Gemeenteblad van Oisterwijk

Datum publicatieOrganisatieJaargang en nummerRubriek
OisterwijkGemeenteblad 2020, 204833Beleidsregels



NADERE REGELS WMO GEMEENTE OISTERWIJK 2020

Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Oisterwijk;

gelet op het bepaalde in de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015;

 

gelet op de artikelen 5.2, 6.1, 6.2, 7.1, 8.6 en 9.1 van de Verordening Wmo gemeente Oisterwijk 2020;

 

overwegende dat het noodzakelijk is om cliënten te ondersteunen als zij dusdanige beperkingen ondervinden bij hun maatschappelijke participatie en zelfredzaamheid dat zij niet op eigen kracht, met gebruikelijke hulp, met mantelzorg, met hulp van het sociale netwerk of met gebruikmaking van algemene voorzieningen hierin geheel of gedeeltelijk kunnen voorzien;

 

overwegende dat het noodzakelijk is om cliënten met psychische of psychosociale problemen en belanghebbenden die de thuissituatie hebben verlaten, al dan niet in verband met risico's voor hun veiligheid als gevolg van huiselijk geweld, te ondersteunen bij het zich handhaven in de samenleving als zij niet op eigen kracht, met gebruikelijke hulp, met mantelzorg, of met hulp van het sociale netwerk of met gebruikmaking van algemene voorzieningen hierin geheel of gedeeltelijk kunnen voorzien;

 

besluit:

 

vast te stellen de Nadere regels Wmo Gemeente Oisterwijk 2020.

 

Hoofdstuk 1. Begripsbepalingen

Artikel 1 Begripsomschrijvingen

  • 1.

    In deze nadere regels en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

    • a.

      leefdomein: het leefdomein op basis waarvan de mate van zelfredzaamheid van de cliënt wordt bepaald. Het betreft de leefdomeinen; sociaal netwerk, wonen, regie op eigen leven, gezin en huiselijke relaties, maatschappelijke participatie en financiën.

    • b.

      quickscan: globale inschatting van de problematiek en zelfredzaamheid van de cliënt op basis van leefdomeinen;

    • c.

      uitraasruimte: een verblijfsruimte waarin een cliënt, die vanwege een gedragsstoornis ernstig ontremd gedrag vertoont, zich kan afzonderen of tot rust kan komen.

    • d.

      verordening: verordening Wmo gemeente Oisterwijk 2020, waaronder begrepen een voorafgaande of opvolgende verordening Wmo.

  • 2.

    Alle begrippen die in deze nadere regels worden gebruikt en niet nader worden omschreven hebben dezelfde betekenis als in de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015, het Uitvoeringsbesluit maatschappelijke ondersteuning 2015, de Algemene wet bestuursrecht en de Verordening.

Hoofdstuk 2. Procedureregels

Artikel 2.1 Quickscan, integrale vraaganalyse, plan van aanpak

  • 1.

    Nadat de cliënt zich heeft gemeld, vindt er een quickscan plaats.

  • 2.

    Via de quickscan wordt vastgesteld op welke leefdomeinen door de cliënt beperkingen in de zelfredzaamheid worden ervaren.

  • 3.

    Op basis van de integrale vraaganalyse wordt per leefdomein in kaart gebracht wat de bestaande situatie van de cliënt is en wat de gewenste resultaten per leefdomein zijn.

  • 4.

    In het plan van aanpak wordt per leefdomein bepaald hoe de gewenste resultaten worden bereikt.

Artikel 2.2 Persoonlijk plan

  • 1.

    Als de cliënt binnen 7 dagen na de melding schriftelijk een persoonlijk plan indient, wordt dit bij het onderzoek betrokken.

  • 2.

    Uit het persoonlijk plan moet in ieder geval blijken op welke manier de cliënt zijn behoefte aan maatschappelijke ondersteuning vorm wil geven.

Artikel 2.3 Aanvraag en beschikking

  • 1.

    Het door de cliënt ondertekende en bij het college ingediende plan van aanpak kan worden aangemerkt als een aanvraag voor een maatwerkvoorziening.

  • 2.

    Het plan van aanpak wordt als bijlage aan de beschikking toegevoegd.

 

 

Hoofdstuk 3. Beoordeling aanspraak

Artikel 3.1 Leefdomein

  • 1.

    leefdomeinen vormen de bouwstenen voor het vergroten of behouden van zelfredzaamheid en participatie van cliënten.

  • 2.

    Er zijn 6 leefdomeinen:

    • sociaal netwerk;

    • wonen;

    • regie op eigen leven;

    • maatschappelijke participatie;

    • gezin en huiselijke relaties, en;

    • financiën.

  • 3.

    Per leefdomein worden de te behalen resultaten geformuleerd.

  • 4.

    Binnen de leefdomeinen zijn er minimaal 3 en maximaal 5 intensiteiten.

  • 5.

    Bij het inzetten van een maatwerkvoorziening, met uitzondering van Hulpmiddelen, Woningaanpassingen en Huishoudelijk hulp, van een bepaalde intensiteit binnen de in hoofdstuk 3 lid 1 genoemde leefdomeinen geldt het volgende: In de gemeente Oisterwijk zijn voor de intensiteiten + en ++ algemene voorzieningen, algemeen gebruikelijke voorzieningen en vrij toegankelijke voorzieningen beschikbaar. Deze voorzieningen hebben de voorkeur boven een maatwerkvoorziening.

Artikel 3.2 Algemeen gebruikelijk

  • 1.

    Een voorziening is algemeen gebruikelijk als deze:

  • a.

    normaal in de handel verkrijgbaar is;

  • b.

    niet specifiek is bedoeld voor mensen met beperkingen, en;

  • c.

    niet substantieel duurder is dan vergelijkbare producten.

  • 2.

    Een voorziening is voor een persoon als de cliënt algemeen gebruikelijk als deze, volgens geldende maatschappelijke normen, binnen het normale bestedingspatroon van de cliënt vallen.

 

 

Hoofdstuk 4. Ondersteuning door gebruikelijke hulp en mantelzorg

Artikel 4.1 Gebruikelijke hulp

  • 1.

    Gebruikelijke hulp wordt verleend door de echtgenoot/partner, ouders, inwonende kinderen en/of andere huisgenoten, die tot de leefeenheid van de cliënt behoren.

  • 2.

    Gebruikelijke hulp vloeit rechtstreeks voort uit de sociale relatie, waarin het voeren van een gemeenschappelijk huishouden, het zo lang mogelijk kunnen blijven wonen in de eigen leefomgeving en het behoud van maatschappelijke participatie een gezamenlijke verantwoordelijkheid voor het functioneren van de leefeenheid met zich brengt.

  • 3.

    Gebruikelijke hulp heeft een afdwingbaar karakter. Zowel van volwassen huisgenoten als van jonge huisgenoten kan een bijdrage worden verlangd.

  • 4.

    Bij het beoordelen of de huisgenoot gebruikelijke hulp kan leveren wordt rekening gehouden met:

  • a.

    de aard en de omvang van de ondersteuningsbehoefte van de cliënt;

  • b.

    de aard van de relatie van de persoon binnen de leefeenheid met de cliënt;

  • c.

    de leeftijd en de ontwikkelingsfase van inwonende kinderen, en;

  • d.

    de leerbaarheid van de cliënt en/of de personen van wie gebruikelijke hulp kan worden gevergd.

  • 5.

    Het protocol gebruikelijke hulp dient als leidraad voor het vaststellen van de mate van ondersteuning via gebruikelijke hulp.

  • 6.

    Gebruikelijke hulp wordt verleend ter ondersteuning bij het zelfstandig (kunnen blijven) wonen van de cliënt, waaronder het voeren van een gestructureerd huishouden, het vervoeren van en naar afspraken, het vervoeren van en naar een instelling of accommodatie en het uitvoeren van de dagelijkse noodzakelijke levensverrichtingen en bij het (kunnen blijven) participeren.

Artikel 4.2 Gebruikelijke begeleiding

  • 1.

    Gebruikelijke begeleiding is een onderdeel van gebruikelijke hulp.

  • 2.

    Onder gebruikelijke begeleiding valt:

  • a.

    het geven van begeleiding op het terrein van de maatschappelijke participatie;

  • b.

    het geven van begeleiding binnen de persoonlijke levenssfeer, zoals familiebezoek en huisartsenbezoek;

  • c.

    het bieden van hulp of het overnemen van taken, die bij een gezamenlijk huishouden horen, zoals het doen van de administratie;

  • d.

    het aanleren van vaardigheden door ouders/verzorgers aan kinderen 18- of 18+. Onder vaardigheden wordt onder andere verstaan: het voeren van een huishouden, administratie en financiën.

  • e.

    het leren omgaan van derden met de cliënt;

  • f.

    het bieden van een beschermende woonomgeving van ouders aan kinderen. Dit is tenminste tot een leeftijd tot en met 17 jaar zowel in kortdurende als in langdurige situaties gebruikelijk.

Artikel 4.3 Mantelzorg

  • 1.

    Er is sprake van mantelzorg als intensief en langdurig ondersteuning wordt verleend door personen uit de directe omgeving van de cliënt, dit rechtstreeks voortvloeit uit de sociale relatie en de ondersteuning gebruikelijke hulp in zwaarte, duur en/of intensiteit overstijgt.

  • 2.

    Onder het intensief en langdurig ondersteuning verlenen wordt in beginsel, en voor zover het zorg aan een persoon ouder dan 12 betreft, verstaan dat meer dan 8 uur per week en langer dan 3 maanden ondersteuning wordt verleend.

  • 3.

    De ondersteuning door de mantelzorger heeft geen verplicht karakter.

  • 4.

    De mate van belastbaarheid van de mantelzorger maakt onderdeel uit van het onderzoek.

 

 

Hoofdstuk 5. Afwegingskader maatwerkvoorzieningen

Artikel 5.1 Afwegingskader voor toeleiding basisstructuur en specialistische hulp

Bij het bepalen of een individuele voorziening op grond van de Wmo nodig is, gelden de volgende stappen:

  • 1.

    Als de ondersteuningsvraag op eigen kracht door middel van het eigen netwerk en/of algemeen gebruikelijke voorzieningen of anderszins voor de cliënt beschikbare voorzieningen kan worden opgelost dan wordt dit ingezet en kan geen aanspraak gemaakt worden op een maatwerkvoorziening op grond van de Wmo 2015.

  • 2.

    Biedt eigen kracht of het eigen netwerk niet voldoende ondersteuning om de hulpvraag op te lossen en biedt een algemene voorziening, een algemeen gebruikelijke voorziening of een voorliggende voorziening, waaronder kortdurende ambulante hulp, wel voldoende ondersteuning aan het te bereiken resultaat, dan dient dit te worden ingezet en kan geen aanspraak gemaakt worden op een maatwerkvoorziening op grond van de Wmo 2015.

  • 3.

    Bieden de voorzieningen genoemd onder lid 1 en 2 niet voldoende ondersteuning, doordat de zwaarte en complexiteit van de problematiek zodanig groot is dat deze niet voldoende ondersteuning bieden, dan kan een maatwerkvoorziening worden ingezet op grond van de Wmo 2015.

Artikel 5.2 Huishoudelijke hulp

Bij het bepalen of een individuele voorziening op grond van de Wmo 2015 nodig is, gelden de volgende stappen:

  • 1.

    Voor het beoordelen van een maatwerkwerkvoorziening voor Huishoudelijke hulp worden in eerste instantie dezelfde stappen doorlopen als genoemd onder artikel 5.1.

  • 2.

    Onder een schoon en leefbaar huis wordt verstaan: Schoon betekent dat het huis een aanvaardbaar niveau van schoon moet behalen. Leefbaar staat voor dat het huis opgeruimd en functioneel is, om bijvoorbeeld vallen te voorkomen.

  • 3.

    Een schoon en leefbaar huis betekent dat de woonkamer, de als slaapkamer in gebruik zijnde ruimtes (inclusief schoon beddengoed), keuken, toilet en badkamer en de gang (inclusief trap) structureel (hoeft niet wekelijks te zijn) dienen te worden schoongemaakt.

  • 4.

    Ten behoeve van het realiseren van een schoon huis wordt in principe maximaal t/m intensiteit +++ ingezet. Via onafhankelijk en objectieve onderzoek (KPMG Plexus en Bureau HHM, juli 2016) is vastgesteld dat met dit aantal uren het resultaat schoon huis behaald kan worden.

  • 5.

    Wanneer als gevolg van objectiveerbare (medische) beperkingen cliënten onvoldoende ondersteund worden door de intensiteiten +, ++ of +++ bij het realiseren van een schoon en leefbaar huis of als er een ander noodzakelijk resultaat behaald moet worden, kan aanvullende ondersteuning worden ingezet.

Artikel 5.3 Kortdurend verblijf

  • 1.

    Kortdurend verblijf is een vorm van respijtzorg en wordt ingezet voor het ontlasten van de mantelzorger. Dit met als beoogd resultaat dat de cliënt zo lang mogelijk in de eigen leefomgeving kan blijven wonen.

  • 2.

    Om in aanmerking te komen voor kortdurend verblijf moet de cliënt van de mantelzorger ten gevolge van het (tijdelijk/deels) wegvallen van de mantelzorg zijn aangewezen op ondersteuning welke gepaard gaat met permanent toezicht.

  • 3.

    Kortdurend verblijf kan voor maximaal twee etmalen per week worden verleend. In het kader van het bieden van maatwerk kan hiervan worden afgeweken als daarvoor een noodzaak is.

  • 4.

    Kortdurend verblijf wordt geboden in een instelling, niet zijnde een ziekenhuis, of in een accommodatie van een door het college gecontracteerde aanbieder.

  • 5.

    Vervoer naar de instelling of accommodatie wordt als maatwerkvoorziening verstrekt indien de mantelzorger niet in staat is de cliënt te brengen en te halen en er ook geen andere vervoersmogelijkheden zijn.

Artikel 5.4 Dagbesteding

  • 1.

    Dagbesteding is bedoeld om structuur aan een dag te geven wanneer iemand dit niet zelf kan.

  • 2.

    Dagbesteding met een arbeidsmatig karakter is een bijzondere vorm van maatschappelijke ondersteuning die wordt toegekend als maatwerkvoorziening.

  • 3.

    Dagbesteding met een arbeidsmatig karakter wordt toegekend als de cliënt niet beschikt over arbeidsvermogen in de zin van de Participatiewet en deze vorm van dagbesteding de goedkoopst passende ondersteuning biedt.

Artikel 5.5 Woonvoorzieningen

  • 1.

    Een woonvoorziening is een maatwerkvoorziening in de vorm van een (bouwkundige) woningaanpassing of een hulpmiddel gericht op het normale gebruik van de woning. Onder normaal gebruik wordt verstaan dat de elementaire woonfuncties mogelijk moeten zijn, namelijk: slapen, lichaamsreiniging, toiletgang, het bereiden en consumeren van voedsel en het zich verplaatsen in de woning.

  • 2.

    Een woonvoorziening wordt alleen toegekend als de aan te passen woning:

    • a.

      in de gemeente Oisterwijk staat; en

    • b.

      een zelfstandige woning is; en

    • c.

      het hoofdverblijf is of zal zijn van de cliënt.

  • 3.

    Woningen die niet geschikt of beschikbaar zijn, of waar het planologisch niet toegestaan is om het gehele jaar te (be)wonen worden niet als hoofdverblijf aangemerkt.

  • 4.

    Als gebruikte materialen of slechte staat van onderhoud tot problemen in het normale gebruik van de woning leiden, kan geen aanspraak worden gemaakt op een woonvoorziening.

  • 5.

    Bij het onderzoek wordt betrokken in hoeverre de noodzaak voor een woonvoorziening het gevolg is van een verhuizing, waartoe op grond van belemmeringen in het normale gebruik van de woning, gelet op de beperkingen van de cliënt, geen aanleiding bestond. Als dit het geval is en er geen andere belangrijke reden voor de verhuizing was, wordt geen woonvoorziening verstrekt.

  • 6.

    Als de cliënt niet is verhuisd naar de meest geschikte woning die beschikbaar was wordt geen woonvoorziening verstrekt.

  • 7.

    Als uit onderzoek blijkt dat verhuizen de goedkoopst adequate oplossing is wordt geen woonvoorziening verstrekt voor de woning waar cliënt op dat moment zijn hoofdverblijf heeft. Het onderzoek naar verhuizen als goedkoopst adequate oplossing vindt plaats als de noodzakelijke aanpassingen meer bedragen dan €2.674,50. Indien er zich in een door het college te bepalen op de omstandigheden van cliënt afgestemde zoekperiode geen reële mogelijkheid tot verhuizen heeft voorgedaan kan alsnog een woonvoorziening worden toegekend.

Artikel 5.5 Vervoersvoorzieningen

  • 1.

    Een vervoersvoorziening is een maatwerkvoorziening voor het zich kunnen verplaatsen in de directe leefomgeving, gericht op zelfredzaamheid en participatie. Onder de directe leefomgeving wordt verstaan plaatselijk, lokaal en regionaal tot een afstand van maximaal 25 kilometer vanaf de woning.

  • 2.

    Bij het onderzoek wordt betrokken of een algemeen gebruikelijke vervoersvoorziening een adequate oplossing kan bieden. Een inwoner kan aanspraak maken op een vervoersvoorziening:

    • a.

      als hij belemmeringen ondervindt bij het zich verplaatsen in de directe leefomgeving, en

    • b.

      vervoer en/of gebruikelijke begeleiding uit het eigen netwerk niet mogelijk is, en

    • c.

      gebruik van en/of het bereiken van het openbaar vervoer, niet mogelijk is, en

  • d.

    gebruik van een vervoersvoorziening uit de basisstructuur (zoals vrijwilligersvervoer, Pareltaxi, automaatje) niet mogelijk is.

  • 3.

    Als uit onderzoek blijkt dat collectief vervoer de goedkoopst passende oplossing is, komt de cliënt niet in aanmerking voor een duurdere maatwerkvoorziening.

  • 4.

    De omvang van een vervoersvoorziening wordt afgestemd op:

    • a.

      de eigen mogelijkheden van de cliënt én zijn sociaal netwerk;

    • b.

      de vervoersbehoefte gelet op de zelfredzaamheid en participatie van de cliënt. Het uitgangspunt daarbij is dat 2000 kilometer per kalenderjaar voldoende is om de cliënt in staat te stellen tot participatie;

    • c.

      algemeen gebruikelijke vervoersvoorzieningen, die voor cliënt beschikbaar en passend zijn;

    • d.

      andere vervoersvoorzieningen die als maatwerkvoorziening zijn of worden verstrekt.

 

 

Hoofdstuk 6. Persoonsgebonden budget

Artikel 6.1 Verstrekking op verzoek

  • 1.

    Verstrekking van een persoonsgebonden budget vindt plaats op verzoek van de cliënt.

  • 2.

    De cliënt is verplicht desgevraagd inlichtingen te verstrekken over de met het persoonsgebonden budget aan te schaffen dan welk in te kopen maatwerkvoorziening.

Artikel 6.2 Budgetperiode en afschrijvingstermijn

  • 1.

    Het persoonsgebonden budget wordt geacht in ieder geval toereikend te zijn voor zover van toepassing met de normale afschrijvingstermijn die geldt voor de met het persoonsgebonden budget aan te schaffen dan wel in te kopen maatwerkvoorziening. Daaronder kunnen ook de instandhoudingskosten worden gerekend.

  • 2.

    De afschrijvingstermijn voor rolstoelen, driewielfietsen en scootmobielen bedraagt minimaal 7 jaar.

Artikel 6.3 Persoonsgebonden budget en kwaliteit

  • 1.

    Bij de verstrekking van een persoonsgebonden budget voor een hulpmiddel, een woningaanpassing, een vervoersvoorziening of diensten, dient te worden voldaan aan de door het college gestelde voorwaarden wat betreft de kwaliteit als bedoeld in de wet. Daaronder wordt in ieder geval verstaan dat de maatwerkvoorziening:

    • a.

      als veilig, doeltreffend en cliëntgericht kan worden aangemerkt;

    • b.

      wordt afgestemd op de individuele situatie van de cliënt;

    • c.

      wordt verstrekt in overeenstemming met de professionele standaard;

    • d.

      wordt verstrekt met respect voor en inachtneming van de rechten van de cliënt.

  • 2.

    De aanbieder van diensten, niet zijnde een persoon uit het sociaal netwerk, moet:

    • a.

      een verklaring omtrent gedrag kunnen overleggen;

    • b.

      over een passende opleiding beschikken;

    • c.

      als aanbieder geregistreerd staan.

Artikel 6.4 Persoonsgebonden budget woningaanpassing

  • 1.

    Bij de verlening van een persoonsgebonden budget voor het realiseren van een woningaanpassing dient binnen 6 maanden na het toekenningsbesluit met de werkzaamheden worden aangevangen.

  • 2.

    Voor een persoonsgebonden budget voor een woningaanpassing gelden de volgende voorwaarden:

    • a.

      met de werkzaamheden voor de woningaanpassing mag geen aanvang worden gemaakt voordat het college positief heeft beslist op de aanvraag;

    • b.

      het college heeft desgevraagd op één of meer te bepalen tijdstippen toegang tot de woning of het gedeelte van de woning waar de aanpassing wordt aangebracht;

    • c.

      de cliënt verstrekt desgevraagd inzage in de bescheiden en tekeningen die betrekking hebben op de woningaanpassing;

    • d.

      aan het college wordt desgevraagd de gelegenheid geboden tot het controleren van de gerealiseerde woningaanpassing.

  • 3.

    Onmiddellijk na de voltooiing van de woningaanpassingswerkzaamheden, doch uiterlijk binnen 15 maanden na het besluit tot toekenning verklaart de cliënt schriftelijk aan het college dat de bedoelde werkzaamheden zijn voltooid.

  • 4.

    De gereedmelding, bedoeld in het vorige lid, is voorzien van een verklaring waaruit blijkt dat bij het treffen van de woningaanpassing is voldaan aan de voorwaarden waaronder het persoonsgebonden budget is toegekend.

  • 5.

    De cliënt aan wie een persoonsgebonden budget is verstrekt voor het realiseren van een woningaanpassing aan de eigen woning is verplicht zorg te dragen voor een opstalverzekering die in voldoende mate de te verzekeren waarde van de woning dan wel de getroffen woningaanpassing dekt voor het risico van schade.

Artikel 6.5 Persoonsgebonden budget hulpmiddelen en vervoersvoorzieningen

  • 1.

    Bij de verstrekking van een persoonsgebonden budget voor een hulpmiddel of vervoersvoorziening kunnen, voor zover van toepassing in de individuele situatie, de volgende voorwaarden worden opgelegd:

    • a.

      de cliënt dient een maatwerkvoorziening van goede kwaliteit aan te schaffen, volgens de door het college daaraan gestelde eisen;

    • b.

      de cliënt dient een onderhoudscontract af te sluiten met een leverancier waarin ten minste zijn opgenomen: de kosten van reparaties (inclusief onderdelen, voorrijkosten en arbeidsloon), 24-uursservice, recht op gebruik van een leenvoorziening, jaarlijks onderhoud en keuring;

    • c.

      de cliënt dient bij de aanschaf van een vervoersvoorziening indien van toepassing een wettelijke aansprakelijkheidsverzekering af te sluiten.

  • 2.

    De cliënt dient het college desgevraagd in de gelegenheid te stellen de met het persoonsgebonden budget aangeschafte maatwerkvoorziening te bezichtigen en te beoordelen.

Artikel 6.6 Budgetplan bij persoonsgebonden budget voor diensten

  • 1.

    Een maatwerkvoorziening in de vorm van een persoonsgebonden budget voor diensten wordt alleen verstrekt als de cliënt dit gemotiveerd, aan de hand van een opgesteld budgetplan vraagt.

  • 2.

    In het budgetplan moet duidelijk worden omschreven welke resultaten worden bereikt door de inzet van een persoonsgebonden budget.

  • 3.

    In het budgetplan worden de aanbieders vermeld bij wie de ondersteuning wordt ingekocht, wat de aard van de ondersteuning per aanbieder is, hoe de resultaten bereikt worden, en waaruit de kwaliteit van de aanbieder blijkt.

  • 4.

    Als het persoonsgebonden budget is bedoeld voor diensten die worden geleverd door het sociaal netwerk beoordeelt het college:

    • a.

      de motivatie van de cliënt om iemand uit zijn sociaal netwerk in te schakelen;

    • b.

      of de persoon uit het sociaal netwerk in staat is om de gevraagde diensten te bieden;

    • c.

      of de kwaliteit van de geboden ondersteuning voldoende is geborgd.

  • 5.

    In het budgetplan worden de kosten van de in te kopen ondersteuning vermeld.

Artikel 6.7 Bekwaamheidseisen cliënt of vertegenwoordiger

  • 1.

    Het college beoordeelt of de cliënt of diens vertegenwoordiger kan voldoen aan de voorwaarden en taken die zijn verbonden aan een persoonsgebonden budget.

  • 2.

    De cliënt of diens vertegenwoordiger moet:

    • a.

      handelingsbekwaam zijn en voldoende inzicht in zijn situatie/situatie van de cliënt hebben;

    • b.

      in staat zijn een werkgevers- of opdrachtgeversfunctie te vervullen.

  • 3.

    Het persoonsgebonden budget wordt geweigerd als cliënt eerder misbruik heeft gemaakt van of fraude heeft gepleegd met een persoonsgebonden budget.

  • 4.

    Indien een andere situatie zich voordoet, waarin het verstrekken van een persoonsgebonden budget niet gewenst is, kan het college het persoonsgebonden budget gemotiveerd weigeren.

Artikel 6.10 Hoogte pgb hulpmiddelen en vervoersvoorzieningen

  • 1.

    De hoogte van een persoonsgebonden budget voor hulpmiddelen en vervoersvoorzieningen bedraagt in ieder geval niet meer dan de huur dan wel de aanschafprijs van de goedkoopst passende maatwerkvoorziening in natura, waaronder gerekend onderhoud, reparatie en verzekering, zoals die door het college aan de gecontracteerde aanbieder verschuldigd is.

  • 2.

    Indien het een hulpmiddel of vervoersvoorziening betreft, waarvoor geen vergelijk kan worden gemaakt met een ingekochte maatwerkvoorziening in natura, wordt op basis van één of meerdere offertes bepaald wat de kosten van de goedkoopst passende maatwerkvoorziening zijn.

  • 3.

    Het college kan bij de vaststelling van de hoogte van het persoonsgebonden budget rekening houden met de (extra) kosten van de WA-verzekering bij vervoersvoorzieningen als deze verzekering van toepassing is.

Artikel 6.11 Hoogte persoonsgebonden budget woningaanpassing

  • De hoogte van het persoonsgebonden budget voor een woningaanpassing kan worden afgestemd op:

  • a.

    de aanneemsom (hierin begrepen de loon- en materiaalkosten) voor het treffen van de woningaanpassing. Indien de woningaanpassing in zelfwerkzaamheid wordt getroffen, vervallen de loonkosten;

  • b.

    het architectenhonorarium, indien dit noodzakelijk is, tot ten hoogste 10% van de aanneemsom met dien verstande dat dit niet hoger is dan het maximale honorarium als bepaald voor de leden van NLingenieurs en BNA in DNR 2011;

  • c.

    de kosten voor het toezicht op de uitvoering, indien dit noodzakelijk is, tot een maximum van 2% van de aanneemsom;

  • d.

    de leges voor de omgevingsvergunning, voor zover de omgevingsvergunning betrekking heeft op het treffen van de woningaanpassing;

  • e.

    de door het college schriftelijk goedgekeurde kostenverhoging, die ten tijde van de raming van de kosten redelijkerwijs niet voorzien konden worden.

Artikel 6.12 Persoonsgebonden budget bij tijdelijk verblijf in buitenland

  • 1.

    Een cliënt dient het college tijdig te melden dat hij tijdelijk in het buitenland gaat verblijven.

  • 2.

    Het college doet onderzoek naar de reden van het tijdelijk verblijf in het buitenland en stelt de noodzaak hiervoor vast.

  • 3.

    Als tijdelijk verblijf in het buitenland voor de cliënt als noodzakelijk kan worden beschouwd, kan het persoonsgebonden budget voor diensten worden gecontinueerd mits wordt voldaan aan de voorwaarden die daaraan verbonden zijn.

  • 4.

    De hoogte van het persoonsgebonden budget wordt afgestemd op het tarief waarvoor in het buitenland de dienst kan worden ingekocht maar bedraagt niet meer dan het tarief zoals vastgesteld voor inkoop van de dienst in Nederland.

  • 5.

    Bij tijdelijk verblijf in het buitenland kan het persoonsgebonden budget voor een aaneengesloten periode van maximaal 13 weken per jaar worden doorbetaald.

Artikel 6.13 Afschrijvingsprincipe terugbetaling persoonsgebonden budget

  • 1.

    Als een maatwerkvoorziening die is aangeschaft met een persoonsgebonden budget door de cliënt niet meer wordt gebruikt of als de cliënt is verhuisd buiten de gemeente, wordt (een gedeelte van) het persoonsgebonden budget teruggevorderd op basis van de restwaarde van de maatwerkvoorziening. Hierbij geldt het volgende afschrijvingsprincipe:

    • gebruiksduur tussen 0 en 1 jaar 70% van de kosten

    • gebruiksduur tussen 1 en 2 jaar 60% van de kosten

    • gebruiksduur tussen 2 en 3 jaar 45% van de kosten

    • gebruiksduur tussen 3 en 4 jaar 35% van de kosten

    • gebruiksduur tussen 4 en 5 jaar 25% van de kosten

    • gebruiksduur tussen 5 en 6 jaar 15% van de kosten

    • gebruiksduur tussen 6 en 7 jaar 5% van de kosten

  • 2.

    De door cliënt in totaal gedurende de gebruiksduur betaalde bijdrage in de kosten wordt in mindering gebracht op het terug te betalen bedrag.

 

 

Hoofdstuk 7. Bijdrage in de kosten en ritbijdrage

Artikel 7.1 Verschuldigde bijdrage in de kosten maatwerkvoorziening

  • 1.

    De bijdrage in de kosten is verschuldigd met inachtneming van de regels waaronder het bijdrageplichtig inkomen als bedoeld in hoofdstuk 3 van het Uitvoeringsbesluit.

  • 2.

    De kostprijs van de maatwerkvoorziening is:

    • a.

      het toegekende en betaalde persoonsgebonden budget;

    • b.

      de huurprijs die het college verschuldigd is aan de aanbieder;

    • c.

      de koopprijs die het college verschuldigd is aan de aanbieder;

    • d.

      voor diensten geldt het tarief dat het college verschuldigd is aan de aanbieder;

  • 3.

    De bijdrage in de kosten is gelijk aan de maximale bedragen zoals opgenomen in het Uitvoeringsbesluit en volgen telkens de aanpassingen door de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport.

  • 4.

    De cliënt is naast de ritbijdrage geen eigen bijdrage in de kosten verschuldigd voor het gebruik van de Regiotaxi (collectief vervoer) tegen gereduceerd tarief.

Artikel 7.2 Ritbijdrage

  • 1.

    Voor het gebruik van de Regiotaxi tegen gereduceerd tarief geldt een eigen ritbijdrage van € 0,167 per gereisde kilometer. Voor elke rit is een instaptarief van € 0,96 verschuldigd.

  • 2.

    Het maximaal reisbereik bedraagt 25 kilometer via de kortste route.

  • 3.

    De cliënt kan met één sociaal begeleider reizen tegen het gereduceerd tarief. Beiden betalen het gereduceerde tarief.

  • 4.

    Wanneer begeleiding naar het oordeel van het college medisch noodzakelijk is, reist de begeleider gratis. Heeft de cliënt een indicatie voor medische begeleiding, dan kan deze alleen reizen wanneer de medisch begeleider meereist. Om als begeleider te kunnen worden aangemerkt moet de begeleider 16 jaar of ouder zijn.

 

 

Hoofdstuk 8. Tegemoetkoming meerkosten

Artikel 8.1 Tegemoetkoming sportrolstoel

  • 1.

    De tegemoetkoming voor de aanschaf, onderhoud en reparatie van een sportrolstoel is een forfaitair bedrag en is vastgesteld op € 3.208,80.

  • 2.

    De tegemoetkoming wordt maximaal eenmaal per drie jaar verstrekt en alleen als de met een reeds eerder toegekende tegemoetkoming aangeschafte voorziening technisch is afgeschreven dan wel niet meer geschikt is.

  • 3.

    Uitbetaling van de tegemoetkoming voor de sportrolstoel vindt plaats direct na de toekenning ervan.

Artikel 8.2 Tegemoetkoming verhuis- en inrichtingskosten

  • 1.

    Voor inwoners die op grond van artikel 5.5, zevende lid, niet in aanmerking komen voor een woningaanpassing, omdat verhuizen naar een andere woning de goedkoopst passende oplossing is, kan het college een verhuiskostenvergoeding toekennen. Dit is een financiële tegemoetkoming voor verhuis- en inrichtingskosten.

  • 2.

    De tegemoetkoming verhuis- en inrichtingskosten bedraagt maximaal € 2.674,50.

  • 3.

    De hoogte van de verhuiskostenvergoeding zal worden afgestemd op de eigen (financiële) mogelijkheden van de aanvrager. Het betreft een maatwerkvoorziening rondom verhuizing en herinrichting.

  •  

 

 

Hoofdstuk 9. Overgangs- en slotbepalingen

Artikel 9.1 Overgangsrecht

  • Aanvragen die bij het college zijn ingediend voor inwerkingtreding van deze nadere regels en waarop nog niet is beslist per datum inwerkingtreding hiervan, worden afgehandeld krachtens deze nadere regels.

Artikel 9.2 Intrekking Nadere regels Wmo Gemeente Oisterwijk 2019.1

  • Met de inwerkingtreding van deze nadere regels worden de Nadere regels maatschappelijke ondersteuning gemeente Oisterwijk 2019.1 ingetrokken met dien verstande dat besluiten die zijn genomen op grond van deze nadere regels met de daarbij behorende rechten en plichten in stand blijven.

Artikel 9.3 Inwerkingtreding

  • Deze nadere regels treden in werking een dag na bekendmaking.

Artikel 9.4 Citeertitel

  • Deze beleidsregels worden aangehaald als: Nadere regels Wmo Gemeente Oisterwijk 2020

  •  

Oisterwijk, 14 juli 2020

Het college van burgemeester en wethouders van Oisterwijk,

Secretaris, de burgemeester,

Ineke Depmann Hans Janssen

BIJLAGE 1  

Protocol gebruikelijke hulp

1. De aard en de omvang van de ondersteuningsbehoefte van de cliënt

Het college inventariseert als eerste de hier genoemde omstandigheden.

 

De aard

De aard van de ondersteuningsbehoefte kan zeer divers zijn. De cliënt kan aangewezen zijn op hulp bij zelfzorg, de thuisadministratie, het plannen of ondernemen van dagelijkse activiteiten in het kader van participatie of bij problematisch gedrag. De mate van zelfredzaamheid is enerzijds afhankelijk van de beperkingen die de cliënt daarbij ondervindt. Anderzijds wordt de mate van zelfredzaamheid bepaald door wat de cliënt wel zelf kan al dan niet met hulp van anderen of met gebruikmaking van bijvoorbeeld algemene voorzieningen (zie hoofdstuk 4 van de Verordening; beoordeling aanspraak). Het college houdt in ieder geval rekening met hulp bij of het overnemen van activiteiten of taken die naar algemene maatstaven in de persoonlijke levenssfeer onderling aan elkaar moet worden geboden. Zie verder onder het kopje ‘de aard van de relatie van de persoon binnen de leefeenheid met de cliënt’ van deze beleidsregels.

 

De omvang

Ook de omvang van de ondersteuningsbehoefte kan divers van aard zijn. Zo kan de cliënt zijn aangewezen op permanent toezicht hetgeen zware eisen kan stellen aan de persoon van wie gebruikelijke hulp wordt gevergd. Daarnaast kan de totale omvang van de ondersteuningsbehoefte met zich meebrengen dat (deels) niet meer van gebruikelijke hulp kan worden gesproken. Dat deel kan daarom als boven-gebruikelijk worden aangemerkt, tenzij het uitstelbare ondersteuning betreft of bijvoorbeeld gebruik kan worden gemaakt van andere oplossingen. Is dat niet aan de orde, dan kan het college een maatwerkvoorziening verlenen. Het kan echter ook gaan om een meer incidentele vorm van hulp die wel een structureel karakter heeft. Denk bijvoorbeeld aan hulp bij zelfzorg of participatie. De omvang van de ondersteuning kan onder de normale routine van de leefeenheid vallen. Denk bijvoorbeeld aan het uitzoeken en klaarleggen van kleding, het gezamenlijk eten, et cetera. In die gevallen zal de hulp al snel als gebruikelijke hulp kunnen worden aangemerkt.

 

Kortdurende of een langdurige ondersteuningsbehoefte

Afhankelijk van de aard van de beperking kan er een kortdurende of een langdurige ondersteuningsbehoefte bestaan bij de cliënt. Bij een kortdurende ondersteuningsbehoefte is er uitzicht op herstel in de mate van de zelfredzaamheid van de cliënt. In het algemeen geldt hiervoor een periode van drie maanden. Bij langdurig gaat het om een situatie waarbij de ondersteuningsbehoefte naar verwachting langer dan drie maanden aanwezig zal zijn. Indien er sprake is van hulp bij of het overnemen van activiteiten of taken die naar algemene maatstaven in de persoonlijke levenssfeer onderling aan elkaar geacht wordt geboden te worden, is het in principe niet van belang of sprake is van een kortdurende of een langdurige ondersteuningsbehoefte.

 

Tijdelijk overnemen eenvoudig schoonmaakwerk

Bij de beoordeling van de duur bij het (tijdelijk) overnemen van huishoudelijke werkzaamheden wordt ook in principe geen rekening gehouden met een onderscheid tussen een kortdurende of een langdurige ondersteuningsbehoefte. Ook wordt in principe geen rekening gehouden met de aard van de relatie. Het gaat er om of sprake is van een huisgenoot binnen de leefeenheid. Dat is in lijn met de regels zoals die golden onder de Wmo 2007. Wel kunnen individuele omstandigheden ertoe leiden dat geen gebruikelijke hulp wordt verlangd. Verder is het zo dat voor eenvoudige schoonmaakwerk geen maatwerkvoorziening wordt verleend.

 

2. De aard van de relatie van de persoon binnen de leefeenheid met de cliënt

Als algemeen uitgangspunt geldt dat huisgenoten elkaar onderling gebruikelijke hulp moeten bieden. Immers huisgenoten binnen de leefeenheid hebben de keuze gemaakt om een duurzaam gezamenlijk huishouden te voeren. Dat maakt hen verantwoordelijk voor het functioneren van het huishouden. Het college moet wel rekening houden met de aard van de relatie die de persoon binnen de leefeenheid heeft met de cliënt. Dat betekent dat er onderscheid kan bestaan tussen wat van echtgenoten/partners ten opzichte van elkaar als gebruikelijke hulp kan worden aangemerkt, tussen kinderen ten opzichte van hun ouders en huisgenoten die bijvoorbeeld geen bloedverwantschap hebben met de cliënt. Zie verder onder het kopje ‘huisgenoten’ van dit protocol.

 

3. De leeftijd en de ontwikkelingsfase van inwonende kinderen

Als de cliënt thuiswonende kinderen heeft, dan gaat het college er in beginsel vanuit dat de kinderen, afhankelijk van hun leeftijd en de ontwikkelingsfase, een bijdrage kunnen leveren aan het (tijdelijk) overnemen van huishoudelijke werkzaamheden. Ondersteuning bieden, zoals begeleiding, ligt minder voor de hand en dat beoordeelt het college dan ook in het individuele geval. De inzet van kinderen mag nooit ten koste gaan van hun welbevinden en ontwikkeling, waaronder het omgaan met leeftijdgenoten, het doen aan vrijetijdsbesteding en de schoolprestaties.

 

Kinderen binnen de leefeenheid

In geval de leefeenheid van de cliënt mede bestaat uit kinderen, dan gaat het college er vanuit dat de kinderen, afhankelijk van hun leeftijd en psychosociaal functioneren, een bijdrage kunnen leveren aan de huishoudelijke taken. Een volwassenen huisgenoot van 23 jaar en ouder dient het huishouden geheel over te nemen. Een 18- tot 23-jarige wordt verondersteld een eenpersoonshuishouden te kunnen voeren. Daarnaast kunnen zij eventuele jongere gezinsleden verzorgen en begeleiden. Onder de omstandigheden van het individuele geval kan ook andere hulp of ondersteuning van het meerderjarige kind aan de ouder(s) onder de gebruikelijke hulp vallen. Verder geleden de volgende uitgangspunten.

• Kinderen tot 5 jaar leveren geen bijdrage aan de huishouding.

• Kinderen tussen 5-12 jaar worden naar hun eigen mogelijkheden betrokken bij lichte huishoudelijke werkzaamheden als opruimen, tafel dekken/afruimen, afwassen/afdrogen, boodschap doen, kleding in de wasmand gooien.

• Kinderen vanaf 13 jaar kunnen, naast bovengenoemde taken hun eigen kamer op orde houden, d.w.z. rommel opruimen, stofzuigen, bed verschonen.

Algemene maatstaven in de persoonlijke levenssfeer

Het college houdt wel rekening met hulp bij of het overnemen van activiteiten of taken die naar algemene maatstaven in de persoonlijke levenssfeer onderling aan elkaar geacht wordt geboden te worden. Voorbeelden zijn:

• hulp bij een bezoek aan de familie, vrienden, huisarts, et cetera.

• hulp bij of het overnemen van taken die tot een gezamenlijk huishouden behoren zoals de thuisadministratie.

• hulp aan derden, die behoren tot de omgeving van de cliënt, in het omgaan met de beperkingen van de cliënt. Denk aan familie, vrienden, leerkracht, et cetera.

• hulp van ouders aan kinderen, waaronder ook toezicht, bij activiteiten zoals zwemmen of andere activiteiten die kinderen normaal gesproken doen en waar zij door hun ouders bij begeleid worden. Verwezen wordt naar de bijlage ‘uitgangspunten zorg ouder voor kinderen’ bij deze beleidsregels.

 

4. De leerbaarheid van de cliënt en/of de personen van wie gebruikelijke hulp kan worden gevergd

Het kan voorkomen dat er (tijdelijk) geen gebruikelijke hulp kan worden verwacht. Een reden daarvoor kan zijn dat de huisgenoot niet weet op welke manier zij gebruikelijke hulp kan of moet verlenen, maar dat wel kan aanleren. Denk bijvoorbeeld aan situaties waarin men wordt geconfronteerd met een ondersteuningsbehoefte van de cliënt door niet eerder aanwezige beperkingen zoals bij een niet aangeboren hersenletsel (NAH) of (beginnende) dementie. Of een huisgenoot die bijvoorbeeld nooit heeft geleerd huishoudelijke werkzaamheden uit te voeren, maar wel leerbaar is. Het college kan dan tijdelijk een maatwerkvoorziening inzetten om de gebruikelijke hulp aan te leren. De ondersteuning is dan ook gericht op het in staat te stellen om te gaan met (de gevolgen van) de beperkingen van de cliënt. Het spreekt voor zich dat de leerbaarheid van de cliënt hierbij ook een belangrijke rol speelt. Die kan betrekking hebben op het (leren) accepteren van de gebruikelijke hulp. De aard van en de mate van beperkingen spelen hierbij een belangrijke rol.

 

Geen gebruikelijke hulp verlangen

Voor zover een partner, ouder, volwassen kind en/of elke andere volwassen huisgenoot geobjectiveerde beperkingen heeft en/of kennis dan wel vaardigheden mist om gebruikelijke hulp aan de cliënt te bieden en deze vaardigheden niet kunnen worden aangeleerd wordt van hen geen gebruikelijke hulp verwacht.

 

Huisgenoten

Onder een huisgenoot wordt iedere persoon verstaan die tot de leefeenheid van de cliënt behoort. Onder een leefeenheid worden alle bewoners verstaan die een gemeenschappelijke woning bewonen met als doel een duurzaam gezamenlijk huishouden te voeren. Zie begripsbepalingen in de Verordening. Van hen wordt in principe verwacht gebruikelijke hulp aan elkaar te bieden. Het kan achtereenvolgens gaan om:

• Echtgenoten/partners

• Kinderen en ouders

• Ouders en kinderen

• Andere huisgenoten

 

Echtgenoten/partners

Als uitgangspunt geldt dat van echtgenoten/partners ten opzichte van elkaar meer wordt verwacht in het kader van gebruikelijke hulp dan van kinderen ten opzichte van hun ouders. Dat heeft te maken met wat gebruikelijk is volgens algemene maatstaven in de persoonlijke levenssfeer. Zo wordt het normaal geacht dat de ene partner de ander aanspoort tot bijvoorbeeld zelfzorg of hulp biedt bij de sociale redzaamheid.

 

Kinderen en ouders

Het algemene principe van de verantwoordelijkheid voor de leefeenheid geldt ook voor de hulp of ondersteuning van kinderen naar hun ouders toe. Voor kinderen ten opzichte van hun ouders kan dat bij begeleiding wel anders liggen. Het hoeft niet in alle gevallen zo te zijn dat het volgens algemene maatstaven in de persoonlijke levenssfeer gebruikelijk is dat kinderen hun ouder(s) bijvoorbeeld aansporen tot zelfzorg. Daarbij kan de mate van beperkingen en de noodzakelijke aansporing tot zelfzorg bepalend zijn.

 

Ouders en kinderen

De zorgplicht van ouders voor hun kinderen strekt zich uit over opvang, verzorging, begeleiding en opvoeding die een ouder (of verzorger), onder meer afhankelijk van de leeftijd en verstandelijke ontwikkeling van het kind, normaal gesproken geeft aan een kind, inclusief de ‘zorg’ bij kortdurende ziekte. Bij uitval van één van de ouders neemt de andere ouder de gebruikelijke hulp voor de kinderen over. Gebruikelijke hulp voor kinderen omvat in ieder geval de aanwezigheid van een verantwoordelijke ouder of derde persoon die past bij de leeftijd en ontwikkeling van het kind. Het overnemen van de gebruikelijke hulp van de kinderen kan een tijdelijke Wmo-aanspraak zijn, maar structurele opvang van kinderen in beginsel niet.

 

Huisgenoten ten opzichte van elkaar

Het algemene principe van de verantwoordelijkheid voor de leefeenheid geldt ook voor de hulp of ondersteuning van huisgenoten ten opzichte van elkaar. Gelet op aard van de relatie (bijvoorbeeld niet familierechtelijk) kan het zijn dat het volgens algemene maatstaven in de persoonlijke levenssfeer niet gebruikelijk is dat de ene huisgenoot de ander aanspoort tot bijvoorbeeld zelfzorg. Daarbij kan de mate van beperkingen en de noodzakelijke aansporing tot zelfzorg bepalen zijn.

 

Uitgangspunten zorg ouder voor kinderen

Kinderen van 0 tot 3 jaar

• hebben bij alle activiteiten zorg van een ouder nodig;

• ouderlijk toezicht is zeer nabij nodig;

• zijn in toenemende mate zelfstandig in bewegen en verplaatsen.

• hebben begeleiding en stimulans nodig bij hun psychomotorische ontwikkeling;

• hebben een beschermende woonomgeving nodig waarin de fysieke en sociale veiligheid is gewaarborgd en een passend pedagogisch klimaat wordt geboden.

 

Kinderen van 3 tot 5 jaar

• kunnen niet zonder toezicht van volwassenen. Dit toezicht kan binnenshuis korte tijd op gehoorafstand (bijv. ouder kan was ophangen in andere kamer);

• hebben begeleiding en stimulans nodig bij hun psychomotorische ontwikkeling;

• kunnen zelf zitten, en op gelijkvloerse plaatsen zelf staan en lopen;

• ontvangen zindelijkheidstraining van ouders/verzorgers;

• hebben gedeeltelijk hulp en volledig stimulans en toezicht nodig bij aan- en uitkleden, eten en wassen, in- en uit bed komen, dag- en nachtritme en dagindeling bepalen;

• hebben begeleiding nodig bij hun spel en vrijetijdsbesteding;

• zijn niet in staat zich zonder begeleiding in het verkeer te begeven.

• hebben een beschermende woonomgeving nodig waarin de fysieke en sociale veiligheid is gewaarborgd en een passend pedagogisch klimaat wordt geboden.

 

Kinderen van 5 tot 12 jaar

• kinderen vanaf 5 jaar hebben een reguliere dagbesteding op school, oplopend van 22 tot 25 uur/week;

• kunnen niet zonder toezicht van volwassenen. Dit toezicht kan op enige afstand (bijv. kind kan buitenspelen in directe omgeving van de woning als ouder thuis is);

• hebben toezicht nodig en nog maar weinig hulp bij hun persoonlijke verzorging;

• hebben begeleiding en stimulans nodig bij hun psychomotorische ontwikkeling;

• zijn overdag zindelijk, en 's nachts merendeels ook; ontvangen zonodig zindelijkheidstraining van de ouders/verzorgers;

• hebben begeleiding van een volwassene nodig in het verkeer wanneer zij van en naar school, activiteiten ter vervanging van school of vrije tijdsbesteding gaan.

• hebben een beschermende woonomgeving nodig waarin de fysieke en sociale veiligheid is gewaarborgd en een passend pedagogisch klimaat wordt geboden.

 

Kinderen van 12 tot 18 jaar

• hebben geen voortdurend toezicht nodig van volwassenen;

• kunnen vanaf 12 jaar enkele uren alleen gelaten worden;

• kunnen vanaf 16 jaar dag en nacht alleen gelaten worden;

• kunnen vanaf 18 jaar zelfstandig wonen;

• hebben bij hun persoonlijke verzorging geen hulp en maar weinig toezicht nodig;

• hebben tot 18 jaar een reguliere dagbesteding op school/opleiding;

• hebben begeleiding en stimulans nodig bij ontplooiing en ontwikkeling (bv. huiswerk of het zelfstandig gaan wonen).

• hebben tot 17 jaar een beschermende woonomgeving nodig waarin de fysieke en sociale veiligheid is gewaarborgd en een passend pedagogisch klimaat wordt geboden.

 

Bijlage 2. PGB tarieven

 

Leefdomein

Bijbehorend resultaatgebied

Intensiteit

Gecontracteerde tarief per 4 weken

 

PGB per maand

( 75 %)

PGB

Sociaal netwerk (50%)

  • 1.

    Wonen

1A. Het huishouden wordt zelfstandig gevoerd

+ (1)

€141,84

€ 115,25

€ 76,83

 

 

++ (2)

€301,40

€ 244,89

€ 163,26

 

 

+++ (3)

€482,87

€ 392,33

€ 261,55

 

1B. Hulp aan huis

+ (1)

€95,10

€ 77,27

€ 51,51

 

 

++ (2)

€172,91

€ 140,49

€ 93,66

 

 

+++ (3)

€253,60

€ 206,05

€ 137,37

 

 

++++ (4)

€397,69

€ 323,12

€ 215,42

  • 2.

    Financiën

2A. De financiën zijn op orde

+ (1)

€80,30

€ 65,24

€ 43,50

 

 

++ (2)

€186,68

€ 151,68

€ 101,12

 

 

+++ (3)

€308,70

€ 250,82

€ 167,22

 

 

++++ (4)

€553,78

€ 449,95

€ 299,97

 

2B. De administratie is op orde

+ (1)

€116,80

€ 94,90

€ 63,27

 

 

++ (2)

€222,14

€ 180,49

€ 120,33

 

 

+++ (3)

€453,66

€ 368,60

€ 245,74

  • 3.

    Regie op eigen leven

3A. Psychische stabiliteit

+ (1)

€163,73

€ 133,03

€ 88,69

 

 

++ (2)

€241,95

€ 196,58

€ 131,06

 

 

+++ (3)

€316,00

€ 256,75

€ 171,17

 

 

++++ (4)

€431,76

€ 350,81

€ 233,87

 

 

+++++ (5)

€582,98

€ 473,67

€ 315,78

 

3B. Iemand is in staat om de activiteiten in het dagelijks leven uit te voeren

+ (1)

€139,75

€ 113,55

€ 75,70

 

 

++ (2)

€206,49

€ 167,78

€ 111,85

 

 

+++ (3)

€327,47

€ 266,07

€ 177,38

 

 

++++ (4)

€660,15

€ 536,37

€ 357,58

  • 4.

    Maatschappelijke participatie

4A. Iemand heeft sociale contacten / zinvolle dagbesteding

+ (1)

€153,31

€ 124,57

€ 83,05

 

 

++ (2)

€336,86

€ 273,70

€ 182,47

 

 

+++ (3)

€528,75

€ 429,61

€ 286,41

  •  

 

++++ (4)

€796,77

€ 647,38

€ 431,59

 

4B. Iemand levert een actieve bijdrage aan de samenleving in de vorm van vrijwilligerswerk

+ (1)

€115,76

€ 94,06

€ 62,71

 

 

++ (2)

€228,39

€ 185,57

€ 123,71

  •  

 

+++ (3)

€498,50

€ 405,03

€ 270,02

 

 

++++ (4)

€876,04

€ 711,78

€ 474,52

 

4C. Iemand levert een actieve bijdrage aan de samenleving in de vorm van arbeidsmatige dagbesteding

+ (1)

€106,38

€ 86,44

€ 57,63

 

 

++ (2)

€207,54

€ 168,63

€ 112,42

 

 

+++ (3)

€428,63

€ 348,26

€ 232,18

 

 

++++ (4)

€669,54

€ 544,01

€ 362,67

 

 

+++++(5)

€907,33

€ 737,21

€ 491,47

  • 5.

    Gezin en huiselijke relaties

5A. De leden van het huishouden gaan goed met elkaar om.

+ (1)

€156,44

€ 127,11

€ 84,74

  •  

 

++ (2)

€279,50

€ 227,09

€ 151,40

  •  

 

+++ (3)

€436,97

€ 355,04

€ 236,69

  •  

 

++++ (4)

€695,61

€ 565,19

€ 376,79

  •  

5B. Er is een gezond opgroei- en opvoedklimaat

+ (1)

€78,22

€ 63,56

€ 42,37

  •  

 

++ (2)

€203,37

€ 165,24

€ 110,16

  •  

 

+++ (3)

€314,96

€ 255,91

€ 170,61

  •  

 

++++ (4)

€609,05

€ 494,85

€ 329,90

  • 6.

    Sociaal Netwerk

6A. Het netwerk is versterkt

+ (1)

€67,79

€ 55,08

€ 36,72

  •  

 

++ (2)

€178,33

€ 144,89

€ 96,60

  •  

 

+++ (3)

€294,10

€ 238,96

€ 159,31

  •  

 

++++ (4)

€565,25

€ 459,26

€ 306,18

  •  

6B. Het netwerk is ondersteunend en/of ontlast

+ (1)

€104,29

€ 84,74

€ 56,49

  •  

 

++ (2)

€232,57

€ 188,96

€ 125,98

  •  

 

+++ (3)

€370,23

€ 300,81

€ 200,54

  •  

 

++++ (4)

€591,32

€ 480,45

€ 320,30

  • Producten

E1. Vervoer van en naar de dagbesteding

+ (1)

€7,82 (1 retour per dag)

€6,35 (1 retour per dag)

€4,24

  •  

E2. Rolstoelvervoer van en naar de dagbesteding

+ (1)

€29,72 (1 retour per dag)

€24,15 (1 retour per dag)

€16,10

  •  

E3. Persoonlijke verzorging

+ (1)

€44,42

€36,09

€ 24,06

  •  

E4. Kortdurend verblijf (etmaal)

+ (1)

€30,25

€24,58

€ 16,39

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Leefdomein

Resultaatgebied

Omschrijving

1.Wonen

1A. Het huishouden wordt zelfstandig gevoerd

Begeleiding is noodzakelijk om het huishouden te voeren, zelfstandig en veilig thuis te kunnen wonen, vaardigheden aan te leren of te ontwikkelen. Het betreft bijvoorbeeld begeleiding, aansturing, coaching. Het is niet het daadwerkelijk

overnemen/uitvoeren van de huishoudelijke activiteiten, maar hierin kan wel samen worden opgetrokken om de cliënt aan te sturen of de werkzaamheden voor te doen om aan de werkzaamheden aan te leren.

 

1B. De woning is schoon en leefbaar

het beschikken over een schoon en leefbaar huis;

het beschikken over schone, draagbare en doelmatige kleding;

het beschikken over goederen voor eerste levensbehoeften;

het thuis kunnen zorgen voor kinderen die tot het gezin behoren;

het kortdurend aanleren van huishoudelijke vaardigheden door het gezamenlijk uitvoeren van huishoudelijke taken.

Het uitvoeren/overnemen van huishoudelijke activiteiten staat hierbij voorop. Op basis van wat de cliënt en/of het netwerk zelf kunnen, wordt hierin gezamenlijk opgetrokken.

2. Financiën

2A. De financiën zijn op orde

Begeleiding bij het beheer van financiën inclusief administratie als financiële problemen daar aanleiding voor geven. Bijvoorbeeld bij schuldenproblematiek en het voorkomen van bewindvoering. Het daadwerkelijke overnemen van financiën als

dit niet over genomen kan worden door het voorliggende voorzieningen zoals bijvoorbeeld gemeentelijke schuldhulpverlening.

 

2B. De administratie is op orde

Begeleiding bij een juiste administratie in het geval er geen financiële problemen zijn. Overleg met instanties, het voorbereiden van aanvragen en regelingen bij instanties, als dit niet over genomen kan worden door het voorliggende

voorzieningen.

3. Regie op eigen leven

3A. Psychische stabiliteit

De ondersteuning richt zich niet op praktische zaken, maar juist op de psychische situatie van de cliënt. Inzicht in ziektebeeld/beperkingen en hier op goede wijze mee om leren gaan. (het betreft geen behandeling). Als ondersteuning bij

voorliggende voorzieningen niet voldoende is zoals bijvoorbeeld POH GGz.

 

3B. Iemand is in staat om de activiteiten in het dagelijks leven uit te voeren

Het gaat om cliënten die taken wel kunnen uitvoeren maar daartoe aangespoord/aangestuurd moeten worden omdat ze een regieprobleem hebben, bijvoorbeeld door een verstandelijke of psychische beperking. Gericht op de dagelijks

terugkerende levensverrichtingen en zelfzorg, zonder geneeskundig karakter. Onvoldoende regelvermogen, besluitvaardigheid en initiatief om zelfregie en dagstructuur te ontwikkelen en/of te behouden. Denk hierbij aan: ondersteuning bij het

vinden van een passende daginvulling en dagritme.

4. Maatschappelijke participatie

4A - Iemand heeft sociale contacten/ zinvolle dagbesteding

Bevorderen van participatie van de cliënt door deel te nemen aan activiteiten, een zinvolle dagbesteding. Lichte groepsbegeleiding. Bij deze vorm ligt de nadruk vooral op de cliënt zelf (mensen ontmoeten) en niet zo zeer op zijn of haar bijdrage

aan de maatschappij. Kan ook ingezet worden om mantelzorger(s) te ontlasten.

 

4B. Iemand levert een actieve bijdrage aan de samenleving in de vorm van vrijwilligerswerk

(Groeps)begeleiding gericht op activering, het aanleren van vaardigheden. Denk aan dagbesteding met het maken van producten en diensten zonder productie- eisen. Begeleiding of dagbesteding met een verhoogde arbeidsmatige waarde die

zowel zinvol is voor de cliënt, als zinvol voor de maatschappij.

NB vrijwilligerswerk wordt in deze bedoeld als dagbesteding met het maken van producten en diensten zonder productie- eisen en dus niet vrijwilligerswerk zoals uitgevoerd door bijvoorbeeld ContourdeTwern.

5. Gezin en huiselijke relaties

5A. De leden van het huishouden gaan goed met elkaar om

 

Begeleiding in geval van relationele problemen tussen cliënt en huisgenoten of niet samenwonende partners, zoals mishandeling, huiselijk geweld vallen hieronder. Is niet alleen gericht op herstel van de relatie maar ook gericht op de veiligheid

van de cliënt. Leden van het gezin/huishouden dragen zorg voor elkaar en hebben een gezonde huiselijke relatie en onderlinge communicatie.

 

5B. Er is een gezond opvoed- en opgroeiklimaat

Begeleiding in situaties waar een kind zichzelf niet veilig kan ontwikkelen en ontplooien. Ouders zijn niet in staat om dit zelfstandig te doen. Situaties in het kader van veiligheidsproblematiek, zoals mishandeling, huiselijk geweld waarbij kinderen

in het spel zijn vallen hieronder. Werken aan dat ouder(s) weer in staat zijn om invulling te geven aan ‘ouderschap’.

6. Sociaal netwerk

6A. Het netwerk is versterkt

Begeleiding voor het versterken van het netwerk, sociale contacten en begeleiding bij eenzaamheid. Het aanleren van vaardigheden met betrekking tot sociale contacten. Met veel cliënten wordt gewerkt aan het versterken van het netwerk.

 

6B. Het netwerk is ondersteunend en/of ontlast

Individuele begeleiding om de mantelzorger(s) te ontlasten. Kan gericht zijn op de cliënt maar ook op de mantelzorger(s). Dagbesteding om de mantelzorger te ontlasten valt onder 4a. Om de mantelzorger(s) te ontlasten kunnen beide

resultaatgebieden tegelijkertijd worden ingezet.

Producten

Vervoer van en naar de dagbesteding

Kan alleen worden toegekend als er ook werkelijk vervoer van en naar de dagbesteding is. Kan alleen in combinatie met 4a, 4b, 4c. De aanbieder heeft de verantwoordelijkheid om indien nodig vervoer te faciliteren voor de cliënt van en naar de

dagbesteding.

 

Rolstoelvervoer van en naar de dagbesteding

Van naar de dagbesteding kan alleen worden toegekend als er ook werkelijk vervoer naar de dagbesteding is. Kan alleen in combinatie met 4a, 4b, 4c. De aanbieder heeft de verantwoordelijkheid om indien nodig vervoer te faciliteren voor de

cliënt van en naar de dagbesteding

 

Persoonlijke verzorging

Valt onder de Wmo wanneer de behoefte aan PV samenhangt met de behoefte aan begeleiding. Het is altijd in combinatie met begeleiding, ofwel een onderdeel van de resultaatgebieden in de matrix. Het gaat bij PV niet om het daadwerkelijk

wassen en aankleden van de cliënt, maar om de begeleiding hierbij.

 

Kortdurend verblijf

Is bedoeld om mantelzorg te ontlasten (respijtzorg). Het tarief betreft alleen een verblijfscomponent. Is er ook begeleiding nodig tijdens het verblijf dan wordt dit gecombineerd met een resultaatgebied.