Beleidsregels leerlingenvervoer gemeente Hattem 2020

1. Inleiding

 

Op 25 mei 2020 heeft de gemeenteraad de ‘verordening leerlingenvervoer gemeente Hattem 2020’ vastgesteld. Gemeenten zijn wettelijk verplicht een verordening leerlingenvervoer vast te stellen op basis waarvan ouders/verzorgers van leerlingen aanspraak kunnen maken op bekostiging van vervoer van en naar school.

Het leerlingenvervoer heeft betrekking op leerlingen van basisscholen, speciale scholen voor basisonderwijs en op leerlingen van scholen voor (voortgezet) speciaal onderwijs. Leerlingen van het regulier voortgezet onderwijs die gehandicapt zijn komen eveneens in aanmerking voor bekostiging van het vervoer.

De gemeente Hattem streeft er naar zo veel mogelijk kinderen in het openbaar vervoer te laten reizen. Dit drukt voor de gemeente de kosten van het leerlingenvervoer en de zelfstandigheid en flexibiliteit van het kind wordt bevorderd. Natuurlijk is reizen met het openbaar vervoer niet voor ieder kind weggelegd, maar er zijn ook veel kinderen die juist graag met de trein of met de bus naar school gaan en dat ook prima alleen kunnen.

Uitgangspunt is een vergoeding op basis van de kosten van het openbaarvervoer, zo nodig met begeleiding. Onder bepaalde voorwaarden kunnen ouders/verzorgers voor hun kind aanspraak maken op aangepast vervoer in een taxi of een taxibusje.

In dit document staan beleidsregels die het college hanteert omtrent het leerlingenvervoer. Ze zijn bedoeld als uitleg van sommige bepalingen van de verordening voor aanvragers en medewerkers.

2. Aanvraag (artikel 5 verordening)

2.1 Indienen aanvraagformulier

Indien de aanvraagformulieren voor het nieuwe schooljaar voor 1 juni zijn ingeleverd zal de beschikking voor de aanvang van het schooljaar worden verstrekt. Bij latere indiening kan de maximale termijn van acht weken, eventueel te verlengen met vier weken, worden gehanteerd. De aanvraagformulieren worden voor 1 mei naar de bekende ouders/verzorgers verstuurd.

2.2 Gesprek

Ouders/verzorgers van kinderen die nieuw in het leerlingenvervoer komen, worden eerst uitgenodigd voor een gesprek of worden telefonisch benaderd. Hierin wordt uitgelegd wat leerlingenvervoer is en wordt bekeken of de leerling met het openbaar vervoer of fiets, eventueel onder begeleiding, kan reizen. Ook ouders/verzorgers van kinderen die in het schooljaar negen jaar worden, worden uitgenodigd voor een gesprek. Met hen worden de mogelijkheden van het fietsen of openbaar vervoer besproken.

3. Eigen bijdrage (artikelen 14 en 15)

3.1 IB60 formulier

Indien het inkomen van de ouders minder bedraagt dan € 27.000,‐. dienen de ouders dit aan te tonen door het overleggen van een IB60 formulier van de belastingdienst. Bij gescheiden wonende ouders is het inkomen van het huishouden van de verzorgende ouder bepalend.

3.2 Verlegging peiljaar

Het peiljaar voor de eigenbijdrage in het leerlingenvervoer (twee jaar voor 1 juni) kan worden verlegd, indien het inkomen van de ouders/verzorgers in de periode tussen het peiljaar en het jaar van de aanvraag structureel (met 15 procent of meer) is gedaald. Dit kan op grond van artikel 23 van de verordening (de hardheidsclausule). Dit kan alleen worden toegepast voor het begin van het schooljaar. Tijdens het schooljaar wordt het peiljaar niet meer verlegd.

3.3. Eigen bijdrage

Het college dient volgens de verordening op twee manieren een vergoeding te vragen voor de kosten van het leerlingenvervoer. Ten eerst door middel van een drempelbedrag (artikel 14 van de verordening) en ten tweede door middel van een inkomensafhankelijke bijdrage (artikel 15 van de verordening).

Het drempelbedrag is bedoeld om ouders/verzorgers verantwoordelijk te laten zijn voor een bepaald deel van de kosten van het vervoer. Het bedrag wordt per leerling in rekening gebracht.

De ouderlijke bijdrage is bij het drempelbedrag gekoppeld aan de kilometergrens (4 kilometer volgens de verordening). De eigen bijdrage wordt betaald voor aangepast vervoer tot vier kilometer. Per 1 januari 2020 is dit bedrag € 226,14 voor leerlingen van het basisonderwijs en leerlingen van het speciaal basisonderwijs die gebruik maken van het aangepast vervoer. Het drempelbedrag wordt jaarlijks geïndexeerd. Doelgroep voor het drempelbedrag:

  • leerlingen die een school voor basisonderwijs bezoeken;

  • leerlingen die een speciale school voor basisonderwijs bezoeken.

Een inkomensafhankelijke bijdrage is bedoeld voor ouders/verzorgers van wie de kinderen een school voor basisonderwijs bezoeken en waarvan de school ten minste 20 kilometer van de woning ligt. Dit wordt bepaald aan de hand van de routeplanner van de ANWB. De inkomensafhankelijke bijdrage wordt per gezin geheven en kan alleen bij het reguliere basisonderwijs (op basis van levens of geloofsovertuiging) worden gevraagd.

Het drempelbedrag en de inkomensafhankelijke bijdrage kunnen naast elkaar worden geheven en kunnen in termijnen worden betaald.

3.3.1 Eigen bijdrage Fiets

Bij het gebruik van de fiets, al dan niet onder begeleiding, zal er geen eigen bijdrage zoals bedoeld in artikel 14 van de verordening in rekening worden gebracht.

3.3.2 Eigen bijdrage bij handicap

De eigen bijdrage is niet van toepassing op leerlingen die wegens hun structurele lichamelijke, verstandelijke of zintuiglijke handicap op ander vervoer dan openbaar vervoer zijn aangewezen, dan wel vanwege een zodanige handicap niet zelfstandig van openbaar vervoer gebruik kunnen maken.

3.4 Berekening Eigen Bijdrage

De eigen bijdrage is gebaseerd op het 1 stertarief van Syntus met de korting voor scholieren.

4. Bepalen afstand en reistijd

4.1 Berekening van de afstand en de route

Voor het bepalen van de afstand tussen het woonadres en het schooladres maakt het college gebruik van de routeplanner op www.ANWB.nl. Hierbij wordt gebruik gemaakt van de optie ‘kortste route’, waarna het gemiddelde van zowel de heen‐ als terugreis wordt vastgesteld. Het door deze routeplanner aantal uitgerekende kilometers is voor het college te allen tijde uitgangspunt bij de beoordeling van de aanvraag en voor de bekostiging van leerlingenvervoer. Wegwerkzaamheden worden in de berekening van de afstand niet meegenomen.

Als de afstand tussen de woning en (speciaal) basisonderwijs of speciaal onderwijs per fiets korter is dan tien kilometer, wordt voor de berekening van de afstand van huis naar school de optie kortste route per fiets aangehouden.

Als de afstand tussen de woning en voortgezet onderwijs of voortgezet speciaal onderwijs per fiets korter is dan vijftien kilometer, wordt voor de berekening van de afstand van huis naar school de optie kortste route per fiets aangehouden.

4.1.1 Afstand naar SBO De Brug in Zwolle

De afstand naar SBO De Brug vanuit de kern Hattem is voor de berekening van het recht op leerlingenvervoer minimaal 4 kilometer. Indien de reële afstand meer dan vier kilometer is zal de reële afstand worden gehanteerd.

4.2 Het vaststellen van de reistijd

Het vaststellen van de reistijd per openbaar vervoer vindt plaats op basis de door de REISinformatiegroep bv beschikbaar gestelde informatie via 0900‐9292, www.9292ov.nl en mobiel.9292ov.nl. Voor het vaststellen van de reistijd per aangepast vervoer, wordt de vervoerder geraadpleegd.

4.3 Opstapplaatsen

Indien dit zorgt voor kostenbesparing en indien dit mogelijk is voor de leerlingen, wordt gebruik gemaakt van opstapplaatsen voor de leerlingen. Dit zijn bestaande bushaltes op maximaal een half uur lopen van de woning of de school van het kind.

4.4 Afstandsgrens

Het vervoer wordt alleen vergoed aan ouders/verzorgers van leerlingen op basisscholen, speciale scholen voor basisonderwijs en scholen voor speciaal onderwijs indien de school verder weg staat dan vier kilometer. Voor leerlingen die niet zelfstandig of onder begeleiding van het openbaar vervoer gebruik kunnen maken geldt deze afstandsgrens niet.

5. Vervoer

5.1 Tijden vervoer (artikel 4 verordening)

Vervoer vindt plaats op de schooltijden, zoals deze staan vermeld in de schoolgids van de betreffende school.

5.2 Dichtstbijzijnde toegankelijke school (artikel 3 verordening)

Er wordt aan de ouders/verzorgers bekostiging verstrekt voor de dichtstbijzijnde toegankelijke school. Als ouders/verzorgers vervoer naar een andere school dan de dichtstbijzijnde toegankelijke school willen, moeten zij schriftelijk verklaren dat ze overwegende bezwaren hebben tegen de dichtstbijzijnde toegankelijke school. Een bezwaar kan bijvoorbeeld zijn: geloofs‐ of levensovertuiging.

5.3 Stagevervoer

Als een stage deel is van het onderwijsprogramma en als de leerling al dagelijks leerlingenvervoer krijgt dan bestaat ook het recht op leerlingenvervoer naar het stageadres. Het stagevervoer moet dan wel conform schooltijden zijn. Vervoer naar een stage in de avonduren wordt bijvoorbeeld niet vergoed.

5.4 Extreme weersomstandigheden

Bij extreme weersomstandigheden beslist de vervoerder of het aangepast vervoer niet of op een later tijdstip plaats moet vinden. De vervoerder communiceert dit naar de ouders/verzorgers en naar het college. De vervoerder dient verder zorg te dragen voor veilig vervoer en dient de snelheid en rijstijl aan te passen aan de geldende weersomstandigheden.

6. Vergoedingen (artikelen 10 ‐13 en 17 ‐ 19)

6.1 Fietsvergoeding

Een leerling komt in aanmerking voor een vergoeding voor het vervoer per fiets indien de school niet verder weg staat dan 10 kilometer in het geval van (Speciaal) basisonderwijs en Speciaal onderwijs of 15 kilometers in het geval van voortgezet (speciaal) onderwijs. Bij voortgezet (speciaal) onderwijs is hiervan alleen sprake van bij fietsen onder begeleiding.

Ook voor de bepaling van de afstand per fiets tussen huis en school wordt gebruik gemaakt van de ANWB routeplanner. De vergoeding voor de leerling wordt berekend op basis van twee maal de afstand huis‐school per dag. Voor een eventuele begeleider is de vergoeding vier maal de afstand huis‐school per dag. De fietsvergoeding is 9 cent per kilometer.

Bij het vervoer per fiets moet in overweging worden genomen:

  • de leeftijd van de leerling;

  • de eventuele handicap van de leerling;

  • de veiligheid van de route en de afstand.

In de winter kan de leerling passend (openbaar) vervoer worden aangeboden.

6.2 Vergoeding op basis van het openbaar vervoer

Het uitgangspunt voor het leerlingenvervoer is: alle leerlingen in het openbaar vervoer tenzij:

  • dit geestelijk, psychisch of lichamelijk niet mogelijk is;

  • dit gezien de leeftijd van de leerling niet mogelijk is;

  • dit gezien de afstand niet mogelijk is;

  • de reistijd in het openbaar vervoer langer is dan anderhalf uur en de reistijd met aangepast vervoer tot 50% of minder van de reistijd per openbaar vervoer kan worden teruggebracht.

 

Hierbij moet wel de toegankelijkheid van de school in acht worden genomen. Het college is van mening dat een leerling van het (speciaal) basisonderwijs vanaf 9 tot en met 11 jaar die met het openbaar vervoer kan reizen niet kan overstappen. Een leerling van 12 jaar en ouder kan maximaal één keer overstappen.

Als ouders/verzorgers van mening zijn dat het kind niet kan overstappen moeten zij dat door schriftelijke verklaringen kunnen aantonen. Er kan sprake zijn van niet kunnen overstappen als:

  • de leerling gedurende rit moet overstappen op een gevaarlijk overstappunt en hij/zij daar gezien zijn/haar leeftijd te jong voor is;

  • de route van het uitstappunt van de bus/trein naar de school gevaarlijke punten kent.

 

Het college bekostigt de goedkoopst mogelijke wijze van vervoer (bijvoorbeeld een OV‐kaart, een jaarabonnement of een maandabonnement).

6.3 Vergoeding van de vervoerskosten van een begeleider

De eisen voor vergoeding van de vervoerskosten van een begeleider zijn:

  • de afstand van de woning naar school moet meer dan vier kilometer zijn;

  • de leerling is jonger dan negen jaar; of

  • de leerling is niet in staat zelfstandig van het openbaar vervoergebruik maken. Dit moet door de ouders/verzorgers worden aangetoond. Hiervan kan onder andere sprake zijn als:

  • de leerling gedurende de rit met het openbaar vervoer een of meerdere malen moet overstappen op gevaarlijke overstappunten en hij, gezien zijn leeftijd, te jong hiervoor is, en/of

  • de route van het uitstappunt van de bus naar de school gevaarlijke punten kent (en oplossing daarvan door bijvoorbeeld verkeersbrigadiers niet mogelijk is).

Het aantonen moet gebeuren door bewijsstukken in te leveren.

6.4 Vergoeding op basis van de kosten van het eigen vervoer

Bij het eigen vervoer gaat het om ouders/verzorgers die de leerling zelf naar school vervoeren. Als een ouder voor bekostiging van het eigen vervoer in aanmerking wil komen, moet dit vervoer voor de gemeente goedkoper zijn. Hiervan is bijvoorbeeld geen sprake indien er al een taxibusje rijdt en er voor de leerling nog plaats is. Er zijn twee soorten vergoedingen voor het eigen vervoer:

  • 1.

    Als ouders/verzorgers in aanmerking komen voor een vergoeding op basis van het openbaar vervoer en ze vervoeren de leerling zelf, dan keert het college een vergoeding uit op basis van het openbaarvervoer. Het goedkoopste tarief wordt hier als uitgangspunt genomen.

  • 2.

    Als ouders/verzorgers in aanmerking komen voor aangepast vervoer en zij met toestemming van het college de leerling zelf vervoeren, geldt een vergoeding gebaseerd op de VNG bedragen leerlingenvervoer van momenteel 37 cent per kilometer, deze vergoeding kan jaarlijks worden aangepast. De vergoeding van de kosten van het eigen vervoer bestaat uit twee keer de afstand woning‐school per schooldag. Ook de kosten van de reis met het openbaar vervoer moeten worden berekend. Als het reizen naar school met het openbaar vervoer niet langer dan anderhalf uur duurt (enkele reis), mag de goedkoopste variant worden uitgekeerd. Ook als de leerling niet daadwerkelijk met het openbaar vervoer gaat.

6.5 Vergoeding van de kosten van het aangepast vervoer

Een vergoeding van de kosten van het aangepast vervoer, kan pas in uitzonderingsgevallen worden verleend als:

  • 1.

    de handicap van de leerling aangepast vervoer vereist (hier moeten verklaring(en) van deskundigen, niet zijnde de eigen huisarts, aan ten grondslag liggen);

  • 2.

    de reistijd met het openbaar vervoer langer is dan anderhalf uur en de reistijd met aangepast vervoer tot 50% of minder van de reistijd per openbaar vervoer kan worden teruggebracht;

  • 3.

    openbaar vervoer ontbreekt (gekeken moet dan worden of een combinatie van vervoer mogelijk is).

6.6 Uitbetaling vergoeding

  • a.

    In aanvulling op artikel 4 van de verordening worden gedurende een schooljaar maandelijks voorschotten verstrekt.

  • b.

    Voorwaarde voor het verkrijgen van het voorschot is dat het eerdere voorschot is afgerekend. Er kan pas worden afgerekend indien voldoende inzicht is verkregen in die periode door o.a. bewijsstukken te overleggen.

  • c.

    Indien gedurende het schooljaar recht op een vergoeding ontstaat zal zoveel mogelijk bij dit ritme worden aangesloten.

  • d.

    Een vergoeding kan niet met terugwerkende kracht worden aangevraagd of worden verstrekt.

6.7 Terugvordering

"Ten onrechte genoten bekostiging kan van de ouders worden teruggevorderd, dan wel worden verrekend bij een eventuele nieuwe verstrekking van bekostiging”.

Het college hanteert het uitgangspunt dat ten onrechte ontvangen tegemoetkomingen voor leerlingenvervoer altijd van de ouder worden teruggevorderd tenzij er sprake is van dringende redenen om van terugvordering af te zien.

6.8 Medische noodzaak

Indien moet worden aangetoond dat er een medische noodzaak is voor het aangepast vervoer moeten er medische stukken worden overlegd. Indien deze niet aanwezig zijn, kan de gemeente een advies aan een medisch adviseur vragen.

7. Specifieke Groepen leerlingen

7.1 Bepaling handicap voor aangepast vervoer (artikelen 12 en 18)

Leerlingen die een school voor (voortgezet) speciaal onderwijs, basisschool, speciale school voor basisonderwijs of een school voor voortgezet onderwijs bezoeken vallen onder het begrip gehandicapt van de verordening, wanneer zij vanwege een lichamelijke, verstandelijke of zintuiglijke handicap of ernstige gedragsstoornis niet zelfstandig van het openbaar vervoer gebruik kunnen maken.

Bij twijfel over of een leerling onder deze bepalingen vallen, kan het college aan een onafhankelijke deskundige opdracht geven een onderzoek in te stellen en advies uit te brengen. Voor leerlingen die onder deze bepalingen vallen geldt geen eigen bijdrage. Ook de afstandsgrens van vier kilometer geldt niet voor leerlingen die onder deze bepalingen vallen.

Van een geestelijke handicap kan alleen sprake zijn bij een IQ lager dan 70.

7.2 Structurele handicap

Onder een structurele handicap, zoals genoemd in de artikelen 12 en 18, wordt verstaan een beperking die langer dan zes maanden duurt.

7.3 Hoogbegaafde leerlingen

Aanvragen naar specifieke scholen voor hoogbegaafden worden in beginsel afgewezen, want binnen gemeente Hattem kunnen hoogbegaafden in het reguliere onderwijs worden opgevangen.

8. Ontzeggen van de toegang tot het vervoer door het college

 

Het college kan een leerling aan wie een vervoersvoorziening in de vorm van aangepast vervoer is verstrekt, tijdelijk of voor de rest van het schooljaar de toegang tot dit vervoer ontzeggen indien bij herhaling is gebleken dat de leerling door agressief gedrag of anderszins de orde in de taxibus verstoort of de veiligheid van taxibus en inzittenden in gevaar brengt.

Hierbij worden de volgende stappen ondernomen:

  • 1.

    klachten worden in beginsel door de vervoerder opgelost;

  • 2.

    na de melding van een klacht door de vervoerder bij de gemeente Hattem wordt een onderzoek gestart. In het kader van dat onderzoek spreekt de (beleids‐)medewerker met vervoerder, chauffeur, ouders/verzorgers en/of school. Indien na het onderzoek blijkt dat sprake is van verwijtbaar gedrag van de leerling volgt een eerste waarschuwingsbrief aan ouders/verzorgers;

  • 3.

    bij een volgende klacht wordt stap 2 herhaald en volgt een tweede waarschuwingsbrief. Het college zorgt in deze fase voor een extra zitplaats in de taxibus om begeleiding van de leerling door één van de ouders mogelijk te maken. Als er een begeleider meegaat, anders dan de ouder of verzorger en hier kosten aan zijn verbonden, zijn de kosten voor de ouder/verzorger;

  • 4.

    bij een volgende klacht kan een schorsing per direct volgen, voor een periode van één volle schoolweek. Er volgt een derde waarschuwingsbrief aan ouders/verzorgers;

  • 5.

    bij een volgende klacht volgt met een vierde brief totale uitsluiting van het vervoer tot het eind van het schooljaar met een minimum van drie maanden, exclusief vakanties (schorsing aan het eind van het schooljaar kan dus doorlopen in het nieuwe schooljaar). Indien ouders na schorsing opnieuw gebruik willen maken van het leerlingenvervoer dan moet een nieuwe aanvraag worden ingediend.

9. Verantwoordelijkheid ouders/verzorgers

9.1 Ernstige benadeling van het gezin (artikel 12, lid 1, onder c van de verordening)

  • 1.

    Er is geen sprake van ernstige benadeling van het gezin als er alleen sprake is van de omstandigheid dat ouders/verzorgers wegens werkzaamheden of andere bezigheden de leerling niet naar school kunnen brengen.

  • 2.

    De begeleiding van een leerling naar school mag een begeleider maximaal vier uur per dag kosten.

  • 3.

    Van ernstige benadeling van het gezin kan sprake zijn, als één van de volgende situaties aanwezig is (enkel van toepassing voor die gezinnen van leerlingen die in aanmerking komen voor een vervoersvoorziening):

    • Sociaal medische redenen die beide ouders belemmeren het kind te begeleiden. Dit dient altijd vergezeld te gaan van een medische verklaring niet zijnde van de huisarts;

    • Het een eenoudergezin betreft waarin nog een 2e kind jonger dan 9 jaar aanwezig is, dat nog niet zelfstandig naar school kan gaan. De ouder dient dit met verklaringen aan te tonen;

    • Het een eenoudergezin betreft waarin nog een 2e kind jonger dan 9 jaar aanwezig is, waarbij de ouder fulltime werkt of een fulltime dagopleiding volgt en werk‐of lestijden het onmogelijk maken het kind te begeleiden. De ouder dient dit met verklaringen (bijvoorbeeld een werkgeversverklaring) aan te tonen;

9.2 Verantwoordelijkheid ouders/verzorgers

Ouders/verzorgers blijven te allen tijde verantwoordelijk voor hun kinderen, dus ook voor het op school komen van hun kinderen en de eventuele begeleiding daarbij. Dit neemt niet weg dat het college ondersteuning moet bieden door het creëren van een aantal leerlingenvervoer faciliteiten.

10. Woning

10.1 Woning

Onder ‘woning’ wordt verstaan: de plaats waar de leerling structureel en feitelijk verblijft. Met andere woorden, de plaats van waaruit het kind de school bezoekt. In deze is het niet relevant in welke gemeente de ouders en/of het kind staan ingeschreven.

Niet ter zake doet of de ouders, voogden of verzorgers in de gemeente hun officiële verblijf hebben in de zin van de artikelen 10 en verder van Boek I van het Burgerlijk wetboek. Dit betekent dat indien een leerling tijdelijk in een andere gemeente verblijft in deze andere gemeente (in het algemeen) bekostiging van de vervoerkosten van deze leerling aangevraagd moet worden (dit geldt overigens niet indien het bijvoorbeeld een leerling betreft die vanwege een vakantie van de ouders tijdelijk elders verblijft).

10.1.1 Vervoer na schooltijd

Vervoer na schooltijd naar andere plaatsen dan de woning van de leerling (de buitenschoolse opvang bijvoorbeeld) wordt alleen toegekend indien:

  • er geen extra kosten mee zijn gemoeid (de bso ligt op de route);

  • het vervoer na schooltijd structureel is (op de zelfde dagen van de week, op hetzelfde adres) voor tenminste een half schooljaar.

10.1.2 Gescheiden ouders: twee woningen

Een kind van gescheiden ouders kan twee woningen hebben in de zin van de verordening. Wanneer er bijvoorbeeld sprake is van co‐ouderschap, waarbij het kind zowel bij de ene als bij de andere ouder verblijft, is er sprake van twee hoofdverblijven. Waar de leerling staat ingeschreven doet niet ter zake; doorslaggevend is de feitelijke verblijfplaats van de leerling.

Om aanspraak te maken op bekostiging van leerlingenvervoer moeten beide ouders afzonderlijk, een aanvraag indienen bij de gemeente waar hij of zij woonachtig is.

 

De gemeente toetst de aanvraag aan de eigen verordening leerlingenvervoer, waarbij onder meer wordt bekeken of er sprake is van een woning in de zin van de verordening, of de school wel de dichtstbijzijnde toegankelijke is en of voldaan is aan de afstandsgrens. Het komt voor dat slechts in één van beide gemeenten aanspraak op leerlingenvervoer bestaat, doordat de school niet de dichtstbijzijnde toegankelijke school is.

 

Beleidsregel

Om aanspraak te maken op bekostiging van leerlingenvervoer moeten beide ouders afzonderlijk, voor de dagen dat het kind doordeweeks bij hen verblijft, een aanvraag indienen bij de gemeente waar hij of zij woonachtig is.

10.1.3 Tijdelijk verblijf

De verordening definieert in artikel 1 "woning”. Met name bij zeer kort tijdelijk verblijf van de leerling in een andere gemeente kan de vraag rijzen of het redelijk is dat deze gemeente de vervoerskosten moet dragen. Door het incidentele karakter van dit vervoer laat het zich doorgaans moeilijk organiseren binnen de bestaande gemeentelijke kaders, zodat dit vervoer zeer veel extra kosten met zich mee kan brengen. Ook voor ouders is dit omslachtig: bij gemeente A moeten zij deelname aan het vervoer opzeggen, bij gemeente B vervoer aanvragen en een aantal weken later dienen zij het omgekeerde te doen. Bovendien bevat de definitie van het begrip woning een structureel element.

Beleidsregel

In een voorkomend geval wordt als volgt gehandeld. Als vooraf vaststaat dat een leerling gedurende een korte periode (niet meer dan zes weken) in een andere gemeente (B) verblijft en zijn oude school blijft bezoeken, dan wordt dit verblijf aangemerkt als verblijf in de oorspronkelijke gemeente (A). Deze gemeente (A) zal dan ook het vervoer gedurende deze weken blijven verzorgen. Hierbij wordt er van uitgegaan dat het kind naar zijn eigen school blijft gaan. Is de afstand van het tijdelijk verblijf van de leerling naar school kleiner dan de kilometergrens die gemeente A hanteert, dan zal uiteraard (tijdelijk) geen aanspraak op bekostiging van vervoerkosten bestaan.

Een andere gemeente hoeft dit beleid niet te hanteren. In dat geval is de gemeente waar de leerling feitelijk (kortdurend) verblijft de gemeente die het vervoer van de leerling moet bekostigen.

11. Overige bepalingen

11.1 Hardheidsclausule

De ‘Verordening leerlingenvervoer gemeente De Hattem 2020’ kent een hardheidsclausule (artikel 23). Deze clausule wordt slechts in extreme gevallen toepgast. De hardheidsclausule wordt bijvoorbeeld niet toegepast als ouders/verzorgers door werk of andere bezigheden de leerling niet naar school kunnen brengen.

11.2 Inwerkingtreding

Deze beleidsregels treden in werking op de dag na publicatie.

Naar boven