Gemeenteblad van Beemster

Datum publicatieOrganisatieJaargang en nummerRubriek
BeemsterGemeenteblad 2020, 250717Beleidsregels



Bodemkwaliteitskaart regio Waterland

 

De raad van de gemeente Beemster,

 

gelezen het voorstel van burgemeester en wethouders d.d. 5 maart 2019,

 

met inachtneming van Besluit bodemkwaliteit

 

B E S L U I T:

 

De Nota bodembeheer regio Waterland 2018-2028 en de Bodemkwaliteitskaart regio Waterland vast te stellen.

 

Bodemkwaliteitskaart regio Waterland

 

Gemeenten Beemster, Edam-Volendam, Landsmeer, Oostzaan, Waterland en Wormerland

 

Documentcode: 17M1066.RAP001

 

Opdrachtgever

Omgevingsdienst IJmond

Postbus 325

1940 AH BEVERWIJK

 

 

Projectcode 17M1066

Documentnummer 17M1066.RAP001

Versiedatum 17 mei 2018

Status Definitief

 

 

Inhoudsopgave

 

Hoofdstuk Pagina

1 Inleiding 1

1.1 Aanleiding 1

1.2 Doelstelling 1

2 Bodemfunctieklassenkaart 3

3 Bodemkwaliteitskaart 5

3.1 Stap 1: Programma van eisen 5

3.2 Stappen 2 en 4: Onderscheidende gebiedskenmerken en indelen bodembeheergebied in deelgebieden (1/2) 6

3.3 Stap 3: Gegevensverzameling en gegevensverwerking 7

3.3.1 Selecteren beschikbare meetgegevens 7

3.3.2 Het samenvoegen van punt- en mengmonsters 7

3.3.3 Het vervangen van waarden beneden de detectielimiet 7

3.3.4 Het opsporen van uitbijters 8

3.4 Stappen 2 en 4: Onderscheidende gebiedskenmerken en indelen bodembeheergebied in deelgebieden (2/2) 8

3.5 Stap 5: Controle indeling van het bodembeheergebied 10

3.5.1 Aantal en spreiding meetgegevens 10

3.5.2 Splitsen van deelgebieden 11

3.6 Stap 6: Verzamelen aanvullende informatie en vaststellen definitieve deelgebieden 11

3.7 Stap 7: Vaststellen en karakteriseren bodemkwaliteitszones 12

3.8 Stap 8: Bodemkwaliteitskaart 14

3.8.1 Inleiding 14

3.8.2 Kaart met uitgesloten locaties en gebieden 14

3.8.3 Ontgravingskaart 15

3.8.4 Toepassingskaart 16

3.9 Bijzondere omstandigheden 17

3.10 Vaststellen nieuwe bodemkwaliteitskaart en bodemfunctieklassenkaart 18

4 Samenvatting en conclusie 19

Bronvermelding 22

 

Bijlagen

Bijlage 1 Begrippenlijst

Bijlage 2 Selectie dataset gezamenlijke bodemkwaliteitskaart

Bijlage 3 Specificatie uitbijters

Bijlage 4 Statistische parameters bodemkwaliteitszones (waarden standaardbodem)

 

Kaartbijlagen

Kaartbijlage 1 Bodemfunctieklassenkaart

Kaartbijlage 2 Ligging bodemkwaliteitszones

Kaartbijlage 3 Ontgravingskaart

Kaartbijlage 4 Toepassingskaart (generiek kader Besluit)

 

1 Inleiding

1.1 Aanleiding

De gemeenten Beemster, Edam-Volendam, Landsmeer, Oostzaan, Waterland en Wormerland (hierna ‘de gemeenten van de regio Waterland’; zie figuur 1.1) willen regionaal beleid opstellen voor het toepassen van grond (en gerijpte baggerspecie). Daarom willen de gemeenten van de regio Waterland de huidige bodemkwaliteitskaarten[1] actualiseren. De gemeenten Landsmeer, Oostzaan, Waterland en Wormerland willen ook de gemeentelijke bodemfunctieklassenkaarten[1] aanpassen.

In deze rapportage staat beschreven hoe de bodemfunctieklassenkaarten zijn aangepast, volgens welke werkwijze de gezamenlijke bodemkwaliteitskaart is opgesteld en wat de resultaten zijn. Een toelichting op de in dit rapport gebruikte begrippen is opgenomen in bijlage 1.

 

1.2 Doelstelling

Het doel van het aanpassen van de bodemfunctieklassenkaart, is dat op de grondgebieden van de gemeenten Landsmeer, Oostzaan, Waterland en Wormerland de ligging van gebieden met de bodemfuncties 'Industrie' en 'Wonen' beter wordt weergegeven.

 

Het doel van het opstellen van de gezamenlijke bodemkwaliteitskaart is om een actueel en dekkend beeld te krijgen van de te verwachten diffuse chemische bodemkwaliteit van de gemeenten van de regio Waterland.

 

De achterliggende doelstelling is de wens van de gemeenten van de regio Waterland om met de gezamenlijke bodemkwaliteitskaart gebruik te kunnen (blijven) maken van de mogelijkheden die het Besluit bodemkwaliteit[2] (hierna Besluit) biedt:

  • als bewijsmiddel voor de chemische kwaliteit van vrijkomende grond en van de ontvangende bodem (hierdoor hoeven minder partijkeuringen en bodemonderzoeken te worden uitgevoerd wat een kosten- en tijdbesparende factor is bij grondverzet);

  • bij het toepassen van grond en gerijpte baggerspecie op en in de landbodem;

  • bij het wegnemen van mogelijke knelpunten bij grondverzet (ontgraven en toepassen van grond);

  • om gebiedsspecifiek grondstromenbeleid uit te kunnen (blijven) voeren.

 

2 Bodemfunctieklassenkaart

 

Op de bodemfunctieklassenkaart wordt de ligging van gebieden met de (toekomstige) bodemfuncties 'Industrie' en 'Wonen' aangegeven. De bodemfunctieklassenkaart wordt gebruikt voor:

  • het mede bepalen van de kwaliteitseisen waaraan de toe te passen grond moet voldoen (zie ook § 3.8.4 en bijlage 1 onder het kopje ‘Toepassingseis kwaliteit toe te passen grond op of in de bodem’);

  • het vaststellen van terugsaneerwaarden bij bodemsaneringen in het kader van de Wet bodembescherming[3].

 

De huidige bodemfunctieklassenkaarten van de gemeenten Landsmeer, Oostzaan, Waterland en Wormerland zijn aangepast. Hieronder zijn op hoofdlijnen de aanpassingen weergegeven:

  • Een aantal gebieden zijn van functieklasse ‘Overig’ gewijzigd in ‘Wonen’; bijvoorbeeld: gemeente Oostzaan (in Oostzaan, Noordeinde en De Haal), gemeente Waterland (Poort van Amsterdam en in Zedde), gemeente Wormerland (in Neck, Weiver, Wormer en Oostknollendam).

  • Een aantal gebieden zijn van functieklasse ‘Overig’ gewijzigd in ‘Industrie’; bijvoorbeeld: gemeente Landsmeer (in Landsmeer), gemeente Waterland (in Het Schouw en Zedde).

  • Een aantal gebieden zijn van functieklasse ‘Wonen’ of ‘Industrie’ gewijzigd in ‘Overig’; bijvoorbeeld: gemeente Wormerland (in Wormer en Wijdewormer).

  • Een aantal gebieden zijn van functieklasse ‘Industrie’ gewijzigd in ‘Wonen’; gemeente Wormerland (Wormer, Bruynvisweg).

  • Een aantal gebieden zijn van functieklasse ‘Wonen’ gewijzigd in ‘Industrie’; gemeente Wormerland (Wormer, Rigastraat).

Voor de wegen met onverharde wegbermen binnen de bebouwde kom hebben de gemeenten besloten dat de bodemfunctieklasse in principe aansluit bij de bodemfunctieklasse van het omliggende gebied. Dit betekent dat voor de onverharde wegbermen in een woonwijk de bodemfunctieklasse ‘Wonen’ geldt en voor de onverharde wegbermen op een industrieterrein in de bodemfunctieklasse ‘Industrie’.

Uitzondering zijn de onverharde bermen van de door de gemeenten van de regio Waterland aangewezen wegen, wegen in beheer van het Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier, de provinciale wegen, rijkswegen en spoorwegen binnen de bebouwde kom. Deze hebben de bodemfunctieklasse ‘Industrie’ ongeacht of ze door een woonwijk lopen.

 

Van de wegen buiten de bebouwde kom vallen de onverharde bermen van de rijkswegen, de provinciale wegen en spoorwegen in de bodemfunctieklasse ‘Industrie’. De gemeenten van de regio Waterland hebben daarnaast onverharde bermen van wegen in het beheer van de gemeenten en het Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier in het buitengebied aangewezen die in de bodemfunctieklasse ‘Industrie’ vallen.

 

Onder onverharde wegbermen wordt verstaan de strook grond naast de verharde (klinker- of asfalt)weg. De strook omvat de bodemlaag tot maximaal 0,5 meter diepte, en heeft gerekend vanuit de wegverharding een maximale breedte van 10 meter. De onverharde wegberm wordt begrensd door (zie ook figuur 2.1):

  • de erfgrens of;

  • de meest afgelegen insteek van een droge bermsloot of;

  • de meest nabij gelegen insteek van een natte bermsloot of;

  • als voorgaande niet aanwezig zijn, de overgang naar andere begroeiing (houtopstanden zoals hagen, struiken, bosschages, bos).

 

Voor wegbermen langs dijkwegen en voor wegbermen gelegen in gebieden van het Natuur Netwerk Nederland (NNN, de voormalige Ecologische Hoofdstructuur) geldt voor beide zijden van het wegvak een strook van maximaal 2 meter. Dit in verband met de ecologische functie van de wegbermen. Buiten de aangegeven strook mag in de wegbermen alleen schone grond worden toegepast.

3 Bodemkwaliteitskaart

 

Deze gezamenlijke bodemkwaliteitskaart is opgesteld volgens de Richtlijn bodemkwaliteitskaarten[4]. Er is gewerkt volgens het in de Richtlijn bodemkwaliteitskaarten opgenomen stappenplan. Hieronder zijn de verschillende stappen weergegeven, die in de volgende paragrafen nader worden toegelicht. In de Richtlijn bodemkwaliteitskaarten is aangegeven dat de stappen niet chronologisch gevolgd hoeven te worden. Wel is het noodzakelijk dat elementen van alle stappen terugkomen in de werkwijze bij het vervaardigen van de bodemkwaliteitskaart.

 

Stap 1: Opstellen programma van eisen.

Stap 2: Vaststellen onderscheidende gebiedskenmerken.

Stap 3: Gegevensverzameling en gegevensbewerking.

Stap 4: Indelen bodembeheergebied in deelgebieden.

Stap 5: Controle indeling van het bodembeheergebied.

Stap 6: Verzamelen aanvullende informatie.

Stap 7: Vaststellen bodemkwaliteitszones.

Stap 8: Bodemkwaliteitskaart (kaart uitgesloten locaties/gebieden, ontgravingskaart en toepassingskaart).

 

3.1 Stap 1: Programma van eisen

Voor deze gezamenlijke bodemkwaliteitskaart zijn de volgende definities vastgesteld:

  • Het bodembeheergebied van de bodemkwaliteitskaart omvat het grondgebied van de gemeenten Beemster, Edam-Volendam, Landsmeer, Oostzaan, Waterland en Wormerland.

  • De bodemkwaliteitskaart is opgesteld voor de landbodem van het bodembeheergebied voor de bodemlaag vanaf het maaiveld tot en met 2,0 meter diepte (m-mv).

  • De volgende locaties en gebieden zijn uitgesloten van de bodemkwaliteitskaart:

    • -

      Rijkswegen, provinciale wegen, spoorgebonden gronden en wegen in beheer van het Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier inclusief de onverharde (spoor)wegbermen met de bodemfunctieklasse 'Industrie' (allen een andere beheerorganisatie dan de gemeenten).

    • -

      De aangewezen onverharde wegbermen met de bodemfunctieklasse ‘Industrie’ in beheer van de gemeenten.

    • -

      Locaties met, of die verdacht zijn voor, een sterke bodemverontreiniging.

    • -

      Voormalige stortplaatsen (specifiek voor wat betreft de ontgravingskaart): waaronder de locaties Pieterman en Slobbeman in Volendam.

    • -

      Gesaneerde locaties in het kader van de Wet bodembescherming (specifiek voor wat betreft de ontgravingskaart).

    • -

      Locatie C. de Koninglaan in Edam.

    • -

      Het baggerdepot aan de Keetzijde in Edam.

    • -

      Gebieden die in beheer zijn van Rijkswaterstaat met uitzondering van de drogere oevergebieden zoals gedefinieerd in de Waterregeling[5] en overige waterbodems (in beheer van de het Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier).

    • -

      De bodemlaag dieper dan 2 meter onder het maaiveld.

    • -

      Ook het grondwater is uitgesloten van de bodemkwaliteitskaart.

  • De bodemkwaliteitskaart is opgesteld voor het huidige standaard NEN5740[6] stoffenpakket: barium (zie ook bijlage 1 kopje ‘Barium’), cadmium, kobalt, koper, kwik, molybdeen, lood, nikkel, zink, minerale olie en de stofgroepen polychloorbifenylen (PCB) en polycyclische aromatische koolwaterstoffen (PAK).

  • De gegevens voor de bodemkwaliteitskaart zijn afkomstig vanuit de bodeminformatiesystemen van de gemeente Edam-Volendam en de Omgevingsdienst IJmond (hierna ODIJ), die de bodeminformatie voor de gemeenten Landsmeer, Oostzaan, Waterland en Wormerland beheert. De gemeente Beemster heeft representatieve bodemrapporten aan LievenseCSO geleverd.

 

3.2 Stappen 2 en 4: Onderscheidende gebiedskenmerken en indelen bodembeheergebied in deelgebieden (1/2)

De basis van de gezamenlijke bodemkwaliteitskaart is het identificeren van onderscheidende gebiedskenmerken. Binnen een deelgebied wordt de bodemkwaliteit homogeen verondersteld (vergelijkbare kwaliteit). Op basis van de bodemopbouw, de gebruikshistorie, de ontwikkeling van wijken of gebieden, de geomorfologie en het huidig gebruik wordt een deelgebiedenkaart gedefinieerd.

 

In overleg met de gemeenten Beemster, Edam-Volendam en de ODIJ (namens de gemeenten Landsmeer, Oostzaan, Waterland en Wormerland) is voor de gebiedsindeling uitgegaan van de huidige bodemkwaliteitskaarten.

 

De onderscheiden voorlopige deelgebieden zijn weergegeven in tabel 3.1. Er is een indeling gemaakt voor de bovengrond (vanaf het maaiveld tot en met 0,5 meter diepte) en de ondergrond (vanaf 0,5 meter diepte tot en met 2,0 meter diepte).

 

3.3 Stap 3: Gegevensverzameling en gegevensverwerking

3.3.1 Selecteren beschikbare meetgegevens

De datasets van de huidige bodemkwaliteitskaarten zijn aangevuld met de nadien nieuw verkregen representatieve meetgegevens. De nieuwe meetgegevens voor de gezamenlijke bodemkwaliteitskaart zijn afkomstig van representatieve bodemonderzoeken uit de bodeminformatiesystemen van de gemeenten Edam-Volendam (Squit: exportdatum 21 september 2017) en de ODIJ (Nazca-i bodem: exportdatum 15 augustus 2017), die de bodeminformatie voor de gemeenten Landsmeer, Oostzaan, Waterland en Wormerland beheert. De gemeente Beemster heeft representatieve bodemrapporten aan LievenseCSO geleverd, waarvan de analyseresultaten aan de dataset van de gezamenlijke bodemkwaliteitskaart zijn toegevoegd. In bijlage 2 staat een overzicht van de selecties die zijn uitgevoerd om tot een representatieve dataset voor de gezamenlijke bodemkwaliteitskaart te komen. Ook zijn voor de gemeente Beemster de locaties vermeld waarvan de analyseresultaten van bodemrapporten voor deze gezamenlijke bodemkwaliteitskaart zijn gebruikt.

 

3.3.2 Het samenvoegen van punt- en mengmonsters

De dataset voor de gezamenlijke bodemkwaliteitskaart bestaat uit meng- en puntmonsters met meetgegevens. De landelijke IPO Werkgroep Achtergrondgehalten heeft onderzocht wat de invloed is van het meenemen van zowel punt- als mengmonsters op de berekening van percentielwaarden van de meetgegevens[7]. De resultaten laten zien dat percentielwaarden die zijn gebaseerd op een bestand met meetgegevens van zowel punt- als mengmonsters, vrijwel identiek zijn aan percentielwaarden die zijn gebaseerd op een bestand met meetgegevens van alléén mengmonsters. Er bestaan daarom geen praktische bezwaren tegen het berekenen van de bodemkwaliteit uit een bestand met meetgegevens, afkomstig van zowel punt- als mengmonsters. In dit project zijn de meetgegevens van de mengmonsters éénmaal meegenomen.

 

3.3.3 Het vervangen van waarden beneden de detectielimiet

Bij analyses komt het vaak voor dat een bepaalde stof in het grond(meng)monster aanwezig is in een concentratie beneden de detectiegrens van de gangbare analyseapparatuur. Hoewel de werkelijke waarde onbekend is (de waarde kan variëren van nul tot de detectielimiet) leveren deze monsters wel waardevolle informatie voor de gemiddelde bodemkwaliteit in een gebied. Voor deze analyseresultaten is de methode van de Richtlijn bodemkwaliteitskaarten gehanteerd. Deze methode houdt in dat de gerapporteerde detectielimieten worden vermenigvuldigd met een factor 0,7 om tot een rekenwaarde te komen.

 

De opgegeven detectielimiet van een bepaalde stof verschilt van rapport tot rapport. Verhoogde detectielimieten komen voor bij verstoringen in de grond(meng)monstermatrix. Daarnaast zijn de detectielimieten in de loop der jaren lager geworden doordat nauwkeuriger analyseapparatuur beschikbaar is gekomen.

 

3.3.4 Het opsporen van uitbijters

Ondanks dat er representatieve meetgegevens zijn geselecteerd, kan er sprake zijn van uitschieters in de dataset: extreem hoge gehalten als gevolg van bijvoorbeeld typefouten tijdens de invoer, onbetrouwbare analyses of lokale verontreinigingen door puntbronnen die niet als zodanig in het bodeminformatiesysteem zijn aangegeven. Hierbij worden vaak bij meerdere stoffen in hetzelfde monster relatief hoge gehalten aangetroffen. Per deelgebied en per stof zijn met een visuele methode (scatterplots) extreme gehalten gemarkeerd.

 

Als de uitschieters tot een puntbron, type- of meetfout zijn te herleiden of als niet- representatief zijn beoordeeld voor de diffuse bodemkwaliteit, zijn de analyseresultaten uit de dataset verwijderd of aangepast. In bijlage 3 staat een overzicht van de uiteindelijk verwijderde uitbijters.

 

3.4 Stappen 2 en 4: Onderscheidende gebiedskenmerken en indelen bodembeheergebied in deelgebieden (2/2)

In samenspraak met de gemeenten Beemster, Edam-Volendam en de ODIJ (namens de gemeenten Landsmeer, Oostzaan, Waterland en Wormerland) is besloten om in aanvulling op de indeling van de deelgebieden (zie § 3.2) de voorlopig vastgestelde kwaliteitsklasse op basis van de meest actuele dataset als gebiedsonderscheidend kenmerk te beoordelen.

Hierdoor kunnen meerdere voorlopige deelgebieden samengevoegd worden. De voorlopige deelgebieden worden hierdoor groter en robuuster. Ook wordt de bodemkwaliteit per voorlopig deelgebied beter onderbouwd omdat er meer analysegegevens beschikbaar zijn. Een aantal voorlopige deelgebieden met een vergelijkbare kwaliteit is samengevoegd. In tabel 3.2 is een overzicht gegeven van de samengevoegde deelgebieden (zie ook kaartbijlage 2).

 

3.5 Stap 5: Controle indeling van het bodembeheergebied

3.5.1 Aantal en spreiding meetgegevens

De Richtlijn bodemkwaliteitskaarten stelt de volgende minimale eisen aan het aantal en de spreiding van meetgegevens per deelgebied:

  • Per deelgebied zijn voor alle stoffen ten minste 20 meetgegevens beschikbaar.

  • De meetgegevens liggen voldoende verspreid over het deelgebied:

    • -

      Voor aaneengesloten deelgebieden bij een systematische indeling in 20 vakken zijn in tenminste 10 vakken één of meer meetgegevens beschikbaar.

    • -

      Voor elk niet-aaneengesloten deel van een deelgebied zijn ten minste 3 meetgegevens beschikbaar.

Na het samenstellen van de dataset voor de bodemkwaliteitskaart (§ 3.3.1), de voorbewerkingen (§ 3.3.3 en § 3.3.4) en het samenvoegen van voorlopige deelgebieden (§ 3.4), blijkt dat het aantal gegeven per deelgebied ruimschoots voldoet. Ook de ruimtelijke spreiding voor aaneengesloten deelgebieden voldoet. In een aantal niet- aaneengesloten deelgebieden wordt niet voldaan aan de minimumeis dat ten minste 3 meetgegevens beschikbaar zijn. Dit komt voor bij de deelgebieden ‘B2. Oud- Edam en Wonen B’, ‘B3. Bedrijven/industrie A’, ‘O1. Wonen B, Oud Edam, Oud Volendam en Purmer’ en ‘O3. Overig bebouwd gebied en buitengebied B’. Het gaat om de stoffen barium, kobalt, molybdeen en PCB.

Uit de statistische onderbouwingen van de bodemkwaliteit van de betreffende deelgebieden (zie bijlage 4) kan worden gesteld dat deze stoffen in het gehele deelgebied in ruime aantallen beschikbaar zijn, de stoffen niet kwaliteitsklasse bepalend zijn (gemiddeld onder de AW2000) en weinig-heterogeen/homogeen voorkomen. In overleg met de gemeenten Beemster en Edam-Volendam en de ODIJ (namens de gemeenten Landsmeer, Oostzaan, Waterland en Wormerland) is besloten voor deze gebieden af te wijken van de Richtlijn bodemkwaliteitskaarten. De gemeenten van de regio Waterland accepteren dat in enkele niet-aaneengesloten deelgebieden minder dan 3 meetgegevens beschikbaar zijn.

 

Daarom worden deze gebieden alsnog gezoneerd. Alle overige (niet-aaneengesloten) deelgebieden voldoen aan de eisen die de Richtlijn bodemkwaliteitskaarten stelt aan het aantal meetgegevens en de spreiding van de meetgegevens.

 

Een overzicht van het aantal meetgegevens per stof en per bodemkwaliteitszone staat in bijlage 4 (kolom ‘N’).

 

3.5.2 Splitsen van deelgebieden

Op stofniveau is bekeken of er een ruimtelijke clustering aanwezig is van hoge of lage gehalten. Op basis van ervaringen van LievenseCSO bij andere bodemkwaliteitskaarten is de ruimtelijke clustering onderzocht wanneer zware metalen en minerale olie een variatiecoëfficiënt hoger dan 1,5 hebben en de stofgroepen polycyclische aromatische koolwaterstoffen (PAK) en polychloorbifenylen (PCB) een variatiecoëfficiënt hoger dan 2.

Een hoge variatiecoëfficiënt is een indicatie van een mogelijke ruimtelijke clustering.

 

Het overzicht van de variatiecoëfficiënten staat in bijlage 4 (kolom ‘VC’). Hieruit blijkt, dat voor de meeste voorlopige deelgebieden voor één en maar meestal meerdere stoffen sprake is van een hoge variatiecoëfficiënt. Uit de controle is gebleken dat de hoge meetgegevens over het algemeen verspreid over een voorlopig deelgebied liggen en niet een duidelijke clustering van hogere of lagere gehalten is te zien.

 

3.6 Stap 6: Verzamelen aanvullende informatie en vaststellen definitieve deelgebieden

Op basis van de uitgevoerde stappen 1 t/m 6 van de Richtlijn bodemkwaliteitskaarten zijn op het grondgebied van de gemeenten van de regio Waterland voor zowel de boven- als de ondergrond in totaal 7 deelgebieden gedefinieerd. Alle deelgebieden voldoen aan de (gemeentelijke) minimumeisen voor het aantal en de spreiding van de meetgegevens (zie § 3.4 en § 3.5.1). Daarom is stap 6 ‘Verzamelen aanvullende informatie’ niet uitgevoerd.

 

De definitieve deelgebieden worden de bodemkwaliteitszones van de gemeenten van de regio Waterland. De bodemkwaliteitszones zijn weergegeven in tabel 3.3 en op kaartbijlage 2.

 

3.7 Stap 7: Vaststellen en karakteriseren bodemkwaliteitszones

De gemiddelde gehalten van de bodemkwaliteitszones (zie bijlage 4, kolom 'Gem') zijn getoetst aan de normen uit de Regeling bodemkwaliteit[8] hierna aangeduid als ‘de Regeling’. De bodemkwaliteitszones kunnen vallen in de bodemkwaliteitsklasse klassegrens ‘Landbouw/natuur (Achtergrondwaarden - AW2000)’, ‘Wonen’ of ‘Industrie’. De toetsingsmethodiek voor het bepalen van de bodemkwaliteitsklasse is opgenomen in bijlage 1 onder het kopje ‘Bodemkwaliteitsklasse’. De toetsingsmethodiek voor het bepalen van de kwaliteitsklasse ‘Wonen’ is voor de bodemkwaliteitsklasse minder streng dan de toetsingsmethodiek voor het bepalen van de ontgravingsklasse (zie ook § 3.8.3 en bijlage 1 onder het kopje ‘Ontgravingskaart’). Met de minder strenge toets wordt voorkomen dat de bodemkwaliteit van een gebied op basis van één stof wordt ingedeeld in de bodemkwaliteitsklasse ‘Industrie’. Dit zou in de praktijk de ongewenste situatie kunnen opleveren dat ook voor alle overige stoffen minder strenge regels gelden en de concentraties kunnen toenemen tot de maximale waarden voor de functie Industrie.

Hierdoor verslechtert de kwaliteit van het gebied. Dit doet zich met name voor bij licht verontreinigde industriegebieden.

 

In tabel 3.5 is aangegeven in welke bodemkwaliteitsklasse iedere bodemkwaliteitszone valt. In bijlage 4 zijn de gespecificeerde beoordelingen weergegeven. De bodemkwaliteitsklasse wordt samen met de bodemfunctieklasse gebruikt voor het bepalen van de toepassingseis (zie § 3.8.4).

 

Controle saneringscriterium

In de Richtlijn bodemkwaliteitskaarten staat vermeld, dat voor elke bodemkwaliteitszone met een 95-percentielwaarde boven de interventiewaarde uit de Wet bodembescherming een controle op het saneringscriterium nodig is. Bij een overschrijding is het niet verantwoord om zonder partijkeuring grondverzet vanuit de betreffende bodemkwaliteitszone te laten plaatsvinden. Deze situatie komt voor bij 3 bodemkwaliteitszones (zie tabel 3.4).

 

De gemeenten van de regio Waterland hebben aangegeven dat grond vanuit deze bodemkwaliteitszones voorafgaand aan hergebruik of toepassing altijd moet worden gekeurd. De partijkeuring moet plaatsvinden conform de BRL SIKB protocol 1001[9] of de NEN5740 1 [10] en door een daarvoor gecertificeerd bedrijf dat een ministeriële erkenning heeft.

 

Heterogeniteit

Naast de percentielwaarden en variatiecoëfficiënt is ook de heterogeniteit van de meetgegevens berekend, volgens de methodiek zoals beschreven onder het kopje ‘Heterogeniteit’ in bijlage 1. In het bodembeheergebied van de gemeenten van de regio Waterland is in 6 van de 7 bodemkwaliteitszones sprake van sterke heterogeniteit voor één of meerdere stoffen. Wanneer de diffuse bodemkwaliteit in een bodemkwaliteitszone sterk heterogeen is verdeeld, is de betrouwbaarheid van het gemiddelde gehalte in de bodemkwaliteitszone kleiner. De betreffende stoffen in de bodemkwaliteitszones bevatten echter ruim voldoende meetgegevens om de heterogeniteit goed te beschrijven.

 

Een overzicht van de heterogeniteitsindex per stof en per bodemkwaliteitszone staat in bijlage 4 (kolom 'Heterogeniteit'). In tabel 3.5 is per bodemkwaliteitszone weergegeven voor welke stof(fen) een sterke heterogeniteit is vastgesteld.

 

3.8 Stap 8: Bodemkwaliteitskaart

3.8.1 Inleiding

 

De bodemkwaliteitskaart bestaat uit drie hoofdkaarten:

  • 1.

    Een kaart met uitgesloten locaties en gebieden.

  • 2.

    De ontgravingskaart.

  • 3.

    De toepassingskaart.

In de volgende paragrafen wordt nader ingegaan op de hoofdkaarten.

 

3.8.2 Kaart met uitgesloten locaties en gebieden

In de gemeenten van de regio Waterland is een aantal locaties en gebieden uitgesloten van de bodemkwaliteitskaart (zie § 3.1). De volgende uitgesloten locaties/gebieden zijn afgebeeld op de kaartbijlagen:

  • Rijkswegen, provinciale wegen, spoorgebonden gronden en wegen in beheer van het Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier inclusief de onverharde (spoor)wegbermen met de bodemfunctieklasse 'Industrie' (allen een andere beheerorganisatie dan de gemeenten);

  • De aangewezen onverharde wegbermen met de bodemfunctieklasse 'Industrie' in beheer van de gemeenten;

  • Voormalige stortplaatsen Pieterman en Slobbeman in Volendam (specifiek voor wat betreft de ontgravingskaart).

  • Locatie C. de Koninglaan in Edam.

  • Het baggerdepot aan de Keetzijde in Edam.

  • Gebieden die in beheer zijn van Rijkswaterstaat met uitzondering van de drogere oevergebieden zoals gedefinieerd in de Waterregeling en overige waterbodems (in beheer van de waterschappen).

 

De volgende locaties en gebieden zijn uitgesloten van de bodemkwaliteitskaart, maar vanwege het dynamische karakter of het relatief kleine oppervlak van het gebied niet op de kaarten weergegeven:

  • Locaties met, of die verdacht zijn voor, een sterke bodemverontreiniging.

  • Overige voormalige stortplaatsen (specifiek voor wat betreft de ontgravingskaart).

  • Gesaneerde locaties in het kader van de Wet bodembescherming[3] (specifiek voor wat betreft de ontgravingskaart).

  • De bodemlaag dieper dan 2 meter onder het maaiveld.

  • Ook het grondwater is uitgesloten van de bodemkwaliteitskaart.

 

Voor een actueel overzicht van deze locaties moet, afhankelijk van de ligging van de ontgravings- en toepassingslocatie, contact worden opgenomen met de gemeenten Beemster en Edam-Volendam en/of met de ODIJ. Desgewenst kunt u een deel van de bodeminformatie ook via het internet aanvragen/opzoeken op de volgende websites/e-mailadressen:

Deze gezamenlijke bodemkwaliteitskaart mag op de uitgesloten locaties en gebieden niet worden gebruikt als bewijsmiddel voor de grond die wordt ontgraven vanuit deze locaties/gebieden. Ook mag deze bodemkwaliteitskaart niet worden gebruikt om de toepassingseis te bepalen als grond op deze locaties/gebieden wordt toegepast. In de gezamenlijke nota bodembeheer[11] wordt hier nader op ingegaan.

 

3.8.3 Ontgravingskaart

De ontgravingskaart geeft de te verwachten kwaliteit aan van de eventueel te ontgraven grond op een voor bodemverontreiniging niet verdachte locatie. Deze kaart mag onder bepaalde voorwaarden worden gebruikt als bewijsmiddel voor de chemische kwaliteit van de te ontgraven grond, als deze grond elders nuttig wordt toegepast. In de gezamenlijke nota bodembeheer[11] wordt hier nader op ingegaan. De kaart doet alleen een uitspraak over welke kwaliteit in het algemeen verwacht mag worden. De kwaliteit van een individuele partij kan daarvan afwijken.

 

De ontgravingskwaliteit is net als de bodemkwaliteitsklasse gebaseerd op het gemiddelde gehalte van een bodemkwaliteitszone (zie bijlage 4, kolom 'Gem') en getoetst aan de toetsingswaarden uit de Regeling. Om het standstill-principe voor de bodemkwaliteit op gebiedsniveau te kunnen waarborgen, is de toetsing voor van de kwaliteitsklasse ‘Wonen’ voor het bepalen van de ontgravingskwaliteit strenger dan voor het bepalen van de

bodemkwaliteit (zie ook § 3.7). De toetsingsmethodiek is opgenomen in bijlage 1 onder het kopje ‘Ontgravingskaart’, ter vergelijking zie ook het kopje ‘Bodemkwaliteitsklasse’.

 

In tabel 3.6 is de te verwachten ontgravingsklasse per bodemkwaliteitszone aangegeven. De ontgravingskaart per bodemlaag is opgenomen in de kaartbijlagen 3. De kleuren in tabel 3.6 komen overeen met de gebruikte kleuren op de kaartbijlagen.

3.8.4 Toepassingskaart

De toepassingskaart is opgesteld aan de hand van de vastgestelde bodemkwaliteitsklasse en de (toekomstige) functie van de bodem (zie bijlage 1 onder het kopje ‘Toepassingseis kwaliteit toe te passen grond op of in de bodem’). In tabel 3.7 is het resultaat van deze werkwijze voor de toepassingskaart van de gemeenten van de regio Waterland samengevat.

 

In tabel 3.7 is de te toepassingseis volgens het generieke kader van het Besluit per bodemkwaliteitszone aangegeven. Op kaartbijlage 4 staat per bodemlaag aangegeven welke toepassingseis er geldt. De kleuren in tabel 3.7 komen overeen met de gebruikte kleuren op kaartbijlage 1 (bodemfunctieklassenkaart) en kaartbijlagen 4 (toepassingskaarten).

3.9 Bijzondere omstandigheden

De bodemkwaliteitskaart doet geen uitspraak over de kwaliteit van de bodem ter plaatse van voor bodemverontreiniging verdachte locaties, locaties met lokale verontreinigingen, gesaneerde locaties of locaties met onvoorziene visuele waarnemingen (bodemvreemde materialen, kleur, geur). Op deze locaties wordt een afwijkende (betere of juist slechtere) bodemkwaliteit dan in de omgeving verwacht. Op terreinen die ooit een leeflaag van schone grond hebben gekregen, of oudere gesaneerde locaties is bijvoorbeeld een betere kwaliteit te verwachten. Een slechtere kwaliteit valt te verwachten op terreinen die (wellicht) door een puntbron verontreinigd zijn en ter plaatse van dempingen, stortplaatsen en lokale ophooglagen.

 

Ook door de provincie aangewezen beschermingsgebieden vallen onder locaties met bijzondere omstandigheden voor grondverzet. Voorbeelden hiervan zijn archeologie en cultuurhistorie(https://maps.noord-holland.nl/extern/gisviewers/ilc/), Natura2000- gebieden, Natuur Netwerk Nederland (NNN, voormalige Ecologische Hoofdstructuren; https://maps.noord-holland.nl/structuurvisie2040/), aardkundig waardevolle gebieden en waterwin- en grondwaterbeschermingsgebieden (https://maps.noord-holland.nl/extern/gisviewers/pmv/). De provincie kan hier aanvullende eisen stellen.

 

Voorafgaand aan grondverzet moet zowel voor de ontgravingslocatie als op de toepassingslocatie worden nagegaan of er naar aanleiding van de ligging in één of meerdere beschermingsgebieden er restricties zijn ten aanzien van het grond- en baggerverzet.

 

3.10 Vaststellen nieuwe bodemkwaliteitskaart en bodemfunctieklassenkaart

Met deze nieuwe gezamenlijke bodemkwaliteitskaart hebben de gemeenten van de regio Waterland een goed instrument in handen voor het toepassen van grond.

 

Een gemeente is voor haar eigen gemeentelijke grondgebied het bevoegd gezag bij de toepassing van grond en gerijpte baggerspecie op de landbodem.

 

De nieuwe gezamenlijke bodemkwaliteitskaart en bodemfunctieklassenkaart moeten bestuurlijk worden vastgesteld door de betreffende colleges van burgemeester en wethouders. Hierop is de procedure uit de Algemene wet bestuursrecht, Afdeling 3.4 (Art. 3:10), van toepassing.

 

Het te voeren (geactualiseerde gebiedsspecifieke) grondstromenbeleid door de gemeenten van de regio Waterland wordt geformuleerd in de nieuwe gezamenlijke nota bodembeheer[11]. Deze nota bodembeheer moet, met deze bodemkwaliteitskaart en bodemfunctieklassenkaart als bijlagen, bestuurlijk worden vastgesteld met een besluit van de Gemeenteraden (zie artikel 44 van het Besluit en paragrafen 4.1.1 en 4.6.2 van de bij het Besluit behorende Nota van Toelichting). Hierop is de procedure uit de Algemene wet bestuursrecht, Afdeling 3.4 (Art. 3:10), van toepassing.

 

4 Samenvatting en conclusie

 

In de gezamenlijke bodemkwaliteitskaart van de gemeenten Beemster, Edam-Volendam, Landsmeer, Oostzaan, Waterland en Wormerland zijn op basis van gebruikshistorie, huidig bodemgebruik en bodemkwaliteit in totaal 7 bodemkwaliteitszones onderscheiden. Er zijn 4 bodemkwaliteitszones in de bodemlaag vanaf het maaiveld tot en met 0,5 meter diepte, 3 bodemkwaliteitszones in de bodemlaag vanaf 0,5 meter tot en met 2,0 meter diepte onderscheiden (kaartbijlage 2).

 

De volgende locaties en gebieden zijn uitgesloten van de bodemkwaliteitskaart en op de kaarten aangegeven:

  • Rijkswegen, provinciale wegen, spoorgebonden gronden en wegen in beheer van het Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier inclusief de onverharde (spoor)wegbermen met de bodemfunctieklasse 'Industrie' (allen een andere beheerorganisatie dan de gemeenten).

  • De aangewezen onverharde wegbermen met de bodemfunctieklasse ‘Industrie’ in beheer van de gemeenten.

  • Voormalige stortplaats Pieterman en Slobbeman in Volendam (specifiek voor wat betreft de ontgravingskaart).

  • Locatie C. de Koninglaan in Edam.

  • Het baggerdepot aan de Keetzijde in Edam.

  • Gebieden die in beheer zijn van Rijkswaterstaat met uitzondering van de drogere oevergebieden zoals gedefinieerd in de Waterregeling[5] en overige waterbodems (in beheer van de waterschappen).

De volgende locaties en gebieden zijn uitgesloten van de bodemkwaliteitskaart, maar vanwege het dynamische karakter of het relatief kleine oppervlak van het gebied niet op de kaarten weergegeven:

  • Locaties met, of die verdacht zijn voor, een sterke bodemverontreiniging.

  • Overige voormalige stortplaatsen (specifiek voor wat betreft de ontgravingskaart).

  • Gesaneerde locaties in het kader van de Wet bodembescherming[3] (specifiek voor wat betreft de ontgravingskaart).

  • De bodemlaag dieper dan 2 meter onder het maaiveld.

  • Ook het grondwater is uitgesloten van de bodemkwaliteitskaart.

 

In tabel 4.1 staat voor de onderscheiden bodemkwaliteitszones en bodemlagen een totaaloverzicht van de voorkomende bodemfunctieklassen, verwachte ontgravingsklassen en de toepassingseisen. De kleuren in tabel 4.1 komen overeen met de gebruikte kleuren op de kaartbijlagen.

 

Alle bodemkwaliteitszones zijn vastgesteld voor de stoffen barium (zie ook bijlage 1 kopje ‘Barium’), cadmium, kobalt, koper, kwik, molybdeen, lood, nikkel, zink, minerale olie en de stofgroepen polychloorbifenylen (PCB) en polycyclische aromatische koolwaterstoffen (PAK).

 

Op de ontgravingskaart (kaartbijlage 3) zijn de te verwachten kwaliteitsgegevens weergegeven van de onderscheiden bodemkwaliteitszones. Op de toepassingskaart (kaartbijlage 4) zijn de toepassingseisen weergegeven die gelden voor de onderscheiden bodemlagen in een gebied als een partij grond wordt toegepast en gebruik wordt gemaakt van het generieke kader van het Besluit.

 

In tabel 4.2 is de grondstromenmatrix weergegeven waarin de mogelijkheden voor vrij grondverzet inzichtelijk zijn gemaakt als gebruik wordt gemaakt van het generieke kader van het Besluit.

 

 

Bronvermelding

 

[1] Bodemkwaliteitskaart regio Waterland (gemeenten Beemster, Landsmeer, Oostzaan, Waterland, Wormerland, Zeevang), projectnummer 11K096, CSO Adviesbureau voor Milieu-Onderzoek B.V., 12 juni 2012. Bodemkwaliteitskaart gemeente Edam-Volendam, projectnummer 12M084, CSO Adviesbureau voor Milieu-Onderzoek B.V., 15 oktober 2012.

[2] Besluit bodemkwaliteit, publicatie Staatsblad nr. 469, 3 december 2007.

[3] Wet bodembescherming, publicatie Staatsblad, nummer 404, 1986 en latere wijzigingen.

[4] Richtlijn bodemkwaliteitskaarten, Ministerie van VROM, Ministerie van Verkeer en Waterstaat, 3 september 2007 en latere wijzigingen.

[5] Waterregeling, publicatie Staatscourant nr. 19353, 17 december 2009, inclusief update 1 januari 2014.

[6] NEN 5740:2009+A1:2016 – Bodem – Landbodem – Strategie voor het uitvoeren van verkennend bodemonderzoek – Onderzoek naar de milieuhygiënische kwaliteit van bodem en grond.

[7] Handreiking Achtergrondgehalten. Begeleidingscommissie actief bodembeheer, TNO MEP-R98/283.IPO/TNO, 1998.

[8] Regeling bodemkwaliteit, publicatie Staatscourant nr. 247, 21 december 2007 en latere wijzigingen.

[9] Monsterneming voor partijkeuringen grond en baggerspecie, protocol 1001.

[10] NEN 5740 – Bodem – Landbodem – Strategie voor het uitvoeren van verkennend bodemonderzoek – Onderzoek naar de milieuhygiënische kwaliteit van bodem en grond.

[11] Nota bodembeheer regio Waterland 2018-2028, gemeenten Beemster, Edam- Volendam, Landsmeer, Oostzaan, Waterland en Wormerland , documentcode 17M1066.RAP002, LievenseCSO Milieu B.V., 2018.

 

Aldus vastgesteld in de openbare vergadering van de raad d.d. 26 maart 2019

A.J.M. van Beek

voorzitter

M. Timmerman

griffier

Bijlage 1 Begrippenlijst

Bagger(specie)

Baggerspecie is materiaal dat is vrijgekomen uit de bodem via het oppervlaktewater of de voor dat water bestemde ruimte en bestaat uit minerale delen met een maximale korrelgrootte van 2 millimeter en organisch stof in een verhouding en met een structuur zoals deze in de bodem van nature wordt aangetroffen, alsmede van nature in de bodem voorkomende schelpen en grind met een korrelgrootte van 2 tot 63 millimeter.

Baggerspecie die in het kader van het Besluit bodemkwaliteit nuttig wordt toegepast mag maximaal 20 gewichtsprocent aan bodemvreemd materiaal bevatten. De gemeenten Beemster, Edam-Volendam, Landsmeer, Oostzaan, Waterland en Wormerland hebben hier strengere eisen aan gesteld.

 

Barium

Voor barium bestaat op dit moment geen norm. De destijds voor deze stof geldende normen zijn per 4 april 2009 (Staatscourant nr. 67, publicatie 7 april 2009) ingetrokken omdat de interventiewaarde lager was dan het gehalte dat van nature in de bodem voorkomt. Dit blijft gehandhaafd. De onderzoeksgegevens over barium moeten wel in de bodemkwaliteitskaarten worden meegenomen, aangezien barium onderdeel uitmaakt van het stoffenpakket, met dien verstande dat geen eisen worden gesteld aan het aantal meetgegevens. Deze gegevens kunnen namelijk een indicatie zijn voor de aanwezigheid van antropogene bronnen die ook andere verontreinigingen met zich mee kunnen brengen.

Als verhoogde bariumgehalten ten opzichte van de natuurlijke achtergrondwaarden worden aangetroffen als gevolg van een menselijke activiteit, kan dit gehalte worden beoordeeld op basis van de voormalige interventiewaarde voor barium: 920 mg/kg ds (bij standaardbodem lutum 25%, organisch stof 10%).

 

Bodembeheergebied

Een aaneengesloten, door het bestuursorgaan (bijvoorbeeld een gemeente, waterschap of Rijkswaterstaat) afgebakend deel van de oppervlakte van een of meer gemeenten of het beheergebied van een of meer beheerders.

 

Bodemfunctieklassenkaart

Kaart waarop de verschillende bodemfuncties zijn aangegeven, waarbij het bodemgebruik is ingedeeld in de klassen ‘Industrie’, ‘Wonen’ en ‘Overig’. Onder het laatstgenoemde gebruik vallen landbouw en natuur.

 

Bodemkwaliteitskaart

De bodemkwaliteitskaart bestaat uit drie hoofdkaarten:

  • 1.

    Een kaart met uitgesloten locaties en gebieden.

  • 2.

    De ontgravingskaart (deze kaart mag onder bepaalde voorwaarden worden gebruikt als bewijsmiddel voor de chemische kwaliteit van de te ontgraven grond, als deze grond elders nuttig wordt toegepast). De kaart doet alleen een uitspraak over welke kwaliteit in het algemeen verwacht mag worden. De kwaliteit van een individuele partij kan daarvan afwijken.

  • 3.

    De toepassingskaart (deze kaart geeft de maximale kwaliteitseisen weer waaraan de toe te passen grond moet voldoen).

 

Bodemkwaliteitsklasse

In het Besluit bodemkwaliteit worden bodemkwaliteitszones afhankelijk van de gemiddelde kwaliteit ingedeeld in één van de drie onderscheiden bodemkwaliteitsklassen:

  • Klasse ‘Landbouw/natuur (Achtergrondwaarden - AW2000)’.

  • Klasse ‘Wonen’.

  • Klasse ‘Industrie’.

Bij de toetsingsmethodiek voor de kwaliteitsklasse ‘Landbouw/natuur (Achtergrondwaarden - AW2000)’ wordt uitgegaan van een staffel voor het aantal toegestane overschrijdingen (zie onderstaand). Voor de bodemkwaliteitskaart van de gemeenten Beemster, Edam-Volendam, Landsmeer, Oostzaan, Waterland en Wormerland is het basispakket van toepassing.

De toetsingsmethodiek voor het bepalen van de bodemkwaliteitsklasse ‘Wonen’ is minder streng dan de toetsingsmethodiek voor het bepalen van de ontgravingsklasse (zie het kopje ‘Ontgravingskaart’ in deze bijlage). Met de minder strenge toets wordt voorkomen dat de bodemkwaliteit van een gebied op basis van één stof wordt ingedeeld in de bodemkwaliteitsklasse Industrie. Dit zou in de praktijk de ongewenste situatie kunnen opleveren dat ook voor alle overige stoffen minder strenge regels gelden en de concentraties kunnen toenemen tot de maximale waarden voor de functie Industrie.

Hierdoor verslechtert de kwaliteit van het gebied.

 

Klasse ‘Landbouw/natuur (Achtergrondwaarden - AW2000)’:

  • Alle gehalten voldoen aan de norm voor de klassegrens ‘Landbouw/natuur (Achtergrondwaarden - AW2000)’, met uitzondering van een aantal overschrijdingen, zie staffel tabel B1.

  • De overschrijding mag maximaal twee maal de norm voor de klassegrens ‘Landbouw/natuur (Achtergrondwaarden - AW2000)’ bedragen.

  • De overschrijding is lager dan de norm voor klassegrens ‘Wonen’ (exclusief nikkel, zie tabel B2 bij 'Toetsingswaarden Besluit bodemkwaliteit').

Klasse ‘Wonen’:

  • Alle gehalten voldoen aan de klassegrens ‘Wonen’, met uitzondering van een aantal overschrijdingen, zie staffel tabel B1.

  • De overschrijding mag maximaal de norm voor de klassegrens ‘Wonen’ plus de norm voor de klassegrens ‘Landbouw/natuur (Achtergrondwaarden - AW2000)’ bedragen.

  • De overschrijding mag maximaal de norm voor de klassegrens ‘Industrie’ bedragen.

Klasse ‘Industrie’:

  • Als de indeling niet leidt tot de indeling in klasse ‘Wonen’ of ‘Landbouw/natuur (Achtergrondwaarden - AW2000)’ wordt de bodemkwaliteit ingedeeld in de klasse Industrie.

 

Bodemkwaliteitszone

Een deel van een bodembeheergebied waarvoor geldt dat er sprake is van een zelfde gebiedseigen bodemkwaliteit, waarbij zowel de verwachtingswaarde als de mate van variabiliteit van belang zijn. De spreiding van gehalten binnen een bodemkwaliteitszone is relatief laag. Een bodemkwaliteitszone is begrensd in het horizontale vlak én het verticale vlak (diepte). Wanneer een bodemkwaliteitszone uit meerdere gebieden bestaat die niet aan elkaar grenzen, worden de individuele gebieden aangeduid als ‘niet-aaneengesloten bodemkwaliteitszone’.

 

Bijzondere omstandigheden

Voor een binnen een bodemkwaliteitszone liggend gebied geldt dat er sprake is van bijzondere omstandigheden, als er voor dat gebied een afwijkende verwachtingswaarde geldt ten opzichte van de verwachtingswaarde van de betreffende bodemkwaliteitszone. Te denken valt aan voor bodemverontreiniging verdachte locaties, onderzochte locaties, locaties waar een sanering heeft plaatsgevonden of locaties met onvoorziene visuele waarnemingen (bodemvreemde materialen, kleur, geur). Ook beschermde gebieden zoals bijvoorbeeld voor de ecologie, archeologie, aardkundige waarden en cultuurhistorie vallen onder de bijzondere omstandigheden. In gebieden met bijzondere omstandigheden kunnen vanuit andere wet- en regelgeving aanvullende eisen worden gesteld.

 

Deelgebied

Deel van een bodembeheergebied waarvoor geldt dat dit op eenduidige wijze kan worden gekarakteriseerd door middel van de voor het bodembeheergebied geldende onderscheidende gebiedskenmerken. In tegenstelling tot de bodemkwaliteitszone is er voor het deelgebied nog geen toetsing uitgevoerd of het daadwerkelijk een bodemkwaliteitszone is. Wanneer een deelgebied uit meerdere terreinen bestaat die niet aan elkaar grenzen, worden de individuele gebieden aangeduid als ‘niet-aaneengesloten deelgebieden’.

 

Diffuse chemische bodemkwaliteit

De diffuse chemische bodemkwaliteit in een bepaald gebied is de verdeling van gehalten van stoffen in dat gebied waarvoor de bodemkwaliteitskaart is vastgesteld. Deze verdeling kan worden gekwantificeerd door statistische parameters (gemiddelde, percentielwaarden).

 

Grond

Onder dit begrip vallen onder andere: zand, veen, klei en löss. Het Besluit bodemkwaliteit definieert grond als volgt: ‘Vast materiaal dat bestaat uit minerale delen met een maximale korrelgrootte van 2 millimeter en organische stof in een verhouding en met een structuur zoals deze in de bodem van nature worden aangetroffen, alsmede van nature in de bodem voorkomende schelpen en grind met een korrelgrootte van 2 tot 63 millimeter, niet zijnde baggerspecie.’ Ook verontreinigde grond die is gereinigd en ontwaterde of gerijpte baggerspecie worden als grond beschouwd. Grond die in het kader van het Besluit bodemkwaliteit nuttig wordt toegepast mag maximaal 20 gewichtsprocent aan bodemvreemd materiaal bevatten. De gemeenten Beemster, Edam-Volendam, Landsmeer, Oostzaan, Waterland en Wormerland hebben hier strengere eisen aan gesteld.

 

Heterogeniteit

Wanneer de diffuse bodemverontreiniging in een bodemkwaliteitszone zeer heterogeen is verdeeld, is de betrouwbaarheid van het gemiddelde gehalte in de bodemkwaliteitszone ook kleiner. Bij bodemkwaliteitszones met een hoge heterogeniteit kan de gemeente besluiten dat de bodemkwaliteitskaart in bepaalde situaties niet gebruikt mag worden als bewijsmiddel. Het vastgestelde gemiddelde gehalte heeft naar mening van de gemeente dan een te lage betrouwbaarheid. Een zekere heterogeniteit op zich hoeft overigens geen probleem te zijn zolang er geen sprake is van een gebruiksrisico. De heterogeniteit van een stof in een bodemkwaliteitszone wordt bepaald door een index die volgt uit de volgende formule:

Interventiewaarde

Wanneer een gemeten gehalte hoger is dan de interventiewaarde uit de Wet bodembescherming wordt gesproken over een sterke verontreiniging of een sterk verhoogd gehalte. De interventiewaarden zijn vastgelegd in de Circulaire bodemsanering 2009, zoals gewijzigd op 1 juli 2013 (gepubliceerd in de Staatscourant nr. 16675, d.d. 27 juni 2013).

 

Niet gezoneerd gebied

Gebieden kunnen worden gezoneerd wanneer er voldoende meetgegevens beschikbaar zijn om te voldoen aan de eisen uit de Richtlijn bodemkwaliteitskaarten. Wanneer er onvoldoende meetgegevens beschikbaar zijn, kan de actuele diffuse chemische bodemkwaliteit van het gebied niet met een voldoende onderbouwing en betrouwbaarheid worden bepaald en wordt het deelgebied niet gezoneerd. Een gebied kan ook niet worden gezoneerd als niet wordt voldaan aan de eisen voor de spreiding van de meetgegevens uit de Richtlijn bodemkwaliteitskaarten. Een niet gezoneerd gebied kan ook ontstaan als de gemeente er bewust voor kiest een gebied niet op te nemen in de bodemkwaliteitskaart (zie ook: Uitgesloten locaties en gebieden).

Voor niet-gezoneerde gebieden geldt het generieke kader van het Besluit. Dit betekent dat de kwaliteit van de toe te passen grond of gerijpte baggerspecie enerzijds moet voldoen aan de maximale waarden van de bodemfunctieklasse die voor de ontvangende bodem is aangegeven op de bodemfunctieklassenkaart (zie kaartbijlage 1). Anderzijds moet de kwaliteit van de ontvangende bodem worden onderzocht om vast te stellen of de kwaliteit van de toe te passen grond of gerijpte baggerspecie van een betere of vergelijkbare kwaliteit is. Op basis van de systematiek van het generieke kader van het Besluit wordt de toepassingseis bepaald. Deze wordt vastgesteld op basis van de bodemfunctieklasse en de kwaliteit van de ontvangende bodem waarbij de meest strenge eis leidend is. Dus als de bodemkwaliteit in de klasse ‘Wonen’ valt en de bodemfunctieklasse is ‘Industrie’, dan is de toepassingseis kwaliteitsklasse ‘Wonen’ (zie ook de kopjes 'Toepassingseis kwaliteit toe te passen grond op of in de bodem' en 'Toetsing toepassen grond' van deze bijlage).

 

Niet-verdachte locatie voor bodemverontreiniging

Een locatie waar geen puntbron, bijvoorbeeld een ondergrondse huisbrandolietank of een chemische wasserij, of een geval van ernstige bodemverontreiniging aanwezig is (geweest).

 

Onderscheidende gebiedskenmerken

Kenmerken in een gebied waarvan verwacht wordt dat deze een verband vertonen met de bodemkwaliteit. Bijvoorbeeld: bodemtype, geomorfologie, landgebruik, historie, gebiedsontwikkeling en huidig gebruik. Bij het actualiseren van een bodemkwaliteitskaart kan de vastgestelde bodemkwaliteit in de huidige kaart ook als (aanvullend) onderscheidend gebiedskenmerk worden vastgesteld.

 

Ontgravingskaart

De ontgravingskaart geeft de te verwachten kwaliteit aan van de eventueel te ontgraven grond. Deze kaart mag onder bepaalde voorwaarden worden gebruikt als bewijsmiddel voor de chemische kwaliteit van de te ontgraven grond, als deze grond elders nuttig wordt toegepast. De ontgravingskwaliteit is gebaseerd op de te verwachten gemiddelde gehalten van een bodemkwaliteitszone en getoetst aan de toetsingswaarden uit het Besluit en de Regeling bodemkwaliteit. De kaart doet dus alleen een uitspraak over welke kwaliteit in het algemeen verwacht mag worden. De kwaliteit van een individuele partij kan daarvan afwijken. De ontgravingskwaliteit kunnen vallen in één van de vier onderscheiden klassen:

  • Klasse ‘Landbouw/natuur (Achtergrondwaarden - AW2000)’.

  • Klasse ‘Wonen’.

  • Klasse ‘Industrie’.

  • Klasse ‘Niet toepasbaar’.

Bij de toetsingsmethodiek voor de klasse ‘Landbouw/natuur (Achtergrondwaarden - AW2000)’ wordt uitgegaan van een staffel (zie tabel B1 bij 'Bodemkwaliteitsklasse') voor het aantal toegestane overschrijdingen.

 

Klasse ‘Landbouw/natuur (Achtergrondwaarden - AW2000)’:

  • Alle gehalten voldoen aan de norm voor de klassegrens ‘Landbouw/natuur (Achtergrondwaarden - AW2000)’, met uitzondering van een aantal overschrijdingen, zie staffel tabel B1.

  • De overschrijding mag maximaal twee maal de norm voor de klassegrens ‘Landbouw/natuur (Achtergrondwaarden - AW2000)’ bedragen.

  • De overschrijding is lager dan de norm voor klassegrens ‘Wonen’ (exclusief nikkel, zie tabel B2 bij 'Toetsingswaarden Besluit bodemkwaliteit').

Klasse ‘Wonen’:

  • De gehalten voldoen niet aan de klasse ‘Landbouw/natuur (Achtergrondwaarden - AW2000)’ en de norm voor klassegrens ‘Wonen’ wordt niet overschreden.

Klasse ‘Industrie’:

  • De norm voor klassegrens ‘Wonen’ wordt overschreden.

  • De norm voor klasse grens ‘Industrie’ wordt niet overschreden.

Klasse "Niet toepasbaar':

  • De norm voor klassegrens ‘Industrie’ wordt overschreden.

Percentiel/percentielwaarde

Waarde waar beneden een bepaald percentage van de analyseresultaten gelegen is. Bijvoorbeeld 90-percentiel: 90% van de analyseresultaten ligt beneden deze waarde.

 

Puntbron

Duidelijk aanwijsbare bron voor een eventuele bodemverontreiniging zoals bijvoorbeeld een ondergrondse tank voor de opslag van olie, een ontvettingsbad of een afleverzuil voor brandstof(fen).

 

Spoorgeboden gronden

Een zone van maximaal 11 meter vanuit het hart van het spoor en om emplacementen en grond vallend onder Rail Infra Trust en NS Vastgoed.

 

Standaarddeviatie

Ook wel ‘standaardafwijking’ genoemd. Het geeft de mate aan voor de spreiding van meetgegevens in een dataset. De berekening hiervan is als volgt:

Hierbij is n het aantal analyseresultaten, x een individueel analyseresultaat en 𝑥 het gemiddelde van de analyseresultaten.

 

Toepassingseis toe te passen grond op of in de bodem

Deze kaart geeft de maximale kwaliteitseisen weer waaraan de toe te passen grond moet voldoen. Bij de toepassingskaart wordt gekeken naar de vastgestelde bodemkwaliteit en de (toekomstige) functie van de bodem. Op basis van deze dubbele toets, waarbij de strengste toets doorslaggevend is, wordt voor elke bodemkwaliteitszone de toepassingseis vastgesteld.

 

Toetsing toepassen grond

Om te beoordelen of het toepassen van grond is toegestaan wordt de kwaliteit van de toe te passen grond vergeleken met de toepassingseis die geldt voor de ontvangende bodem. De kwaliteit van de toe te passen grond kan worden bepaald op basis van een bodemkwaliteitskaart, partijkeuring of een ander erkend bewijsmiddel. De toepassingseis kan worden bepaald op basis van de bodemkwaliteitskaart (gezoneerde gebieden) of bodemonderzoek van de ontvangende bodem (niet gezoneerde gebieden).

 

Toetsingswaarden Besluit en Regeling bodemkwaliteit

Om een bodemkwaliteitszone te karakteriseren moet een toetsing plaatsvinden aan de gestelde normen uit het Besluit en de Regeling bodemkwaliteit. Deze toetsingsnormen zijn in de onderstaande tabel weergegeven.

 

Uitbijters

Een uitbijter is een gehalte in het gegevensbestand dat niet representatief is voor de diffuse chemische bodemkwaliteit in een deelgebied. De (potentiële) uitbijters worden met een visuele methode (scatterplots) inzichtelijk gemaakt. Het niet representatieve gehalte is het gevolg van duidelijk aantoonbare menselijke activiteiten: puntverontreinigingen, verdachte locaties, typfouten tijdens invoer.

 

Uitgesloten locaties en gebieden

Uitgesloten locaties en gebieden zijn terreinen die op beleidsmatige grond niet kunnen worden opgenomen in de bodemkwaliteitskaart of niet voldoen aan de minimumeisen voor het aantal en de spreiding van de meetgegevens uit de Richtlijn bodemkwaliteitskaarten.

Voorbeelden zijn onder andere terreinen waar sprake is van een sanering of verontreiniging door een lokale activiteit. Ook terreinen die in het beheer zijn van andere organisaties zoals Rijkswaterstaat (rijkswegen), de provincie (provinciale wegen) of de ProRail (spoorgebonden gronden) worden soms uitgesloten van de bodemkwaliteitskaart.

Voor de uitgesloten locaties en gebieden geldt het generieke kader van het Besluit. Dit betekent dat de kwaliteit van de toe te passen grond of gerijpte baggerspecie enerzijds moet voldoen aan de maximale waarden van de bodemfunctieklasse die voor de ontvangende bodem is aangegeven op de bodemfunctieklassenkaart (zie kaartbijlage 1). Anderzijds moet de kwaliteit van de ontvangende bodem worden onderzocht om vast te stellen of de kwaliteit van de toe te passen grond of gerijpte baggerspecie van een betere of vergelijkbare kwaliteit is. Op basis van de systematiek van het generieke kader van het Besluit wordt de toepassingseis bepaald. Deze wordt vastgesteld op basis van de bodemfunctieklasse en de kwaliteit van de ontvangende bodem waarbij de meest strenge eis leidend is. Dus als de bodemkwaliteit in de klasse ‘Wonen’ valt en de bodemfunctieklasse is ‘Industrie’, dan is de toepassingseis kwaliteitsklasse ‘Wonen’ (zie ook de kopjes 'Toepassingseis kwaliteit toe te passen grond op of in de bodem' en 'Toetsing toepassen grond' van deze bijlage).

 

Variabiliteit

Mate waarin de gehalten binnen een bodemkwaliteitszone variëren.

 

Variatiecoëfficiënt

Maat voor de spreiding in gehalten (standaarddeviatie gedeeld door het gemiddelde).

 

Vrij grondverzet

Van vrij grondverzet is sprake als voorafgaand aan het grondverzet de kwaliteit van de grond niet hoeft te worden vastgesteld.

 

Bijlage 2 Selectie dataset gezamenlijke bodemkwaliteitskaart

 

Gemeente Beemster

De gemeente heeft bodemrapporten van de volgende locaties aangeleverd die zijn toegevoegd aan de dataset van de gezamenlijke bodemkwaliteitskaart:

 

Middenbeemster

Bamestraweg 19

Hobrederweg 38

Insuldeweg 2

Insulindeweg 13

Nekkerweg 18

Rijperweg 112

Rijperweg 117

Rijperweg 129

 

Noordbeemster

Jisperweg 6

Middenweg 1

Middenweg 49a

Middenweg 117

Middenweg 141-143

Mijzerweg 3

 

Westbeemster

Jisperweg 129

Jisperweg 134

Westdijk 38

 

Zuidoostbeemster

Kolkpad (naast nr. 3)

Kolkpad 4

(nabij) Noorderpad 17

Oostdijk 7a

Oostdijk 42

Pieter Kramerstraat 49

Purmerenderweg 165

Purmerenderweg e.o.

Verzetplein 1

Volgerweg 69

Volkstuinen Noorderpad

Zuiderweg 55

 

Gemeenten Edam-Volendam, Landsmeer, Oostzaan, Waterland en Wormerland

De dataset vanuit het BIS van de gemeente Edam-Volendam is aangeleverd op 21 september 2017. De dataset vanuit het BIS van de gemeenten Landsmeer, Oostzaan, Waterland en Wormerland op 15 augustus 2017 vanuit het BIS van de Omgevingsdienst IJmond geëxporteerd. In de onderstaande overzichten zijn is de onderstaande criteria gehanteerd om de representatieve bodemrapporten te selecteren voor de gezamenlijke bodemkwaliteitskaart die nieuw beschikbaar zijn gekomen sinds de huidige bodemkwaliteitskart. Vervolgens hebben de gemeente Edam-Volendam voor haar eigen gemeente en de Omgevingsdienst IJmond voor de andere gemeenten de al dan niet geselecteerde bodemrapporten nog gecontroleerd op eventuele onjuiste selecties.

 

 

 

Bijlage 3 Specificatie uitbijters

Bijlage 4 Statistische parameters bodemkwaliteitszones (waarden standaardbodem)

 

 

 

 

 

Kaartbijlagen

Kaartbijlage 1 Bodemfunctieklassenkaart

Kaartbijlage 2 Ligging bodemkwaliteitszones

Kaartbijlage 3 Ontgravingskaart

Kaartbijlage 4 Toepassingskaart (generiek kader Besluit)