Gemeenteblad van Purmerend

Datum publicatieOrganisatieJaargang en nummerRubriek
PurmerendGemeenteblad 2020, 164591Verordeningen



Parkeerverordening 2020

De raad van de gemeente Purmerend

 

gelezen het voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 12 mei 2020 met registratienummer 1508920;

 

gelet op artikel 149 van de Gemeentewet en artikel 2a van de Wegenverkeerswet 1994;

 

B E S L U I T:

 

vast te stellen de volgende Parkeerverordening 2020

 

AFDELING I. DEFINITIES EN BEGRIPSOMSCHRIJVINGEN

Artikel 1

In deze verordening wordt verstaan onder:

  • a.

    autodelen: het herhaald en opeenvolgend gezamenlijk gebruik van motorvoertuigen op grond van een overeenkomst tussen natuurlijke personen en een aanbieder of tussen natuurlijke personen uit meer dan één huishouden;

  • b.

    autodeelplaats: een parkeerplaats aangewezen voor een motorvoertuig bestemd voor autodelen;

  • c.

    adres: het adres zoals dat bekend staat in de Basisregistratie Adressen en Gebouwen (BAG);

  • d.

    belanghebbendenplaats: een parkeerplaats die is aangeduid met bord E9 uit bijlage 1 van het RVV 1990, of gelegen is binnen een zone aangeduid met bord E9 uit bijlage 1 van het RVV 1990 met het opschrift zone, en voorzien van een onderbord met de tijden waarop het vergunningparkeren van kracht is;

  • e.

    eigen parkeervoorziening: een parkeerplaats op eigen terrein, een gehandicaptenparkeerplaats op kenteken op de openbare weg en/of een parkeerplaats dan wel garage(box)- huur of koop – op/bij het terrein of in de garage van een complex waarvan in de omgevingsvergunning, splitsingsakte, het ter plaatse vigerende bestemmingsplan, de huur- of koopovereenkomst of de erfpachtvoorwaarden is vastgelegd dat deze bedoeld is als parkeergelegenheid voor de bewoner die woonachtig is of het bedrijf dat gevestigd is op het betreffende adres;

  • f.

    garage(box): een eigen parkeervoorziening die onlosmakelijk verbonden is aan een appartementencomplex en waarvan uit de splitsingsakte blijkt dat deze gekoppeld is aan een appartement en aldus niet los verhandelbaar is of die onlosmakelijk verbonden is aan een woning in de vorm van één kadastraal object waardoor deze niet los verhandelbaar is;

  • g.

    houder: degene op wiens naam het voor het motorrijtuig opgegeven kenteken ten tijde van het parkeren was ingeschreven in het krachtens de Wegenverkeerswet 1994 aangehouden register van opgegeven kentekens;

  • h.

    mantelzorg: langdurige zorg die niet in het kader van een hulpverlenend beroep wordt geboden aan een hulpbehoevende door personen uit diens directe omgeving, waarbij zorgverlening rechtstreeks voortvloeit uit de sociale

    relatie en de gebruikelijke zorg van huisgenoten voor elkaar overstijgt;

  • i.

    mantelzorger: persoon die mantelzorg verleent en bij het Loket Wmo van de gemeente Purmerend geregistreerd staat als mantelzorger;

  • j.

    motorvoertuigen: hetgeen daaronder wordt verstaan in het RVV 1990 met inbegrip van brommobielen, zoals bedoeld in artikel 1 van het RVV 1990;

  • k.

    nulvergunningengebied: het gebied in de binnenstad van Purmerend zoals afgebeeld in bijgevoegde kaart met titel ‘nulvergunningengebied Purmerend’ en kenmerk 1508920;

  • l.

    nulvergunningenregeling: een parkeerafspraak vastgelegd in het bestemmingsplan of de omgevingsvergunning die inhoudt dat er geen aanspraak gemaakt kan worden op parkeervergunningen voor straatparkeren;

  • m.

    parkeren: het gedurende een aaneengesloten periode doen of laten staan van een motorvoertuig, anders dan gedurende de tijd die nodig is voor en gebruikt wordt tot het onmiddellijk in- of uitstappen van personen dan wel het onmiddellijk laden of lossen van goederen, op binnen de gemeente gelegen voor het openbaar verkeer openstaande terreinen of weggedeelten, waarop dit doen of laten staan niet ingevolge een wettelijk voorschrift is verboden;

  • n.

    parkeerapparatuur: parkeermeters, parkeerautomaten met inbegrip van verzamelparkeermeters en hetgeen naar maatschappelijke opvatting overigens onder parkeerapparatuur wordt verstaan;

  • o.

    parkeerapparatuurplaats: een parkeerplaats waarvoor parkeerbelasting wordt geheven door middel van parkeerapparatuur;

  • p.

    parkeervergunning: een door het college verleende vergunning, krachtens welke het is toegestaan een motorvoertuig te parkeren op daartoe aangewezen parkeerapparatuur- of belanghebbendenplaatsen;

  • q.

    RVV 1990: het Reglement verkeersregels en verkeerstekens1990;

  • r.

    vergunninghouder: de natuurlijke persoon of rechtspersoon aan wie een vergunning is verleend;

  • s.

    zelfstandige woning: woning die een eigen toegang heeft, voorzien is van een keuken, douche en toilet en welke de bewoner kan bewonen zonder daarbij afhankelijk te zijn van wezenlijke voorzieningen buiten die woning, als bedoeld in art. 7:234 van het Burgerlijk Wetboek, danwel een woning waarvan met een notariële akte wordt aangetoond dat sprake is van een zelfstandige woning.

AFDELING II. PLAATSEN VOOR VERGUNNINGHOUDERS, VERGUNNINGEN EN VERGUNNINGBEWIJZEN

Artikel 2
  • 1.

    Het college kan weggedeelten aanwijzen die bestemd zijn voor het parkeren door vergunninghouders. Het college kan hierbij onderscheid maken in de categorieën als bedoeld in artikel 3, derde lid.

  • 2.

    Het college kan de tijdstippen vaststellen waarop het parkeren alleen aan vergunninghouders is toegestaan.

Artikel 3
  • 1.

    Het college kan op een daartoe strekkende aanvraag een vergunning verlenen voor het parkeren op belanghebbendenplaatsen of parkeerapparatuurplaatsen.

  • 2.

    Het college kan nadere regels vaststellen met betrekking tot het aanvragen, verlenen, wijzigen, intrekken en weigeren van parkeervergunningen.

  • 3.

    Het college kan in een gebied waar belanghebbendenplaatsen en/of mede door vergunninghouders te gebruiken parkeerapparatuurplaatsen aanwezig zijn uitsluitend de volgende soorten vergunningen verlenen:

    • a.

      parkeervergunning voor de bewoner in dat gebied (bewonersvergunning);

    • b.

      parkeervergunning voor degene die een beroep of bedrijf uitoefent in dat gebied (bedrijfsvergunning);

    • c.

      parkeervergunning voor de bewoner in dat gebied ten behoeve van zijn bezoek (bezoekersvergunning);

    • d.

      parkeervergunning voor eigenaar of houder van een motorvoertuig bestemd voor autodelen (autodeelvergunning);

    • e.

      parkeervergunning voor de mantelzorger van een bewoner die mantelzorg behoeft in dat gebied (mantelzorgparkeervergunning);

    • f.

      parkeervergunning voor specifieke medische beroepsbeoefenaren waarmee geparkeerd kan worden op belanghebbenden- en parkeerapparatuurplaatsen in alle gebieden (zorgverlenersvergunning);

    • g.

      parkeervergunning voor niet-commerciële organisaties met een maatschappelijk doel die structureel werkzaamheden in de parkeervergunninggebieden uitvoeren waarmee geparkeerd kan worden op belanghebbenden- en parkeerapparatuurplaatsen in alle gebieden (functionele vergunning).

  • 4.

    Met betrekking tot het bepaalde in lid 3 kan het college in het belang van een goede verdeling van de beschikbare ruimte per gebied waar belanghebbenden- en of parkeerapparatuurplaatsen aanwezig zijn nadere regels stellen ten aanzien van:

    • a.

      het verstrekken van de soort vergunning;

    • b.

      het toewijzen van specifieke weggedeelten voor parkeren;

    • c.

      beschikbaarheid van alternatieve parkeermogelijkheden;

    • d.

      het tijdstip waarop de vergunning van kracht is;

    • e.

      de beroepen en organisaties als bedoeld in lid 3 sub f en g.

  • 5.

    Aan een vergunning als bedoeld in lid 3 sub d kan het college voorschriften en beperkingen verbinden die strekken tot bescherming van het belang van het voorkomen of beperken van door het verkeer veroorzaakte overlast, hinder of schade alsmede de gevolgen voor het milieu, bedoeld in de Wet milieubeheer, waaronder mede wordt begrepen het stimuleren van selectief autogebruik.

Artikel 4

Het college beslist binnen 4 weken na ontvangst van een aanvraag voor een vergunning.

 

Artikel 5
  • 1.

    Het college weigert een parkeervergunning indien niet wordt voldaan aan de voorwaarden, zoals gesteld bij of krachtens deze verordening en het hierop gebaseerde Uitvoeringsbesluit Parkeerverordening.

  • 2.

    Het college weigert een parkeervergunning als bedoeld in artikel 3, derde lid sub a en b indien de aanvrager beschikt, zou kunnen beschikken of had kunnen beschikken over een eigen parkeervoorziening.

  • 3.

    Het college weigert een parkeervergunning in het geval van bouwinitiatieven:

    • a.

      die leiden tot een toename van de woningvoorraad in het nulvergunningengebied en waarvan de omgevingsvergunning na 1 september 2019 is aangevraagd;

    • b.

      die leiden tot een toename van adressen niet zijnde zelfstandige woningen in het nulvergunningengebied en waarvan de omgevingsvergunning op of na 1 juli 2020 is aangevraagd;

    • c.

      waarbij de nulvergunningenregeling conform de Nota Parkeernormen van toepassing is verklaard of;

    • d.

      waarbij de nulvergunningenregeling in het desbetreffende bestemmingsplan is opgenomen.

  • 4.

    Het college weigert een parkeervergunning indien:

    • a.

      reeds zoveel parkeervergunningen zijn verleend dat de beschikbare parkeerruimte (parkeerapparatuurplaatsen) naar het oordeel van het college gedurende een te groot gedeelte van de tijd waarin moet worden betaald volledig bezet is;

    • b.

      reeds zoveel parkeervergunningen zijn verleend dat de beschikbare parkeerruimte (belanghebbendenplaatsen) naar het oordeel van het college gedurende een te groot gedeelte van de tijd volledig bezet is.

  • 5.

    Indien de aanvraag wordt geweigerd op een van de gronden genoemd in artikel 5, vierde lid kan de aanvrager op een wachtlijst worden geplaatst.

Artikel 6
  • 1.

    Een vergunning als bedoeld in artikel 3, derde lid, sub a, b, f en g wordt voor bepaalde tijd verleend en bevat in ieder geval de volgende gegevens:

    • a.

      de periode waarvoor de vergunning geldt;

    • b.

      de naam van de vergunninghouder en het kenteken van het motorvoertuig waarvoor de vergunning is verleend;

    • c.

      het debiteurennummer van de vergunninghouder.

  • 2.

    Een vergunning als bedoeld in artikel 3, derde lid, sub c en e wordt verleend in de vorm van een aan de bewoner van een gebied te verstrekken parkeerkaart die gedurende een door het college vast te stellen duur is te gebruiken op belanghebbendenplaatsen en parkeerapparatuurplaatsen. De vergunning wordt voor ten hoogste een jaar verleend en bevat in ieder geval de volgende gegevens:

    a. de periode waarvoor de vergunning geldt;

    b. het gebied waarvoor de vergunning geldt;

    Bij de vergunning dient het kenteken voor gebruikmaking door de vergunninghouder of zijn bezoeker zelf ingevuld te worden.

  • 3.

    Een vergunning als bedoeld in artikel 3, derde lid, sub d wordt voor ten hoogste vijf jaar verleend en wordt verleend in de vorm van een specifiek door het college aangewezen plaats.

Artikel 7

Het college kan een vergunning intrekken:

  • a.

    op verzoek van de vergunninghouder;

  • b.

    wanneer de vergunninghouder niet meer woonachtig is of geen beroep of bedrijf meer uitoefent in het gebied, waarvoor de vergunning is verleend;

  • c.

    wanneer er zich een wijziging voordoet in een van de omstandigheden die relevant waren voor het verlenen van de vergunning;

  • d.

    wanneer voor het betreffende gebied het stelsel van vergunningen komt te vervallen;

  • e.

    wanneer de vergunninghouder niet of niet tijdig aan zijn betalingsverplichting voor zijn vergunning heeft voldaan;

  • f.

    wanneer de vergunninghouder handelt in strijd met de aan de vergunning verbonden voorschriften;

  • g.

    wanneer blijkt dat bij de aanvraag van de vergunning onjuiste gegevens zijn verstrekt;

  • h.

    om redenen van openbaar belang.

Artikel 8

Het college kan een vergunning wijzigen:

  • a.

    op verzoek van de vergunninghouder;

  • b.

    wanneer er zich een wijziging voordoet in een van de omstandigheden die relevant waren voor het verlenen van de vergunning;

  • c.

    om redenen van openbaar belang.

Artikel 9

Het college kan ten gunste van de aanvrager het bij of krachtens deze verordening bepaalde buiten toepassing laten of daarvan afwijken, voor zover toepassing gelet op het belang dat deze regeling beoogt te beschermen, zal leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard.

 

AFDELING III. VERBODSBEPALINGEN

Artikel 10
  • 1.

    Het is verboden gedurende de tijden waarop het parkeren op een belanghebbendenplaats, parkeerapparatuurplaats of autodeelplaats slechts aan vergunninghouders is toegestaan aldaar een motorvoertuig te parkeren of geparkeerd te houden:

    • a.

      zonder dat het motorvoertuig duidelijk zichtbaar is voorzien van de voor dat motorvoertuig afgegeven vergunning;

    • b.

      in strijd met de aan de vergunning verbonden voorschriften.

  • 2.

    Het college kan ontheffing verlenen van het bepaalde in het eerste lid van dit artikel.

Artikel 11

Het is verboden parkeerapparatuur op andere wijze of met andere middelen, dan wel met andere munten dan die welke in de kennisgeving op de parkeerapparatuur staan aangegeven in werking te stellen.

 

Artikel 12
  • 1.

    Het is verboden om enig voorwerp, niet zijnde een motorvoertuig, te plaatsen of te laten staan:

    • a.

      op een parkeerapparatuurplaats;

    • b.

      op een belanghebbendenplaats;

    • c.

      op een autodeelplaats.

  • 2.

    Het is verboden een fiets, een bromfiets of enig ander voorwerp op zodanige wijze tegen of bij parkeerapparatuur te plaatsen of te laten staan, dat daardoor een normaal gebruik daarvan wordt belemmerd of verhinderd.

  • 3.

    Het college kan ontheffing verlenen van het bepaalde in het eerste lid van dit artikel.

AFDELING IV. STRAFBEPALING

Artikel 13

Overtreding van het bepaalde in afdeling III van deze verordening wordt gestraft met hechtenis van ten hoogste twee maanden of geldboete van de eerste categorie.

 

AFDELING V. OVERGANGS- EN SLOTBEPALINGEN

Artikel 14
  • 1.

    Met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens deze verordening zijn de coördinator en de handhavers openbare ruimte belast.

  • 2.

    Voorts zijn met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens deze verordening de door het college aangewezen personen belast.

Artikel 15
  • 1.

    Deze verordening treedt inwerking op 1 juli 2020.

  • 2.

    Indien deze verordening niet voor of op 1 juli 2020 gepubliceerd is, treedt deze verordening in werking op de dag na die waarop het is bekendgemaakt en werkt terug tot 1 juli 2020.

  • 3.

    Op de datum van inwerkingtreding wordt de Parkeerverordening Purmerend 2019 ingetrokken.

Artikel 16 Citeertitel

Deze verordening wordt aangehaald als: Parkeerverordening Purmerend 2020.

 

Aldus vastgesteld in de openbare vergadering d.d. 25 juni 2020.

de griffier,

R.J.C. van der Laan

de voorzitter,

D. Bijl

ARTIKELSGEWIJZE TOELICHTING

AFDELING I DEFINITIES EN BEGRIPSOMSCHRIJVINGEN

Artikel 1

a. autodelen

De omschrijving van het begrip autodelen (of autodate) is bewust ruim gelaten, om ruimte te bieden aan verschillende vormen van autodelen. Anderzijds dient autodelen te worden onderscheiden van andere, met name reguliere vormen van autoverhuur, hetgeen uiteraard niet betekent dat reguliere autoverhuurbedrijven geen autodelen kunnen aanbieden. Deze 'reguliere' vormen van autoverhuur vallen niet onder autodelen, omdat het daarbij niet gaat om herhaald gezamenlijk gebruik op grond van een overeenkomst. Bij autodelen worden overeenkomsten gesloten tussen meerdere deelnemers en een aanbieder op grond waarvan deelnemers meerdere malen een auto kunnen gebruiken. Bij reguliere autohuur wordt in beginsel per huurperiode een overeenkomst gesloten.

g. houder

In de definitie van het begrip houder komt het begrip ‘motorrijtuig’ voor. Dit is gedaan, omdat in de WVW 1994 bepaald is dat motorrijtuigen over een kenteken moeten beschikken. Het RVV 1990, waarin onder andere bepalingen over parkeren zijn opgenomen, spreekt daarentegen over motorvoertuigen. Dit is op zich verwarrend, maar materieel gezien komen de definities van beide begrippen goeddeels overeen.

j. motorvoertuigen

Op grond van artikel 225 van de Gemeentewet kunnen parkeerbelastingen worden geheven voor het parkeren met voertuigen. De werking van deze verordening is beperkt tot motorvoertuigen, zoals bedoeld in artikel 1 van het RVV 1990 met inbegrip van brommobielen. In dit artikel wordt onder motorvoertuigen verstaan: ‘alle gemotoriseerde voertuigen behalve bromfietsen, fietsen met trapondersteuning en gehandicaptenvoertuigen, bestemd om anders dan langs rails te worden voortbewogen’. Een brommobiel is in het RVV 1990 (art. 1) gedefinieerd als een bromfiets op meer dan twee wielen, die is voorzien van een carrosserie. Brommobielen vallen dus niet onder de definitie van motorvoertuigen. In artikel 2a van het RVV 1990 is echter bepaald dat de regels voor motorvoertuigen ook van toepassing zijn op brommobielen en de bestuurders en passagiers van brommobielen. Bestuurders van brommobielen moeten zich in het verkeer dus gedragen als een ‘gewone’ automobilist. Dit geldt ook voor het parkeren met een brommobiel. Daarom is ervoor gekozen de Parkeerverordening en de Verordening parkeerbelastingen ook van toepassing te verklaren op brommobielen.

k. nulvergunningengebied

Conform het Verkeersplan Purmerend 2040 is besloten de historische binnenstad te beschermen tegen de toenemende parkeerdruk door de geplande nieuwbouw. Hiervoor geldt dat bij alle bouwinitiatieven die leiden tot een toename van de woningvoorraad in het nulvergunningengebied en waarvan de omgevingsvergunning na 1 september 2019 is aangevraagd, uitgesloten worden van parkeervergunningen voor straatparkeren.

Voor de zelfstandige woningen in het nulvergunningengebied die op 31 augustus 2019 als zodanig staan geregistreerd, wijzigt niets. Deze adressen behouden de mogelijkheid om een parkeervergunning aan te vragen.

Vanaf 1 juli 2020 is deze regeling uitgebreid naar alle nieuwe adressen ongeacht de functie (wonen, kantoren, winkels etc.) van het adresseerbare object. Concreet betekent dit dat bij nieuwbouw die leidt tot een toename van adresseerbare objecten (m.u.v. woonobjecten) en waarvan de omgevingsvergunning op of na 1 juli 2020 is aangevraagd, uitgesloten worden van parkeervergunningen voor straatparkeren.

Voor de adresseerbare objecten niet zijnde woonobjecten die op 30 juni 2020 als zodanig geregistreerd zijn, wijzigt niets. Deze adressen behouden de mogelijkheid om een parkeervergunning aan te vragen.

l. nulvergunningenregeling

Deze regeling is van toepassing op parkeergereguleerd gebied en stelt dat bepaalde bouwinitiatieven niet in aanmerking komen voor een parkeervergunning op straat. Voor bouwinitiatieven die binnen het bestemmingsplan vallen, geldt dat de regeling conform de Nota Parkeernormen is bepaald en wordt deze parkeerafspraak vastgelegd in de omgevingsvergunning en geplaatst op het nulvergunningenoverzicht dat de gemeente bijhoudt.

Voor bouwinitiatieven die opgenomen zijn in het bestemmingsplan is de nulvergunningenregeling vastgelegd in het desbetreffende bestemmingsplan.

Tot slot geldt een nulvergunningenregeling voor bouwinitiatieven in het nulvergunningengebied zoals gedefinieerd onder k.

m. parkeren

In de Parkeerverordening is aansluiting gezocht bij de definitie van het begrip parkeren in artikel 225 van de Gemeentewet en dus niet bij de definitie uit artikel 1 van het RVV 1990. Er is gekozen voor deze definitie, omdat het invoeren van betaald parkeren en vergunninghoudersparkeren ook gebaseerd is op artikel 225 van de Gemeentewet.

 

AFDELING II PLAATSEN VOOR VERGUNNIGNGHOUDERS, VERGUNNINGEN EN VERGUNNINGBEWIJZEN

Artikel 2

Het aanwijzen van de gebieden en plaatsen waar en de tijden waarop met een vergunning op belanghebbendenplaatsen geparkeerd kan worden, dient bij of krachtens deze verordening te worden geregeld. Het aanwijzen van de gebieden, plaatsen en tijden voor het parkeren bij parkeerapparatuur gebeurt op basis van de Verordening Parkeerbelastingen. Uit praktische overwegingen is de aanwijzingsbevoegdheid bij het college neergelegd.

De aanwijzing van belanghebbendengebieden is in principe alleen mogelijk voor gebieden waar een redelijke mate van parkeerdruk aanwezig is. Voor het aanwijzen van een autodeelplaats is de aanwezigheid van parkeerdruk niet perse noodzakelijk. Het motief van het aanwijzen van zo’n autodeelplaats is veel meer gelegen in het voorkomen of beperken van door het verkeer veroorzaakte overlast, hinder of schade alsmede de gevolgen voor het milieu, bedoeld in de Wet milieubeheer (zie artikel 2, tweede lid WVW 1994).

Autodelen levert een bijdrage aan een selectiever autogebruik en daarmee aan het verbeteren van de luchtkwaliteit en het verminderen van de geluidsoverlast door het verkeer. Het reserveren van een autodeelplaats in een gebied zonder parkeerdruk is nodig om autodelen als werkbaar alternatief voor de eigen auto te kunnen aanbieden. Voorkomen moet worden dat de gebruiker van een deelauto eerst de gehele buurt moet gaan afzoeken naar de plek waar de deelauto door de vorige gebruiker is geparkeerd. Het welslagen van autodeelsystemen is in grote mate afhankelijk van de mate waarin de aanbieder een dienst kan aanbieden die hetzelfde gebruikersgemak kent als 'de (eigen) auto voor de deur'.

 

Artikel 3

Het college kan parkeervergunningen afgeven voor het parkeren op plaatsen voor belanghebbenden of met parkeerapparatuur. Het college kan tevens nadere regels stellen voor het indienen van aanvragen en het verlenen van de parkeervergunning. Hierbij kan worden gedacht aan het stellen van indieningsvereisten voor het aanvragen van een parkeervergunning.

In het derde lid worden verschillende categorieën belanghebbenden genoemd die in aanmerking kunnen komen voor een parkeervergunning. In de verordening zijn zeven categorieën opgenomen: bewoners, bedrijven, bezoekers, autodelen, mantelzorgers, zorgverleners en niet-commerciële organisaties met een maatschappelijk doel.

Op grond van het vijfde lid kunnen met het oog op een goede verdeling van de beschikbare parkeerruimte aan de vergunning zowel beperkingen worden verbonden met betrekking tot de te gebruiken parkeerplaatsen als met betrekking tot de tijdstippen waarop de vergunning van kracht is. Vergunningen kunnen ook worden verleend voor bepaalde zones, om te voorkomen dat vergunninghouders overal elders in de gemeente gratis kunnen parkeren.

 

Artikel 4

De beginselen van behoorlijk bestuur eisen dat binnen een redelijke termijn een beslissing wordt genomen op een aanvraag voor een vergunning. Om voor de aanvrager duidelijkheid te verschaffen, zijn de termijnen in de verordening zelf opgenomen. In de verordening is een beslistermijn van vier weken opgenomen, die eenmaal met ten hoogste vier weken kan worden verlengd. Normaal gesproken moet een parkeervergunning binnen vier weken kunnen worden verstrekt. Mocht dit in een enkel geval onverhoopt niet lukken, dan kan deze termijn worden verlengd met vier weken.

 

Artikel 5

Dit artikel bevat de weigeringsgronden voor het verlenen van een bewonersvergunning en een bedrijfsvergunning. Het tweede lid is o.a. bedoeld om aanvragers uit te sluiten van een parkeervergunning wanneer zij bijvoorbeeld hun parkeergarage of garagebox verkopen. Hiermee neemt de parkeerdruk op straat toe omdat de aanvrager zijn parkeerbehoefte onnodig op straat afwentelt. Ook beoogt dit tweede lid aanvragers uit te sluiten van een parkeervergunning wanneer deze een parkeerplaats dienen te huren of kopen. Hiermee wordt voorkomen dat aanvragers de voorkeur geven aan straat parkeren omdat hiervoor de kosten in de vorm van een parkeervergunning doorgaans lager zijn dan de huur of koop van een parkeerplaats.

In de binnenstad worden regelmatig nieuwe adresseerbare objecten zoals woningen en bedrijven toegevoegd die leiden tot een toename van de parkeervraag maar waar geen of onvoldoende parkeerplaatsen voor gerealiseerd worden. Om de omgeving te beschermen tegen de toenemende parkeerdruk is in het derde lid onder a en b bepaald dat voor deze adresseerbare objecten geen parkeervergunningen worden afgegeven. Het moment waarop deze regeling van toepassing wordt verklaard is afhankelijk van de functie van het adresseerbare object.

Voor adresseerbare objecten met woonfunctie geldt dat deze niet in aanmerking komen voor een parkeervergunning indien de omgevingsvergunning voor dit bouwinitiatief na 1 september 2019 is aangevraagd.

Voor adresseerbare objecten met een andere functie dan wonen ( kantoor, winkel etc.) geldt dat deze niet in aanmerking komen voor een parkeervergunning indien de omgevingsvergunning voor dit bouwinitiatief op of na 1 juli 2020 is aangevraagd.

Deze regeling geldt dus niet voor de woningen en bedrijven in het nulvergunningengebied die op respectievelijk 31 augustus 2019 en 30 juni 2020 als zodanig staan geregistreerd. Voor deze adressen blijft de situatie ongewijzigd en kan de aanvrager in aanmerking komen voor een parkeervergunning.

Onder c van het derde lid is geregeld dat bouwprojecten in parkeervergunninggebieden die buiten het nulvergunningengebied vallen maar waar conform de Nota Parkeernormen besloten is dat hierop de nulvergunningenregeling van toepassing is, dat deze adressen ook worden uitgesloten van parkeervergunningen.

Het derde lid onder d stelt tot slot dat bouwplannen die in het desbetreffende bestemmingsplan de nulvergunningenregeling als parkeeroplossing opnemen, ook worden uitgesloten van parkeervergunningen.

Om te voorkomen dat functies die beschikken over een eigen parkeergelegenheid in geval van parkeerregulering aanspraak kunnen maken op parkeervergunningen voor op straat, houdt de gemeente een ‘nulvergunningenoverzicht’ bij.

 

Artikel 7 en 8

In de aanhef van deze artikelen wordt aangegeven dat het college een parkeervergunning 'kan’ intrekken of wijzigen. Bedoeld is hiermee aan te geven dat het ter beoordeling van het college van burgemeester en wethouders staat of een vergunning daadwerkelijk moet worden ingetrokken of gewijzigd, wanneer een van de opgesomde omstandigheden zich voordoet. De opsomming is limitatief bedoeld. Om andere redenen kan de vergunning dan ook niet worden ingetrokken of gewijzigd.

 

Artikel 10

Er kan géén fiscale naheffingsaanslag worden opgelegd bij het zonder vergunning parkeren in een belanghebbendengebied. De fiscale aanpak van het niet betalen van de parkeerbelasting is, gelet op artikel 234 van de Gemeentewet, alleen mogelijk bij parkeerapparatuurplaatsen. Daarom moet in de verordening een strafbepaling worden opgenomen, die alleen voor strafrechtelijke handhaving via de ‘Wet Mulder’ in aanmerking komt.

Alleen indien sprake is van een gecombineerd gebied voor betaald parkeren én belanghebbendenparkeren, kan wél een naheffingsaanslag worden opgelegd, wanneer iemand parkeert zonder geldige vergunning én zonder te betalen in de parkeerapparatuur.

Voor het parkeren op parkeerplaatsen bij parkeerapparatuur zonder (geldige) vergunning is geen strafbaarstelling nodig. Op die plaatsen kan immers wel het fiscale regime gehanteerd worden.

 

Artikel 11

Ook dit artikel bevat een verbodsbepaling voor gedragingen die niet gefiscaliseerd kunnen worden. Deze bepalingen moeten, ongeacht of tot fiscalisering wordt overgegaan of niet, in de verordening opgenomen worden.

Een 'bijvulverbod' is niet opgenomen, omdat dit in strijd zou zijn met het fiscale regime. Wanneer de parkeertijd, waarvoor een bestuurder heeft betaald, is verstreken moet hij (opnieuw) aangifte doen. Als hij niet aan die verplichting voldoet, wordt hem, in geval van constatering, een naheffingsaanslag opgelegd. Wanneer een bijvulverbod geldt, zou de parkeerder een strafbaar feit plegen, terwijl hij wél aan zijn belastingplicht voldoet. Een bijvulverbod is derhalve onder een fiscaal regime niet mogelijk. Bij strafrechtelijke handhaving is een bijvulverbod wel mogelijk.

 

Artikel 12

Dit artikel verbiedt het plaatsen van voorwerpen, niet zijnde motorvoertuigen, op parkeerapparatuur- en belanghebbendenplaatsen. Het plaatsen van dergelijke voorwerpen belemmert het normale gebruik van de bedoelde parkeerplaatsen en doorkruist daarmee de beoogde parkeerregulering. Het gaat hier om gedragingen die zich niet lenen voor fiscalisering. Deze verbodsbepaling moet dan ook, ongeacht of tot fiscalisering wordt overgegaan, in de verordening worden opgenomen.

 

Artikel 13

Artikel 154 van de Gemeentewet bepaalt dat gemeenten op overtreding van hun verordeningen een hechtenis van ten hoogste drie maanden of een geldboete van de tweede categorie kunnen stellen. Openbaarmaking van de rechterlijke uitspraak kan als bijkomende straf op een overtreding worden gesteld.

Gezien de ernst van een parkeerovertreding lijkt het minder gewenst om daarop de zwaarste strafsanctie te stellen. Er is daarom gekozen voor een hechtenis van maximaal twee maanden of een geldboete van de eerste categorie. Het openbaar maken van de rechterlijke uitspraak is een bijkomende straf waarvan bij parkeerovertredingen weinig effect te verwachten valt. Het opnemen daarvan in de Parkeerverordening is daarom achterwege gelaten.

 

Artikel 14

Toezichthouders zijn personen die bij of krachtens wettelijk voorschrift belast zijn met het houden van toezicht op de naleving van wettelijke voorschriften, zo volgt uit artikel 5:11 Awb.