niet nodig is om een weerstandsvermogen van maximaal 5% over 2019 te behouden.

Artikel 2.2.2 Subsidieplafond

  • a.

    Het college stelt voor de steunmaatregel fase 2 voor het tijdvak dat loopt tot 1 januari 2021 een subsidieplafond vast van € 7.605.354.

  • b.

    Indien het subsidieplafond ontoereikend is om alle aanvragen die voor subsidie in aanmerking te honoreren, worden alle te verlenen subsidies verlaagd met een gelijk percentage, oftewel naar rato totdat het plafond toereikend is.

Artikel 2.2.3 De aanvrager

Subsidie kan uitsluitend worden aangevraagd door de instellingen als bedoeld in artikel 2.2.1, eerste lid.

 

Artikel 2.2.4 Bij de subsidieaanvraag in te dienen gegevens

In aanvulling op artikel 5, tweede lid, van de ASA 2013 wordt bij de subsidieaanvraag het formulier financiële onderbouwing ingediend, waarin de volgende gegevens worden opgenomen:

  • a.

    het gespecificeerde verlies voor de periode van half maart 2020 tot 1 januari 2021;

  • b.

    de omvang van de algemene reserve op 31 december 2019;

  • c.

    de omvang van de continuïteitsreserves op 31 december 2019;

  • d.

    de omvang van de gerealiseerde baten op 31 december 2019.

Artikel 2.2.5 Aanvraagtermijn eenmalige subsidies

  • a.

    In afwijking van artikel 6 van de ASA 2013 wordt een subsidieaanvraag voor een subsidie voor fase 2 uiterlijk 21 oktober 2020 ingediend bij het college.

  • b.

    Indien een aanvraag niet volledig is, wordt de aanvrager een termijn gegund van twee werkdagen om de aanvraag aan te vullen.

Artikel 2.2.6 Beslistermijn

In afwijking van artikel 8 van de ASA 2012 beslist het college op een aanvraag voor een eenmalige subsidie uiterlijk 9 november 2020, dat wil zeggen binnen 13 werkdagen na de sluitingsdatum zoals genoemd in artikel 2.1.5 onder 1.

 

Artikel 2.2.7 Weigeringsgronden

In aanvulling op artikel 9, tweede lid, van de ASA 2013 kan het college geheel of gedeeltelijk weigeren een subsidie te verlenen als:

  • a.

    De instelling onvoldoende gebruik heeft gemaakt van de Rijksmaatregelen;

  • b.

    De instelling geen of onvoldoende beroep gedaan heeft op de middelen die zij kan ontvangen van een gelieerd steunfonds;

  • c.

    Er in de aanvraag geen of onvoldoende reële onderbouwing is gegeven van het verlies.

B.

Artikel 3 wordt gewijzigd en komt te luiden:

 

Artikel 3 bevoorschotting

Het college keert de verleende subsidie in zijn geheel uit.

 

C.

Artikel 6 komt te luiden:

Artikel 6 (citeertitel)

Deze regeling wordt aangehaald als: Subsidieregeling voor Kunstenplaninstellingen die in zwaar weer verkeren als gevolg van de coronamaatregelen - fase 1 en 2.

Artikel II  

Deze regeling treedt in werking met ingang van de dag na publicatie in het Gemeenteblad.

 

Aldus vastgesteld in de vergadering van 6 oktober 2020.

De burgemeester

Femke Halsema

De gemeentesecretaris

Peter Teesink

Artikel III  

De toelichting wordt gewijzigd en komt te luiden:

 

Toelichting

 

Inleiding

Deze regeling betreft de uitbreiding van de subsidieregeling eenmalige aanvulling op Kunstenplansubsidie 2017-2020 met ‘fase 2’ voor instellingen die in zwaar weer verkeren door de coronamaatregelen van het Rijk.

 

De gevolgen van de coronamaatregelen voor de cultuursector in Amsterdam zijn ongekend groot en hebben zeer ingrijpende maatschappelijke en economische gevolgen voor de stad. Omdat er acuut hulp nodig is - in aanvulling op de generieke Rijksmaatregelen en de aanvullende Rijksmaatregelen specifiek voor de cultuursector - worden kunst- en cultuurinstellingen in het Kunstenplan extra ondersteund via deze subsidieregeling.

 

Op 8 mei 2020 heeft het college ingestemd met het uitwerken van een steunmaatregel voor Amsterdamse kunst- en cultuurinstellingen in aanvulling op de generieke economische Rijksmaatregelen en de specifieke Rijksmaatregelen voor de cultuursector. Doelstelling is het overeind houden van een cruciaal en fundamenteel onderdeel van de Amsterdamse culturele infrastructuur dat als gevolg van de coronamaatregelen ernstig wordt bedreigd in zijn voortbestaan met zeer ingrijpende maatschappelijke en economische gevolgen voor de stad. De gemeentelijke steunmaatregel is bedoeld voor instellingen in het Amsterdamse Kunstenplan en wordt uitgevoerd in twee fases. Voor beide fasen wordt een subsidieregeling ingericht. Het uitgangspunt daarbij is dat de extra financiële steun terecht komt bij die Kunstenplaninstellingen die de steun van de gemeente het hardst nodig hebben.

 

Voor de uitvoering van de eerste fase van de steunmaatregel is de ‘Subsidieregeling eenmalige aanvulling op Kunstenplansubsidie 2017-2020 voor instellingen die in zwaar weer verkeren als gevolg van de coronamaatregelen – fase 1’ ingericht. De subsidies behorend bij fase 1 van deze regeling zijn in juli 2020 verleend.

 

Voor de uitvoering van de tweede fase van de steunmaatregel is de subsidieregeling aangevuld. De ‘Subsidieregeling eenmalige aanvulling op Kunstenplansubsidie 2017-2020 voor instellingen die in zwaar weer verkeren als gevolg van de coronamaatregelen – fase 1 en 2’ is vastgesteld door het college van B en W op 6 oktober 2020.

 

Het college heeft voor de uitvoering van de steunmaatregel (fase 1 + fase 2) € 17 miljoen uit de gemeentelijke noodkas gereserveerd. Voor de uitvoering van fase 2 van de steunmaatregel resteert € 7.605.354.

 

Additioneel noodpakket van het Rijk voor de cultuursector

Op 15 april jl. heeft het kabinet een additioneel noodpakket voor de cultuursector aangekondigd. Met een bedrag van € 300 mln. (plafond Rijk) worden culturele instellingen die van vitaal belang zijn voor de landelijke cultuursector de komende maanden ondersteund. Op 27 mei jl. heeft de minister van OCW in een brief aan de Tweede Kamer de uitwerking beschreven van het additionele noodpakket voor de cultuursector. Het noodpakket bestaat uit 5 ‘stromen’ waarvan stroom 1 en 3 relevant zijn voor fase 1 voor de Subsidieregeling voor Kunstenplaninstellingen die in zwaar weer verkeren als gevolg van de coronamaatregelen. Voor fase 2 is alleen stroom 1 relevant.

 

Stroom 1: aanvullende subsidie aan meerjarig door het Rijk gesubsidieerde producerende instellingen

Deze aanvullende subsidie is bestemd voor de 70 producerende instellingen in de BIS 2017-2020, én circa 198 door de zes rijkscultuurfondsen meerjarig gefinancierde instellingen en festivals, die in 2018 minimaal 15% aan eigen inkomsten hadden.

 

Stroom 3: investeren in de vitale regionale infrastructuur voor regionale musea, (pop)podia en filmtheaters

Voor die musea, (pop)podia en filmtheaters met een regionale functie waarbij er ook sprake is van landelijk belang, en waarbij gemeenten en/of provincies extra ondersteunen, zijn er binnen deze stroom middelen beschikbaar bij het Mondriaan Fonds, het Fonds Podiumkunsten en het Filmfonds. Instellingen komen alleen in aanmerking voor subsidie als uit de aanvraag volgt dat gemeente(n) en/of provincie(s) extra ondersteunen. Het uitgangspunt is dus matching tussen gemeente en een van de drie genoemde rijkscultuurfondsen.

 

Op 11 juni 2020 is de Regeling aanvullende ondersteuning culturele en creatieve sector COVID-19 van het ministerie van OCW gepubliceerd in de Staatscourant. Hierin zijn aanwijzingen opgenomen voor de regelingen van het Mondriaan Fonds, het Fonds Podiumkunsten en het Filmfonds.

 

Toelichting per artikel

 

Artikel 1.3 Doel subsidieregeling

Met de uitvoering van de subsidieregeling wil de gemeente een cruciaal en fundamenteel onderdeel van de Amsterdamse culturele infrastructuur dat als gevolg van de coronamaatregelen ernstig wordt bedreigd in zijn voortbestaan overeind houden. Het uitgangspunt daarbij is dat de extra financiële steun terecht komt bij die Kunstenplaninstellingen die de steun van de gemeente het hardst nodig hebben.

 

Artikel 2.1.1 en artikel 2.2.1 Subsidiabele activiteiten en hoogte van de subsidie

Op 15 juni jl. heeft de Amsterdamse Kunstraad het advies gepubliceerd over de Amsterdam Bis 2021-2024. Op basis van dit advies heeft het college op 30 juni 2020 een besluit genomen over de instellingen die worden opgenomen in de Amsterdam Bis 2021-2024 (op naam en op functie) en de hoogte van de subsidiebedragen.

 

Onder 3, 4 en 5 zijn de formules opgenomen voor de berekening van het maximale subsidiebedrag. Hieronder worden deze nader toegelicht.

 

Voor alle groepen is het startpunt de hoogte van het verlies in de periode van half maart 2020 tot 1 januari 2021. Het verlies is het saldo van lasten en baten. Hierbij is het uitgangspunt dat zoveel mogelijk gebruik wordt gemaakt van de generieke Rijksmaatregelen en specifieke Rijksmaatregelen voor de cultuursector (exclusief matching, zie de specifieke toelichting bij groep 2 in fase 1), van de overige compensatiemaatregelen, en dat een beroep wordt gedaan op bijdragen van gelieerde instellingen (bijvoorbeeld steunfondsen).

 

Ook geldt voor alle groepen dat er rekening wordt gehouden met de mate waarin de instelling in staat is vanuit de vermogenspositie (en specifiek vanuit de algemene en continuïteitsreserves) het verlies zelf op te vangen. Hierbij hanteren we een ondergrens van 5% weerstandsvermogen. In deze regeling wordt het weerstandsvermogen berekend door de som van de algemene reserve en continuïteitsreserves te delen door het totaal van de baten.

 

Rekenvoorbeeld inzet weerstandsvermogen

Instelling A heeft een verlies van € 800.000;

De totale baten in de jaarrekening 2019 bedragen € 3.000.000;

De algemene reserve is per 31 december 2019 € 500.000.

 

Voor een weerstandsvermogen van 5% is de ondergrens van de algemene reserve € 150.000. Dit betekent dat instelling A voor € 350.000 het verlies zelf kan opvang en voor € 450.000 (het resterende tekort) subsidie op basis van deze regeling kan aanvragen .

Specifiek gelden nog de volgende rekenregels bij fase 1:

Voor groep 2 geldt dat de instelling in aanmerking komt voor matching door het Fonds Podiumkunsten, het Filmfonds of het Mondriaan Fonds. Voor deze drie rijkscultuurfondsen geldt dat zij 50% matchen van het bedrag dat de gemeente (of provincie 1 ) subsidieert. Daarnaast kennen deze rijkscultuurfondsen hun eigen voorwaarden en berekeningssystematiek voor het bepalen van het maximum bedrag. In deze regeling gaan wij ervan uit dat het benodigde bedrag voor 50% door de gemeente wordt gesubsidieerd en voor 50% door het betreffende rijkscultuurfonds. Indien 50% van het berekende bedrag hoger is dat het maximum, dan geldt dat de gemeente niet 50% subsidieert maar het resterende tekort minus het maximum bedrag.

 

Rekenvoorbeeld maximumbedrag rijkscultuurfonds bij fase 1

Instelling B heeft een verlies van € 1.000.000;

De totale baten in de jaarrekening 2019 bedragen € 5.000.000;

De algemene reserve is per 31 december 2019 € 200.000;

Instelling B komt in aanmerking voor matching, op basis van de fondsspecifieke eisen is het maximale bedrag vanuit het fonds € 300.000.

 

Voor een weerstandsvermogen van 5% is de ondergrens van de algemene reserve € 250.000. De huidige reserve zit hieronder en hoeft niet gedeeltelijk te worden ingezet.

 

Dit betekent dat het resterend tekort van instelling B € 1.000.000 bedraagt. De helft hiervan is (€ 500.000) meer dan het maximum van het fonds. Dit betekent dat het resterende tekort (€ 1.000.000) minus het maximum van het fonds (€ 300.000) door instelling B als subsidie op basis van deze regeling kan worden aangevraagd (in dit rekenvoorbeeld € 700.000).

 

Artikel 2.1.4 en artikel 2.2.4 Bij de subsidieaanvraag in te dienen gegevens

De instellingen die in aanmerking komen voor een subsidie in fase 1 ontvangen van de directie Kunst en Cultuur het formulier financiële onderbouwing waarin de eerder verstrekte financiële gegevens zijn voor ingevuld. In dit formulier is ook het subsidiebedrag aangegeven dat de uitkomst is van de formule die hoort bij de groep waar de instelling deel van uitmaakt (artikel 2.1.1 onder 3, 4 en 5). Instellingen gebruiken dit formulier ter onderbouwing van hun aanvraag. Daarbij actualiseren zij zo nodig de gegevens op basis van veranderde omstandigheden en lichten zij deze actualisatie toe.

 

De instellingen die in aanmerking komen voor een subsidie in fase 2 ontvangen van de directie Kunst en Cultuur het formulier financiële onderbouwing waarin enkele financiële gegevens afkomstig uit jaarrekening 2019 zijn opgenomen. Mocht dit onjuist gebeurd zijn, dan kan de instelling deze aanpassen en de aanpassing toelichten. Daarnaast gebruiken instellingen dit formulier om hun verlies te specificeren. In dit formulier is ook het subsidiebedrag aangegeven dat de uitkomst is van de formule die hoort bij de groep waar de instelling deel van uitmaakt (artikel 2.2.1 onder 3 en 4).

 

Artikel 2.1.7 en artikel 2.2.7 Weigeringsgronden

Het college kan een aanvraag weigeren als in de aanvraag geen of onvoldoende reële onderbouwing is gegeven van het verlies. Voor fase 1 geldt dat een onderbouwing vereist is bij een afwijking van 10% of meer van de laatste uitvraag van de financiële gegevens. Voor fase 2 geldt dat alle onderdelen van het gespecificeerd verlies kort moeten worden toegelicht, waarbij er zo veel mogelijk een relatie wordt gelegd met het gemiddelde per maand.

 

Artikel 4 Verantwoording subsidies

Instellingen die een bijdrage ontvangen vanuit deze subsidieregeling dienen dit bedrag zichtbaar te verantwoorden in de jaarrekening 2020. Voor zover instellingen onderdeel zijn van het Kunstenplan 2017-2020, dient de verantwoording onderdeel te zijn van de Kunstenplanverantwoording 2020. Indien de instelling de subsidie niet volledig heeft hoeven aan te wenden voor de geleden verliezen conform de formules, wordt de subsidie lager vastgesteld.

Naar boven