Gemeenteblad van Best

Datum publicatieOrganisatieJaargang en nummerRubriek
BestGemeenteblad 2020, 15315Verordeningen



Nadere regels maatschappelijke ondersteuning 2020

Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Best,

gelet op de artikelen 8, 9, en 11 van de Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Best 2015;

besluit vast te stellen de Nadere regels maatschappelijke ondersteuning Best 2020

 

Inleiding

De Wet maatschappelijke ondersteuning 2015, hierna te noemen de wet, gaat ervan uit dat inwoners een eigen verantwoordelijkheid dragen voor de wijze waarop zij hun leven inrichten en deelnemen aan het maatschappelijk leven. De wet verwacht ook van inwoners dat zij elkaar daarin naar vermogen bijstaan.

 

Deze nadruk op de eigen verantwoordelijkheid is terug te vinden in artikel 2.3.5 van de wet. Inwoners die hun beperking in de zelfredzaamheid en/of participatie niet zelf kunnen oplossen, zoals ouderen en inwoners met een beperking, kunnen een beroep doen op ondersteuning door de gemeenten.

 

In de verordening maatschappelijke ondersteuning van de gemeente Best 2020 is het kader voor het lokale beleid vastgesteld. Deze nadere regels zijn opgesteld als uitwerking van de verordening. Op deze manier wordt transparant op welke manier er uitvoering wordt gegeven van de verordening maatschappelijk ondersteuning in de praktijk.

Hoofdstuk 1: Begripsbepalingen

 

1.1. Begripsbepalingen

In deze nadere regels wordt verstaan onder:

  • a.

    Algemeen gebruikelijk: diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen of andere maatregelen die naar hun aard algemeen gebruikelijk zijn en een uitkomst kunnen bieden voor een cliënt.

  • b.

    Maatwerkvoorziening in natura: een voorziening die in eigendom, in bruikleen, in huur of in de vorm van persoonlijke dienstverlening wordt verstrekt.

  • c.

    PGB: persoonsgebonden budget als bedoeld in artikel 1.1.1 van de wet, zijnde een bedrag waaruit namens het college betalingen worden gedaan voor diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen die tot een maatwerkvoorziening behoren en die een cliënt van derden heeft betrokken.

  • d.

    Sociaal netwerk: personen behorend tot de huiselijke kring of andere personen waarmee een relatie wordt onderhouden.

  • e.

    Verordening: de Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Best.

  • f.

    Wet: Wet maatschappelijke ondersteuning.

Alle begrippen die in onderhavige nadere regels worden gebruikt en die niet nader zijn omschreven in het eerste lid hebben dezelfde betekenis als de begrippen in de verordening, de wet en/of de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

Hoofdstuk 2: Criteria om in aanmerking te komen voor een maatwerkvoorziening

Het beoordelingskader voor een aanspraak op maatwerkvoorzieningen wordt bepaald door de wet, die onder andere de doelgroep regelt en criteria benoemt (zoals eigen kracht en gebruikelijke hulp), en de gemeentelijke verordening, die ook criteria bevat waaraan de cliënt moet voldoen om in aanmerking te komen voor een (maatwerk)voorziening op grond van de wet.

 

2.1 Ingezetene

Een voorwaarde om voor ondersteuning door de gemeente in aanmerking te komen is dat de cliënt ingezetene is van de gemeente, dat wil zeggen zijn hoofdverblijf in de gemeente heeft.

 

2.2 Algemeen gebruikelijke voorzieningen

  • 1.

    Er bestaat geen aanspraak op een maatwerkvoorziening indien de maatwerkvoorziening voor de persoon van de cliënt algemeen gebruikelijk is. Met het criterium algemeen gebruikelijk wordt bedoeld te voorkomen dat het college een voorziening verstrekt waarvan, gelet op de omstandigheden van de cliënt, ook als hij of zij geen beperkingen had, zou (kunnen) beschikken. Een algemeen gebruikelijke voorziening is een voorziening die voldoet aan de volgende criteria:

    • De voorziening behoort voor iemand tot het normale aanschaffingspatroon.

    • De voorziening is niet specifiek bedoeld voor mensen met beperkingen.

    • De voorziening is te koop in reguliere winkels.

    • De voorziening is niet duurder dan soortgelijke producten.

  • Een fiets met lage instap of met elektrische trapondersteuning is een goed voorbeeld van een algemeen gebruikelijke voorziening. Een dergelijke fiets wordt ook gebruikt door mensen zonder beperkingen (bijvoorbeeld door mensen die een lange afstand naar hun werk of school moeten fietsen), is gewoon bij de fietsenwinkel te koop. Ook regulier hulp in het huishouden kan als algemeen gebruikelijk worden gezien.

  • 2.

    Woonvoorzieningen en hulpmiddelen onder de € 250,00 worden niet vergoed. Aanpassingen tot een dergelijk bedrag worden ook als algemeen gebruikelijk beschouwd

  • 3.

    Er moet altijd in het individuele geval worden bekeken of de voorziening ook voor de cliënt algemeen gebruikelijk is.

2.3 Collectieve voorzieningen

Collectieve voorzieningen zijn voorzieningen die individueel worden verstrekt, maar die door meerdere personen tegelijk worden gebruikt. Het collectief vervoer (CVV) is het meest duidelijke voorbeeld van een collectieve voorziening. Bij beperkingen op het gebied van vervoer ligt het primaat bij het gebruik van CVV. Dat wil zeggen dat wanneer men geen gebruik kan maken van het reguliere openbaar vervoer, men in aanmerking komt voor een pas voor CVV, als er sprake is van een loopbeperking (maximaal 800 meter lopen). Alleen wanneer is aangetoond dat CVV niet geschikt is voor belanghebbende, kan een andere individuele vorm van ondersteuning onderzocht worden.

 

2.4 Goedkoopst passende maatwerkvoorziening

Maatwerkvoorzieningen dienen naar objectieve maatstaven gemeten de meest goedkoop passende voorziening te zijn. Zijn er twee of meer maatwerkvoorzieningen passend, dan zal gekozen worden voor de goedkoopst passende maatwerkvoorziening. Indien de cliënt een duurdere voorziening wil (die eveneens passend is) komen de meerkosten van die duurdere voorziening voor rekening van de cliënt.

 

2.5 Vermijdbaarheid en voorzienbaarheid

De cliënt komt niet voor een maatwerkvoorziening in aanmerking:

  • als de noodzaak tot ondersteuning redelijkerwijs vermijdbaar was;

  • als de voorziening voorzienbaar was;

  • als van de cliënt verwacht kon worden dat hij maatregelen getroffen zou hebben die de hulpvraag overbodig hadden gemaakt.

Van inwoners mag worden verwacht dat zij tijdig anticiperen op ondersteuningsvragen die te voorzien zijn, of rekening te houden met zijn of haar beperkingen in keuzes die worden gemaakt. Zo moet bijvoorbeeld degene die weet dat traplopen binnen voorzienbare tijd niet meer mogelijk zal zijn, op tijd maatregelen nemen en gaan zoeken naar een alternatieve woning. Het verhuizen naar een woning waarvan bij verhuizing duidelijk is dat deze niet geschikt is voor de cliënt en/of zijn huisgenoten betekent ook dat er geen aanspraak bestaat op een woonvoorziening of woningaanpassing.

 

2.6 Eerder verstrekte voorziening

Een maatwerkvoorziening wordt geweigerd als deze reeds eerder is verstrekt en de normale afschrijvingsduur voor die voorziening nog niet is verstreken. Met de normale afschrijvingsduur wordt de economische levensduur bedoeld:

  • 25 jaar voor een aanpassing van de badkamer

  • 15 jaar voor aanpassing van de keuken

  • 10 jaar voor overige woonvoorzieningen

  • 7 jaar voor rolstoelen en vervoersvoorzieningen en

  • 3 jaar voor sportrolstoelen.

Dit algemene uitgangspunt laat onverlet dat in individuele situaties voor een specifieke voorziening een afwijkende economische levensduur kan worden bepaald. Deze economische levensduur betekent niet dat de cliënt na het verstrijken daarvan voor een vervangende maatwerkvoorziening in aanmerking komt. Indien de economische levensduur is verstreken, maar de maatwerkvoorziening nog passend is, bestaat geen aanspraak op een vervangende maatwerkvoorziening.

 

Bij een melding voor het vervangen van een voorziening wordt eerst onderzocht of de situatie van de cliënt is veranderd. Als dat niet het geval is, wordt bepaald of de verwachte normale afschrijvingsduur al dan niet is verstreken. Indien de normale afschrijvingsduur van een eerder verleende voorziening nog niet is verstreken wordt geen nieuwe voorziening verstrekt. Daarop zijn twee uitzonderingen waarin wel een nieuwe voorziening kan worden verstrekt:

  • de eerder verleende voorziening is geheel of gedeeltelijk verloren gegaan als gevolg van omstandigheden die niet aan de cliënt zijn toe te rekenen

  • de cliënt komt geheel of gedeeltelijk tegemoet in de veroorzaakte kosten.

Wanneer de medische situatie dusdanig is veranderd waardoor de voorziening niet meer passend is, kan een nieuwe voorziening worden toegekend. De afschrijvingsduur speelt in dit geval geen rol.

Hoofdstuk 3: Vaststellen gebruikelijke hulp Wmo

 

3.1 Gebruikelijke hulp

Gebruikelijke hulp is de hulp die redelijkerwijs mag worden verwacht van de huisgenoten, zoals de partner, ouders, inwonende kinderen en anderen met wie cliënt duurzaam gemeenschappelijk een woning bewoont. Het gaat bijvoorbeeld om het helpen met eten koken, stofzuigen, kinderen aankleden en naar school brengen.

 

3.2 Uitzonderingen op het bieden van gebruikelijke hulp

In de volgende situaties wordt ervan uitgegaan dat de huisgenoot geen gebruikelijke hulp biedt of kan bieden:

  • a.

    De huisgenoot is overbelast of dreigt te worden overbelast. Deze overbelasting moet worden vastgesteld door een onafhankelijke arts.

  • b.

    De huisgenoot heeft beperkingen en mist de kennis/vaardigheden om gebruikelijke hulp uit te voeren en kan deze vaardigheden niet aanleren.

  • c.

    De cliënt heeft een zeer korte levensverwachting;

  • d.

    De huisgenoot is regelmatig1 niet aanwezig, vanwege activiteiten elders met een verplichtend karakter;

  • e.

    Er is naar het oordeel van het college sprake van bijzondere omstandigheden. Hieronder wordt in ieder geval de stapeling van zorgtaken verstaan.

3.3 Gebruikelijke hulp bij ondersteuning bij het huishouden

Als de cliënt zijn/haar huishoudelijke taken niet meer kan uitvoeren wordt van de huisgenoten verwacht dat zij deze taken overnemen.

  • 1.

    Huishoudelijke taken: uitstelbaar en niet uitstelbaar

    Onder huishoudelijke taken vallen zowel de uitstelbare als de niet-uitstelbare taken. Niet-uitstelbare taken zijn maaltijd verzorgen, de kinderen verzorgen, afwassen en opruimen;

    • Wel-uitstelbare taken zijn boodschappen doen, wasverzorging, zwaar huishoudelijk werk: stofzuigen, schoonmaken van sanitair en keuken, en bedden verschonen.

  • 2.

    Bijdrage van kinderen aan het huishouden

    Als er in het huishouden kinderen aanwezig zijn, dan gaan wij ervan uit, dat de kinderen, afhankelijk van hun leeftijd en psychosociaal functioneren, een bijdrage kunnen leveren aan de huishoudelijke taken.

    • Kinderen tot 5 jaar leveren geen bijdrage aan de huishouding.

    • Kinderen tussen 5-12 jaar worden naar hun eigen mogelijkheden betrokken bij lichte huishoudelijke werkzaamheden als opruimen, tafel dekken/afruimen, afwassen/afdrogen, boodschap doen, kleding in de wasmand gooien.

    • Kinderen vanaf 13 jaar kunnen, naast bovengenoemde taken hun eigen kamer op orde houden, d.w.z. rommel opruimen, stofzuigen, bed verschonen.

  • 3.

    Taken van een 18-jarige of oudere leeftijd

    Van een meerderjarige gezonde huisgenoot wordt verwacht dat deze de huishoudelijke taken overneemt wanneer de primaire verzorger uitvalt. De huishoudelijke taken voor een éénpersoonshuishouden zijn:

    • schoonhouden van sanitaire ruimte,

    • keuken en een kamer,

    • de was doen,

    • boodschappen doen,

    • maaltijd verzorgen,

    • afwassen en opruimen.

  • We gaan uit van 2 uur uitstelbare, zware huishoudelijke taken en 3 uur lichte, niet uitstelbare huishoudelijke taken per week. Daarnaast kunnen zij eventuele jongere gezinsleden verzorgen en begeleiden.

3.4 Gebruikelijke hulp bij begeleiding

Bij volwassenen onderling kan van partners en andere volwassen huisgenoten ten opzichte van elkaar worden gevraagd dat een groot deel van het sociaal verkeer gezamenlijk plaatsvindt, en begeleiding onderling dus gebruikelijk is. Inwonende volwassenen waaronder partner, huisgenoot of volwassen kinderen (> 18 jaar) worden verondersteld de praktische, ondersteunende begeleiding in het normale maatschappelijke verkeer te verzorgen2.

  • 1.

    Gebruikelijke hulp bij begeleiding wordt verwacht in een kortdurende zorgsituatie, die een periode van maximaal drie maanden beslaat en waarin uitzicht is op herstel.

  • 2.

    In een zorgsituatie die langer dan drie maanden duurt en waarin uitzicht is op herstel en in een zorgsituatie waarin geen uitzicht is op herstel wordt gebruikelijke hulp verwacht bij:

    • a.

      Begeleiding op het terrein van maatschappelijke deelname. Hieronder wordt in ieder geval verstaan het bezoeken van een huisarts, het bezoeken van dagbesteding;

    • b.

      Begeleiding bij het normale maatschappelijke verkeer binnen de levenssfeer. Hieronder wordt in ieder geval verstaan het bezoeken van vrienden, familie;

    • c.

      Het overnemen van taken die bij een gezamenlijk huishouden horen. Hieronder wordt in ieder geval verstaan het doen van administratie.

3.5 Gebruikelijke hulp bij het ondersteunen bij vervoer binnen de leefomgeving

Gebruikelijke hulp wordt verwacht bij:

  • a.

    Vervoer met een incidenteel karakter die gepland kunnen worden. Hieronder wordt in ieder geval verstaan het bezoeken van vrienden, familie, huisarts;

  • b.

    Structurele verplaatsingen, waarbij rekening wordt gehouden met de intensiteit van de vervoer en de daginvulling van de huisgenoot.

Hoofdstuk 4: Afwegingen bij maatwerkvoorzieningen

 

4.1 Huishoudelijke ondersteuning in natura

De maatwerkvoorziening die de gemeente kan verstrekken als huishoudelijke ondersteuning in de vorm van zorg in natura bestaat uit:

  • 1.

    Huishoudelijke ondersteuning kan bestaan uit de volgende taken:

    • a.

      licht huishoudelijk werk, te weten stoffen en opruimen;

    • b.

      zwaar huishoudelijk werk, te weten dweilen, stofzuigen, bedden verschonen, reiniging, sanitair, reiniging keuken en ramen zemen aan de binnenkant.

  • Deze taken hebben als resultaat een schoon en leefbaar huis. De definitie van een schoon en leefbaar huis is opgenomen in bijlage 1.

  • 2.

    Bij huishoudelijke ondersteuning plus was en/of strijk kunnen de taken worden aangevuld met:

    • a.

      de was doen, te weten in- en uitruimen wasmachine en/of droger, was ophangen en was opruimen;

    • b.

      strijken en/of opvouwen van kleding.

Als een cliënt die van de verstrekte Wmo voorziening gebruik maakt overlijdt, dan wordt er contact opgenomen met partner/huisgenoot zodat kan worden onderzocht of partner/huisgenoot baat heeft bij het houden van de voorziening door middel van het afgeven van een indicatie op zijn of haar naam.

 

4.2. Woonvoorzieningen

Een leefbaar huishouden voeren, impliceert een geschikte woning waarin de burger zijn alledaagse levenshandelingen kan verrichten. Om langer zelfstandig te kunnen blijven wonen in de eigen leefomgeving zijn er voorzieningen die dit mogelijk maken.

 

Wanneer een beperking optreedt, dan zijn 2 mogelijkheden aan de orde:

  • de woning aanpassen eventueel met aanvullende woonvoorzieningen of

  • verhuizen naar een geschiktere woning.

Primair moet de inwoner over een woning beschikken, hetzij in huur of eigendom. Het is in principe aan de burger om een woning te zoeken, als de situatie daarom vraagt. Een (woon)boot of een woonwagen met vaste lig- of standplaats staat gelijk met een woning.

Afwegingskader

Er moet een direct verband bestaan tussen de beperkingen die de cliënt ondervindt en één of meer bouwkundige of woontechnische kenmerken van de woning, bijvoorbeeld de trap, het bad, drempels, de keuken of de breedte van de deuropeningen. Daarnaast moeten de beperkingen hem of haar belemmeren in het toegang verkrijgen tot en/of gebruik van essentiële woonruimten. Hobby en recreatieruimten vallen hier niet onder, tenzij de woning of een van de essentiële woonruimten uitsluitend via (een van) deze ruimten te bereiken is. Ook worden geen aanpassingen vergoed voor voorzieningen met een therapeutisch doel zoals dialyseruimte en therapeutische baden.

 

Allereerst beoordeelt de Wmo-consulent of voorliggende of algemeen gebruikelijke voorzieningen of verhuizing naar een geschiktere woning het probleem kunnen oplossen. Vervolgens beoordeelt zij welke voorzieningen tot het gewenste resultaat kunnen leiden. Dat kunnen losse voorzieningen zijn maar ook bouwkundige of woontechnische aanpassingen.

Het beschikken tot een woonvoorziening

Leidt de afweging tot één van voornoemde richtingen, dan volgt een kostenraming. Losse voorzieningen gaan doorgaans vóór op bouwkundige aanpassingen. Een losse tillift is bijvoorbeeld te verkiezen boven een plafondlift.

Algemeen gebruikelijke woonvoorzieningen

Een aantal woonvoorzieningen is algemeen gebruikelijk en vallen daarom onder de eigen verantwoordelijkheid van de burgers. Het zijn voorzieningen die ook gebruikt worden door mensen zonder beperking en breed verkrijgbaar zijn, o.a. in bouwmarkten. Wat algemeen gebruikelijk is en tot iemands eigen verantwoordelijkheid kan worden gerekend moet ook gerelateerd worden aan de beperking, de leeftijd, de woonwens en de woonsituatie van iemand. Verwacht mag worden dat mensen tijdig maatregelen treffen om de woning te kunnen blijven gebruiken, ook al worden ze ouder of neemt de beperking toe, bijvoorbeeld door adequate vervanging van het sanitair of, bij het leggen van nieuwe vloeren, door het verwijderen van drempels.

 

Wat algemeen gebruikelijk is, is ook aan maatschappelijke ontwikkelingen onderhevig en kan in de loop der jaren veranderen. In ieder geval wordt als algemeen gebruikelijk beschouwd:

  • seniorenslot t.b.v. voordeur woning

  • overbrugging drempels, tot een hoogte van 3 cm

  • kranen, behalve een lange hendelkraan

  • (pannen)lades

  • wandgrepen en beugels (tot 60 cm), met uitzondering van opklapbare beugels

  • verhoogd toilet (alle maten)

  • toiletverhoger

  • douchestoel

  • douche glijstang, inclusief douchekop en doucheslang

  • antislip vloer in doucheruimte

  • spiegel in de natte cel, inclusief kantelgarnituur

  • verlaagde bediening van klep(boven)ramen

  • centrale verwarming en thermostatische radiatorkranen

  • meterkast met meerdere groepen

  • elektrische aansluiting in berging ten behoeve van opladen scootmobiel of elektrische rolstoel

  • keramische- of inductie kookplaat

  • deugdelijke zonwering

  • wasdroger

  • normale babyfoon/intercom

  • airco

  • extra trapleuning

  • sokkel om wasmachine of koelkast op te plaatsen

  • kosten voor demonteren fonteintje of verleggen verwarming i.v.m. plaatsen steunpunten

  • renovatie van de keuken na een levensduur van 15 jaar

  • renovatie van de badkamer na een levensduur van 25 jaar

Er wordt altijd in het individuele geval bekeken of de voorziening ook voor de cliënt algemeen gebruikelijk is.

 

Huurders van woningcorporaties wordt gewezen op de mogelijkheden van het oppluspakket van de betreffende verhuurder. Ook dit wordt als voorliggend beschouwd.

Vormen van woonvoorzieningen

  • 1.

    Losse woonvoorzieningen

    Onder losse woonvoorzieningen wordt verstaan: voorzieningen die niet nagelvast aan het huis vast zitten en dus verplaatsbaar zijn (bijvoorbeeld een tillift). Dit wordt ook wel “roerende woonvoorzieningen” genoemd. Voor het aanschaffen van een roerende woonvoorziening kan op verzoek van de cliënt een Persoonsgebonden budget worden verstrekt. Voor de hoogte van dat budget geldt:

    • voor de voorzieningen waarvoor een contract bestaat tussen de leverancier en de gemeente: de prijs op basis van de bedragen en de kortingspercentages die de gemeente heeft afgesproken met de gecontracteerde leveranciers, verhoogd met een bedrag voor onderhoud en reparatie.

    • voor de voorzieningen waarvoor geen contract met een leverancier is afgesloten: de kostprijs op basis van de door het college geaccepteerde offerte.

  • Trapliften worden, in de naturavariant, altijd in bruikleen verleend. Deze zijn her inzetbaar waardoor kapitaalvernietiging kan worden voorkomen. Het college vergoedt de kosten van onderhoud, keuring en reparatie van een liftinstallatie indien deze verstrekking heeft plaatsgevonden in het kader van de Wmo. De hoogte van het onderhoud en reparatie is gebaseerd op het contract tussen gemeente en leveranciers van het lopende jaar. De cliënt kan ook een pgb aanvragen voor een traplift.

  • 2.

    Bouwkundige woonvoorziening

    Onder bouwkundige voorzieningen wordt verstaan: voorzieningen die nagelvast aan het huis vast zitten.

  • 3.

    Huurderving

    Het college kan in geval van huurbeëindiging van een aangepaste woning een tegemoetkoming verlenen aan de woningeigenaar in verband met derving van huurinkomsten voor de duur van maximaal vijf maanden, gerekend vanaf de tweede maand van huurderving. De periode van vijf maanden, zoals genoemd kan met ten hoogste drie maanden worden verlengd indien vaststaat dat binnen deze periode een belanghebbende voor de woning in aanmerking komt.

     

    Indien een woning ten gevolge van het realiseren van een woningaanpassing voor een nieuwe bewoner leeg staat, kan het college een tegemoetkoming verlenen aan de eigenaar van de woonruimte voor de duur van maximaal vijf maanden, gerekend vanaf de tweede maand van huurderving. De tegemoetkoming is gelijk aan de kale huur van de woonruimte, zoals bedoeld in de Wet op de huurtoeslag, en is ten hoogste de maximum huurgrens van de Wet op de huurtoeslag.

  • 4.

    Woningaanpassing of verhuizing

    De Wmo-consulent beoordeelt of het wonen in een geschikt huis, ook te bereiken is via een verhuizing naar een aangepaste of beter aan te passen woning. Indien overwogen wordt om het primaat van verhuizing toe te passen zullen een aantal factoren die bij de besluitvorming een rol kunnen spelen, afgewogen moeten worden.

    • Welke voorzieningen zijn nu nodig en welke voorzieningen zijn er in de toekomst, voorzienbaar, nodig? Als verwacht wordt dat voorzienbare aanpassingen boven het verhuisprimaatbedrag uitkomen moet toepassing van het primaat overwogen worden.

    • Op welke termijn kan het probleem worden opgelost? Afgewogen moet worden of een verhuizing snel het juiste resultaat biedt voor de zelfredzaamheid van de cliënt. Soms kan dat wel maar soms ook niet. Beoordeeld moet worden, binnen welke termijn er, ook uit medisch oogpunt, een oplossing voor het probleem gerealiseerd moet zijn.

    • Sociale factoren. Van belang is daarbij o.a. de binding van de cliënt met de omgeving, aanwezigheid van mantelzorg en directe familie, aanwezigheid van belangrijke voorzieningen in de omgeving. Deze factoren moeten zoveel mogelijk geobjectiveerd worden.

    • Woonlasten en financiële draagkracht. Er moet een vergelijk gemaakt worden tussen de woonlasten in de oude en eventueel nieuwe woning. Alle woonlasten moeten daarin meegenomen worden. Het feit dat iemand van een koopwoning naar een huurwoning moet verhuizen mag geen belemmering zijn. Inkomsten uit de opbrengst van de koopwoning kunnen immers ook weer worden ingezet voor woonlasten. Ook de verkoopbaarheid van de woning kan een rol spelen. Beoordeeld zal ook moeten worden of er een redelijke prijs voor de woning wordt gevraagd, en of er als gevolg van een restschuld geen financiële problemen ontstaan.

    • Vergelijking aanpassingskosten huidige versus nieuwe woonruimte. Bekeken moet worden wat de kosten voor een aanpassing zijn en wat de kosten zijn voor een verhuizing.

    • Mogelijke gebruiksduur van de aanpassing. Daarbij speelt de leeftijd van de bewoner een rol maar ook de vraag of, bij het verlaten van de woning, deze weer beschikbaar kan worden gesteld aan een persoon met beperkingen.

  • Volgt de cliënt het verhuisadvies dan ontvangt hij of zij een verhuiskostenvergoeding. Daar horen ook eventuele kleine aanpassingen in de nieuwe woning bij.

     

    Niemand kan verplicht worden om te verhuizen. Indien een verhuizing de beste oplossing is, maar de cliënt (en zijn gezin) kiest ervoor niet te verhuizen dan stelt het college voor de noodzakelijke aanpassingen een beperkt bedrag beschikbaar. Dit wordt verstrekt via een tegemoetkoming waarmee aanpassingen kunnen worden gedaan van bouwkundige of woontechnische aard. De hoogte van de tegemoetkoming is gelijk aan de werkelijke gemaakte kosten tot een maximum van € 3.000,003. Het resterende komt voor rekening van de cliënt. Hierbij wordt er vanuit gegaan dat alle benoemde aanpassingen ook daadwerkelijk worden uitgevoerd. De gemeente zal dit steekproefsgewijs controleren.

     

    De cliënt heeft naderhand géén recht meer op toekenning van een voorziening die tijdens de initiële afweging behoorde.

  • 5.

    Bezoekbaar maken huis

    • Wanneer de cliënt in een Wlz-instelling woont kan één woning waar hij of zij regelmatig op bezoek komt (bijvoorbeeld van de ouders) bezoekbaar worden gemaakt.

    • Bezoekbaar houdt in dat de cliënt toegang heeft tot de woning, één verblijfsruimte (bijvoorbeeld de woonkamer) en dat het toilet bruikbaar is.

    • Er worden geen aanpassingen vergoed om het logeren mogelijk te maken.

    • Bij gescheiden ouders wordt de alleen de woning aangepast waar het kind het meest verblijft (hoofdverblijf).

  • 6.

    Mantelzorgwoning

    Als er sprake is van een aanvraag van een mantelzorgwoning gaat het college ook uit van de eigen verantwoordelijkheid voor het hebben van een woning. Dit kan door zelf een woning te bouwen of te huren die op het terrein nabij de woning van de mantelzorgers kan worden geplaatst. Uitgangspunt is dat de uitgaven die de cliënt had voor de situatie van de mantelzorg in de mantelzorgwoning, aan het wonen in deze woning besteed kunnen worden. Daarbij kan gedacht worden aan huur, kosten nutsvoorzieningen, verzekeringen, enz. Met die middelen kan een mantelzorgwoning worden gehuurd. Ook zouden deze middelen besteed kunnen worden aan een lening of hypotheek om een mantelzorgwoning (deels) van te betalen.

Grenzen aan de woonvoorziening

  • 1.

    Niveau sociale woningbouw

    Het niveau voor sociale woningbouw zonder achterstallig onderhoud is de standaard voor het treffen van woonvoorzieningen. Wenst de cliënt een hoger kwaliteitsniveau, dan kan dat in samenspraak met de woningeigenaar worden gerealiseerd, maar komen de meerkosten voor zijn rekening.

  • 2.

    Algemeen gebruikelijke levensduur

    Heeft een aanvraag voor een voorziening betrekking op het geheel of gedeeltelijk vervangen van een badkamer of keuken in de woning die eigendom is van de cliënt4, dan houdt de omvang van de toe te kennen voorziening verband met de algemeen gebruikelijke levensduur van die voorzieningen. Hiervoor volgen we het ‘Beleid huurverhoging na woningverbetering’ van de Huurcommissie5.

     

    De afschrijvingstermijn voor een badkamer is daarin bepaald op 25 jaar, die voor een keuken op 15 jaar. In voorkomende situaties wordt de hoogte van de verstrekking als volgt begrensd:

    • Is de te vervangen voorziening 25 respectievelijk 15 jaar of ouder dan wordt de vervanging aangemerkt als een algemeen gebruikelijke renovatie. In dit geval worden alleen de meerkosten die nodig zijn als gevolg van de beperking vergoed.

    • Heeft de te vervangen voorziening de leeftijd van 25 respectievelijk 15 jaar nog niet bereikt dan wordt de financiële tegemoetkoming verminderd met 5% respectievelijk 6,5% van de goedgekeurde kosten voor elk jaar dat de voorziening oud is.

  • Conform de geldende verstrekkingsvormen in de verordening beschikt het college de woonvoorziening in natura, door middel van een pgb, of een tegemoetkoming.

     

    De kostprijs van een maatwerkvoorziening in bruikleen wordt bepaald in relatie tot de vastgestelde levensduur van de maatwerkvoorziening:

    • Losse hulpmiddelen: 8 jaar

    • Trapliften: 10 jaar

    • Woningaanpassingen (andere dan aanpassingen aan badkamer en keuken) worden per casus bekeken.

  • In het geval van verstrekking wordt de kostprijs van de maatwerkvoorziening bepaald op basis van de restwaarde.

     

    Als een cliënt die van de verstrekte Wmo voorziening gebruik maakt overlijdt, dan wordt ernaar gestreefd om contact op te nemen met partner/huisgenoot, zodat kan worden onderzocht of partner/huisgenoot baat heeft bij het houden van de voorziening door middel van het afgeven van een indicatie op zijn of haar naam. Hierbij kan gedacht worden aan bijvoorbeeld een traplift.

4.3 Vervoersvoorzieningen

Wanneer een cliënt problemen ervaart op het gebied van vervoer wordt onderzocht of de cliënt in aanmerking komt voor een vervoersvoorziening. Hierbij spelen diverse aspecten een rol, zoals de vervoersbehoefte en de mogelijkheid om zelf in de vervoersbehoefte te voorzien(bijvoorbeeld: heeft cliënt een auto of een brommer, kan de cliënt hulp inschakelen van het eigen netwerk).

Afwegingskader

  • De cliënt komt in aanmerking voor een vervoersvoorziening indien hij het openbaar vervoer niet kan bereiken of gebruiken. Kan de cliënt 800 meter zelfstandig, al dan niet met hulpmiddelen, en in een redelijk tempo lopen, dan wordt de cliënt in staat geacht het openbaar vervoer te kunnen bereiken. Kan de cliënt het openbaar vervoer bereiken, maar is het onmogelijk het openbaar vervoer te gebruiken, bijvoorbeeld omdat de cliënt niet in het openbaar vervoer kan komen, dan kan er aanleiding zijn wel een vervoersvoorziening te treffen. Er vindt altijd een individuele beoordeling plaats, waarbij wordt gekeken naar de vervoersbehoefte, de daadwerkelijke afstand tot de bushalte etc.

  • Alle bovenregionale vervoersdoelen vallen buiten de reikwijdte van de Wmo 2015. Hiervoor is Valys voor bedoeld.

  • Er wordt geen onbeperkte kosteloze vervoermogelijkheid aangeboden. Net als personen zonder beperkingen, dient men voor het vervoer een ritprijs te betalen.

  • Eigen oplossingen, algemene diensten en gebruikelijke hulp gaan voor op een maatwerkvoorziening. Voorbeelden hiervan zijn:

    • rolstoeltoegankelijk openbaar vervoer, fiets met trapondersteuning, gehandicaptenparkeerkaart, gehandicaptenparkeerplaats,

    • vrijwilligersvervoer naar activiteiten vanuit wijkgebouwen, kerken, verenigingen, etc.

    • eigen vervoer naar vrijetijdsactiviteiten.

  • Ook hier kan voorzienbaarheid een rol spelen. Mogelijk komt de vraag om een vervoersvoorziening naar voren, omdat de aanvrager niet meer van een eigen vervoermiddel (fiets of auto) gebruik kan maken. Mogelijk was dit te voorzien en heeft de aanvrager rekening kunnen houden met zijn of haar beperkingen in keuzes die zijn gemaakt. De aanvrager kan verder de kosten die hij of zij in het verleden maakte voor een persoonlijk vervoermiddel inzetten voor een alternatief.

  • Leidt bovenstaande afweging niet tot een oplossing, dan komt een maatwerkvoorziening in beeld, echter alleen voor die verplaatsingen waarvoor de algemene voorzieningen geen afdoende oplossing bieden. Een combinatie van algemene + maatwerkvoorzieningen is goed mogelijk.

  • 1.

    Collectief vraagafhankelijk vervoer (CVV)

    Het collectief vervoersysteem heeft prioriteit, zodat eerst wordt beoordeeld of de cliënt hiervan gebruik kan maken. Hierbij zal altijd rekening worden gehouden met de persoonskenmerken en behoeften van de cliënt. Indien CVV wordt toegekend zijn daarvan de belangrijkste kenmerken:

    • vervoer omvat 5 zones vanuit de woonplaats;

    • ziekenhuizen en station(s) zijn, ook als het dichtstbijzijnde buiten de 5 zones valt, bereikbaar;

    • kosten bedragen het equivalent van het vervoer met het openbaar vervoer per zone (afgerond op 5 cent), waarbij ook een opstapzone betaald moet worden;

    • iedere rechthebbende kan zich laten begeleiden door een niet gerechtigd persoon tegen hetzelfde tarief;

    • indien medische begeleiding geïndiceerd is, reist de medisch begeleider gratis mee;

    • per jaar mogen 700 strippen (zones) gebruikt worden;

    • indien de cliënt ook een indicatie voor een scootmobiel heeft worden maximaal 350 strippen verleend;

    • indien beide samenwonende partners een eigen pas hebben, dan wordt er maximaal 525 zones per persoon verstrekt;

    • ritten kunnen worden aangevraagd via een gratis telefoonnummer;

    • ritten worden uitgevoerd met een marge van 15 minuten vóór en ná de afgesproken tijd;

    • rolstoelen en scootmobiels kunnen mee vervoerd worden;

    • de taxichauffeur begeleidt de rechthebbende van deur tot deur.

  • CVV niet of onvoldoende passend

    Als het CVV niet tot het gewenste resultaat leidt, kan een andere maatwerkvoorziening worden toegekend. Daarbij dienen de volgende soorten vervoer te worden onderscheiden:

    • Vervoer op korte afstand in de woonomgeving waarvoor de fiets wordt gebruikt of die lopend wordt afgelegd. In deze situatie zal het CVV geen afdoende oplossing bieden.

    • Vervoer op wat langere afstand, het regionaal vervoer, waarvoor het openbaar vervoer, auto of elektrisch aangedreven verplaatsingsmiddel wordt gebruikt.

  • 2.

    Auto-aanpassingen

    Als een cliënt zonder auto-aanpassingen geen gebruik kan maken van zijn auto en het collectief vervoer niet voldoet, kan overwogen worden of een auto-aanpassing wordt vergoed. Bij auto-aanpassingen wordt beoordeeld of het specifiek voor mensen met een beperking bedoelde voorzieningen betreft die meer kosten dan gebruikelijke auto-aanpassingen. Bij verstrekking van auto-aanpassingen is het daarom redelijk om van de aanvrager te verlangen dat hij aantoont dat de aan te passen auto de investering nog waard is. De auto mag niet ouder dan 3 jaar oud zijn.

    De volgende autoaanpassingen gelden als algemeen gebruikelijk (niet limitatief):

    • Uitneembare hoedenplank;

    • Derde of vijfde deur;

    • Elektrisch bedienbare portierruiten;

    • Verstelbare lendensteunen op de voorstoel;

    • Neerklapbare of inklapbare achterbank;

    • Rembekrachtiging;

    • Automatische transmissie.

    • De kosten van een APK-keuring;

    • Stuurbekrachtiging;

    • Airconditioning

    • Cruise control

    • Automatische deuropeners voor garagedeuren

4.4 Rolstoelen en hulpmiddelen voor sportbeoefening

Afwegingskader

Rolstoelen voor het zogenaamde ‘incidenteel’ gebruik vallen niet onder alledaagse verplaatsingen. Incidenteel betekent ‘niet structureel’ en ‘weinig voorkomend’. In deze situaties verwijst de Wmo-consulent naar de thuiszorgwinkels. Gebruikt de cliënt de rolstoel regelmatig, dan is een verstrekking vanuit de Wmo mogelijk. De Wmo-consulent stelt op grond van het indicatieadvies een programma van eisen op.

De Wmo-consulent houdt rekening met de mantelzorger. Is deze bijvoorbeeld niet in staat de rolstoel in alle omstandigheden te duwen, dan kan een ondersteunende motorvoorziening verschaft worden.

 

  • 1.

    Rolstoelvoorziening

    Het gaat om verplaatsingen die betrokkene maakt in of direct vanuit de woning, m.a.w. hij is voor deze alledaagse verplaatsingen aangewezen op een rolstoel. Er wordt onderscheid gemaakt tussen de volgende rolstoelvoorzieningen:

    • handmatig voortbewogen rolstoel;

    • elektrisch voortbewogen rolstoel;

    • aanpassingen aan de rolstoel (extra onderdelen die niet standaard op een rolstoel zitten, maar wel noodzakelijk zijn voor de cliënt).

  • Belangrijk is dat er een stallingmogelijkheid voor de scootmobiel of de elektrische rolstoel is met een elektriciteitspunt voor het opladen van de accu’s. Als dit niet het geval is, komen ook de kosten voor de aanleg van een stalling of elektriciteitspunt mogelijk voor vergoeding in aanmerking. Als deze kosten erg hoog zijn, kunnen andere vervoersvoorzieningen overwogen worden.

  • 2.

    Grenzen aan de verstrekking

    • Richtlijn voor de verstrekking is de goedkoopst adequate voorziening. Wenst cliënt een “luxere” uitvoering dan komen de meerkosten voor zijn rekening.

    • In het geval van verhuizing van de cliënt naar Best, dan kan de gemeente de rolstoel overnemen tegen de vast te stellen restwaarde, en voor zover deze is opgenomen in het kernassortiment van de gemeente. In het omgekeerde geval kan de rolstoel ook door een andere gemeente worden overgenomen. Als een rolstoel niet wordt overgenomen, dient de gemeente een vergelijkbaar middel te leveren.

    • Kosten van onderhoud, keuring, verzekering en reparatie van een rolstoel worden geheel vergoed tenzij sprake is van schade door verwijtbaar gedrag van cliënt of zijn gezinsleden.

    • Kosten voor het opladen van de accu van een scootmobiel of elektrische rolstoel worden niet vergoed.

    • Bij een elektrische rolstoel of scootmobiel wordt alleen de standaard accu en snelheid vergoed. Als de cliënt een grotere accu wil, dan moet de cliënt de meerkosten zelf betalen.

  • 3.

    Sportbeoefening

    • Wanneer het voor de cliënt zonder sporthulpmiddel niet mogelijk is om een sport te beoefenen en de kosten hiervoor aanzienlijk hoger zijn -dan de gebruikelijke kosten die een persoon zonder beperkingen heeft voor dezelfde (of een vergelijkbare) sport-, kan een sportvoorziening worden verstrekt. Dat kan een sportrolstoel zijn maar ook een ander hulpmiddel. De aanvrager moet aantonen dat er sprake is van een actieve sportbeoefening. Uitgegaan wordt van de maximale fysieke mogelijkheden (dus alleen als het medisch noodzakelijk is een sportvoorziening wordt uitgerust van elektrische ondersteuning).

    • Sportrolstoelen of andere hulpmiddelen die worden gebruikt om therapeutische doelen te bereiken vallen onder de Zorgverzekeringswet.

    • Kosten voor het feitelijk kunnen bezoeken van of deelnemen aan activiteiten zoals entreegelden of lidmaatschapsbijdragen komen niet voor vergoeding in aanmerking. Verwacht mag worden dat de levensduur van een sportvoorziening minimaal drie jaar is.

    • De voorziening voor sportbeoefening kan als maatwerkvoorziening of als een tegemoetkoming worden verstrekt.

4.5 Begeleiding

Afwegingskader

Aanbieders die hebben ingeschreven om de maatwerkvoorziening begeleiding te bieden, hebben de mogelijk dat om dit aan te passen op basis van de behoeften, persoonskenmerken en mogelijkheden van een cliënt. Dit kan bestaan uit een afgestemd geheel van diensten, waaronder begrepen:

  • a.

    Begeleiding individueel

  • b.

    Begeleiding groepsgericht

  • c.

    Persoonlijke verzorging in het kader van de begeleiding;

  • d.

    Het daarvoor noodzakelijke vervoer.

Algemeen gebruikelijke voorzieningen

Wanneer mensen een beperking hebben wordt bij activiteiten van het dagelijks leven en vrijetijdsbesteding vaak gedacht aan begeleiding waar andere voorzieningen wellicht mogelijk zijn of het gewoon de verantwoordelijkheid is van de cliënt of zijn huisgenoten. Er zijn veel algemeen beschikbare en redelijke oplossingen voorhanden (die mensen zonder beperking ook zelf moeten regelen of betalen). Voorbeelden van algemeen gebruikelijke voorzieningen:

  • het ordenen en op orde houden van administratie;

  • activiteiten zoals computercursus of taalles;

  • inzet van maatjes;

  • alarmering;

  • dagopvang/huiskamerproject/inloop.

Voorliggende voorzieningen

Het is nadrukkelijk anders dan welzijnsactiviteiten; ook al bevatten welzijnsactiviteiten wel elementen die in Begeleiding groep voorkomen. Voor veel cliënten zal deelname aan welzijnsactiviteiten in bijvoorbeeld een ontmoetingsruimte in de buurt voldoende zijn om structuur te bieden aan de dag en medemensen te ontmoeten.

 

  • Behandeling

    Alvorens begeleiding te verstrekken is het van belang dat wordt onderzocht wat de mogelijkheden van behandeling zijn. Als verbetering van functioneren of handelen (vaardigheden) nog mogelijk is, dan wordt eerst behandeling wordt. Hiervoor wordt de medisch adviseur (onafhankelijk arts) ingeschakeld. Behandeling kan worden geboden door bijvoorbeeld: ergotherapeut, psycholoog, specialist ouderen geneeskunde of ineen revalidatiecentrum of een centrum gespecialiseerd in bepaalde problematiek (zoals een reumacentrum). Behandeling is gericht op bijvoorbeeld: het verbeteren van de aandoening/stoornis/beperking, het aanleren van nieuwe vaardigheden of gedrag of nadere functionele diagnostiek.

  • (Wettelijk) voorliggende voorzieningen

    Er zijn (wettelijke) arbeidsvoorzieningen waar eerst een beroep op kan worden gedaan alvorens de maatwerkvoorziening “begeleiding” wordt overwogen. Op grond van ziektewet, WIA, Wajong en WSW zijn er mogelijkheden voor aangepast werk. Het uitgangspunt is dat als aangepast werk of speciaal onderwijs op grond van genoemde regelingen niet mogelijk is dat dan begeleiding groep (dagbesteding) kan worden overwogen.

Begeleiding betreft activiteiten gericht op het bevorderen of behoud van de zelfredzaamheid en tot voorkoming van opname of verwaarlozing van de cliënt.

 

  • 1.

    Individuele begeleiding

    Individuele Begeleiding kent vele vormen, bijvoorbeeld:

    • toezicht of aansturing bij activiteiten (zowel thuis als buitenshuis) op het gebied van praktische vaardigheden;

    • ondersteuning bij het aanbrengen van structuur c.q. het voeren van regie;

    • oefenen van in behandeling aangeleerde vaardigheden of gedrag;

    • ondersteuning bij het organiseren van het dagelijks leven (huishouden, agenda, administratie, geldzaken, regelzaken etc.).

  • 2.

    Begeleiding groep

    Ook bekend onder de naam “dagbesteding”. Begeleiding groep is:

    • programmatisch (met een vast dag en/of weekprogramma);

    • methodisch (een methode voor werken met de doelgroep als basis) met een omschreven doel;

    • vraagt actieve betrokkenheid van de cliënt;

    • gericht op het structureren van de dag, oefenen met vaardigheden, die de zelfredzaamheid bevorderen of zoveel mogelijk in stand houden.

  • 3.

    Vervoer

    De zorgaanbieder is verantwoordelijk voor het vervoer naar de begeleidingslocatie. Aan cliënten die zittend in een rolstoel moeten worden vervoerd, kan zowel in natura- of pgb-vorm een extra vergoeding worden toegekend.

     

    Indiceren Begeleiding

    Hoe individueel deze maatwerkvoorzieningen ook worden benaderd, er is toch behoefte aan instrumenten om de hulpvraag te objectiveren en hierdoor richting geven aan de indicatiestelling. Hiervoor wordt gebruik gemaakt van de Zelfredzaamheidsmatrix (ZRM) die is ontwikkeld (zie bijlage).

    Naar aanleiding van de uitkomst van de ZRM wordt bepaald in welk cliëntprofiel de cliënt het beste past en welk resultaat behaald kan worden bij deze cliënt. Dit wordt beschreven in een zorgplan. Het zorgplan beschrijft niet enkel de huidige situatie, maar beschrijft ook de doelen of resultaten die behaald moeten worden.

     

    Er zijn drie cliëntprofielen vastgesteld met allen 3 niveaus enkelvoudig, enkelvoudig complex/meervoudig en meervoudig complex:

    • Verandering en groei

    • Welbevinden

    • Stabiliteit en behoud

  • 4.

    Kortdurend verblijf

    • Bij kortdurend verblijf logeert iemand (maximaal 3 etmalen per week) in een instelling, bijvoorbeeld in een gehandicapteninstelling, verpleeghuis of verzorgingshuis. Hierdoor wordt de mantelzorg ontlast, zodat deze de zorg langer kan volhouden en de cliënt thuis kan blijven wonen.

    • Kortdurend verblijf is bedoeld voor mensen die permanent toezicht nodig hebben, bijvoorbeeld als er valgevaar is of als de cliënt zelf niet in staat is hulp in te roepen als dat nodig is of omdat er ernstige gedragsproblemen zijn.

    • Kortdurend verblijf kan ook voor de doelgroep psychiatrie een mogelijkheid zijn ter ontlasting van de mantelzorg om opname binnen een woonvorm te voorkomen of als time out om opname binnen GGZ te voorkomen.

    • Alleen als er sprake is van de combinatie van voortdurend zorgen, toezicht van de cliënt en dreigende overbelasting van de mantelzorger en als andere voorliggende voorzieningen niet voldoen, kan kortdurend verblijf worden geïndiceerd. Het permanent toezicht kan een vorm van actieve observatie zijn, bijvoorbeeld voor iemand met een ernstige hartaandoening of dementie.

    • De omvang van kortdurend verblijf is 1, 2 of 3 etmalen per week, afhankelijk van wat noodzakelijk is in de specifieke situatie van de cliënt. Er is een maximum van 3 etmalen per week gesteld omdat het logeren betreft; bij meer dan 3 etmalen in een instelling is er sprake van opname waarvoor een indicatie op grond van Wlz moet worden gesteld.

    • Het is denkbaar dat in specifieke situaties wordt toegestaan dat etmalen worden gespaard om bijvoorbeeld een verblijf van een week, zodat de mantelzorger op vakantie kan, mogelijk te maken. Dan moet wel vaststaan dat andere oplossingen, zoals bijvoorbeeld respijtzorg vergoed door de ziektekostenverzekeraar geen optie zijn. Wel geldt dat maximaal drie keer per jaar opgespaarde etmalen mogen worden ingezet, met een maximum van 21 dagen over deze drie perioden. Bovendien geldt dat het maximaal aantal etmalen per jaar 156 (52 x 3) bedraagt.

    • In de instelling waar de cliënt kortdurend verblijft wordt de dagelijkse zorg overgenomen. Wanneer verpleging nodig is moet dit geregeld worden via de zorgverzekering. Behandeling behoort nadrukkelijk niet bij kortdurend verblijf.

    • De cliënt is zelf verantwoordelijk voor vervoer van en naar de instelling voor kortdurend verblijf. Hij kan hiervoor gebruik maken van eigen vervoer of van hulp uit het eigen netwerk. Wanneer de cliënt beperkingen heeft op het gebied van vervoer zal hij doorgaans in het bezit zijn van een pasje voor CVV, waarmee hij zich naar de instelling kan vervoeren. Kortdurend verblijf kent anders dan school of dagbesteding geen exacte starttijden zodat gebruik van een collectief vervoerssysteem als CVV (eventueel met begeleider) een geschikte oplossing biedt.

Hoofdstuk 5 Regels voor een persoonsgebonden budget (PGB)

 

5.1 Voorwaarden voor toekenning persoonsgebonden budget

  • De cliënt kan zelf het budget beheren: zelf de ondersteuning inkopen en hulpverleners aansturen. De cliënt mag ook iemand machtigen om dit voor hem of haar te doen. Voor de toetsing worden de 10 punten van pgb-vaardigheid gebruikt (VNG / VWS) (zie bijlage).

  • De cliënt koopt 'doeltreffende' ondersteuning in. Ondersteuning is doeltreffend als de cliënt er zelfstandiger door kan leven. Verder moet de ondersteuning cliëntgericht en veilig zijn.

  • De cliënt kan motiveren waarom hij of zij zelf ondersteuning wil inkopen met een pgb.

5.2 Voorwaarden pgb ten behoeve van inzet sociaal netwerk

  • De geboden hulp overstijgt de gebruikelijke zorg en inzet voor elkaar.

  • Tussenpersonen of belangenbehartigers mogen niet worden betaald uit het pgb.

  • De persoon die hulp gaat bieden heeft aangegeven dat de zorg voor hem/haar niet tot overbelasting leidt. Deze overbelasting moet worden vastgesteld door een onafhankelijke arts.

  • Aan de inzet van personen uit het sociale netwerk zijn de volgende kwaliteitseisen verbonden:

    • De persoon verleent verantwoorde hulp, waaronder wordt verstaan hulp van goed niveau, die in ieder geval veilig, doeltreffend, doelmatig en cliëntgericht wordt verleend en die is afgestemd op de reële behoefte van de cliënt;

    • De persoon doet melding van iedere calamiteit bij het verlenen van de hulp aan het college;

    • De persoon doet melding van iedere vorm van geweld en het vermoeden tot mishandeling bij het college en/of het Algemeen meldpunt Huiselijk Geweld en Kindermishandeling.

5.3 Berekening tarief pgb

  • Het tarief voor een pgb:

    • is gebaseerd op het ondersteuningsplan, waarin staat hoe het pgb besteed wordt;

    • is toereikend om effectieve en kwalitatief goede zorg in te kopen, en

    • bedraagt ten hoogste 80% van de inkoopprijs van de in de betreffende situatie goedkoopst adequate voorziening in natura.

  • De hoogte van een pgb kan zijn opgebouwd uit verschillende kostencomponenten, zoals salaris, vervanging tijdens vakantie, verzekering(en) en reiskosten.

5.4 Maximale pgb tarieven

  • Hulp bij het huishouden

    • Het pgb wordt maximaal vastgesteld op:

      • 125% van het geldende minimumloon (inclusief vakantiegeld en vakantieuren) per uur indien de hulp wordt uitgevoerd door een particuliere hulp of hulp geboden uit het sociaal netwerk;

      • het laagste periodetarief per 4 weken dat is overeengekomen met een door de gemeente gecontracteerde aanbieder, indien de hulp wordt uitgevoerd door een erkende zorgaanbieder.

  • Begeleiding

    • Het pgb wordt maximaal vastgesteld op:

      • Het laagste periodetarief per maand dat is overeengekomen met een door de gemeente gecontracteerde aanbieder voor het betreffende cliëntprofiel, indien de hulp wordt uitgevoerd door een erkende zorgaanbieder;

      • Het laagste bedrag per etmaal dat is overeengekomen met een door de gemeente gecontracteerde aanbieder voor kortdurend verblijf, indien het verblijf plaats vindt bij een erkende zorgaanbieder;

      • € 20,00 per uur voor begeleiding geboden vanuit het sociale netwerk met een maximum van het maximaal tarief per maand behorend bij het afgegeven cliëntprofiel.

  • Woonvoorzieningen

    • Het pgb wordt maximaal vastgesteld op:

      • Het aankoopbedrag van de goedkoopst adequate voorziening in natura bij de leverancier waarmee de gemeente een overeenkomst heeft gesloten voor woonvoorzieningen die normaliter in eigendom worden verstrekt;

      • Het bedrag van de kosten volgens de door het college geaccepteerde offerte bij woonvoorzieningen die in eigendom worden verstrekt indien de gemeente voor de betreffende voorziening geen overeenkomst heeft gesloten;

      • Het huurbedrag van de goedkoopst adequate voorziening in natura bij de leverancier waarmee de gemeente een contract heeft gesloten bij losse en voor hergebruik geschikte voorzieningen die niet in eigendom worden verstrekt.

  • Vervoersvoorzieningen

    • Het pgb wordt maximaal vastgesteld op:

      • Het aankoopbedrag plus onderhoud van de goedkoopst adequate voorziening bij de leverancier waarmee de gemeente een overeenkomst heeft gesloten voor vervoersvoorzieningen die normaliter in eigendom worden verstrekt;

      • Het bedrag van de kosten inclusief onderhoud volgens de door het college geaccepteerde offerte bij vervoersvoorzieningen die in eigendom worden verstrekt als de gemeente voor de betreffende voorziening geen mantelovereenkomst heeft gesloten;

      • Het huurbedrag van de goedkoopst adequate voorziening inclusief onderhoud en reparatie bij de leverancier waarmee de gemeente een overeenkomst heeft gesloten bij voor hergebruik geschikte vervoersvoorzieningen die niet in eigendom worden verstrekt;

      • De netto prijs per kilometer die de gemeente betaalt maal het aantal toegestane kilometers per jaar voor CVV indien de cliënt geen gebruik kan maken van CVV en is aangewezen op taxivervoer.

  • Rolstoel

    • Het pgb wordt maximaal vastgesteld op:

      • Het aankoopbedrag plus onderhoud van de goedkoopst adequate voorziening bij de leverancier waarmee de gemeente een overeenkomst heeft gesloten voor een rolstoel die normaliter in eigendom wordt verstrekt;

      • Het bedrag van de kosten inclusief onderhoud volgens de door het college geaccepteerde offerte voor een rolstoel die in eigendom worden verstrekt als de gemeente voor de betreffende voorziening geen mantelovereenkomst heeft gesloten;

      • Het huurbedrag van de goedkoopst adequate voorziening inclusief onderhoud en reparatie bij de leverancier waarmee de gemeente een overeenkomst heeft gesloten bij een voor hergebruik geschikte rolstoel die niet in eigendom worden verstrekt.

  • Sportvoorziening

    • Het pgb wordt maximaal vastgesteld op het bedrag van de kosten inclusief onderhoud volgens de door het college geaccepteerde offerte.

5.5 Verantwoording eenmalige pgb’s

  • Bij een eenmalig pgb wordt er in alle gevallen verantwoording gevraagd over de besteding van het budget.

5.6 Tarieven voor bijdrage in de kosten van maatwerkvoorzieningen

  • De bijdrage, bedoeld in artikel 3.1, tweede lid, van het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015 dan wel het totaal van de bijdragen, is gelijk aan de kostprijs, tot aan ten hoogste € 17,50 per 4 weken voor de cliënt of de gehuwde cliënten samen.

  • Geen bijdrage wordt gevraagd voor:

    • rolstoelen;

    • hulpmiddelen voor minderjarige inwoners, met uitzondering van een maatwerkvoorziening of pgb gericht op een woningaanpassing waarbij de bijdrage is verschuldigd door de onderhoudsplichtige ouders.

Hoofdstuk 6: Eigen bijdrage

 

6.1 Hoogte bijdrage

  • 1.

    De bedragen per vier weken, de inkomensbedragen en de percentages die gelden voor de berekening van de bijdrage zijn:

    • a.

      De cliënt betaalt vanaf 1 januari 2020 € 19,00 per maand. Dit geldt voor de cliënt of gehuwde cliënten samen.

    • b.

      voor cliënten met een inkomen tot 110% van het sociale minimum bedraagt de eigen bijdrage € 0,00;

    • c.

      Verder is geen bijdrage verschuldigd voor partners waarbij één partner minimaal de AOW-leeftijd heeft bereikt.

6.2 Vaststelling en inning bijdrage

Vaststelling en inning van de bijdrage vindt plaats door het Centraal Administratie Kantoor (CAK).

Hoofdstuk 7: Overige bepalingen

 

7.1 Hardheidsclausule

Het college kan in bijzondere gevallen ten gunste van de aanvrager afwijken van de bepalingen van deze regels, indien toepassing van het besluit tot onbillijkheden van overwegende aard leidt.

 

7.2 Inwerkingtreding en citeertitel

  • 1.

    Deze regeling treedt met terugwerkende kracht in werking op 1 januari 2020.

  • 2.

    Deze regeling wordt aangehaald als: Nadere regels maatschappelijke ondersteuning gemeente Best 2020.

  • 3.

    De Nadere regels maatschappelijke ondersteuning gemeente Best 2017 wordt per 1 januari 2020 ingetrokken.

Aldus besloten in de vergadering van 17 december 2019.

burgemeester en wethouders van Best

Hans Ubachs

Burgemeester (wnd.)

Ceciel Noordman

secretaris

Bijlage 1. Definitie schoon en leefbaar huis

 

Een schoon huis betekent dat iedereen gebruik moet kunnen maken van een schone woonkamer, als slaapvertrek in gebruik zijnde ruimtes, de keuken, sanitaire ruimtes, gang en trap. Het gebruik kunnen maken van schone bedden- en linnengoed valt hier ook onder. Er moet sprake zijn van een algemeen aanvaard basisniveau van schoon houden. Het begrip leefbaar staat voor opgeruimd en functioneel, bijvoorbeeld om vallen te voorkomen.

 

Het gaat over de vertrekken in huis die daadwerkelijk frequent (dagelijks of in ieder geval meerdere keren per week) in gebruik zijn. Het gaat om de binnenkant van het huis. Onderhoud van tuin, opruimen van een schuur, de stoep vegen, ramen zemen aan de buitenkant vallen hier dus niet onder.

 

Wat minimaal nodig is wordt gedaan. Dit kan heel praktisch betekenen dat de aanpak niet helemaal voldoet aan de persoonlijke standaard en verwachtingen van cliënten.

 

Naast de taken die frequent worden uitgevoerd, zijn er ook zogenaamde incidentele taken te benoemen: taken die niet behoren tot de gangbare standaard taken en zich (ook) kenmerken door een bepaalde mate van uitstelbaarheid. Denk aan het wassen van de ramen (binnenkant), wassen van de vitrage, poetsen van deuren. Ook deze incidentele taken hebben een plek in het ondersteuningsplan.

 

Bij al deze taken gaat het om taken die als algemeen gebruikelijk kunnen worden beschouwd. Het strijken van onderkleding of beddengoed is bijvoorbeeld niet algemeen gebruikelijk.

 

Een schoon en leefbaar huis wil niet zeggen dat de in gebruik zijnde leefvertrekken standaard wekelijks schoon moeten worden gemaakt. De frequentie van schoon maken is mede afhankelijk van de persoonlijke situatie en leefwijze (gezinssamenstelling en gezondheid). Dat betekent dus maatwerk: geen situatie is hetzelfde.

Bijlage 2: Zelfredzaamheidsmatrix

 

Bijlage 3: 10 punten pgb-vaardigheid