Gemeenteblad van Valkenswaard

Datum publicatieOrganisatieJaargang en nummerRubriek
ValkenswaardGemeenteblad 2020, 229303Verordeningen



Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Valkenswaard 2018

 

HOOFDSTUK 1 BEGRIPSOMSCHRIJVINGEN

 

 

Artikel 1.1 Begripsomschrijvingen

  • 1.

    In deze verordening en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

  • a.

    Aanbieder: natuurlijke persoon of rechtspersoon die jegens het college gehouden is een algemene voorziening of maatwerkvoorziening te leveren.

  • b.

    Algemeen gebruikelijke voorziening: voorziening die niet speciaal is bedoeld voor mensen met een beperking en die algemeen verkrijgbaar is en niet of niet veel duurder is dan vergelijkbare producten, diensten, activiteiten of andere maatregelen.

  • c.

    Algemene voorziening: aanbod van diensten of activiteiten dat, zonder voorafgaand onderzoek naar de behoeften, persoonskenmerken en mogelijkheden van de gebruikers, toegankelijk is en dat is gericht op maatschappelijke ondersteuning;

  • d.

    Andere voorziening: voorziening anders dan in het kader van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015;

  • e.

    Bijdrage: bijdrage als bedoeld in de artikelen 2.1.4 en 2.1.4a van de wet.

  • f.

    Budgetplan: een verplicht door of namens de cliënt op te stellen plan om in aanmerking te komen voor een persoonsgebonden budget.

  • g.

    Collectieve voorziening: een maatwerkvoorziening die individueel wordt verstrekt maar door meerdere personen tegelijk gebruikt kan worden.

  • h.

    Hoofdverblijf: de woonruimte, bestemd en geschikt voor permanente bewoning, waar de cliënt zijn of haar vaste woon- en verblijfplaats heeft en op welk adres de cliënt in de basisregistratie personen staat ingeschreven of zal staan ingeschreven, dan wel het feitelijk woonadres;

  • i.

    Huisgenoot: iedere persoon met het hoofdverblijf op hetzelfde adres als de cliënt.

  • j.

    Mantelzorger: een persoon die mantelzorg biedt.

  • k.

    Melding: melding als bedoeld in artikel 2.3.2 van de wet.

  • l.

    Pgb: persoonsgebonden budget (pgb) als bedoeld in artikel 1.1.1. van de wet.

  • m.

    Voorliggende voorziening: een voorziening die voor gaat op een maatwerkvoorziening op grond van de wet, waar cliënt gebruik van kan maken en die leidt tot het beoogde resultaat;

  • n.

    Wet: Wet maatschappelijke ondersteuning 2015.

  • 2.

    Alle begrippen die in deze verordening worden gebruikt, en die niet nader worden omschreven, hebben dezelfde betekenis als in de wet, het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015 en de Algemene wet bestuursrecht.

 

HOOFDSTUK 2 PROCEDUREREGELS

 

 

Artikel 2.1 Melding

  • 1.

    De melding kan door of namens de cliënt bij het college worden gedaan.

  • 2.

    De melding kan mondeling, schriftelijk dan wel elektronisch plaatsvinden.

 

Artikel 2.2 Cliëntondersteuning

  • 1.

    Het college zorgt ervoor dat ingezetenen een beroep kunnen doen op onafhankelijke, kosteloze cliëntondersteuning. Het belang van de cliënt is hierbij uitgangspunt.

  • 2.

    Het college wijst cliënten, die een melding doen als bedoeld in Artikel 2.1, erop dat zij zich gedurende de procedure desgewenst kunnen laten bijstaan door een kosteloze onafhankelijke cliëntondersteuner.

 

Artikel 2.3 Onderzoek

  • 1.

    Het college verzamelt alle noodzakelijke cliëntgegevens die bij de gemeente bekend zijn. Vervolgens maakt het college een afspraak voor het gesprek met de cliënt of diens vertegenwoordiger. Waar mogelijk zijn ook de mantelzorger of mantelzorgers, en desgewenst familie of een onafhankelijk cliëntondersteuner, bij het gesprek aanwezig.

  • 2.

    Voor het gesprek verschaft de cliënt alle overige noodzakelijke gegevens en bescheiden die voor het onderzoek nodig zijn. Uiteraard gaat dit om gegevens en bescheiden waarover de cliënt redelijkerwijs kan beschikken. De cliënt verstrekt in ieder geval een identificatiedocument, als bedoeld in Artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht.

  • 3.

    Het college informeert de cliënt dat hij een persoonlijk plan, als bedoeld in Artikel 2.3.2 lid 2 van de wet, op kan stellen. Na deze melding heeft de cliënt zeven dagen de tijd om het plan te overhandigen.

  • 4.

    Het college onderzoekt zo snel mogelijk, maar uiterlijk binnen zes weken, en voor zover nodig:

    • a.

      de behoeften, persoonskenmerken en voorkeuren van de cliënt;

    • b.

      het gewenste resultaat van het verzoek om ondersteuning;

    • c.

      de mogelijkheden om op eigen kracht, of met algemeen gebruikelijke voorzieningen zijn zelfredzaamheid of zijn participatie te handhaven of te verbeteren, of te voorkomen dat hij een beroep moet doen op een maatwerkvoorziening;

    • d.

      de mogelijkheden om met mantelzorg of met hulp van andere personen uit zijn sociaal netwerk zijn zelfredzaamheid of zijn participatie te verbeteren, of te voorkomen dat hij een beroep moet doen op een maatwerkvoorziening;

    • e.

      de behoefte aan maatregelen om de mantelzorger van de cliënt te ondersteunen;

    • f.

      of het gebruik van algemene voorzieningen, van voorliggende voorzieningen of het verrichten van maatschappelijk nuttige activiteiten leidt tot verbetering van de zelfredzaamheid of participatie. Zo kan een beroep op een individuele maatwerkvoorziening vermeden worden;

    • g.

      de mogelijkheden om met voorliggende voorzieningen of met zorgverzekeraars en zorgaanbieders, als bedoeld in de Zorgverzekeringswet, en andere partijen op het gebied van publieke gezondheid, jeugdhulp, onderwijs, welzijn, wonen en werk en inkomen, te voorzien in de behoefte aan maatschappelijke ondersteuning;

    • h.

      de mogelijkheid om een maatwerkvoorziening te verstrekken;

    • i.

      welke bijdragen in de kosten de cliënt, met toepassing van het bepaalde bij of op grond van hoofdstuk 6 van deze verordening, verschuldigd zal zijn;

    • j.

      de mogelijkheden om te kiezen voor een persoonsgebonden budget, waarbij de cliënt wordt ingelicht over de voor- en nadelen van die keuze.

  • 5.

    Als de cliënt een persoonlijk plan als bedoeld in lid 3 aan het college heeft overhandigd, betrekt het college dat plan bij het onderzoek als bedoeld in lid 4.

 

Artikel 2.4 Onderzoeksverslag

  • 1.

    Het college verstrekt de cliënt of diens vertegenwoordiger een schriftelijke weergave van de uitkomsten van het onderzoek.

  • 2.

    De cliënt tekent het verslag voor gezien of akkoord en zorgt ervoor dat een getekend exemplaar binnen vijftien werkdagen wordt geretourneerd aan de contactpersoon met wie hij het gesprek heeft gevoerd.

  • 3.

    Als de cliënt tekent voor gezien, kan hij daarbij ook aangeven waarom hij niet akkoord is.

  • 4.

    Opmerkingen of latere aanvullingen van de cliënt kunnen aan het verslag worden toegevoegd.

 

Artikel 2.5 De aanvraag

  • 1.

    De cliënt of diens vertegenwoordiger moet de aanvraag voor een maatwerkvoorziening schriftelijk of elektronisch indienen bij het college.

  • 2.

    Een schriftelijke aanvraag wordt ingediend door middel van een ondertekend onderzoeksverslag.

 

Artikel 2.6 Medewerking cliënt en huisgenoten

  • 1.

    Bij de beoordeling van de aanspraak op een maatwerkvoorziening is het college, onverminderd Artikel 2.3.8 van de wet, in ieder geval bevoegd om:

  • a.

    de cliënt, en bij gebruikelijke hulp diens huisgenoten, op te roepen in persoon te verschijnen op een door het college te bepalen plaats en tijdstip en hem te bevragen.

  • b.

    de cliënt, en bij gebruikelijke hulp diens huisgenoten, op een door het college te bepalen plaats en tijdstip door een of meer daartoe aangewezen deskundigen te laten bevragen en/of onderzoeken.

  • 2.

    Huisgenoten van de cliënt zijn verplicht medewerking te verlenen die redelijkerwijs nodig is voor de uitvoering van de wet.

 

Artikel 2.7 Rechten en plichten

  • 1.

    Het college wijst de cliënt op de consequenties van het doen van een melding. Het doen van een melding brengt met zich dat het college en andere bij de verstrekking van maatwerkvoorziening betrokken actoren persoonsgegevens verwerkt met inachtneming van hoofdstuk 5 van de Wmo 2015 en de Algemene Verordening Gegevensverwerking.

  • 2.

    Een cliënt wordt ingelicht over zijn rechten en plichten zoals de hoogte van de te betalen bijdrage, de mogelijkheden voor een persoonsgebonden budget en hoe een aanvraag kan worden gedaan.

 

Artikel 2.8 Nadere regels over procedure

Het college kan nadere regels opstellen voor de wijze waarop wordt vastgesteld of de cliënt voor een maatwerkvoorziening in aanmerking komt.

 

HOOFDSTUK 3 BEOORDELING VAN DE AANSPRAAK

Artikel 3.1 Verantwoordelijkheid college

  • 1.

    Het college ondersteunt:

  • a.

    Ingezetenen in het nemen van eigen verantwoordelijkheid;

  • b.

    en draagt zorg voor de zelfredzaamheid en participatie van ingezetenen.

  • 2.

    Het college draagt zorg voor de kwaliteit en de continuïteit van de voorzieningen.

 

Artikel 3.2 Criteria voor een maatwerkvoorziening

  • 1.

    Het college neemt het onderzoeksverslag als uitgangspunt om de aanspraak op een maatwerkvoorziening te beoordelen.

  • 2.

    Het college verstrekt een maatwerkvoorziening als de cliënt niet of niet volledig in staat is tot zelfredzaamheid of participatie. Er is in deze gevallen sprake van noodzaak omdat de cliënt geen gebruik kan maken van:

  • 3.

    eigen kracht en/of;

  • 4.

    gebruikelijke hulp en/of;

  • 5.

    mantelzorg en/of;

  • 6.

    hulp van andere personen uit het sociale netwerk en/of;

  • 7.

    algemene voorzieningen en/of;

  • 8.

    voorliggende voorzieningen.

  • 9.

    Als meerdere maatwerkvoorzieningen passend zijn, verstrekt het college de goedkoopst adequate voorziening.

  • 10.

    Bij het verstrekken van een maatwerkvoorziening hanteert het college voorrang;

  • a.

    Bij een vervoersvoorziening van collectieve voorzieningen, zoals het collectief vervoer.

  • b.

    Bij maatwerkvoorzieningen die de beperkingen bij het normale gebruik van de woning, en het zich verplaatsen binnen de woning, moeten compenseren.

 

Artikel 3.3 Algemene weigeringsgronden

De cliënt komt niet in aanmerking voor een maatwerkvoorziening:

  • a.

    als de maatwerkvoorziening voor de cliënt algemeen gebruikelijk is.

  • b.

    als de cliënt geen inwoner is van de gemeente.

  • c.

    wanneer de aangevraagde voorziening al eerder in het kader van enige wettelijke bepaling of regeling is verstrekt en de normale afschrijvingstermijn nog niet is verstreken. Dit geldt niet wanneer deze eerder verstrekte voorziening verloren is gegaan door omstandigheden die de cliënt niet kunnen worden aangerekend.

  • d.

    wanneer de cliënt een beroep kan doen op een voorliggende voorziening die, gezien haar aard en doel, toereikend en passend is.

  • e.

    als de aanspraak niet is vast te stellen doordat de cliënt niet of onvoldoende voldoet aan de verplichtingen als bedoeld in Artikel 2.3.8 lid 1 en 3 van de wet of doordat een huisgenoot niet of onvoldoende voldoet aan de verplichtingen als bedoeld in Artikel 2.3 van deze verordening.

  • f.

    als de maatwerkvoorziening of de noodzaak daarvan voor de cliënt redelijkerwijs vermijdbaar was;

  • g.

    als de maatwerkvoorziening voorzienbaar was. Soms kan van een cliënt echter niet verwacht worden dat hij maatregelen zou hebben getroffen om de maatwerkvoorziening overbodig te maken. In zulke gevallen heeft de cliënt eventueel wel recht op een maatwerkvoorziening: dus ook als deze voorzienbaar was.

  • h.

    als de noodzaak van de maatwerkvoorziening het gevolg is van een verhuizing waarvoor, op grond van beperkingen bij de zelfredzaamheid en participatie, geen aanleiding bestond en er geen andere belangrijke reden aanwezig was.

 

Artikel 3.4 Bijzondere weigeringsgronden ten behoeve van het wonen

  • 1.

    De cliënt komt niet in aanmerking voor een maatwerkvoorziening in de woning als:

  • a.

    de ondervonden problemen bij het normale gebruik van de woning voortvloeien uit de aard van in de woning gebruikte materialen of de slechte staat van onderhoud.

  • b.

    de cliënt niet zijn hoofdverblijf heeft in de woning ten behoeve waarvan de maatwerkvoorziening wordt aangevraagd.

  • c.

    deze betrekking heeft op voorzieningen in gemeenschappelijke ruimten anders dan automatische deuropeners, hellingbanen en extra trapleuningen, verbrede toegangsdeuren, vlonders en een opstelplaats voor de rolstoel.

  • d.

    de voorziening slechts strekt ter renovatie of ter aanpassing aan de eisen van de tijd.

  • 2.

    In afwijking van het bepaalde in artikel 1.2.1 van de wet en lid 1 onder b van dit artikel kan een cliënt, die geen ingezetene van de gemeente Valkenswaard is, in aanmerking komen voor een buitenwettelijke voorziening voor het bezoekbaar maken van één woning indien:

  • e.

    de cliënt zijn hoofdverblijf heeft in een Wlz- instelling; en

  • f.

    het bezoekbaar maken nodig is om te kunnen participeren en het niet mogelijk is participatie op andere wijze te bewerkstelligen; en

  • g.

    de aan te passen woning in de gemeente Valkenswaard staat; en

  • h.

    het gaat om het in staat stellen om bij de echtgenoot, ouders of kinderen op bezoek te gaan.

  • 3.

    Onder bezoekbaar maken als bedoeld in lid 2 wordt uitsluitend verstaan dat de cliënt de woning, de woonkamer een toilet en de buitenruimte behorende bij het hoofdverblijf kan bereiken.

 

  • Artikel 3.5 Criteria hulp bij het huishouden

  • 1.

    Onverminderd het bepaalde in de wet en elders in de verordening bepaalde komt een cliënt in aanmerking voor hulp bij het huishouden 1 (HH1) voor zover deze niet in staat is de huishoudelijke taken uit te voeren.

  • 2.

    Onverminderd het bepaalde in de wet en elders in de verordening bepaalde komt een cliënt in aanmerking voor hulp bij het huishouden 2 (HH2) indien de cliënt niet in staat is om de regie te voeren en de hulp de opdrachten te geven.

 

Artikel 3.6 Criteria omvang vervoersvoorziening

  • 1.

    Onverminderd het bepaalde in de wet en elders in de verordening komt een cliënt in aanmerking voor een maatwerkvoorziening ten behoeve van het zich lokaal verplaatsen indien de cliënt het openbaar vervoer niet kan gebruiken of bereiken.

  • 2.

    Een te verstrekken maatwerkvoorziening ten behoeve van het zich lokaal verplaatsen stelt de cliënt in staat zich lokaal te verplaatsen met een omvang van maximaal 2000 kilometer per jaar.

  • 3.

    Een maatwerkvoorziening ten behoeve van het zich lokaal verplaatsen voorziet in het vervoer in een straal van 25 kilometer rondom het woonadres.

 

Artikel 3.7 Second opinion, mediation en klachtenafhandeling

  • a.

    Wanneer de aanvrager en de medewerker van het Sociaal Team het niet eens worden over de inhoud van het persoonlijk plan, kan de aanvrager om een zogenoemde second opinion vragen. De melding wordt dan opnieuw beoordeeld met een andere medewerker. Zo wordt onnodige juridisering van zorginhoudelijke discussies voorkomen.

  • b.

    Als een second opinion niet leidt tot overeenstemming met de aanvrager, kan er worden overgegaan tot mediation met een voor beide partijen onafhankelijke mediator en later eventueel tot het indienen van een klacht.

  • c.

    Het college stelt nadere regels over de second opinion, mediation en klachtenafhandeling vast.

 

Artikel 3.8 Advisering

Het college kan een, door hem daartoe aangewezen adviesinstantie, om advies vragen als dit van belang is voor de beoordeling van de aanvraag om een maatwerkvoorziening.

 

Artikel 3.9 Inhoud beschikking

  • 1.

    In de beschikking tot verstrekking van een maatwerkvoorziening wordt in ieder geval aangegeven of deze als voorziening in natura pgb of financiële tegemoetkoming wordt verstrekt en wordt tevens aangegeven hoe bezwaar tegen de beschikking kan worden gemaakt. Als sprake is van een te betalen bijdrage wordt de cliënt daarover in de beschikking geïnformeerd.

  • 2.

    Bij het verstrekken van een maatwerkvoorziening in natura wordt in de beschikking in ieder geval vastgelegd:

    • a.

      wat de te verstrekken voorziening is en wat het beoogde resultaat daarvan is;

    • b.

      wat de ingangsdatum en duur van de verstrekking is;

    • c.

      hoe de voorziening wordt verstrekt en, indien van toepassing,

    • d.

      welke andere voorzieningen relevant zijn of kunnen zijn;

    • e.

      op welk moment de voorziening en het te behalen resultaat worden geëvalueerd.

  • 3.

    Bij het verstrekken van een maatwerkvoorziening in de vorm van een persoonsgebonden budget wordt in de beschikking in ieder geval vastgelegd:

    • a.

      voor welk resultaat het pgb kan worden aangewend;

    • b.

      welke kwaliteitseisen gelden voor de besteding van het pgb;

    • c.

      wat de hoogte van het pgb is en hoe hiertoe is gekomen;

    • d.

      wat de duur is van de verstrekking waarvoor het pgb is bedoeld;

    • e.

      de wijze van verantwoording van de besteding van het pgb;

    • f.

      op welk moment de voorziening en het te behalen resultaat worden geëvalueerd.

  • 4.

    Bij het verstrekken van een maatwerkvoorziening in de vorm van een financiële tegemoetkoming wordt in de beschikking in ieder geval vastgelegd:

    • a.

      de hoogte van de financiële tegemoetkoming

    • b.

      voor welk resultaat de tegemoetkoming kan worden aangewend;

    • c.

      wat de duur is van de verstrekking;

    • d.

      de wijze van de verantwoording van de besteding;

    • e.

      op welk moment de voorziening en het te behalen resultaat wordt geëvalueerd.

 

HOOFDSTUK 4 PERSOONSGEBONDEN BUDGET EN FINANCIELE TEGEMOETKOMING

Artikel 4.1 Voorwaarden persoonsgebonden budget

  • 1.

    Als de cliënt een persoonsgebonden budget wil ontvangen dan moet hij, of een vertegenwoordiger, een budgetplan bij het college indienen.

  • 2.

    De cliënt of de vertegenwoordiger dient het budgetplan in met een door het college vastgesteld model.

  • 3.

    Het college verstrekt in overeenstemming met Artikel 2.3.6 van de wet een persoonsgebonden budget wanneer:

    • a.

      de cliënt op eigen kracht, of met behulp van zijn sociale netwerk of vertegenwoordiger, voldoende in staat is tot een redelijke waardering van de belangen ter zake. De cliënt is in staat de taken die verbonden zijn aan het persoonsgebonden budget op verantwoorde wijze uit te voeren.

    • b.

      de cliënt zich gemotiveerd op het standpunt stelt dat hij de maatwerkvoorziening als persoonsgebonden budget geleverd wil krijgen; en

    • c.

      naar het oordeel van het college is gewaarborgd dat de diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen die tot de maatwerkvoorziening behoren, veilig, doeltreffend en cliëntgericht worden verstrekt.

  • 4.

    Een persoonsgebonden budget wordt geweigerd wanneer:

    • a.

      de cliënt weigert het budgetplan desgevraagd met het college te bespreken of, na oproep voor een gesprek, zonder geldige reden niet verschijnt;

    • b.

      de cliënt, of één van zijn ouders of voogden wanneer hij jonger is dan achttien jaar, uitstel van betaling heeft aangevraagd of failliet is verklaard;

    • c.

      De cliënt, of één van zijn ouders of voogden wanneer hij jonger is dan achttien jaar, in de schuldsaneringsregeling natuurlijke personen terecht is gekomen. Dit geldt ook wanneer er een verzoek daartoe bij de rechtbank is ingediend;

    • d.

      de cliënt het beheren van het persoonsgebonden budget laat uitvoeren door een persoon die de ondersteuning levert;

    • e.

      de aanvraag gaat over kosten die de belanghebbende voorafgaand aan de indiening heeft gemaakt en niet meer is na te gaan of de ingekochte voorziening noodzakelijk was.

  • 5.

    Een persoonsgebonden budget voor een persoon die behoort tot het sociale netwerk van de cliënt wordt alleen verstrekt wanneer het persoonsgebonden budget aantoonbaar leidt tot betere, effectievere en doelmatigere ondersteuning.

 

Artikel 4.2 Hoogte persoonsgebonden budget

  • 1.

    De hoogte van een persoonsgebonden budget voor hulpmiddelen, inclusief sportvoorzieningen en woningaanpassingen, wordt bepaald door naar de situatie van de cliënt te kijken. Daarbij kent het college tot een maximum van de kostprijs van de goedkoopst compenserende voorziening in natura toe. Het budget moet vervolgens toereikend zijn voor de aanschaf, het onderhoud, de reparatie en de verzekering van het hulpmiddel.

  • 2.

    Bij de vaststelling van de hoogte van het persoonsgebonden budget voor diensten wordt onderscheid gemaakt tussen:

    • a.

      Professionals, tot deze groep behoren personen die:

      • i.

        (bijvoorbeeld) werkzaam zijn bij een aanbieder die ingeschreven staat in het Handelsregister (conform Artikel 5 Handelsregisterwet 2007). Deze professionals beschikken over de relevante diploma’s en mogen de taken en werkzaamheden uit het pgb uitvoeren.

      • ii.

        aangemerkt zijn als zelfstandige zonder personeel en beschikken over een beschikking geen loonheffingen (BGL). Daarnaast moeten ze ingeschreven staan in het Handelsregister (conform Artikel 5 Handelsregisterwet 2007) om de taken en werkzaamheden uit het pgb te mogen uitvoeren. Ook moeten ze over diploma’s beschikken die relevant zijn voor de uitoefening van deze taken.

    • b.

      Zorgverleners die behoren tot het sociaal netwerk van cliënt en die niet voldoen aan de onder a genoemde punten.

  • 3.

    De hoogte van een persoonsgebonden budget wordt vastgesteld voor:

    • a.

      huishoudelijke hulp HH2:

  • 1°. voor personen als bedoeld onder lid 2 onder a onderdeel I, maximaal 100% van de kostprijs van de in de situatie van de cliënt goedkoopst compenserende voorziening in natura en is toereikend.

  • 2°. voor personen als bedoeld onder lid 2 onder a onderdeel II, maximaal 100% van de kostprijs van de in de situatie van de cliënt goedkoopst compenserende voorziening in natura en is toereikend.

  • 3°. voor personen als bedoeld onder lid 2 onder b, maximaal 75% van de kostprijs van de in de situatie van de cliënt goedkoopst compenserende voorziening in natura en is toereikend.

  •  

    • b.

      individuele begeleiding:

  • 1°. basis individuele begeleiding uitgevoerd door personen als bedoeld onder lid 2 onder a onderdeel I, maximaal 100% van de kostprijs van de in de situatie van de cliënt goedkoopst compenserende voorziening in natura en is toereikend.

  • 2°. gespecialiseerde individuele begeleiding uitgevoerd door personen als bedoeld onder lid 2 onder a onderdeel I, maximaal 100% *van de kostprijs van de in de situatie van de cliënt goedkoopst compenserende voorziening in natura en is toereikend.

  • 3°. basis/gespecialiseerde individuele begeleiding uitgevoerd door personen als bedoeld onder lid 2 onder b, maximaal 75%* van de kostprijs van de in de situatie van de cliënt goedkoopst compenserende voorziening in natura en is toereikend.

  • 4°. als basis of gespecialiseerde individuele begeleiding niet afdoende is en/of er behoefte bestaat aan een andere vorm van individuele begeleiding worden daarover afzonderlijke afspraken gemaakt. Hierbij zal het tarief van de Nederlandse Zorgautoriteit (begeleiding H150) als richtsnoer met een maximum van 110% worden gehanteerd.

  •  

    • c.

      begeleiding groep:

  • 1°. gespecialiseerde dagbesteding met intensieve ondersteuning uitgevoerd door personen als bedoeld onder lid 2 onder a onderdeel I, maximaal 100% van de kostprijs van de in de situatie van de cliënt goedkoopst compenserende voorziening in natura en is toereikend.

  •  

    • d.

      kortdurend verblijf:

  • 1°. uitgevoerd door personen als bedoeld onder lid 2 onder a onderdeel I, maximaal 100% van de kostprijs van de in de situatie van de cliënt goedkoopst compenserende voorziening in natura en is toereikend.

  • 2°. uitgevoerd door personen als bedoeld onder lid 2 onder b, maximaal 30% van de kostprijs van de in de situatie van de cliënt goedkoopst compenserende voorziening in natura en is toereikend.

  •  

    • e.

      vervoer van en naar de dagbesteding: op basis van het tarief dat hiervoor wordt gehanteerd bij zorg in natura bij de gecontracteerde zorgaanbieders;

    • f.

      taxi- en rolstoeltaxivervoer: op basis van het in de regio gangbare toepasselijke tarief, uitgaande van maximaal 2000 kilometers per jaar;

    • g.

      de hoogte van het persoonsgebonden budget voor het vervoer is gebaseerd op de autokosten volgens het Nibud (miniklasse). Uitgangspunt is dat 2000 kilometer op jaarbasis binnen de eigen leef- en woonomgeving moet kunnen worden gereisd;

    • h.

      een autoaanpassing: op basis van de laagste kostprijs van de noodzakelijke aanpassingen die een door de gemeente gecontracteerde leverancier zou hanteren;

    • i.

      aanschaf en onderhoud van een sportvoorziening: op basis van de tegenwaarde van de goedkoopst adequate maatwerkvoorziening in natura;

    • j.

      het bezoekbaar maken van een woning: op basis van de laagste kostprijs van de noodzakelijke aanpassingen die een door de gemeente gecontracteerde aannemer zou hanteren. Er wordt rekening gehouden met de keuze van de cliënt om al dan niet gebruik te maken van een andere erkende aannemer.

  •  

  • 4.

    Een cliënt die een pgb krijgt kan diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen betrekken van een persoon die behoort tot het sociale netwerk. Dat kan alleen als deze persoon hiervoor een tarief hanteert dat niet lager is dan de tarieven Wet Minimumloon (Wml) en niet hoger is dan het bij de uitvoering van de Wet langdurige zorg gehanteerde tarief voor informele hulpverleners.

 

HOOFDSTUK 5 JAARLIJKSE BLIJK VAN WAARDERING

Artikel 5.1 Jaarlijkse blijk van waardering

Het college bepaalt in het mantelzorgbeleid hoe de jaarlijkse blijk van waardering voor mantelzorgers van cliënten eruitziet. Ook bepaalt het college hoe mantelzorgers hiervoor in aanmerking kunnen komen.

 

HOOFDSTUK 6 BIJDRAGE

Artikel 6.1 Bijdrage voor maatwerkvoorziening

  • 1.

    Een cliënt is een bijdrage in de kosten verschuldigd voor een maatwerkvoorziening, algemene voorziening dan wel pgb, zolang de cliënt van de maatwerkvoorziening en algemene voorziening gebruik maakt of gedurende de periode waarvoor het pgb wordt verstrekt.

  • 2.

    In afwijking van het eerste lid is geen bijdrage verschuldigd voor:

    • a.

      gebruik van het Collectief Vervoer, cliënt is een bijdrage verschuldigd aan de vervoerder. De vervoerder brengt de kosten rechtstreeks bij cliënt in rekening.

    • b.

      een voorziening waarbij een financiële tegemoetkoming wordt verstrekt, is geen eigen bijdrage verschuldigd.

    • c.

      kortdurend verblijf

  • 3.

    De bijdrage, bedoeld in artikel. 3.1, tweede lid, van het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015, dan wel het totaal van de bijdragen, is gelijk aan de kostprijs, tot aan ten hoogte €19,00 per maand voor de cliënt of de gehuwde cliënten tezamen, tenzij overeenkomstig artikel 2.1.4, derde lid, van de wet geen of een lagere bijdrage is verschuldigd.

  • 4.

    De bijdrage voor een maatwerkvoorziening of pgb ten behoeve van een woningaanpassing voor een minderjarige cliënt is verschuldigd door de onderhoudsplichtige ouders, daaronder begrepen degene tegen wie een op artikel 394 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek gegrond verzoek is toegewezen, en degene die anders dan als ouder samen met de ouder het gezag uitoefent over een cliënt.

 

Artikel 6.2 Kostprijs van een voorziening

  • 1.

    De kostprijs bij een voorziening in natura is gelijk aan de prijs waarvoor de gemeente de voorziening in natura betrekt van de aanbieder, inclusief bijkomende kosten.

  • 2.

    Bij een persoonsgebonden budget is de kostprijs gelijk aan het bedrag van het persoonsgebonden budget.

  • 3.

    De bijdrage in de kosten mag niet meer bedragen dan de kostprijs van de voorziening.

 

Artikel 6.3 Compensatie aanhoudende meerkosten

Om personen met een beperking of met chronische psychische of psychosociale problemen te ondersteunen, kan het college aanhoudende meerkosten compenseren. Het college legt in de nadere regels Draagkrachtsystematiek inkomensafhankelijke regelingen vast in welke gevallen de compensatie van toepassing is en regelt daarin de omvang van deze compensatie.

 

HOOFDSTUK 7 BEEINDIGING, HERZIENING, INTREKKING EN TERUGVORDERING

Artikel 7.1 Beëindiging

Het college kan een toegekende aanspraak op een maatwerkvoorziening geheel of gedeeltelijk beëindigen wanneer:

  • a.

    niet wordt voldaan aan de voorwaarden gesteld bij of op grond van de wet of de verordening;

  • b.

    de cliënt wordt opgenomen in een instelling in de zin van de Wet toelating zorginstellingen of ziekenhuis;

  • c.

    de cliënt zich niet houdt aan de verplichtingen van gebruik, verantwoording en administratie van de voorziening;

  • d.

    de cliënt is overleden;

  • e.

    de cliënt is verhuisd;

  • f.

    de samenstelling van het gezin van de cliënt is gewijzigd.

 

Artikel 7.2 Herziening en intrekking

Het college kan een toegekende aanspraak op een maatwerkvoorziening geheel of gedeeltelijk herzien of intrekken wanneer:

  • a.

    niet is voldaan aan de voorwaarden gesteld bij of op grond van de wet of deze verordening.

  • b.

    beschikt is op grond van gegevens waarvan gebleken is dat die gegevens zodanig onjuist waren dat een andere beslissing zou zijn genomen als de juiste gegevens bekend waren geweest.

  • c.

    de cliënt de maatwerkvoorziening binnen zes maanden na toekenning niet heeft aangewend voor het resultaat waarvoor de maatwerkvoorziening is getroffen.

 

Artikel 7.3 Terugvordering

Wanneer een toegekende aanspraak op een voorziening is herzien of ingetrokken op grond van Artikel 7.2 kan het college:

  • a.

    het ten onrechte genoten persoonsgebonden budget of de financiële tegemoetkoming terugvorderen;

  • b.

    de geldwaarde van de ten onrechte genoten maatwerkvoorziening in natura terugvorderen.

 

HOOFDSTUK 8 VOORKOMING FRAUDE, BESTRIJDING MISBRUIK OFONEIGENLIJK GEBRUIK

Artikel 8.1 Voorkoming en bestrijding ten onrechte ontvangen maatwerkvoorzieningen en pgb’s en misbruik of oneigenlijk gebruik van de Wmo 2015

  • 1.

    Het college informeert cliënten of hun vertegenwoordiger in begrijpelijke bewoordingen over de rechten en plichten die aan het ontvangen van een maatwerkvoorziening of pgb zijn verbonden en over de mogelijke gevolgen van misbruik en oneigenlijk gebruik van de wet.

  • 2.

    Onverminderd het bepaalde in artikel 2.3.10 van de wet kan het college een beslissing als bedoeld in artikel 2.3.5 of 2.3.6 van de wet herzien dan wel intrekken als het college vaststelt dat een cliënt langer dan 6 weken verblijft in een instelling als bedoeld in de Wet langdurige zorg of de Zorgverzekeringswet.

  • 3.

    Een beslissing tot verlening van een pgb kan worden ingetrokken als blijkt dat het pgb binnen 6 maanden na toekenning niet is aangewend voor de bekostiging van de voorziening waarvoor de verlening heeft plaatsgevonden.

  • 4.

    Als het college een beslissing op grond van artikel 2.3.10 lid 1 sub a van de wet heeft ingetrokken, en de verstrekking van de onjuiste of onvolledige gegevens door de cliënt opzettelijk heeft plaatsgevonden, kan het college van de cliënt en degene die daaraan opzettelijk zijn medewerking heeft verleend, geheel of gedeeltelijk de geldswaarde vorderen van de ten onrechte genoten maatwerkvoorziening of het ten onrechte genoten pgb.

  • 5.

    Als het recht op een in eigendom of in bruikleen verstrekte voorziening is ingetrokken, kan deze voorziening worden teruggevorderd.

 

Artikel 8.2 Opschorting betaling uit het Pgb

  • 1.

    Het college kan het Sociale verzekeringsbank gemotiveerd verzoeken te beslissen tot een gehele of gedeeltelijke opschorting van betalingen uit het pgb voor ten hoogste dertien weken als er ten aanzien van een cliënt een ernstig vermoeden is gerezen dat sprake is van een omstandigheid als bedoeld in artikel 2.3.10, eerste lid, onder a, d of e, van de wet.

  • 2.

    Het college kan het Sociale verzekeringsbank gemotiveerd verzoeken te beslissen tot een gehele of gedeeltelijke opschorting van betalingen uit het pgb voor de duur van de opname als sprake is van een omstandigheid als bedoeld in artikel 8.1, tweede lid.

  • 3.

    Het college stelt de persoon aan wie het pgb is verstrekt schriftelijk op de hoogte van een verzoek als bedoeld in het eerste of tweede lid.

 

Artikel 8.3 Controle

Het college doet onderzoek naar de rechtmatigheid van de maatwerkvoorziening en pgb.

 

Artikel 8.4 Nadere regels

Het college kan over het bepaalde in dit hoofdstuk nadere regels stellen.

 

HOOFDSTUK 9 KWALITEIT, KLACHTAFHANDELING, AANBIEDER

PARAGRAAF 1 KWALITEIT

 

Artikel 9.1 Kwaliteitseisen maatschappelijke ondersteuning

  • 1.

    Aanbieders zorgen voor een goede kwaliteit van voorzieningen, en voldoen aan de eisen aan de deskundigheid van beroepskrachten, door in ieder geval:

    • a.

      veilige, doeltreffende, doelmatige, gebruiksvriendelijke en cliëntgerichte voorzieningen te verstrekken.

    • b.

      jaarlijks een onafhankelijk cliëntervaringsonderzoek door een derde te laten uitvoeren.

    • c.

      erop toe te zien dat beroepskrachten bij het leveren van voorzieningen handelen in overeenstemming met de professionele standaard.

    • d.

      voorzieningen op de persoonlijke situatie van de cliënt af te stemmen.

    • e.

      voorzieningen op andere vormen van zorg af te stemmen.

  • 2.

    Voor aanbieders van begeleiding geldt in aanvulling op lid 1 dat ze in samenspraak met de cliënt een plan op moeten stellen met de te bereiken doelstellingen en resultaten op het gebied van zelfredzaamheid en participatie.

  • 3.

    Het college controleert steekproefsgewijs of de in lid 2 omschreven doelstellingen en resultaten worden bereikt.

 

Artikel 9.2 Prijs-kwaliteitverhouding

  • 1.

    Om de verhouding tussen de prijs van een dienst door een derde, als gesteld in Artikel 2.6.4 van de wet, en de eisen die gesteld worden aan de kwaliteit van deze dienst, te waarborgen, stelt het college vast:

    • a.

      Een vaste prijs, die geldt voor een inschrijving als bedoeld in de Aanbestedingswet 2012 en het aangaan van de overeenkomst met derde; of

    • b.

      Een reële prijs die geldt als ondergrens voor:

    • 1.

      Een inschrijving en het aangaan van een overeenkomst met de derde, en

    • 2.

      De vaste prijs, bedoeld onder a.

  •  

  • 2.

    Het college stelt de prijzen, bedoeld in het eerste lid, vast:

    • a.

      Volgens de eisen aan de kwaliteit van de dienst, waaronder de eisen aan de deskundigheid van de beroepskracht, bedoeld in lid 2.1.3, tweede lid, onderdeel c, van de wet, en

    • b.

      Rekening houdend met de continuïteit in de hulpverlening, bedoeld in artikel 2.6.5, tweede lid, van de wet, tussen degenen aan wie de dienst wordt verstrekt en de betrokken hulpverleners.

  •  

  • 3.

    Het college baseert de vaste prijs of de reële prijs op de volgende kostprijselementen;

    • a.

      De kosten van de beroepskracht;

    • b.

      Redelijke overheadskosten;

    • c.

      Kosten voor niet-productieve uren van de beroepskrachten als gevolg van verlof, ziekte, scholing, werkoverleg;

    • d.

      Reis- en opleidingskosten;

    • e.

      Indexatie van de reële prijs voor het leveren van een dienst;

    • f.

      Overige kosten als gevolg van de door gemeente gestelde verplichtingen voor aanbieders, waaronder rapportageverplichtingen en administratieve verplichtingen.

  •  

  • 4.

    Het college kan het eerste lid, onderdeel b, buiten beschouwing laten indien bij de inschrijving aan de derde de eis wordt gesteld een prijs voor de dienst te hanteren die gebaseerd is op hetgeen gesteld is op het tweede en derde lid. Daarover legt het college verantwoording af aan de gemeenteraad.

  • 5.

    Het college bepaalt met welke derde als bedoeld in de eerste lid hij een overeenkomst aangaat.

 

PARAGRAAF 2 KLACHTAFHANDELING

Artikel 9.3 Klachtafhandeling bij melding en aanvraag [vervallen per 26-11-2018] Vervallen. Zie nu Artikel 3.7 Second opinion, mediation en klachtenafhandeling;

 

Artikel 9.4 Eisen aan klachtafhandeling door aanbieder

Cliënten kunnen klachten hebben over de gedragingen van de aanbieders. Daarom moeten aanbieders regelingen treffen om deze klachten te kunnen behandelen. Deze regeling geldt voor alle voorzieningen die door aanbieders worden verstrekt.

Los van andere handhavingsbevoegdheden ziet het college toe op de naleving van de klachtenregeling van aanbieders.

 

PARAGRAAF 3 AANBIEDER

Artikel 9.5 Medezeggenschap

  • 1.

    Als dat nodig is, regelt het college dat de aanbieder een regeling voor medezeggenschap heeft. Zo hebben cliënten inspraak in voorgenomen besluiten die voor hen belangrijk zijn.

  • 2.

    Los van andere handhavingsbevoegdheden ziet het college toe op de naleving van de medezeggenschapsregeling van aanbieders.

 

Artikel 9.6 Meldingsregeling calamiteiten en geweld

  • 1.

    Het college treft een regeling voor het melden van calamiteiten en geweldsincidenten bij de verstrekking van een voorziening door een aanbieder. Het college wijst ook een toezichthoudend ambtenaar aan.

  • 2.

    Aanbieders melden iedere calamiteit en ieder geweldsincident direct aan de toezichthoudend ambtenaar.

  • 3.

    De toezichthoudend ambtenaar doet onderzoek naar de calamiteiten en geweldsincidenten en adviseert het college over het voorkomen van verdere calamiteiten en het bestrijden van geweld.

  • 4.

    Het college kan bij nadere regeling bepalen welke verdere eisen gelden voor het melden van calamiteiten en geweld bij de verstrekking van een voorziening.

 

HOOFDSTUK 10 INSPRAAK EN MEDEZEGGENSCHAP

Artikel 10.1 Inspraak

  • 1.

    Het college betrekt ingezetenen van de gemeente, waaronder in ieder geval cliënten of hun vertegenwoordigers, bij de voorbereiding van het beleid voor maatschappelijke ondersteuning. Dat komt overeen met de op grond van Artikel 150 van de Gemeentewet gestelde regels over de wijze waarop inspraak wordt verleend.

  • 2.

    Het college stelt de daarvoor aangewezen Adviesraad Sociaal Domein vroegtijdig in de gelegenheid om voorstellen voor het beleid rondom de Wmo te doen. Verder krijgt deze adviesraad de kans om advies uit te brengen bij de besluitvorming over verordeningen en beleidsvoorstellen voor de Wmo. Tot slot voorziet het college hen van ondersteuning om hun rol effectief te kunnen vervullen. Het college stelt in nadere regels de werkwijze met en van de Adviesraad Sociaal Domein vast.

 

HOOFDSTUK 11 SLOTBEPALINGEN

Artikel 11.1 Hardheidsclausule

Het college kan in bijzondere gevallen ten gunste van de cliënt afwijken van de bepalingen van deze verordening. Dat kan wanneer toepassing van de verordening tot onbillijkheden van overwegende aard leidt.

 

Artikel 11.2 Verhogen/verlagen bedragen

Het college kan de, in het kader van deze verordening en het op deze verordening berustende besluit maatschappelijke ondersteuning, geldende bedragen verhogen of verlagen.

 

Artikel 11.3 Inwerkingtreding

Deze gewijzigde verordening treedt in werking met ingang van 1 januari 2020.

 

Artikel 11.4 Overgangsrecht

  • 1.

    De Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Valkenswaard 2018 wordt gewijzigd.

  • 2.

    De cliënt houdt recht op een doorlopende voorziening die op grond van die verordening, en daaraan voorafgaande verordeningen met de daarbij behorende rechten en plichten, is verstrekt. Dat recht behoudt hij totdat het college een nieuw besluit heeft genomen waarbij het besluit waarmee deze voorziening is verstrekt, wordt ingetrokken.

  • 3.

    Aanvragen die zijn ingediend onder de Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Valkenswaard 2018 en waarop nog niet is beslist bij het in werking treden van de gewijzigde verordening, worden afgehandeld krachtens deze Gewijzigde Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Valkenswaard 2018;

  • 4.

    Op bezwaarschriften tegen een besluit op grond van de Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Valkenswaard 2018, wordt beslist met inachtneming van de Gewijzigde Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Valkenswaard 2018.

 

Artikel 11.5 Citeertitel

Deze verordening wordt aangehaald als “Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Valkenswaard 2018”.

 

 

Aldus vastgesteld in de openbare vergadering van de gemeenteraad, op 5 maart 2020.

De griffier,

De voorzitter, 

Toelichting bij Verordening maatschappelijke ondersteuning Valkenswaard 2018

HOOFDSTUK 1 BEGRIPSOMSCHRIJVINGEN

Artikel 1.1 Begripsomschrijvingen

Algemeen gebruikelijke voorziening

Wat in een concrete situatie als algemeen gebruikelijk te beschouwen is, hangt af van de geldende maatschappelijke normen van het moment van de aanvraag. Het begrip ‘’algemeen gebruikelijk’’ is reeds geconcretiseerd in de Wmo 2007-jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep. Om duidelijk te maken wat in de wet verstaan wordt onder dit begrip is de begripsomschrijving vanuit de jurisprudentie in de verordening opgenomen. Het gaat daarbij om de volgende voorzieningen die:

• in de reguliere handel verkrijgbaar zijn;

• niet speciaal voor personen met een beperking bedoeld zijn;

• die niet duurder zijn dan vergelijkbare producten.

 

Er moet altijd in het individuele geval worden bekeken of de voorziening ook voor de cliënt algemeen gebruikelijk is. De Centrale Raad heeft aangegeven dat als het gaat om vervanging van een zaak die (nog lang) niet afgeschreven is en als het gaat om een persoon die een inkomen heeft dat door onvermijdbare kosten op grond van de beperkingen onder de bijstandsnorm komt, wellicht een uitzondering op dit principe gemaakt moet worden.

Collectieve voorziening

Een maatwerkvoorziening kan ook een collectieve voorziening zijn (bijvoorbeeld collectief vervoer). In de Memorie van Toelichting (Kamerstukken II, 2013-2014, 33841, nr. 3, p.99) staat onder andere dat het bij een maatwerkvoorziening kan gaan om vormen van hulp die beschikbaar zijn ter ondersteuning van verschillende cliënten, maar ook om op maat voor iemand bedachte oplossingen. Bij een collectieve voorziening is eveneens sprake van afstemming op behoeften, persoonskenmerken en mogelijkheden van een cliënt.

 

Hoofdverblijf

Waar iemand woonachtig is wordt in eerste instantie bepaald door waar iemand staat ingeschreven in de Basisregistratie Personen. De zinsnede ‘’dan wel zal staan ingeschreven’’ verwijst naar situaties waarin sprake is van een aanstaande verhuizing naar een andere woning die nog aangepast moet worden voordat deze daadwerkelijk wordt betrokken. De persoon met betrekkingen dient een feitelijk woonadres, dat afwijkt van het adres in de Basisregistratie Personen, aan te tonen.

 

Huisgenoot

Iedereen met hetzelfde hoofdverblijf kan als huisgenoot worden aangemerkt, met uitzondering van de kamerhuurder en de kostganger. Deze uitzondering geldt alleen als er sprake is van een commerciële relatie tussen de kamerhuurder/kostganger en de hoofdbewoner(s). Als er een familierelatie bestaat en er is geen sprake van een commerciële relatie is er ook geen sprake van kamerverhuur of kostganger schap.

 

Voorliggende voorziening

Dit is een voorziening die voorgaat op de verstrekking van een maatwerkvoorziening. Te denken valt hierbij aan onder meer voorzieningen waarop de cliënt aanspraak kan maken op basis van de Zorgverzekeringswet en de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (Wet langdurige zorg).

 

HOOFDSTUK 2 PROCEDUREREGELS

Artikel 2.1 Melding

Dit artikel beschrijft wie de melding kan doen en hoe de melding kan worden gedaan. In principe kan iedereen namens de cliënt een signaal afgeven dat de cliënt behoefte heeft aan maatschappelijke ondersteuning. De melding in de zin van artikel 2.3.2 van de wet kan echter alleen worden gedaan door of namens de cliënt. Voor die formele eis is bewust gekozen. Het college moet namelijk binnen zes weken na een melding een uitgebreid onderzoek hebben uitgevoerd.

 

Artikel 2.2 Cliëntondersteuning

Het eerste lid is een uitwerking van de wettelijke verplichting van het college in artikel 2.2.4 lid 1 onder a en lid 2 van de wet. De wet adresseert het college rechtstreeks en vraagt niet om hierover bij verordening een regeling op te stellen. De bepaling uit de wet is toch in de verordening opgenomen omdat het belangrijk is om in de verordening een compleet overzicht van rechten en plichten van cliënten te geven. In de memorie van toelichting bij artikel 2.2.4 van de wet (Kamerstukken II 2013/14,33 841, nr. 3) is vermeld dat gemeenten in ieder geval een algemene voorziening voor cliëntondersteuning moeten realiseren. Bij deze voorziening krijgen burgers informatie en advies en worden zij geholpen bij het verkrijgen van maatschappelijke ondersteuning. Ook uitgebreide vraagverheldering en kortdurende en kortcyclische ondersteuning bij het maken van keuzes op verschillende levensterreinen maken daar deel van uit. Het gaat om onafhankelijke cliëntondersteuning. Die kan ook worden geboden door iemand uit het sociaal wijkteam die handelt vanuit zijn professionele autonomie.

 

In het tweede lid is overeenkomstig artikel 2.3.2 lid 3 van de wet bepaald dat het college de betrokkene na de melding van de hulpvraag inlicht over de mogelijkheid van cliëntondersteuning.

Artikel 2.3 Onderzoek

Deze bepaling is opgenomen om een zorgvuldige procedure te waarborgen. Het gesprek is een onderdeel van het onderzoek. Artikel 2.3.2 lid 4 van de wet benoemt de elementen die het college moet onderzoeken, zoals de behoeften, persoonskenmerken en de voorkeuren van de cliënt. Het vijfde lid voegt daaraan toe dat het college een eventueel persoonlijk plan van de cliënt bij het artikel betrekt. Het college zal de cliënt informeren dat hij tijdens het gesprek iemand mag meenemen.

 

Artikel 2.4 Onderzoeksverslag

Deze bepalingen zijn opgenomen in het belang van een zorgvuldige dossiervorming en een zorgvuldige procedure en zijn overeenkomstig artikel 2.3.2 lid 5 van de wet opgenomen.

 

Artikel 2.5 De aanvraag

De aanvraag voor een maatwerkvoorziening vindt plaats met een door de cliënt ondertekend onderzoeksverslag.

 

Artikel 2.6 Medewerking cliënt en huisgenoten

Dit is een uitwerking van artikel 2.3.8 van de wet. Om te kunnen beoordelen of gebruikelijke hulp toegekend mag worden, is het belangrijk om ook naar de rol van de huisgenoten te kijken. Daarom kunnen huisgenoten worden opgeroepen voor een gesprek of onderzoek. Huisgenoten zijn verplicht aan de bevraging of het onderzoek mee te werken, zoals in lid 2 beschreven staat. Als de cliënt of de huisgenoot geen medewerking verleent, kan de aanspraak op een maatwerkvoorziening niet worden vastgesteld.

 

Artikel 2.7 Rechten en plichten

Dit artikel gaat over de rechten en plichten van de cliënt.

 

Artikel 2.8 Nadere regels over procedure

In dit artikel is aangegeven dat het college nadere regels kan opstellen voor de wijze waarop wordt vastgesteld of de cliënt voor een maatwerkvoorziening in aanmerking komt.

 

HOOFDSTUK 3 BEOORDELING VAN DE AANSPRAAK

Artikel 3.1 Verantwoordelijkheid college

Beschermd wonen kan een maatwerkoplossing zijn voor cliënten met psychische of psychosociale problemen die niet in staat zijn zich op eigen kracht in de samenleving te handhaven. Wanneer cliënten bijvoorbeeld hun thuissituatie vanwege huiselijk geweld hebben verlaten, kan opvang een goede maatwerkoplossing zijn. Opvang is beschikbaar voor iedereen die zich meldt bij de gemeente.

 

Artikel 3.2 Criteria voor een maatwerkvoorziening

Lid 1

Op grond van artikel 2.3.2 lid 5 van de wet is het college verplicht de cliënt of diens vertegenwoordiger een schriftelijke weergave van de onderzoeksresultaten te verstrekken. Bij het beoordelen van de aanspraak op een maatwerkvoorziening, neemt het college dat onderzoeksverslag als uitgangspunt. Ook wanneer er voorzieningen voor de maatwerkvoorziening moeten worden getroffen, wordt het verslag daarin meegenomen. Het college ziet alleen af van het verstrekken van het onderzoeksverslag wanneer de cliënt aangeeft er geen prijs op te stellen. Bijvoorbeeld wanneer de cliënt tijdens of na de onderzoeksprocedure wegen heeft gevonden om zelf, of met behulp van anderen, te participeren.

 

Lid 2

Het verstrekken van een maatwerkvoorziening is een nadrukkelijke hekkensluiter. Alleen wanneer iemand echt niet in staat is tot zelfredzaamheid of participatie, en wanneer ook een algemene voorziening geen uitkomst biedt, wordt er een maatwerkvoorziening verstrekt. Het college zal dus zorgvuldig onderzoeken wat de cliënt op eigen kracht, of met hulp van personen uit zijn sociale netwerk (gebruikelijke hulp, mantelzorg of anderszins), kan doen om de problematiek te verkleinen of op te lossen. Ook kijkt het college naar de manieren waarop algemene voorzieningen kunnen helpen.

 

Een algemene voorziening kan pas een oplossing voor een cliënt bieden zodra deze:

1. daadwerkelijk beschikbaar is;

2. door de cliënt financieel gedragen kan worden;

3. naar verwachting adequate compensatie biedt.

 

Lid 3

De voorzieningen die in het kader van deze verordening worden verstrekt moeten, naar objectieve maatstaven gemeten, zowel adequaat als de meest goedkope voorziening zijn. Wat de aanvrager als de meest passende oplossing voor zijn beperkingen beschouwt, wordt meegewogen in de beoordeling van het verantwoord zijn van de voorziening. Ook het criterium over de kosten van de voorziening, spelen een rol bij de uiteindelijke beoordeling van het al dan niet verantwoord zijn van een voorziening. Voorzieningen die kostenverhogend werken zonder dat zij de voorziening adequater maken, komen in beginsel niet voor vergoeding in aanmerking.

 

Artikel 3.3 Algemene weigeringsgronden

Onder a

Er wordt geen maatwerkvoorziening verstrekt wanneer de maatwerkvoorziening voor de cliënt algemeen gebruikelijk is. Voor het begrip algemeen gebruikelijk wordt verwezen naar de toelichting op artikel 1.1.

 

Onder b

Dit onderdeel bepaalt hetzelfde als artikel 1.2.1 van de wet. De plicht tot het verstrekken van een maatwerkvoorziening beperkt zich tot inwoners van de gemeente.

 

Onder c

De maatwerkvoorziening kan geweigerd worden als het gaat om een vergoeding of verstrekking die eerder toegekend is en verloren is gegaan door schuld van de cliënt. Bijvoorbeeld door roekeloosheid of verwijtbare onachtzaamheid. Het gaat dus niet om gevallen waarbij de cliënt geen schuld treft. Als een ander aansprakelijk is voor het verlies van het middel, wordt bekeken of het mogelijk is om deze derde aansprakelijk te stellen en de kosten te verhalen.

 

Onder d

De wet bevat geen bepaling, zoals artikel 2 Wmo 2007, die regelt dat een aanspraak op grond van een andere wet voorgaat. Daarom is een dergelijke bepaling in de verordening opgenomen. Ook regelt de verordeningsbepaling, vergelijkbaar aan artikel 15 van de Wet werk en bijstand, dat kosten die in de voorliggende voorziening als niet noodzakelijk worden aangemerkt, niet voor vergoeding in aanmerking komen. Daarbij valt te denken aan rollators die niet meer vergoed worden via de basiszorgverzekering.

 

Onder e

In artikel 2.3.8 van de wet is de medewerkingsverplichting van de cliënt opgenomen. Op basis van lid 1 moet de cliënt op verzoek of direct uit eigen beweging mededeling doen van alle feiten en omstandigheden waarvan hem redelijkerwijs duidelijk is dat zij aanleiding geven tot een ander besluit. Bovendien moet de cliënt op grond van lid 3 aan het college medewerking verlenen die redelijkerwijs nodig is voor de uitvoering van de Wmo 2015. In artikel 2.3 van deze verordening is voor de huisgenoten van de cliënt een medewerkingsplicht neergelegd. Verleent de cliënt of de huisgenoot geen medewerking, dan kan de aanspraak op een maatwerkvoorziening niet worden vastgesteld.

 

Onder f en g

Er bestaat geen aanspraak op een maatwerkvoorziening als de cliënt zijn hulpvraag redelijkerwijs van tevoren had kunnen voorzien en had kunnen voorkomen. Als een cliënt bijvoorbeeld aangewezen is op een rolstoel en een huis koopt waarin veel dure aanpassingen nodig zijn, was het redelijker geweest wanneer deze cliënt in een al aangepast huis was gaan wonen.

 

Onder h

De verhuizing naar een inadequate woning wordt hier genoemd als weigeringsgrond. Niet de ondervonden beperking, maar de verhuizing naar een ongeschikte woning is dan de voornaamste oorzaak van de ondervonden problemen. Deze bepaling gaat vooral over situaties waarin men geen specifieke reden voor de verhuizing heeft, maar gewoon zin heeft om ergens anders te gaan wonen. Een uitzondering in deze bepaling is de zogeheten ‘belangrijke reden’. Bijvoorbeeld wanneer iemand gaat verhuizen vanwege een nieuwe baan.

 

Artikel 3.4 Bijzondere weigeringsgronden ten behoeve van het wonen

Onder 1. a

Deze afwijzingsgrond is bedoeld voor situaties waarin gebruikte materialen voor problemen zorgen. Te denken valt aan het opheffen van allergene factoren of van andere problemen die voortkomen uit materialen die in of aan de woonruimte zijn gebruikt. Dit risico komt voor de cliënt. Er hoeft dan geen maatwerkvoorziening verstrekt te worden. Daarnaast is de cliënt verantwoordelijk, zoals ieder ander, om zaken als achterstallig onderhoud zelf op te lossen wanneer het een eigen woning betreft of zijn verhuurder hiervoor aansprakelijk te stellen.

 

Onder 1. b

Bij het verlenen van een voorziening is de reikwijdte van de verordening beperkt tot het hoofdverblijf van de cliënt. Er hoeft bijvoorbeeld geen maatwerkvoorziening te worden getroffen aan een tweede woning (vakantiewoning).

Onder 1. c

Slechts enkele aanpassingen voor gemeenschappelijke ruimten komen voor vergoeding in aanmerking. In het kader van de Wmo 2007 heeft de CRvB geoordeeld dat een dergelijke bepaling in het algemeen niet in strijd is met de in artikel 4 lid 1 Wmo 2007 neergelegde compensatieplicht. Bij ondervonden beperkingen moet het college wel op andere wijze zorgdragen voor maatschappelijke ondersteuning. Het college kan dan bijvoorbeeld in plaats van een voorziening in de gemeenschappelijke ruimte, een verhuiskostenvergoeding verstrekken.

 

Onder 1. d

De woningaanpassingen dienen als doel te hebben het compenseren van de beperkingen van cliënt in het gebruik van de woning. Renoveren of aanpassingen aan de eisen van de tijd vallen buiten de plicht van de Wmo.

 

Onder 1. e

Deze afwijzingsgrond is bedoeld voor situaties waarin de beperkingen opgeheven kunnen worden door renovatie of aanpassingen aan de eisen van de tijd. De cliënt is hier zelf voor verantwoordelijk.

 

Onder 2 en 3

Hier wordt de uitzondering en de reikwijdte van deze uitzondering beschreven zoals is opgenomen onder artikel 3.4 lid 1 sub a tot en met d.

 

Artikel 3.5 Criteria hulp bij het huishouden

Dit artikel beschrijft aan welke (aanvullende) criteria de cliënt moet voldoen om in aanmerking te komen voor HH1 of HH2. De in de wet en elders in de Verordening opgenomen criteria gelden onverkort, dus ook daaraan moet de cliënt voldoen.

 

Artikel 3.6 Criteria omvang vervoersvoorziening

Dit artikel beschrijft aan welke (aanvullende) criteria de cliënt moet voldoen om in aanmerking te komen voor een vervoersvoorziening. De in de wet en elders in de Verordening opgenomen criteria gelden onverkort, dus ook daaraan moet de cliënt voldoen. Tevens regelt dit artikel de omvang van de te verstrekken vervoersvoorziening, waarbij is aangesloten bij de geldende jurisprudentie.

 

Artikel 3.7 Second opinion, mediation en klachtenafhandeling

Dit artikel verwijst naar de mogelijkheden voor een cliënt om een onderzoek opnieuw uit te voeren. De voorwaarden en de procedure voor deze second opinion, de mediation en klachtenafhandeling liggen vast in nadere regels die op 11-12-2017 zijn vastgesteld door het college.

 

Artikel 3.8 Advisering

Tijdens de onderzoeksfase kan er door de medewerker van de gemeente bij de daartoe aangewezen adviesinstantie om advies worden gevraagd om de ondersteuningsaanvraag te beoordelen en een advies te formuleren. Per 1 januari 2018 is na een aanbesteding Argonaut Advies, gedurende de contractperiode, de aangewezen adviesinstantie.

 

Artikel 3.9 Inhoud beschikking

In dit artikel staat beschreven wat er in ieder geval opgenomen dient te worden in de beschikking.

 

HOOFDSTUK 4 PERSOONSGEBONDEN BUDGET

Artikel 4.1 Voorwaarden persoonsgebonden budget

Om in aanmerking te komen voor persoonsgebonden budget moet de cliënt een budgetplan opstellen. In het budgetplan geeft de cliënt onder andere aan:

• welke zorg hij nodig heeft;

• waarom hij aan de slag wil met een persoonsgebonden budget;

• wat hij wil realiseren; en

• hoe hij deze wil inkopen (tegen welke prijs); en

• hoe de hulp bijdraagt in het resultaat (o.a. kwaliteit).

 

Dit is geen limitatieve opsomming. Het plan is een goede manier om de eigen regie in beeld te brengen en helpt startende budgethouders op weg.

 

Artikel 2.3.6 lid 2 en 4 van de wet bevatten een aantal (deels facultatieve) criteria om in aanmerking te komen voor een persoonsgebonden budget. In aanvulling daarop bevat dit artikel een aantal weigeringsgronden voor een persoonsgebonden budget. Deze sluiten deels aan bij de verplichting voor de cliënt om een budgetplan te overleggen, wanneer hij in aanmerking wil komen voor een persoonsgebonden budget. Verder zijn de weigeringsgronden afgeleid van de Regeling subsidies AWBZ.

Artikel 4.2 Hoogte persoonsgebonden budget

De hoogte van het persoonsgebonden budget wordt mede op basis van het door de cliënt opgesteld budgetplan vastgesteld. Voorwaarden over de hoogte van het persoonsgebonden budget zijn conform de uitspraak van de CRvB en de opgestelde AMvB (1 juni 2017). De VNG heeft dit vertaald in de bepalingen voor de Verordening maatschappelijke ondersteuning.

 

HOOFDSTUK 5 JAARLIJKSE BLIJK VAN WAARDERING

Artikel 5.1 Jaarlijkse blijk van waardering

Lid 1 omschrijft dat het college een mantelzorgcompliment kan toekennen aan een cliënt. Het mantelzorgcompliment is een jaarlijkse blijk van waardering van de cliënt voor zijn mantelzorger. In een nadere regeling wordt hier verder invulling aangegeven.

 

HOOFDSTUK 6 BIJDRAGE IN DE KOSTEN

Artikel 6.1 Bijdrage voor maatwerkvoorziening

In dit artikel staat beschreven op welke manier de eigen bijdrage voor maatwerkvoorzieningen is geregeld. Op basis van het abonnementstarief is cliënt in de regel een eigen bijdrage van €19,- per maand verschuldigd mits dit de kostprijs van de voorziening niet te boven gaat. Er kan immers nooit een hogere eigen bijdrage worden opgelegd dan de kostprijs van de voorziening. De kostprijs is omschreven in artikel 6.2 van deze verordening. De eigen bijdrage zal geïnd worden door het CAK.

 

Overeenkomstig artikel 4.1.4b lid 4 van de Wet kan de hoogte van de bijdrage zoals bedoeld met het abonnementstarief geïndexeerd worden.

Artikel 6.2 Kostprijs voor een voorziening

In dit artikel is de wijze van berekening van de kostprijs weergegeven. In de wet is bepaald dat de bijdrage in de kosten niet meer mag bedragen dan de kostprijs en dat in de verordening moet worden weergegeven op welke wijze de kostprijs wordt berekend. De kostprijs is bij een voorziening in natura de prijs die de gemeente aan de aanbieder betaalt. Onder bijkomende kosten wordt in ieder geval verstaan onderhoud, reparatie en verzekering. Bij een persoonsgebonden budget is de kostprijs gelijk aan het bedrag van het toegekende persoonsgebonden budget.

 

Artikel 6.3 Compensatie aanhoudende meerkosten

Artikel 2.1.7 van de wet biedt de mogelijkheid om personen met een beperking of chronische psychische of psychosociale problemen, die meerkosten hebben die daarmee verband houden, te ondersteunen. Met artikel 6.4 hebben we van deze wet gebruik gemaakt.

 

HOOFDSTUK 7 BEEINDIGING, HERZIENING, INTREKKING EN TERUGVORDERING

De wettelijke bepaling over met name terugvordering zijn summier en de wet maakt geen duidelijk onderscheid tussen enerzijds beëindiging en anderzijds intrekking en herziening. Van beëindiging is sprake wanneer de aanspraak op een maatwerkvoorziening wordt aangetast met ingang van het heden of naar de toekomst toe. Het ongedaan maken van de aanspraak op een Wmo-voorzieningen over een periode in het verleden, wordt intrekken genoemd. Herzien is het over een periode in het verleden afwijkend vaststellen van de aanspraak op een maatwerkvoorziening.

Beëindiging heeft dus, in tegenstelling tot intrekking en herziening, geen terugwerkende kracht. Voordat het college besluit tot intrekking van een voorziening, moet het alle betrokken belangen afwegen. Het belang van de belanghebbende om te participeren moet daarbij zwaar wegen.

In de wet is slechts een terugvorderingsgrond opgenomen. Alleen wanneer de cliënt onjuiste of onvolledige gegevens heeft verstrekt, en de verstrekking van juiste of volledige gegevens tot een andere beslissing zou hebben geleid, kan het college op grond van de wet overgaan tot terugvordering. De gemeente heeft er daarom voor gekozen om de terugvorderingsgronden uit te breiden. Er moet wel onderscheid worden gemaakt tussen de terugvorderingsbepaling in de wet en de terugvorderingsgronden in de verordening voor wat betreft de invordering. Bij de terugvorderingsgronden in de verordening moet de invordering langs civielrechtelijke weg geschieden. Dit betekent onder meer dat in elk afzonderlijk geval moet worden aangetoond dat er

sprake is van onverschuldigde betaling (artikel 6:203 e.v. BW). In de praktijk zal de onverschuldigdheid (of: het niet verschuldigd zijn van…)van de betaling ontstaan door het nemen van een herzienings- of intrekkingsbesluit. Bij de in de wet opgenomen terugvorderingsgrond heeft het college de mogelijkheid het terug te vorderen bedrag bij dwangbevel in te vorderen. Er is sprake van een executoriale titel, waarmee direct beslag kan worden gelegd.

 

HOOFDSTUK 8 VOORKOMING FRAUDE, BESTRIJDING MISBRUIK OF ONEIGENLIJK GEBRUIK

In dit hoofdstuk is aangegeven op welke manier het ten onrechte ontvangen van maatwerkvoorzieningen en het misbruik of oneigenlijk gebruik van de wet wordt bestreden. Belangrijk is om de cliënt bij de verstrekking van een maatwerkvoorziening nadrukkelijk te wijzen op zijn rechten en plichten. Ook moet de cliënt gewezen worden op de consequenties van misbruik en oneigenlijk gebruik. Het college controleert de rechtmatigheid van de maatwerkvoorziening. Het college kan bij de controle onder meer gebruikmaken van huisbezoeken, risicoprofielen en bestandsvergelijkingen en de samenloopsignalen die daaruit voortkomen.

 

HOOFDSTUK 9 KWALITEIT, KLACHTAFHANDELING, AANBIEDER

Artikel 9.1 Kwaliteitseisen maatschappelijke ondersteuning

Deze bepaling werkt de verordeningsplicht in artikel 2.1.3 lid 2 onder c van de wet verder uit. Daarin staat dat in de verordening in ieder geval wordt bepaald welke eisen worden gesteld aan de kwaliteit van voorzieningen. Eisen over de deskundigheid van beroepskrachten vallen daar ook onder.

 

De regering legt de verantwoordelijkheid voor de kwaliteit van voorzieningen bij de gemeente en de aanbieder. Het is aan de gemeente om in de verordening te bepalen welke kwaliteitseisen worden gesteld aan aanbieders van voorzieningen. Die eisen kunnen ook gaan over de deskundigheid van het in te schakelen personeel. De regering benadrukt in de memorie van toelichting op artikel 2.1.3 lid 2 onder c van de wet (Kamerstukken II 2013/14, 33 841, nr. 3) dat de kwaliteitseisen die zijn vervat in de artikelen 3.1 en verder van de wet, en die zich rechtstreeks tot aanbieders richten, daarbij uitgangspunt zijn. De eis dat een voorziening van goede kwaliteit is, biedt veel ruimte voor de gemeenten om in overleg met organisaties van cliënten en aanbieders te werken aan kwaliteitsstandaarden voor de ondersteuning.

 

In onderdeel b worden de aanbieders verplicht tot het uitvoeren van een cliëntervaringsonderzoek. De visie van de cliënt op de zorg is immers belangrijk. Het jaarlijkse cliëntervaringsonderzoek is verplicht op grond van artikel 2.5.1 lid 1 van de wet.

Onderdeel c is opgenomen om de aanbieder verantwoordelijk te laten zijn voor het ingezette personeel bij het leveren van maatwerkvoorzieningen.

Lid 2 en 3

Het op te stellen plan in samenspraak met de cliënt is gekoppeld aan een Zelfredzaamheidmatrix. De Zelfredzaamheidmatrix is een instrument waarmee in kaart wordt gebracht hoe zelfredzaam mensen op een aantal levensterreinen zijn en welke voortgang ze in het dagelijks functioneren boeken als ze daar ondersteuning bij krijgen. Jaarlijks wordt bekeken of de gestelde doelen en resultaten zijn bereikt. De aanbieder moet dit inzichtelijk maken. Het college controleert dit steekproefsgewijs.

 

Artikel 9.2 Prijs- kwaliteitverhouding

Algemeen

Op 1 juni 2017 is het gewijzigde uitvoeringsbesluit Wmo 2015 in werking getreden. Er is een nieuw artikel 5.4 toegevoegd aan het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015. In dit nieuwe artikel staat dat een gemeente een reële prijs moet betalen voor een Wmo-dienst, zodat de aanbieder kan voldoen aan de gemeentelijke eisen van kwaliteit en continuïteit van deze dienst. Ook kan de aanbieder zo voldoen aan de arbeidsrechtelijke verplichtingen tegenover de beroepskracht die deze dienst verleent aan de cliënt. Naar aanleiding hiervan is ook de verordening aangepast.

 

Eerste lid

In dit artikel wordt de prijs geregeld die het college vaststelt voor het leveren van een dienst door een derde, als bedoeld in artikel 2.6.4. van de wet. Daarbij kan het gaan om een vaste prijs of om een reële prijs die geldt als ondergrens voor een inschrijving en de overeenkomst met de derde. De reële prijs kan ook gelden als ondergrens voor de vaste prijs. Wanneer het college een reële prijs vaststelt, kan het zijn dat inschrijvers een hoger tarief dan de reële prijs neerleggen. Het is niet mogelijk om een lagere prijs neer te leggen. Wanneer het college een vaste prijs vaststelt, zal het tarief voor de inschrijvers gelijk zijn aan de vaste prijs.

 

Tweede lid

Bij het vaststellen van de prijs moet het college rekening houden met de eisen aan de kwaliteit van die dienst. Daarbij gaat het niet alleen om de eisen aan de deskundigheid van de beroepskracht, bedoeld in artikel 2.1.3., tweede lid, onderdeel c van de wet. Het gaat namelijk ook om de continuïteit van de hulpverlening tussen degenen aan wie de dienst wordt verstrekt en de betrokken hulpverleners, bedoeld in artikel 2.6.5., tweede lid, van de wet. De invulling van de continuïteit van de hulpverleningsrelatie in financiële zin is nieuw voor de gemeenten. De aanbieder die de opdracht krijgt moet met de aanbieder die de opdracht tot dan toe had uitgevoerd, overleggen over de overname van personeel. De gedachte is dat overname van personeel gemakkelijker verloopt als de gemeente een reële prijs betaalt voor de opdracht.

 

Derde lid

Het college moet de vaste prijs of de reële prijs minimaal baseren op de in dit artikel genoemde kostprijselementen. De opsomming in dit lid is niet uitputtend. De gemeente kan er elementen aan toevoegen.

 

Vierde lid

Dit artikel is hier opgenomen ter wille van de leesbaarheid en de samenhang van het hele artikel 9.2. Het vierde lid biedt het college de mogelijkheid om geen vaste of reële prijs te bepalen op basis van de genoemde kostprijselementen maar de bepaling van de hoogte van een reële prijs over te laten aan de inschrijvende partijen. Het college legt hierover verantwoording af aan de gemeenteraad.

 

Vijfde lid

Dit lid is hier eveneens opgenomen ter wille van de leesbaarheid en de samenhang van het hele artikel 9.2. Het college bepaalt met welke derde hij een overeenkomst aangaat. Hieronder wordt verstaan een aanbieder, te weten een natuurlijke persoon of een rechtspersoon die jegens het college gehouden is een voorziening te leveren. Het overeenkomen van contracten is het primaat van het college. Het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015 treedt dan ook niet in de contractvrijheid van het gemeentebestuur. Het college legt hierover verantwoording af aan de gemeenteraad.

 

Artikel 9.3 Klachtafhandeling bij melding en aanvraag [vervallen per 26-11-2018]

Vervallen, nu artikel 3.7 Second opinion, mediation en klachtenafhandeling deze onderwerpen regelt.

 

Artikel 9.4 Eisen aan klachtafhandeling door aanbieder

Dit artikel geeft uitvoering aan artikel 2.1.3 lid 2 onder d van de wet. In dit artikel is aangegeven dat alle leveranciers klachten van cliënten over gedragingen van de aanbieder moeten behandelen. De gemeente laat de leveranciers vrij om deze regeling zelf vorm te geven. Er wordt wel gecontroleerd of de leveranciers een regeling in het leven hebben geroepen.

 

Artikel 9.5 Medezeggenschap

De gemeente kiest er bewust voor om een regeling voor medezeggenschap over alle voorzieningen niet verplicht te stellen. Het verplicht stellen kan ervoor zorgen dat kleine aanbieders/leveranciers afhaken en cliënten minder keuzevrijheid hebben bij een voorziening in natura. Dat is niet gewenst.

 

Artikel 9.6 Meldingsregeling calamiteiten en geweld

In artikel 3.4 lid 1 van de wet is bepaald dat de aanbieder bij de toezichthoudend ambtenaar, bedoeld in artikel 6.1 van de wet, direct melding doet van iedere calamiteit die bij de verstrekking van een voorziening heeft plaatsgevonden. Daarbij kan het bijvoorbeeld gaan om geweld bij de verstrekking van een voorziening. In artikel 6.1 van de wet is bepaald dat het college personen aanwijst die toezicht houden op de naleving van het bepaalde bij of volgens de wet.

 

In aanvulling op het bovenstaande regelt artikel 9.6 dat er door het college een regeling wordt opgesteld over het doen van meldingen. De toezichthoudend ambtenaar onderzoekt meldingen en adviseert het college over het voorkomen van verdere calamiteiten en het bestrijden van geweld. Overeenkomstig het vierde lid kan het college bij nadere regeling bepalen welke verdere eisen gelden voor het melden van calamiteiten en geweld bij de verstrekking van een voorziening.

 

HOOFDSTUK 10 SLOTBEPALINGEN

Artikel 10.1 Inspraak

Deze bepaling geeft uitvoering aan artikel 2.1.3 lid 3 van de wet.

 

In het eerste lid is verwezen naar de krachtens artikel 150 van de Gemeentewet vastgestelde inspraakverordening. Op deze manier wordt gewaarborgd dat er eenzelfde inspraakprocedure geldt voor het Wmo-beleid als op andere terreinen. De inspraak geldt voor alle inwoners. Dit is uitdrukkelijk de bedoeling van de wetgever, omdat iedereen op enig moment ondersteuning nodig kan hebben.

Met het tweede lid wordt het aan het college overgelaten om de precieze invulling van de medezeggenschap via de Adviesraad Sociaal Domein vorm te geven.

 

HOOFDSTUK 11 SLOTBEPALINGEN

Artikel 11.1 Hardheidsclausule

In dit artikel is aangegeven dat het college in bijzondere gevallen ten gunste van de cliënt kan afwijken van de bepalingen van deze verordening. Bijvoorbeeld wanneer toepassing van de verordening tot onrechtvaardigheden leidt. Juist omdat het in de wet om maatwerk gaat, ontkomt het college er niet aan om, ook al is er een zorgvuldige afweging gemaakt, uiteindelijk toch te beoordelen of deze afweging niet leidt tot onrechtvaardigheden. Deze afweging zal minder vaak voorkomen dan in normale omstandigheden te verwachten is. Bij de afwegingen gaat het tenslotte al om een individuele beoordeling. Als bij die zeer persoonlijke afweging toch nog sprake is van een niet aanvaardbare situatie, is de hardheidsclausule een vangnet.

 

Artikel 11.4 Overgangsrecht

In dit artikel is het overgangsrecht opgenomen voor lopende voorzieningen op basis van de Verordening 2018.