De burgemeester van Leidschendam-Voorburg,
Overwegende,
dat hij overeenkomstig artikel 151c van de Gemeentewet juncto artikel 2.77 van de Algemene plaatselijke verordening van de gemeente Leidschendam-Voorburg kan besluiten tot het plaatsen van camera’s voor een bepaalde duur ten behoeve van het toezicht op een openbare plaats in het kader van de handhaving van de openbare orde;
dat uit een rapportage van de politie blijkt dat er in de periode van 1 januari 2020 t/m 16 juli 2020 een significan toename te zien is in het aantal de politie registraties (incidenten/datum kennisname) in het bedrijfsprocessen systeem BVH/ bluespotmonitor;
dat deze registraties betrekking hebben op overlastfeiten en verstoringen van de openbare orde, in de gebieden Heuvelwijk, Amstelwijk en Prinsenhof;
dat in de wijken een bepaalde mate van onrust heerst onder de bewoners;
dat in de wijken reeds initiatieven (gesprekken met de wijkagent, cameratoezicht op andere plaatsen) zijn ondernomen om te komen tot verbetering dan wel een oplossing, doch dat deze initiatieven niet toereikend zijn gebleken;
dat het aanwijzen van dit gebied als gebied met cameratoezicht zal bijdragen aan het verhogen van de veiligheid in het algemeen en de veiligheid in het aangewezen gebied in het bijzonder;
dat de belangen van openbare veiligheid, het voorkomen van wanordelijkheden en van strafbare feiten en de veiligheid in het onderhavige geval zwaarder wegen dan het individuele belang van de burgers (bescherming van de persoonlijke levenssfeer);
dat het cameratoezicht in het hierna genoemde gebied voldoet aan de eisen die artikel 151c van de Gemeentewet stelt aan het instellen van cameratoezicht (bijvoorbeeld kenbaarheid van cameratoezicht, proportionaliteit, subsidiariteit);
dat derhalve aanleiding is om het instrument van cameratoezicht te gebruiken;
dat de duur van de aanwijzing en de omvang van het gebied proportioneel moet zijn in relatie tot het beoogde legitieme doel;
dat tijdig voorafgaand aan de einddatum op basis van een rapportage van de politie wordt bepaald of het cameratoezicht in het genoemde gebied dient te worden voortgezet;
dat hij dit heeft besproken met de teamchef van politie en de Officier van Justitie;
dat de teamchef van politie en de Officier van Justitie hebben ingestemd met het inzetten van voormeld instrument en hun medewerking zullen verlenen aan het toepassen van cameratoezicht.
Dat het plaatsen van de camera geschiedt onder de voorwaarden dat:
na incidenten beelden van het cameratoezicht door de politie worden bekeken;
de camerabeelden 24 uur per dag worden opgenomen en opgeslagen;
de opgenomen beelden ten hoogste 28 dagen worden opgeslagen, indien de opgenomen beelden niet noodzakelijk zijn voor het onderzoek worden deze na 28 dagen vernietigd;
de beelden die noodzakelijk zijn voor onderzoek kunnen langer kunnen worden bewaard met een maximale termijn conform de Wet politiegegevens;