Gemeenteblad van Amsterdam
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Amsterdam | Gemeenteblad 2020, 236204 | Verordeningen |
Zoals vergunningen, bouwplannen en lokale regelgeving.
Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.
U bent hier:
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Amsterdam | Gemeenteblad 2020, 236204 | Verordeningen |
Verordening van de raad van de gemeente Amsterdam tot wijziging van de Verordening op de Zorg voor de jeugd 2018 in verband met de essentialia jurisprudentie en de gewijzigde Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag (Verordening tot wijziging van de Verordening op de Zorg voor de jeugd Amsterdam 2018 (Pgb tarieven en rechtmatigheid)
De raad van de gemeente Amsterdam,
gelezen het voorstel van burgemeester en wethouders van 17 juni2020,
gelet op artikel 149 van de Gemeentewet en de artikelen 2.9, 2.12 en 8.1.1, derde lid, van de Jeugdwet en artikel 8b van de Regeling Jeugdwet,
Vast te stellen de navolgende Verordening tot wijziging van de Verordening op de Zorg voor de jeugd Amsterdam 2018 (Pgb tarieven en rechtmatigheid)
A. De inhoudsopgave komt als volgt te luiden:
Hoofdstuk 1 Algemene bepalingen ............................................................................4
Artikel 1.1 Begripsbepalingen .............................................................................................4
Artikel 1.2 Doelgroep ..........................................................................................................5
Hoofdstuk 2 Algemene voorzieningen ........................................................................5
Artikel 2.1 Basisvoorzieningen Jeugd(welzijn) .....................................................................5
Artikel 2.2 Ouder- en Kindteams .........................................................................................5
Artikel 2.3 Opvoed- en opgroeiondersteuning .................................................................... 5
Artikel 2.4 Jeugdhulpvoorzieningen in het kader van speciaal onderwijs .............................6
Artikel 2.5 Aanpak Samen DOEN ........................................................................................6
Artikel 2.6 Preventieve jeugdbescherming.......................................................................... 6
Hoofdstuk 3 Individuele voorzieningen .......................................................................6
Paragraaf 1 Soorten individuele voorzieningen ......................................................................6
Artikel 3.1 Specialistische jeugdhulp ....................................................................................... 6
Artikel 3.2 Hoogspecialistische jeugdhulp ...............................................................................7
Artikel 3.3 Dyslexiezorg ......................................................................................................... .7
Artikel 3.4 Buitenregionaal en landelijk aanbod jeugdhulp ......................................................7
Paragraaf 2. Toegang specialistische en hoogspecialistische jeugdhulp ......................................7
Artikel 3.5 Toegangsproces algemeen .....................................................................................7
Artikel 3.6 Het gesprek en het perspectiefplan ........................................................................8
Artikel 3.7 Criteria en afwegingsfactoren bij de toekenning .....................................................9
Artikel 3.8 Inhoud en geldigheidsduur van het besluit ..............................................................9
Paragraaf 3. Toegang dyslexiezorg .......................................................................................... 10
Artikel 3.9 Toegang dyslexiezorg .............................................................................................10
Paragraaf 4. Toegang buitenregionaal en landelijk aanbod jeugdhulp ........................................10
Artikel 3.10 Toegang buitenregionaal en landelijk aanbod jeugdhulp ......................................10
Paragraaf 5 Aanvullende regels persoonsgebonden budget ....................................................... 11
Artikel 3.11 Het pgb-plan .....................................................................................................….11
Artikel 3.11a Onderscheid formele en informele hulp………………………………………………….…….11
Artikel 3.12Vaststellen hoogte van persoonsgebonden budget ............................................... 12
Artikel 3.13 Verstrekken persoonsgebonden budget voor informele zorg ...........................…..13
Paragraaf 6 Nieuwe feiten en omstandigheden ....................................................................... 13
Artikel 3.14 Nieuwe feiten en omstandigheden, herziening, intrekking of terugvordering….…14
Artikel 3.15 Bestrijding oneigenlijk gebruik en misbruik…………………………………………………..14
Artikel 3.16 Opschorting betaling uit het Pgb…………………………………………………………………15
Hoofdstuk 4 Afstemming met andere voorzieningen .....................................................15
Artikel 4.1 Afstemming gezondheidszorg .......................................................................... …15
Artikel 4.2 Afstemming langdurige zorg ............................................................................….16
Artikel 4.3 Afstemming voorschoolse voorzieningen, onderwijs en leerplicht ........................16
Artikel 4.4 Afstemming maatschappelijke ondersteuning ..................................................... 16
Artikel 4.5 Afstemming werk en inkomen ..............................................................................16
Artikel 4.6 Afstemming wonen ..............................................................................................16
Hoofdstuk 5 Waarborging verhouding prijs-kwaliteit .....................................................17
Artikel 5.1 Verhouding prijs en kwaliteit jeugdhulpaanbieders en gecertificeerde instellingen 17
Hoofdstuk 6 Beleidsparticipatie ...................................................................................17
Artikel 6.1 Jeugdplatform ......................................................................................................17
Artikel 6.2 Stedelijke adviesgroep jeugd ................................................................................17
Hoofdstuk 7 Slotbepalingen .........................................................................................17
Artikel 7.1 Inwerkingtreding en geldigheid .............................................................................17
Artikel 7.2 Overgangsbepaling ...............................................................................................18
Artikel 7.3 Hardheidsclausule ............................................................................................. ….18
Artikel 7.4 Evaluatie ...............................................................................................................18
Artikel 7.5 Citeertitel .......................................................................................................... … 18
Algemene toelichting ..................................................................................................19
Artikelsgewijze toelichting ..........................................................................................21
B. Na artikel 3.11 wordt artikel 3.11a ingevoegd, luidende:
Artikel 3.11a Onderscheid formele en informele hulp
Van formele hulp is sprake als de hulp verleend wordt door onderstaande personen, met uitzondering van bloed- of aanverwanten in de 1e of 2e graad van de budgethouder:
personen die werkzaam zijn bij een instelling die ten aanzien van de voor het Pgb uit te voeren taken/werkzaamheden ingeschreven staat in het Handelsregister (conform artikel 5 Handelsregisterwet 2007), en die beschikken over de relevante diploma’s die nodig zijn voor uitoefening van de desbetreffende taken, of;
personen die aangemerkt zijn als zelfstandige zonder personeel en ten aanzien van de voor het Pgb uit te voeren taken/werkzaamheden ingeschreven staan in het Handelsregister (conform artikel 5 Handelsregisterwet 2007) en beschikken over de relevante diploma’s die nodig zijn voor uitoefening van de desbetreffende taken, of;
C. Artikel 3.12, tweede lid komt als volgt te luiden:
De tarieven op basis waarvan de hoogte van het persoonsgebonden budget berekend wordt, bedragen:
D. Het vijfde lid van artikel 3.14 vervalt.
E. Na artikel 3.14 wordt artikel 3.15 ingevoegd, luidende:
Artikel 3.15 Bestrijding oneigenlijk gebruik en misbruik
Het college informeert de jeugdige en zijn ouders dan wel zijn wettelijk vertegenwoordiger in begrijpelijke bewoordingen over de rechten en plichten die aan het ontvangen van een individuele voorziening of persoonsgebonden budget zijn verbonden en over de mogelijke gevolgen van misbruik en oneigenlijk gebruik van de wet.
Het college wijst personen aan die belast zijn met het houden van toezicht op de naleving van het bepaalde bij de wet, dan wel deze verordening, ten aanzien van de bestrijding van het ten onrechte ontvangen van een individuele voorziening of een persoonsgebonden budget, alsmede van misbruik of oneigenlijk gebruik van het bepaalde bij de wet, dan wel deze verordening.
F. Na artikel 3.15 wordt artikel 3.16 ingevoegd, luidende:
Artikel 3.16 Opschorting betaling uit het Pgb
Het college kan de Sociale Verzekeringsbank gemotiveerd verzoeken te beslissen tot een geheel of gedeeltelijke opschorting van betalingen uit het Pgb voor ten hoogste dertien weken, als er ten aanzien van de persoon aan wie het Pgb is verstrekt een ernstig vermoeden is gerezen dat er sprake is van een omstandigheid als bedoeld in artikel 8.1.4, eerste lid, onder a, d of e, van de wet.
Indien de jeugdige langer dan twee maanden verblijft in een instelling als bedoeld in de Wet langdurige zorg of de Zorgverzekeringswet kan het college de Sociale Verzekeringsbank gemotiveerd verzoeken te beslissen tot een gehele of gedeeltelijke opschorting van betalingen uit het Pgb voor de duur van de opname.
Aldus vastgesteld in de raadsvergadering van 9 september 2020.
De voorzitter
Femke Halsema
De raadsgriffier
Jolien Houtman
De essentialia jurisprudentie maakt een wijziging van de verordening noodzakelijk. Voorts heeft de gewijzigde Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag (Wml) tot gevolg dat alle Pgb-tarieven moeten voldoen aan het minimumloon inclusief vakantiebijslag. Deze wijzigingsverordening heeft tot gevolg dat de Pgb-tarieven, de tariefdifferentiatie, de bevoegdheid om een toezichthouder aan te wijzen en de bevoegdheid om de SVB te verzoeken een Pgb op te schorten een grondslag krijgen in de verordening.
Voor de bepaling van het Pgb-tarief wordt onderscheid gemaakt tussen formele en informele hulp. Voor formele hulp geldt het hogere Pgb-tarief en voor informele hulp geldt het lagere tarief op basis van het wettelijk minimumloon. Dit sluit aan bij de systematiek die binnen de Wet langdurige zorg (Wlz) en Zorgverzekeringswet (Zvw) wordt gehanteerd.
Van formele hulp is, kortweg, sprake als de hulp verleend wordt in het kader van de uitoefening van een bedrijf of beroep. De hulp wordt dan verleend door een jeugdhulpaanbieder of door een zelfstandige jeugdhulpverlener (ZZP-er). Van formele hulp is ook sprake als de hulpverlener een BIG of SKJ-registratie heeft. Hierop geldt één (belangrijke) uitzondering en dat is wanneer de hulpverlener een bloed- of aanverwant is in de 1e of 2e graad van de budgethouder.
Bij hulpverlening door een bloed- of aanverwant in de 1e of 2e graad, is altijd sprake van informele hulp. Ook al gaat het om een hulpverlener die bijvoorbeeld BIG-geregistreerd is en voldoet aan de criteria genoemd in het tweede lid van deze bepaling; dan nog geldt dat in het kader van deze verordening als informele hulp. De achtergrond daarvan is dat ook familieleden met een zorg-gerelateerd beroep of opleiding in eerste instantie een affectieve relatie hebben met de budgethouder. Dat is dan ook doorslaggevend voor het bijbehorende Pgb-tarief.
Informele hulp is derhalve alle hulp die geboden wordt door bloed- of aanverwanten in de 1e of 2e graad, of door personen die niet beroeps- of bedrijfsmatig jeugdhulp verlenen. In de praktijk gaat het dan eigenlijk altijd om personen uit het sociaal netwerk.
Bloedverwantschap ontstaat door geboorte, afstamming van dezelfde voorvader, erkenning, gerechtelijke vaststelling van het vaderschap of adoptie.
Bloedverwanten in de eerste graad zijn:
Bloedverwanten in de tweede graad zijn:
Met jeugdhulpaanbieders waarmee de gemeente een contract heeft afgesloten zijn afspraken gemaakt over de tarieven voor de te leveren zorg. Voor jeugdhulpverleners die in het kader van een persoonsgebonden budget door ouders zelf betaald worden gelden deze afspraken niet. De jeugdige en zijn ouders wordt gevraagd in goed overleg met het lokale team een inschatting te maken van de benodigde inzet, uitgedrukt in aantal uren, dagdelen of etmalen (afhankelijk van de aard van de zorg). Het lokale team maakt vervolgens een inschatting of het door de Pgb-zorgverlener gevraagde aantal uren, dagdelen of etmalen en tarief reëel is en neemt hierover een besluit. Voor het berekenen van de maximale hoogte van het budget wordt uitgegaan van een vast tarief per zorgsoort.
In een uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 17 mei 2017 heeft de rechter in een zaak van de gemeente Emmen bepaald dat de essentialia van het voorzieningenpakket in de verordening dienen te worden vastgelegd. Hieronder valt ook de tariefdifferentiatie van het Pgb. De rekentarieven zijn als gevolg van voornoemde uitspraak in de verordening opgenomen.
De hier vastgelegde tarieven zijn rekentarieven die gebruikt worden om de hoogte van het Pgb te berekenen. Het staat budgethouders vrij om een zorgverlener te contracteren die een hoger of lager tarief hanteert. Bij een hoger tarief dan het rekentarief dient de budgethouder zelf de extra kosten voor zijn/haar rekening te nemen (of genoegen te nemen met minder uren, dagdelen of etmalen inzet). Wanneer het tarief lager is dan het rekentarief heeft de budgethouder de vrijheid om meer uren zorg in te zetten.
Tweede lid, onderdeel a, categorie I:
Onder formele hulp als het gaat om ambulante hulpverlening door inzet van praktische begeleiding en ondersteuning wordt verstaan: het (langdurig) aansturen en/of inslijten van gedrag, sociale vaardigheden en algemene dagelijks levensverrichtingen.
Tweede lid, onderdeel a, categorie II:
Onder formele hulp als het gaat om ambulante hulpverlening door inzet van specialistische begeleiding wordt verstaan: specialistische begeleiding gericht op jeugdige en/of gezin waarbij het zwaartepunt ligt op het aanleren van vaardigheden en/of gedrag.
Tweede lid, onderdeel a, categorie III:
Onder formele hulp als het gaat om ambulante hulpverlening door inzet van specialistische behandeling wordt verstaan: (Kortdurende) GGZ-behandeling waarbij de bron/oorzaak aangepakt wordt om problemen op te lossen of hanteerbaar te maken. Hiervoor is betrokkenheid van een behandelverantwoordelijke (gedragsdeskundige en/of medisch specialist) noodzakelijk.
Tweede lid, onderdeel b, categorie I:
Onder formele hulp als het gaat om dagbehandeling of –begeleiding in groepsverband door inzet van praktische begeleiding en ondersteuning in groepsverband wordt verstaan: het in groepsverband (langdurig) aansturen en/of inslijten van gedrag, sociale vaardigheden en algemene dagelijks levensverrichtingen.
Tweede lid, onderdeel b, categorie II:
Onder formele hulp als het gaat om dagbehandeling of –begeleiding in groepsverband door inzet van specialistische behandeling in groepsverband wordt verstaan: specialistische begeleiding in groepsverband gericht op jeugdige en/of gezin waarbij het zwaartepunt ligt op het aanleren van vaardigheden en/of gedrag en/of waarbij de bron/oorzaak aangepakt wordt om problemen op te lossen of hanteerbaar te maken. Hiervoor is betrokkenheid van een behandelverantwoordelijke (gedragsdeskundige en/of medisch specialist) noodzakelijk.
Tweede lid, onderdeel c, categorie I:
Onder formele hulp als het gaat om verblijf met lichte begeleiding wordt verstaan:24-uurs verblijf gericht op ontlasting van het gezin en op aansturen en/of inslijten van gedrag, sociale vaardigheden en algemene dagelijks levensverrichtingen. Inclusief begeleiding en/of persoonlijke verzorging.
Tweede lid, onderdeel c, categorie II:
Onder formele hulp als het gaat om verblijf binnen een jeugdhulpinstelling door inzet van verblijf met specialistische begeleiding wordt verstaan:24-uurs verblijf gericht op jeugdige en/of gezin waarbij het zwaartepunt ligt op het aanleren van vaardigheden en/of gedrag, in groepsverband aangevuld met individuele begeleiding.
Tweede lid, onderdeel c, categorie III:
Onder formele hulp als het gaat om verblijf binnen een jeugdhulpinstelling door inzet van verblijf met specialistische behandeling wordt verstaan:24-uurs verblijf voor jeugdigen met (ernstige) (lichamelijke) beperkingen waarbij specialistische kennis nodig is en/of medische handelingen uitgevoerd moeten worden waarbij de bron/oorzaak aangepakt wordt om problemen op te lossen of hanteerbaar te maken. Hiervoor is betrokkenheid van een behandelverantwoordelijke (gedragsdeskundige en/of medisch specialist) noodzakelijk.
Onder formele hulp als het gaat om vervoer van de jeugdige wordt verstaan: het vervoer van een jeugdige van en naar de locatie waar de jeugdhulp wordt geboden, voor zover naar het oordeel van het lokale team noodzakelijk in verband met een medische noodzaak of beperkingen in de zelfredzaamheid (Jeugdwet artikel 2.3, tweede lid).
Onder informele hulp en verblijf/logeervoorziening wordt verstaan: hulp en ondersteuning die geboden wordt door een familielid, iemand uit het sociale netwerk of een persoon die niet SKJ of BIG-geregistreerd is maar wel lichte vormen van zorg zoals praktische ondersteuning kan leveren. Voor logeeropvang binnen het sociale netwerk gericht op ontlasting van het gezin wordt uitgegaan van een feitelijke tijdsbesteding van 3 uur gedurende een etmaal. Het tarief van € 60,- is hierop gebaseerd.
Het is van belang dat jeugdigen en ouders zich bewust zijn van de rechten, maar ook de plichten die verbonden zijn aan een jeugdhulpvoorziening. Denk bijvoorbeeld aan de plicht om het college op de hoogte te houden van alle relevante feiten en omstandigheden (informatieplicht, zie artikel 3.14 lid 1 van deze verordening). Of de regels rondom verantwoording van een Pgb. Het college moet de jeugdige en ouders hierover informeren en ook uitleggen welke mogelijke consequenties het kan hebben als men zich niet houdt aan deze verplichtingen.
In deze bepaling is de grondslag gegeven om een toezichthouder aan te wijzen die zich bezig houdt met het toezicht op een rechtmatige uitvoering van de Jeugdwet (zie artikel 5:11 Awb). Anders dan in de Wmo 2015, is in de Jeugdwet niet bepaald dat het college een toezichthouder moet aanwijzen. Desalniettemin kan uit de wetsgeschiedenis worden afgeleid dat het mogelijk is een toezichthouder aan te wijzen. Zo wordt in de Memorie van Toelichting bijvoorbeeld de medewerkingsverplichting jegens de toezichthouder benoemd (zie TK 2013-2014, 33684, nr. 11). Het toezicht door de aangewezen toezichthouder ziet niet op de kwaliteit van de geleverde jeugdhulp. Dat toezicht is belegd bij de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd.
In deze bepaling is vastgelegd dat het college nadere regels kan vaststellen over de (reikwijdte van) taken en bevoegdheden van de gemeentelijke toezichthouder Jeugd (zie ook artikel 5:14 Awb). De toezichthouder is bij de uitoefening van zijn taak gebonden aan de regels zoals vastgelegd in de artikelen 5:11 t/m 5:20 van de Awb.
In bepaalde situaties is (tijdelijke) opschorting van een betaling uit het Pgb naar aanleiding van een declaratie een beter instrument dan beëindiging of herziening van het verleningsbesluit. Met opschorting kan ruimte geboden worden voor herstelmaatregelen of nader onderzoek. Bijvoorbeeld als het gaat om de overeenkomsten die de budgethouder is aangegaan of bij herziening van de toekenningbeschikking. Daarom is de mogelijkheid voor het college toegevoegd om de SVB te verzoeken over te gaan tot opschorting. Het college kan een verzoek enkel doen als een ernstig vermoeden is gerezen dat:
Van de onder 2 genoemde omstandigheid is ook sprake als de jeugdige niet langer voldoende in staat is op eigen kracht, dan wel met hulp uit zijn sociale netwerk of van zijn vertegenwoordiger, de aan een persoonsgebonden budget verbonden taken op verantwoorde wijze uit te voeren, en als niet langer is gewaarborgd dat de individuele voorziening veilig, doeltreffend en cliëntgericht wordt ingezet. Uiteraard moet het college het verzoek motiveren en – met inachtneming van de daarvoor geldende regels – de SVB van voldoende informatie voorzien op grond waarvan de SVB over kan gaan tot deugdelijke besluitvorming ten aanzien van het al dan niet nemen van een besluit tot opschorting van de betaling. Verder kan er voor ten hoogste dertien weken worden opgeschort. Hierbij is aansluiting gezocht bij de termijn zoals deze ook wordt gehanteerd in artikel 4:56 van de Awb en onder de Wet langdurige zorg.
In lid twee wordt specifiek de mogelijkheid geboden om de betalingen uit het Pgb gedeeltelijk of geheel op te schorten en de SVB dit gemotiveerd te verzoeken, in het geval er sprake is van een (tijdelijke) opname in het kader van de Wet langdurige zorg.
In lid drie wordt bepaald dat de budgethouder schriftelijk op de hoogte wordt gesteld van het verzoek om geheel of gedeeltelijke opschorting van betalingen uit het Pgb op basis van lid een of twee.
Kopieer de link naar uw clipboard
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/gmb-2020-236204.html
De hier aangeboden pdf-bestanden van het Staatsblad, Staatscourant, Tractatenblad, provinciaal blad, gemeenteblad, waterschapsblad en blad gemeenschappelijke regeling vormen de formele bekendmakingen in de zin van de Bekendmakingswet en de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen voor zover ze na 1 juli 2009 zijn uitgegeven. Voor pdf-publicaties van vóór deze datum geldt dat alleen de in papieren vorm uitgegeven bladen formele status hebben; de hier aangeboden elektronische versies daarvan worden bij wijze van service aangeboden.