Gemeenteblad van Vlissingen

Datum publicatieOrganisatieJaargang en nummerRubriek
VlissingenGemeenteblad 2020, 143782Verordeningen



Subsidieregels gemeente Vlissingen

Inleiding

De subsidieverlening vindt plaats op basis van de Algemene Subsidieverordening (ASV). Deze verordening wordt door de raad vastgesteld. In de verordening zijn de regels met betrekking tot het subsidieproces vastgelegd, zoals de eisen waar een subsidieaanvrager moet voldoen, de termijnen voor het indienen van de aanvraag en vaststelling van de subsidies en de wijze waarop vaststelling van een subsidie plaatsvindt. In een subsidieregel worden de subsidiecriteria, de voorwaarden waaraan de subsidieaanvrager moet voldoen en de subsidiegrondslagen opgenomen.

De ASV Vlissingen 2012 is geactualiseerd. De reden hiervan is dat de huidige subsidieverordening te gedetailleerd is. Vandaar dat er een nieuwe verordening is gemaakt. Hiervoor is op gebruik gemaakt van de modelverordening van de VNG. De ASV Vlissingen 2018 geeft in hoofdlijnen het proces van subsidieverlening en subsidievaststelling weer.

In het nieuwe subsidiebeleid zijn aan de hand van de uitgangspunten subsidieregels opgesteld. Eén van de uitgangspunten is dat de gemeente Vlissingen geen exploitatietekorten subsidieert. Hiervoor in de plaats ontvangt een vrijwilligersorganisatie een tegemoetkoming waarbij rekening wordt gehouden met het beginsel van eigen verantwoordelijkheid en het profijtbeginsel. Daarnaast stopt het automatisme van subsidieverlening. Dit betekent dat op een gegeven moment wordt bezien of de activiteit nog past binnen het beleid van de gemeente of dat de subsidieontvanger meer inkomsten moet genereren om de activiteiten zonder subsidie te kunnen voortzetten.

 

Subsidieregel 1 – Integratie en Participatie

a. Beleid.

Het bieden van mogelijkheden tot het doen plaatsvinden van activiteiten die gericht zijn op kennismaking, integratie en acceptatie om te komen tot participatie van mensen van verschillende etniciteit en/of seksuele voorkeur. Het eindelijke doel is het bewerkstelligen van een volwaardige deelname aan de maatschappij. Daaronder vallen niet de activiteiten die zijn gericht op het in standhouden van de zogeheten ‘eigen cultuur’.

b. Subsidieregel.

1. Doelstelling activiteiten.

1.a. Het bieden van een ontmoetingsplaats voor inwoners van een verschillende etniciteit en/of seksuele voorkeur om zo, via een nadere kennismaking en acceptatie te komen tot participatie welke moet leiden tot een volwaardige deelname aan de maatschappij.

2. Producten / Activiteiten / Diensten.

2.a. Educatieve, recreatieve en ontmoetingsactiviteiten.

3. Subsidiesoort. Waarderingsubsidie.

4. Subsidiegrondslagen.

4.a. Activiteitenplan met begroting.

4.b. Het jaarlijks door het college vastgestelde subsidieplafond.

4.c. Het in het subsidieprogramma voor deze activiteit opgenomen maximale subsidiebedrag.

5. Nadere subsidievoorwaarden.

5.a. Er moet sprake zijn van ten minste 6 activiteiten per jaar tenzij er als uitgangspunt sprake is van een lager aantal activiteiten op jaarbasis.

5.b. De genoemde activiteiten moeten in groepsverband plaatsvinden met ten minste 10 deelnemers per activiteit.

5.c. De deelnemers moeten zowel een westerse als een niet-westerse etniciteit hebben en/of verschillende seksuele voorkeuren hebben.

5.d. Een activiteit die gericht is op een activiteit ten behoeve van integratie van mensen van verschillende etniciteit en die in aanmerking is gekomen voor subsidieverstrekking moet zelfvoorzienend zijn binnen drie jaar.

6. Nadere vereisten bij de aanvraag.

Er moet gebruik worden gemaakt van de door het college vastgestelde subsidieaanvraagformulieren.

 

Subsidieregel 2 - Ouderenwerk

1. Doelstelling activiteiten.

1.a. Volwassenen vanaf 65 jaar.

1.a.1 Algemeen. Het langer zelfstandig kunnen functioneren en wonen van mensen van 65 jaar en ouder in het kader van het bevorderen van de zelfredzaamheid van mensen in deze leeftijdscategorie.

1.2. Professionele instellingen.

1.2.1. Signaleren en activeren van ouderen.

1.2.2. Voorlichting en advies aan ouderen.

1.2.3. Ondersteuning van ouderen in groepsverband.

1.2.4. Ondersteuning ouderenorganisaties op afroep.

1.2.5. Bevorderen langer zelfstandig wonen en functioneren door onder andere signalerende en activerende huisbezoeken voor het meer bewegen voor ouderen.

1.3. Vrijwilligersorganisaties.

1.3.1. Ouderenbonden en –verenigingen (vervallen per 1 januari 2019).

1.3.1.a. Bieden van mogelijkheid tot ontmoeting.

1.3.1.b. Belangenbehartiging.

1.3.1.2. Seniorenadviesraad. Het geven van gevraagd en ongevraagd advies aan overheden en belanghebbenden.

2. Diensten / Activiteiten / Producten.

2.a. Algemeen.

Belangenbehartiging van hen die tot de doelgroepen behoren.

2.b. Volwassenen van 65 jaar en ouder.

2.b.1. Professionele instellingen.

2.b.2. Meer bewegen voor Ouderen. Beweging bevorderende activiteiten.

2.c. Vrijwilligersorganisaties.

2.c.1. Ouderenbonden.

2.c.1.a. Educatieve en recreatieve activiteiten.

2.c.1.b. Belangenbehartiging.

2.2. Seniorenadviesraad

2.2.a. Adviezen.

2.3. Ouderenverenigingen.

2.3.a. Educatieve en recreatieve activiteiten.

3. Subsidiesoort.

3.a. Vrijwilligersorganisaties. Waarderingsubsidie.

3.b. Professionele instellingen. Budgetsubsidie.

4. Subsidiegrondslagen.

4.a. Vrijwilligersorganisaties.

4.a.1. Activiteitenplan met begroting.

4.a.2. Het jaarlijks door het college vastgestelde subsidieplafond.

4.a.3. Het in het subsidieprogramma voor deze activiteit opgenomen maximale subsidiebedrag.

4.a.4. Verdeelsleutel. Naar rato.

4.b. Professionele instellingen.

4.b.1. Activiteitenplan met bijbehorende productbegroting op basis van baten en lasten.

4.b.2. De niet integrale kostprijs van de producten (verdeling naar vaste en variabele lasten).

4.b.2.1. Inzicht in de algemene huisvestingslasten.

4.b.2.2. Inzichten in de overige overheadkosten.

4.b.3. De kosten en tekorten per dienst / activiteit / product.

4.b.4. Het jaarlijks door het college vastgestelde subsidieplafond.

4.b.5. De verdeelsleutel. Tender, op basis van de verhouding tussen kwaliteit, kwantiteit, prestaties en prijs.

4.b.6. Achtereenvolgens worden bij de subsidieverstrekking de volgende kostensoorten ten laste gebracht van het subsidiebudget.

4.b.6.1. De vaste lasten, de kapitaallasten, onderhouds-, organisatie- en bestuurskosten. De kosten mogen niet aan een activiteit onderhavig zijn.

4.b.6.2. Per activiteit de variabele lasten nadat per activiteit de baten per activiteit zijn toegerekend.

5. Nadere subsidievoorwaarden.

5.a. Algemeen.

5.a.1. Vrijwilligersorganisaties. De afdrachten aan de landelijke bonden zijn niet subsidiabel.

5.a.1.1. Minimaal 50 leden per organisatie.

5.a.1.1. Minimaal 6 activiteiten op jaarbasis. dit met uitzondering van de organisaties die een ander aantal activiteiten op jaarbasis als uitgangspunt hebben.

5.a.1.3. Minimaal 15 deelnemers aan iedere activiteit.

5.a.2. Professionele instellingen.

5.a.2.1. De formatieve inzet vanuit de overhead mag niet meer bedragen dan een nader door het college te bepalen percentage van de totale personeelsformatie.

5.a.2.2. Er wordt uitgegaan van een gemiddelde van 1.125 (inclusief 10% seniorenverlof) - 1.350 productieve uren binnen een fte op jaarbasis, dit nader te definiëren naar activiteiten en de aard van de gewenste inzet, de inschaling en de verdere effecten van de geldende cao.

5.a.2.3. Inschaling en honorering conform de cao Welzijn en maatschappelijke dienstverlening.

5.a.2.4. Bij inzet ten behoeve van de ondersteuning van vrijwilligersorganisaties. De vraag c.q. de behoefte vanuit de vrijwilligersorganisatie is leidend.

5.a.2.5. De inzet moet zijn gericht op het bevorderen van de taakvolwassenheid van het vrijwilligerskader binnen de vrijwilligersorganisaties.

6. Nadere vereisten bij de aanvraag. Er moet gebruik worden gemaakt van de door het college vastgestelde subsidieaanvraagformulieren.

7. Eigen bijdragen of andere inkomsten dan subsidie. De kosten van de consumpties (zoals de inkoop ervan en de overige directe kosten) en de materiaalkosten moeten worden opgebracht door de deelnemers en zijn niet subsidiabel.

8. Prestaties professionele instellingen. De te leveren prestaties worden jaarlijks vastgesteld in de beschikking tot subsidieverlening en / of de uitvoeringsovereenkomst.

9. Uitvoeringsovereenkomst van toepassing bij professionele instellingen.

 

Subsidieregel 3 - Jeugd en jongerenwerk.

1. Doelstelling activiteiten. Ontplooiing van de eigen mogelijkheden van jeugd en jongeren tot 23 jaar door middel van educatieve en recreatieve activiteiten (ontmoeting en ontspanning).

2. Diensten / Activiteiten / Producten.

2.a. Algemeen professioneel jeugd- en jongerenwerk.

2.a.1. Accommodatie gebonden jeugd en jongerenwerk.

2.a.1.1. Informatie en advies.

2.a.1.2. Activiteiten.

2.a.1.3. Vakantiewerk.

2.a.2. Ambulant jeugd- en jongerenwerk.

2.a.2.1. Signaleren.

2.a.2.2. Doorgeleiden naar accommodatie gebonden jeugd- en jongerenwerk, activiteiten in de openbare ruimte, school en / of zorg.

2.b. Vrijwilligersactiviteiten.

2.b.1. Scouting.

2.b.2. Vakantieactiviteiten.

2.b.3. Speeltuinactiviteiten.

2.b.4. Overige activiteiten.

3. Subsidiesoort.

3.a. Professionele instellingen. Budgetsubsidie.

3.b. Vrijwilligersorganisaties. Waarderingsubsidie en Structurele activiteitensubsidie.

4. Subsidiegrondslagen.

4.a. Professionele instellingen.

4.a.1. Activiteitenplan met bijbehorende productbegroting op basis van baten en lasten.

4.a.2. De niet integrale kostprijs van de producten (verdeling naar vaste en variabele lasten).

4.a.2.1. Inzicht in de algemene huisvestingslasten.

4.a.2.2. Inzichten in de overige overheadkosten.

4.3. De kosten en tekorten per dienst / activiteit / product.

4.4. Het jaarlijks door het college vastgestelde subsidieplafond.

4.5. De verdeelsleutel. Tender, op basis van de verhouding tussen kwaliteit, kwantiteit, prestaties en prijs.

4.6. Het jaarlijks door het college vastgestelde subsidieplafond.

4.b. Vrijwilligersorganisaties.

4.b.1. De subsidie ten behoeve van de Scouting is gebaseerd op een basisbedrag en een bedrag per lid.

4.b.2. Activiteitenplan met bijhorende begroting op basis van baten en lasten.

4.b.3. Het jaarlijks door het college vastgestelde subsidieplafond.

5. Nadere subsidievoorwaarden.

5.a. Professionele instellingen algemeen.

5.a.1. De activiteiten vinden plaats binnen de gemeente.

5.a.2. Er wordt uitgegaan van een gemiddelde van 1.125 (inclusief 10% seniorenverlof) – 1.350 productieve uren binnen een fte op jaarbasis, dit nader te definiëren naar activiteiten en de aard van de gewenste inzet, de inschaling en de verdere effecten van de geldende cao.

5.a.3. De verschillende producten worden vertaald naar niet integrale kostprijzen per activiteit.

5.a.3.1. Variabele lasten. baten en lasten resulterend in een tekort per activiteit.

5.a.3.2. De toedeling van de vaste lasten naar die activiteit met vermelding van de grondslag.

5.b. Professionele instellingen voor jeugd- en jongerenwerk.

5.b.1. De activiteiten moeten plaatsvinden binnen de gemeente.

5.b.2. De activiteiten moeten zijn gericht op de gemiddelde deelname van ten minste 15 deelnemers bij wekelijkse / tweewekelijkse activiteiten en op ten minste 25 deelnemers bij incidentele activiteiten. Als de genoemde aantallen volgens de desbetreffende instelling niet haalbaar zijn in casu dat daarvan moet worden afgeweken moet dit gemotiveerd worden aangegeven op basis van een situationele aanpak.

5.b.3. Iedere activiteit moet worden geleid door minimaal twee daartoe gekwalificeerde volwassenen.

5.b.4. Daar waar dit volgens de leiding noodzakelijk is, moet gebruik (kunnen) worden gemaakt van professionele ondersteuning. De vraag / behoefte vanuit de vrijwilligersorganisaties is daarbij leidend (indien van toepassing).

5.c. Vrijwilligersorganisaties.

5.c.1. De activiteiten moeten plaatsvinden binnen de gemeente.

5.c.2. De activiteiten moeten zijn gericht op deelname van ten minste 15 deelnemers bij wekelijkse / tweewekelijkse activiteiten en op ten minste 25 deelnemers bij incidentele activiteiten. Als de genoemde aantallen volgens de desbetreffende instelling niet haalbaar zijn in casu dat daarvan moet worden afgeweken moet dit gemotiveerd worden aangegeven op basis van een situationele aanpak.

5.c.3. Iedere activiteit moet, als uitgangspunt, worden geleid door ten minste twee volwassenen. Alleen als het werken met minder dan twee volwassen leidinggevenden geen risico’s oplevert is dit toegestaan. Een en ander ter beoordeling van de instelling.

5.c.4. Daar waar dit volgens de leiding noodzakelijk is, moet gebruik (kunnen) worden gemaakt van professionele ondersteuning. De vraag / behoefte vanuit de vrijwilligersorganisaties is daarbij leidend.

5.c.5. De scouting dient een geanonimiseerde ledenlijst te overleggen.

6. Nadere vereisten bij de aanvraag. Er moet gebruik worden gemaakt van de door het college vastgestelde subsidieaanvraagformulieren.

7. Eigen bijdragen / andere inkomsten dan subsidie.

De kosten van de consumpties (zoals de inkoop ervan en de overige directe kosten) en de materiaalkosten moeten worden opgebracht door de deelnemers en zijn niet subsidiabel.

8. Prestaties.

8.a. Professioneel jeugd- en jongerenwerk. De te leveren prestaties worden jaarlijks vastgesteld in de beschikking tot subsidieverlening en / of de uitvoeringsovereenkomst.

8.b. Vrijwilligersorganisaties. Niet van toepassing.

9. Uitvoeringsovereenkomst.

9.a. Professionele instellingen. Van toepassing.

9.b. Vrijwilligersorganisaties. Niet van toepassing.

 

Subsidieregel 4 - Mensen met beperkingen / lotgenoten

1. Doelstelling activiteiten.

1.a. Het bevorderen van de deelname aan het maatschappelijke en sociale verkeer van de tot de doelgroep behorende personen.

1.b. Het bevorderen van de weerbaarheid en de toerusting van hen die in hun dagelijkse leven de zorg hebben voor dan wel worden geconfronteerd met mensen met beperkingen.

1.c. Samenwerkingsverband aangepaste sporten.

Het aanbieden van de mogelijkheid voor het beoefenen van sport. De sport moet zijn aangepast aan de fysieke en / of psychische mogelijkheden.

1.d. Overige onder deze categorie vallende activiteiten. Bevorderen van de participatie van mensen met beperkingen en lotgenoten.

2. Diensten / Activiteiten / Producten.

2.a. Algemeen.

2.a.1. Belangenbehartiging van hen die tot de doelgroep behoren.

2.a.2. Sportbeoefening aangepast aan de fysieke en / of fysieke mogelijkheden van de mensen met beperkingen.

2.a.3. Gesprekken en andere op ontmoeting gerichte activiteiten voor hen die de zorg hebben voor dan wel worden geconfronteerd met mensen met beperkingen. Daartoe behoren de lotgenotencontacten.

3. Subsidiesoort.

3.a. Vrijwilligersorganisaties. Waarderingssubsidie.

3.b. Professionele instellingen. Budgetsubsidie.

4. Subsidiegrondslagen.

4.a. Vrijwilligersorganisaties.

4.a.1. Activiteitenplan met begroting.

4.a.2. Het jaarlijks door het college vastgestelde subsidieplafond.

4.a.3. Het in het subsidieprogramma voor deze activiteit opgenomen maximale subsidiebedrag.

4.a.4. Verdeelsleutel. Naar rato.

4.b. Professionele instellingen.

4.b.1. Activiteitenplan met productbegroting.

4.b.2. Het jaarlijks door het college vastgestelde subsidieplafond.

4.b.3. Het in het subsidieprogramma voor deze activiteit opgenomen maximale subsidiebedrag.

4.b.4. Verdeelsleutel. Tender, op basis van de verhouding tussen kwaliteit, kwantiteit, prestaties en prijs.

4.c. Achtereenvolgens worden de volgende kostensoorten ten laste gebracht van het subsidiebudget.

4.c.1. De vaste lasten, de kapitaallasten, onderhouds-, organisatie- en bestuurskosten. De kosten mogen niet aan een activiteit onderhavig zijn.

4.c.2. Per activiteit de variabele lasten nadat per activiteit de baten per activiteit zijn toegerekend.

5. Nadere subsidievoorwaarden.

5.a. Vrijwilligersorganisaties. De afdrachten aan de landelijke bonden zijn niet subsidiabel.

5.b. Mensen met beperkingen.

5.b.1. Minimaal 10 leden per organisatie.

5.b.2. Minimaal 4 activiteiten op jaarbasis met gem. 10 deelnemers tenzij er als uitgangspunt sprake is van een lager aantal activiteiten op jaarbasis.

5.c. Professionele instellingen.

5.c.1. De formatieve inzet vanuit de overhead mag niet meer bedragen dan een nader door het college te bepalen percentage van de totale personeelsformatie.

5.c.2. Er wordt uitgegaan van een gemiddelde van 1.125 (inclusief 10% seniorenverlof) - 1.350 productieve uren binnen een fte op jaarbasis, dit nader te definiëren naar activiteiten en de aard van de gewenste inzet, de inschaling en de verdere effecten van de geldende cao.

5.c.3. Inschaling en honorering conform de cao Welzijn en maatschappelijke dienstverlening.

5.c.4. Bij inzet ten behoeve van de ondersteuning van vrijwilligersorganisaties is de vraag / behoefte vanuit de vrijwilligersorganisatie leidend.

5.c.5. De inzet moet zijn gericht op het bevorderen van de taakvolwassenheid van het vrijwilligerskader binnen de vrijwilligersorganisaties.

6. Nadere vereisten bij de aanvraag. Er moet gebruik worden gemaakt van de door het college vastgestelde

subsidieaanvraagformulieren.

7. Eigen bijdragen / andere inkomsten dan subsidie. De inkomsten vanuit de deelnemersbijdragen (en andere inkomsten) moeten als uitgangspunt dekkend zijn ten opzichte van het onderdeel ‘materiaalkosten’ bij de begrotingspost directe / variabele lasten.

8. Prestaties professionele instellingen. De te leveren prestaties worden jaarlijks vastgesteld in de beschikking tot subsidieverlening en / of de uitvoeringsovereenkomst.

9. Uitvoeringsovereenkomst.

9.a. Vrijwilligersorganisaties. Niet van toepassing.

9.b. Professionele instellingen. van toepassing.

 

Subsidieregel 5 - Ondersteuning mantelzorgers en vrijwilligers

1. Doelstelling activiteiten.

1.a. Mantelzorgactiviteiten te ondersteunen die gericht zijn op het waarderen, stimuleren en ondersteunen van mantelzorgers en vrijwilligers, zoals beschreven in de nota Onbetaalbare Kracht.

2. Diensten / (ondersteuning)Activiteiten / Producten.

Mantelzorgers moeten kunnen rekenen op een goed aanbod van ondersteuning.

2.a. Diensten gericht op informatie, advies en begeleiding, emotionele steun, educatie, praktische hulp, respijtzorg en materiele hulp.

2.b. Het aangaan van bondgenootschappen met andere partijen om samen mantelzorg en vrijwilligerswerk te versterken.

2.c. Activiteiten gericht op specifieke doelgroepen.

- Het bereiken en begeleiden van jonge mantelzorgers.

- Het ondersteunen van mantelzorgers die zorg en werk combineren.

- het bereiken van allochtone mantelzorgers.

2.d. Activiteiten gericht op het uitbreiden van het eigen netwerk en het gebruik van het netwerk van de mantelzorger.

2.e. Jaarlijkse activiteit voor het organiseren van de dag van de mantelzorg.

2.f. Activiteiten gericht op herkenning van mantelzorgers door de eerstelijnszorg.

2.g. Activiteiten voor het ondersteunen van mantelzorgers door de inzet van zorgvrijwilligers.

2.h. Activiteiten die gericht zijn op het stimuleren van Maatschappelijk Betrokken Ondernemen.

3. Subsidiesoort.

3.a. Vrijwilligersorganisaties.

3.a.1. Waarderingssubsidie.

3.a.b. Professionele instellingen.

3.a.b.1. Budgetsubsidie.

3.a.b.2. Structurele activiteiten subsidie.

4. Subsidiegrondslagen.

4.a. Vrijwilligersorganisaties.

4.a.1. Activiteitenplan met begroting.

4.a.2. Het jaarlijks door het college vastgestelde subsidieplafond.

4.a.3. Het in het subsidieprogramma voor deze activiteit opgenomen maximale subsidiebedrag.

4.a.4. Verdeelsleutel. naar rato.

4.b. Professionele instellingen.

4.b.1. Activiteitenplan met productbegroting.

4.b.2. Het jaarlijks door het college vastgestelde subsidieplafond.

4.b.3. Het in het subsidieprogramma voor deze activiteit opgenomen maximale subsidiebedrag.

4.b.4. Verdeelsleutel.

4.b.4.1. Tender.

4.b.4.1.a. Op basis van de verhouding tussen kwaliteit, kwantiteit, prestaties en prijs.

4.c. Achtereenvolgens worden de volgende kostensoorten ten laste gebracht van het subsidiebudget.

4.c.1. De vaste lasten, de kapitaallasten, onderhouds-, organisatie- en bestuurskosten. De kosten mogen niet aan een activiteit onderhavig zijn.

4.c.2. Per activiteit de variabele lasten nadat per activiteit de baten per activiteit zijn toegerekend.

5. Nadere subsidievoorwaarden.

5.a. Professionele instellingen.

5.a.1. De formatieve inzet vanuit de overhead mag niet meer bedragen dan een nader door het college te bepalen percentage van de totale personeelsformatie.

5.a.2. Er wordt uitgegaan van een gemiddelde van 1.125 (inclusief 10% seniorenverlof) - 1.350 productieve uren binnen een fte op jaarbasis, dit nader te definiëren naar activiteiten en de aard van de gewenste inzet, de inschaling en de verdere effecten van de geldende cao.

5.a.3. Inschaling en honorering conform de cao VVT (Verpleeg- en Verzorgingshuizen en Thuiszorg) dan wel een andere op de uitvoerende instelling betrekking hebbende cao.

6. Nadere vereisten bij de aanvraag.

6.a. Er moet gebruik worden gemaakt van de door het college vastgestelde subsidieaanvraagformulieren.

7. Eigen bijdragen / andere inkomsten dan subsidie.

7.a. Niet van toepassing.

8. Prestaties.

8.a. Professionele instellingen.

8.a.1. De te leveren prestaties worden jaarlijks vastgesteld in de beschikking tot subsidieverlening en / of de uitvoeringsovereenkomst.

Uitvoeringsovereenkomst.

b. Vrijwilligersorganisaties.

b.1. Niet van toepassing.

c. Professionele instellingen.

c.1. Van toepassing.

9. Nadere voorwaarden.

9.a. Niet van toepassing.

 

Subsidieregel 6 - Maatschappelijke zorg

a. Beleid.

Algemeen Maatschappelijk Werk en Schoolmaatschappelijk Werk.

Het bieden van een preventief en curatief aanbod aan diensten die ten doel hebben dat alle inwoners van de gemeente zelfstandig kunnen functioneren binnen onze samenleving. Het accent ligt daarbij vooral op diegenen die zich in een kwetsbare situatie bevinden dan wel zich daarin dreigen te gaan bevinden.

Slachtofferhulp. het verlenen van praktische, juridische en emotionele hulp aan slachtoffers van misdrijven en ongevallen.

b. Subsidieregel.

b.1. Doelstelling activiteiten.

b.1.a. Algemeen Maatschappelijk Werk (AMW). inwoners van de gemeente door middel van maatschappelijke hulpverlening in staat te stellen zelfstandig te participeren in de samenleving.

b.1.b. Schoolmaatschappelijk werk. kinderen en jongeren tot 23 jaar door middel van schoolmaatschappelijke werk in staat stellen beter / goed te participeren binnen hun leef- en schoolomgeving.

b.1.c. Slachtofferhulp (SH). Het bieden van praktische, juridische en emotionele hulp na een misdrijf

of een verkeersongeluk.

2. Producten / activiteiten / diensten.

2.a. Algemeen Maatschappelijk Werk.

2.a.1. Basisvoorziening 1e lijn psychosociale hulpverlening.

2.a.1.1. Begeleiding en behandeling (trajecten).

2.a.1.2. Informatie, Ondersteuning en Advies (concrete dienstverlening).

2.a.1.3. Spreekuren.

2.a.2.2. Crisishulpverlening 7 dagen per week 24 uur.

2.b. Groepsmaatschappelijk Werk.

2.b.1. Bijeenkomsten.

2.b.1.2. Signalering.

2.b.1.3. Toegangsfunctie.

2.b.1.4. Onderzoek en rapportage.

2.b.1.5. Bemiddeling.

2.b.1.6. Crisismanagement en interdisciplinair overleg.

2.b.1.7. Deelname aan netwerken e.d. tot een maximum aantal uren per jaar (nader door het college te bepalen).

2.c. Schoolmaatschappelijk werk.

2.c.1. Signalering.

2.c.2. Aanmelding en intake.

2.c.3. Begeleiding ouders.

2.c.4. Informatie en Advies.

2.c.5. Coördinatie en interdisciplinair overleg.

2.c.6. Netwerken tot een maximum aantal uren per jaar (nader door het college te bepalen).

2.d. Sociaal Raadslieden Werk.

2.e. Sociaal Juridische Ondersteuning.

2.e.1. Signalering.

2.e.2. Informatie en Advies.

2.e.3. Belangenbehartiging.

2.e.4. Bemiddeling.

2.e.5. Ondersteuning.

2.e.6. Netwerken tot een maximum aantal uren per jaar (nader door het college te bepalen).

f. Slachtofferhulp. Groepsgerichte en individuele opvang en ondersteuning van slachtoffers van misdrijven en ongevallen.

g. Slachtofferhulp.

g.1. Openstelling d.m.v. telefonische, elektronische en fysieke bereikbaarheid.

g.2. Verwerking en doorgeleiding van meldingen.

3. Subsidiesoort.

3.a. Professionele instelling voor AMW. Budgetsubsidie.

3.b. Professionele instelling voor Slachtofferhulp. Waarderingssubsidie op basis van een bedrag per inwoner.

4. Subsidiegrondslagen.

4.a. Algemeen. Activiteitenplan met bijbehorende productbegroting op basis van baten en lasten.

4.b. Professionele instelling voor AMW.

4.b.1. Inzicht in de niet integrale kostprijs van de producten (verdeling naar vaste en variabele lasten).

4.b.1.1. Inzicht in de algemene huisvestingslasten.

4.b.1.2. Inzichten in de overige overheadkosten.

4.b.2. De kosten en tekorten per dienst / activiteit / product.

4.b.3. Het jaarlijks door het college vastgestelde subsidieplafond.

4.b.4. De verdeelsleutel. Tender, op basis van de verhouding tussen kwaliteit, kwantiteit, prestaties en prijs.

4.c. Professionele instelling voor Slachtofferhulp. Aantal inwoners.

5. Nadere subsidievoorwaarden.

5.a. Professionele instelling voor AMW. De activiteiten vinden plaats binnen de gemeente.

5.a.1. Er wordt gewerkt volgens de Kwaliteitseisen van de MO Groep met betrekking tot.

5.a.1.1. Dossiervorming.

5.a.1.2. Voortgang hulpverlening.

5.a.1.3. Landelijke Kwaliteitsnormen.

5.a.2. De formatieve inzet vanuit de overhead mag niet meer bedragen dan een nader door het college te bepalen percentage van de totale personeelsformatie.

5.a.3. Er wordt uitgegaan van een gemiddelde van 1.125 (inclusief 10% seniorenverlof) - 1.350 productieve uren binnen een fte op jaarbasis, dit nader te definiëren naar activiteiten en de aard van de gewenste inzet, de inschaling en de verdere effecten van de geldende cao.

5.a.4. Inschaling en honorering conform de CAO Welzijn en maatschappelijke dienstverlening.

5.a.5. De verschillende producten worden vertaald naar niet integrale kostprijzen met als de kosten die zijn verbonden aan de uitvoerende uren en bijkomende direct activiteit gerelateerd kosten.

5.a.6. De subsidie betreffende de component overhead heeft als maximum 33% van de totale begroting.

6. Nadere vereisten bij de aanvraag. Er moet gebruik worden gemaakt van de door het college vastgestelde subsidieaanvraagformulieren.

7. Prestaties.

7.a. Professionele instelling voor AMW.

7.a.1. De wachttijd tussen de aanmelding en het intakegesprek is vraagafhankelijk en mag maximaal 3 maanden bedragen.

7.a.2. Het aantal trajecten psychosociale hulpverlening op jaarbasis.

7.a.3. Het aantal afgesloten en lopende trajecten.

7.a.4. Bereikbaarheid crisishulpverlening gedurende 7 dagen per week gedurende 24 uur per dag.

7.b. Schoolmaatschappelijk werk. Nader door het college te bepalen.

7.c. Sociaal Raadslieden Werk. Nader door het college te bepalen.

7.d.Sociaal Juridische Dienstverlening. Nader door het college te bepalen.

8. Uitvoeringsovereenkomst.

8.a. Professionele instelling voor AMW. Van toepassing.

8.b. Overige instellingen. Niet van toepassing.

 

Subsidieregel 7 - Bevorderen van de leefbaarheid en participatie

a. Beleid bevorderen leefbaarheid en participatie, het met inzet van subsidiemiddelen.

a.a. Stimuleren en ondersteunen van de leefbaarheid in de wijken en leefgebieden.

a.b. leggen van een goede verbinding tussen wijk en gemeente.

Het beleid is verwoord in de beleidsnota Welzijn Nieuwe Stijl, vastgesteld in de raadsvergadering van 20 december 2012. Dit beleid richt zich op alle wijkbewoners van en in de wijken in de gemeente Vlissingen. Het beleidsdoel voor de leefbaarheid is het versterken van de sociale infrastructuur. Dit wordt bereikt door het vergroten van de onderlinge betrokkenheid in de samenleving en met de buurt én het bevorderen van de kwaliteit van de woon en leefomgeving in de meest brede zin van het woord. Wijkbewoners worden aangesproken op hun betrokkenheid bij en inzet voor hun eigen leefomgeving.

Voor de leefbaarheid en het versterken van de sociale infrastructuur hebben de wijkorganisaties een centrale positie en rol. Onder de sociale infrastructuur wordt het geheel van voorzieningen, diensten en organisaties verstaan die het mogelijk maakt dat wijkbewoners elkaar ontmoeten en in sociale verbanden participeren. Wijkorganisaties werken aan de leefbaarheid, onder andere te bereiken door het aantrekken van vrijwilligers, het bereiken van wijkbewoners, het in stand houden of verbeteren van het imago van de wijk, uitvoeren van op leefbaarheid gerichte wijkactiviteiten en het uitvoeren van participatiewerkzaamheden.

b. Beleid buurtbemiddeling

Het met inzet van subsidiemiddelen.

b.a. Het verbeteren van de leefbaarheid en veiligheid van wijken / buurten door een vroegtijdige aanpak van conflicten tussen buren en buurtgenoten, die anders zouden kunnen escaleren.

Subsidieregel

1. Doelstelling bevorderen leefbaarheid en participatie. Het versterken van de sociale infrastructuur, te bereiken door.

1.a. Stimuleren van initiatieven voor het oprichten en in stand houden van wijkorganisaties in de 6 wijken of leefgebieden in de gemeente. De 6 wijken. Binnenstad/Scheldebuurt, Middengebied, Paauwenburg, Groot-Lammerenburg, Oost-Souburg en Ritthem.

1.b. Stimuleren van leefbaarheidsactiviteiten in de wijken en de leefgebieden door die wijkorganisaties.

Doelstelling buurtbemiddeling.

1.a. Oplossen van conflicten, waarbij het herstel van de relatie tussen partijen in een vroegtijdig stadium wordt beoogd.

1.b. Verbeteren van de leefbaarheid en veiligheid in de buurt, het versterken van gemeenschapszin en het bevorderen van de zelfredzaamheid van de burgers.

1.c. Ontlasten van het handhavings- en rechtssysteem.

2. Producten en of activiteiten.

Onderdeel leefbaarheid /participatie.

2.a. Het werken aan de leefbaarheid in de wijk of leefgebied door middel van bewonersorganisatie, ontmoeting, activering en opbouw.

2.b. De behartiging van algemene, niet tot individuele personen terug te brengen belangen van de wijk of het leefgebied.

Onderdeel buurtbemiddeling.

2.a. Het begeleiden van het proces tot conflictoplossing met de inzet van vrijwillige bemiddelaars.

3. Subsidiesoort.

Waarderingssubsidie voor de wijkorganisaties.

Budgetsubsidie voor de instelling die zich bezighoudt met buurtbemiddeling.

4. Subsidiegrondslagen.

Onderdeel leefbaarheid en participatie.

4.1. Het beoordelen van een subsidieaanvraag gebeurt op basis van

4.1.a. De doelstelling van de wijkorganisatie, blijkende uit de oprichtingsakte.

4.1.b. Plan voor de werkzaamheden en activiteiten samen met een begroting.

4.1.c. Het jaarlijks door het college vastgestelde subsidieplafond.

4.2. De volgende kosten zijn subsidiabel.

- Basis- en organisatiekosten. maximaal € 500,00 per jaar.

- Per activiteit. maximaal € 300,00.

- Totaal maximaal € 1.953,00 per wijk per jaar.

Onderdeel buurtbemiddeling.

4.a. Plan van aanpak en de daarin opgenomen begroting.

4.b. Het in het subsidieprogramma voor deze activiteit opgenomen maximale subsidiebedrag.

4.d. Verdeelsleutel.

4.d.1. Tender.

4.d.1.a. Op basis van de verhouding tussen kwaliteit, kwantiteit, prestaties en prijs.

5. Nadere subsidievoorwaarden.

Onderdeel leefbaarheid en of participatie.

5.a. De wijkorganisatie is een bij authentieke akte opgerichte rechtspersoon en wordt bestuurd door ten minste 3 personen.

5.b. De werkzaamheden en activiteiten zijn gericht op het versterken van de sociale infrastructuur, op het bevorderen van de leefbaarheid in een wijk of leefgebied, voor en met alle leeftijdscategorieën en geledingen binnen een wijk of leefgebied en zijn algemeen toegankelijk.

5.c. Werkzaamheden en activiteiten kunnen zijn gericht op gedeelten van een wijk of leefgebied.

Onderdeel buurtbemiddeling

5.a. Afspraken over conflictbemiddeling en daadwerkelijk procesbegeleidingen van conflicten vinden plaats binnen de gemeente.

5.b. Een stuurgroep is ingesteld ten behoeve van de aansturing.

5.c. Er wordt een jaarlijkse evaluatie opgesteld.

6. Nadere vereisten bij de aanvraag.

Er wordt gebruik gemaakt van de door het college vastgestelde subsidieaanvraagformulieren. De aanvraag moet voldoen aan het beleid, de doelstelling, en de doelgroep van aanvragers zoals opgenomen in deze subsidieregel.

 

Subsidieregel 8 – Peuterspeelzaalwerk

a. Beleid.

Het verhogen van de kwaliteit en de uniformiteit van het peuterspeelzaalwerk.

b. Subsidieregel Peuterspeelzaalwerk.

1. Doelstelling activiteiten.

1.a. Het door middel van spelen en ontmoeten zowel actief als passief ontwikkelen van sociale, cognitieve en motorische vaardigheden en taalgebruik.

1.b. Het signaleren en ondersteunen van positieve en minder positieve elementen betreffende de ontwikkelingen van kinderen tussen de 2 en 4 jaar.

2. Producten / Activiteiten / Diensten.

Peuterwerk.

3. Subsidiesoort.

Budgetsubsidie

3.a. Subsidiecomponent ten behoeve van de huisvestingslasten (100%).

3.b. Subsidiecomponent ten behoeve van de overheadkosten (een nader door het college te bepalen percentage).

3.c. Subsidiecomponenten ten behoeve van het tekort per groep (variabel).

4. Subsidiegrondslagen.

4.a. Activiteitenplan met productbegroting met scheiding van de volgende kostencomponenten.

4.a.1. Huisvesting.

4.a.2. Algemene / bestuurlijke en coördinatiekosten.

4.a.3. Activiteitenkosten per peuterspeelzaalgroep.

4.b. Het jaarlijks door het college vastgestelde subsidieplafond.

4.c. Het in het Subsidieprogramma opgenomen maximale subsidiebedrag.

4.d. Verdeelsleutel.

Tender, op basis van de verhouding tussen kwaliteit, kwantiteit, prestaties en prijs.

5. Nadere subsidievoorwaarden.

5.a. De activiteiten moeten binnen de gemeente worden aangeboden.

5.b. De leiding van de peuterspeelzaalgroep berust bij een peuterspeelzaalleidster die qua opleiding en ervaring voldoet aan de voorwaarden zoals deze in de cao Welzijn zijn opgenomen met betrekking tot peuterspeelzaalleidster 1 dan wel op een gelijkwaardig niveau.

5.c. De honorering van de leidster is conform cao Welzijn dan wel op een gelijkwaardig niveau.

5.d. Bij 9 of meer kinderen in de groep moeten er 2 professionele betaalde peuterspeelzaalleidsters per groep aanwezig zijn. Bij 8 kinderen of minder moet er 1 professionele / betaalde leidster per groep aanwezig zijn met één volwassen assistent-leidster.

5.e. Een peuterspeelzaalgroep telt gemiddeld 13 kinderen tussen de 2 en 4 jaar. In bijzondere gevallen, een en ander ter beoordeling van het college, kan het gemiddelde aantal kinderen per groep op basis van de demografische situatie binnen een kern, worden bijgesteld.

5.f. De openstelling van het peuterspeelzaalwerk loopt qua aantal weken en qua periode gelijk met het basisonderwijs.

5.g. Per week wordt uitgegaan van twee dagdelen openstelling per week met een minimum van 2,5 uur per dagdeel.

5.h. De inrichting van de binnen- en buitenruimte voldoet aan de daaraan door het college te stellen voorwaarden.

5.i. Er is sprake van een pedagogisch werkplan.

5.j. Er zijn reguliere contacten met het primair onderwijs.

5.k. Voor het overige zijn de in de verordening peuterspeelzaalwerk opgenomen kwaliteitsregels van toepassing.

6. Nadere vereisten bij de aanvraag.

Er moet gebruik worden gemaakt van de door het college vastgestelde subsidieaanvraagformulieren.

7. Eigen bijdragen / andere inkomsten dan subsidie.

7.a. Ouderbijdragen.

7.a.1. De ouderbijdragen kennen een zodanig getrapt systeem, minimaal 3 treden, dat het ook de lagere inkomensgroepen mogelijk is gebruik te maken van de door de gemeente gesubsidieerde peuterspeelzaalvoorzieningen.

7.a.2. De te hanteren ouderbijdragen behoeven de instemming van het college (artikel 4.71 Awb).

7.a.3. De ouderbijdragen dragen voor een door het college vast te stellen percentage bij in de salariskosten van de leidsters. Voor het resterende deel kan een beroep worden gedaan op gemeentelijke subsidie.

7.b. Alternatieven / specifieke situaties.

7.b.1. Uniforme ouderbijdrage. lagere inkomens kunnen gebruik maken van de Bijzondere Bijstand.

7.b.2. Bij VVE. als de gemeente bepaalt dat bepaalde groepen conform VVE moeten worden opgevangen compenseert de gemeente in beginsel de daaruit voortvloeiende meerkosten vanuit aanvullende subsidie.

8, Overig. De subsidieregel wordt met ingang van 1 januari 2019 ingetrokken.

 

Subsidieregel 9 - Opvang zwerfdieren

a. Beleid.

Het opvangen van zwerfdieren conform de daaraan door wet- en regelgeving gestelde eisen.

b. Subsidieregel.

1. Doelstelling activiteiten.

Het opvangen van zwerfdieren binnen onze gemeentegrenzen.

2. Producten / Activiteiten / Diensten.

Het bieden van adequate opvang ten behoeve van zwerfdieren.

3. Subsidiesoort.

Budgetsubsidie.

4. Subsidiegrondslagen.

4.a. Activiteitenplan met productbegroting.

4.b. Het jaarlijks door het college vastgestelde subsidieplafond.

4.c. Het in het subsidieprogramma voor deze activiteit opgenomen maximale subsidiebedrag.

4.d. Verdeelsleutel.

Tender, op basis van de verhouding tussen kwaliteit, kwantiteit, prestaties en prijs.

5. Nadere subsidievoorwaarden.

5.a. Binnen de bij aanvragen voor subsidieverlening respectievelijk subsidievaststelling geleverde stukken moet een expliciet onderscheid worden gemaakt tussen de wettelijke taken betreffende opvang van zwerfdieren en de overige activiteiten zoals een pensionvoorziening.

5.b. Alle directe kosten alsmede dat aandeel in de overige kosten dat is verbonden aan de pensionopvang moet volledig worden bekostigd vanuit de opbrengsten uit de pensionvoorziening.

5.c. De subsidiemiddelen mogen in beginsel pas ten gunste komen aan de laatstgenoemde activiteiten als daartoe door het college voorafgaand toestemming is verleend.

5.d. Er moet volstrekt de hand worden gehouden aan de geldende milieuvoorschriften (in het bijzonder die betreffende de geluidsoverlast).

5.e. Er moet ten minste één maal per jaar overleg worden gepleegd met de omwonenden binnen een straal van 1 kilometer.

6. Nadere vereisten bij de aanvraag. Er moet gebruik worden gemaakt van de door het college vastgestelde subsidieaanvraagformulieren.

7. Eigen bijdragen / andere inkomsten dan subsidie.

Bij het afhalen van zwerfdieren moet door de afhalende persoon een bijdrage worden betaald die gelijk is aan de kosten van de overdracht (zoals het chippen, inenten en dergelijke).

8. Uitvoeringsovereenkomst. Van toepassing

 

Subsidieregel 10 - Amateurkunst

a. Beleid.

In het kader van het eenvoudiger maken van de subsidiesystematiek en het scheiden van de verantwoordelijkheden tussen gemeente (college) en subsidieontvangers is afgestapt van het subsidiëren op basis van instrumenten, uniformen, leden enzovoorts. Het is meer de eigen verantwoordelijkheid van de subsidieontvanger de subsidiemiddelen in te zetten waar nodig. Zo kan de ene vereniging kiezen voor mooiere (duurdere) instrumenten, een ander voor een betere (duurdere) dirigent en weer een andere voor professionele (duurdere) lessen aan de leden.

Er wordt uitgegaan van een waarderingssubsidie per discipline als tegemoetkoming in het totaal aan kosten. De hoogte van de waarderingssubsidie kan variëren per discipline.

Toelichting

- HAFA (Harmonie en Fanfarecorps onder leiding van een Tambour-maître).

Veel muziekverenigingen baseren hun subsidieaanvraag graag op de z.g. SONMO / NIB normen (de toenmalige landelijke koepels die indertijd de normen hebben vastgesteld). Dat zijn normen per lid, uniform, instrument e.d. die door de landelijke koepels zijn vastgesteld. Een niet onbelangrijk nevendoel van deze adviezen is een hogere subsidie te verwerven. de bedragen liggen in de meeste gemeenten ver boven de uiteindelijk verstrekte subsidiebedragen. Het staat gemeenten immers vrij de hoogte van de subsidiebedragen zelf te bepalen.

Ten aanzien van de Amateurkunst zet de gemeente in op het zo veel mogelijk deel laten nemen van jeugd en jongeren. Vandaar dat de gemeente als subsidievoorwaarde een minimum aantal jeugdleden hanteert. Dit aantal kan overigens nog variëren per kern op basis van de demografische situatie in die kern.

Daarnaast hecht de gemeente sterk aan de inbreng vanuit de muziekverenigingen aan bijeenkomsten als Nationale feestdagen en herdenkingen zonder welke deze activiteiten veel aan glans verliezen.

De basis voor de subsidieverstrekking is een activiteitenplan waarin wordt voldaan aan de door de gemeente geformuleerde prestaties. De manier waarop die worden gerealiseerd is voor de hoogte van de subsidie niet van belang. Als de prestaties niet worden gerealiseerd is er geen grondslag voor subsidieverstrekking.

Omdat deelname aan de activiteiten centraal staat en de kwaliteit wordt gewaarborgd door de eisen die aan de leiding worden gesteld, is er vanuit gemeentelijke optiek geen belang (meer) bij deelname aan concoursen.

Uiteraard is iedere vereniging vrij daaraan deel te nemen maar daarvoor is geen subsidiebudget beschikbaar.

- Koorzang

Ten aanzien van de Amateurkunst zet de gemeente vooral in op het zo veel mogelijk deel laten nemen van jeugd en jongeren. Bij koren is het echter niet mogelijk als subsidievoorwaarde een minimum aantal jeugdleden te hanteren. Redenen hiervoor zijn de stembreuk en het feit dat het repertoire van het gemiddelde koor is gericht op de gemiddelde leeftijd en daarmee niet echt appelleert aan de smaak van de gemiddelde jeugd.

De basis voor de subsidieverstrekking is een activiteitenplan waarin wordt voldaan aan de door de gemeente geformuleerde prestaties. De manier waarop die worden gerealiseerd is voor de hoogte van de subsidie niet van belang.

Omdat deelname aan de activiteiten centraal staat en de kwaliteit wordt gewaarborgd door de eisen die aan de leiding worden gesteld, is er vanuit gemeentelijke optiek geen belang bij deelname aan concoursen.

Uiteraard is iedere vereniging vrij daaraan deel te nemen. Er is echter geen subsidiebudget beschikbaar.

- Toneel

Ten aanzien van de Amateurkunst zet de gemeente in op het zo veel mogelijk deel laten nemen van jeugd en jongeren. Vandaar dat de gemeente als subsidievoorwaarde een minimum aantal jeugdleden hanteert.

De basis voor de subsidieverstrekking is een activiteitenplan waarin wordt voldaan aan de door de gemeente geformuleerde prestaties. De manier waarop die worden gerealiseerd is voor de hoogte van de subsidie niet van belang.

Conform de uitgangspunten van de Awb, omdat het hanteren van de ledensubsidie conflicteert met de beperkingen vanuit de Wet Bescherming Persoonsgegevens en omdat meer leden in beginsel eerder meer inkomsten dan uitgaven inhoudt, de vaste lasten(dirigent, huur ruimte e.d.) blijven immers gelijk, wordt de subsidieverstrekking gekoppeld aan activiteiten.

b. Subsidieregel.

b.1. Doelstelling activiteiten.

De inwoners van de gemeente de mogelijkheid te bieden de amateurkunst te beoefenen in georganiseerd en groepsverband.

b.2. Producten / Activiteiten / Diensten.

b.2.a. Harmonie, Brass Band, Fanfarecorps onder leiding van een Tambour-maître.

b.2.b. Koorzang.

b.2.c. Toneel.

b.2.d. Overige.

b.3. Subsidiesoort.

b.3.a. Harmonie, Brass Band, Fanfarecorps onder leiding van een Tambour-maître.

b.3.a.1. Waarderingssubsidie.

b.3.a.2. Incidentele activiteitensubsidie voor eenmalige evenementen, maximaal één maal per 3 jaar te verstrekken.

b.3.b. Koorzang.

b.3.b.1. Waarderingssubsidie.

b.3.b.2. Incidentele activiteitensubsidie voor eenmalige evenementen, maximaal één maal per 3 jaar te verstrekken.

b.3.c. Toneel.

b.3.c.1. Waarderingssubsidie.

b.3.c.2. Incidentele activiteitensubsidie voor eenmalige evenementen, maximaal één maal per 3 jaar te verstrekken.

b.3.d. Overige.

Nader door het college te bepalen.

4. Subsidiegrondslagen.

4.a. Activiteitenplan met begroting.

4.b. Het jaarlijks door het college vastgestelde subsidieplafond.

4.c. Het in het subsidieprogramma voor deze activiteit opgenomen maximale subsidiebedrag.

4.d. Verdeelsleutel. naar rato van het aantal aanvragen.

5. Nadere subsidievoorwaarden.

5.a. Harmonie, Brass Band, Fanfarecorps onder leiding van een Tambour-maître.

De organisatie moet

5.a.1. Ten minste 25 in de gemeente woonachtige musicerende en contributie betalende leden tellen.

5.a.2. Twee openbare optredens per jaar binnen de gemeente verzorgen.

5.a.3. Repetities en optredens moeten plaatsvinden onder professionele leiding.

De professionele leiding is in het bezit van een afgeronde en passende Hbo-opleiding.

5.b. Koorzang.

De organisatie moet.

5.b.1. Ten minste 15 in de gemeente woonachtige musicerende en contributie betalende leden tellen.

5.b.2. Een openbaar optreden per jaar binnen de gemeente verzorgen.

5.c. Toneel.

De organisatie moet.

5.c.1. Ten minste 15 in de gemeente woonachtige spelende en contributie betalende leden tellen.

5.c.2. Minimaal één openbaar optreden per jaar binnen de gemeente verzorgen.

5.d. Overige.

Door het college nader te bepalen.

6. Nadere vereisten bij de aanvraag.

Er moet gebruik worden gemaakt van de door het college vastgestelde subsidieaanvraagformulieren.

7. Subsidiegrondslagen.

7.a. Waarderingssubsidie per organisatie.

7.b. Het jaarlijks door het college vastgestelde subsidieplafond.

7.c. Verdeelsleutel. Naar rato.

8. Aanvullende voorwaarden.

8.a. De organisaties moeten, indien daartoe door het college uitgenodigd, medewerking verlenen aan herdenkingen en vieringen zoals 30 april alsmede 4 en 5 mei.

9. Overig.

De subsidieregel wordt per 1 januari 2019 ingetrokken.

 

Subsidieregel 11 - Podiumkunsten

a. Beleid

Het bieden van een mogelijkheid zich te presenteren voor de professionele en de niet-professionele podiumkunsten.

b. Subsidieregel.

1. Doelstelling activiteiten.

1.a. Het bieden van een gevarieerd aanbod een professionele podiumkunsten.

1.b. Het bieden van een podium voor niet-professionele podiumkunsten.

2. Producten / activiteiten / diensten.

Een programma dat aansluit op de vraag en behoefte van de bevolking.

3. Subsidiesoort.

Budgetsubsidie.

4. Subsidiegrondslagen.

4.a. Activiteitenplan met productbegroting met scheiding van de volgende kostencomponenten.

4.a.1. Huisvesting.

4.a.2. Algemene / bestuurlijke en coördinatiekosten.

4.a.3. Activiteitenkosten per peuterspeelzaalgroep.

4.b. Het jaarlijks door het college vastgestelde subsidieplafond.

4.c. Het in het Subsidieprogramma opgenomen maximale subsidiebedrag.

4.d. Verdeelsleutel.

Tender, op basis van de verhouding tussen kwaliteit, kwantiteit, prestaties en prijs.

5. Nadere vereisten bij de aanvraag.

Er moet gebruik worden gemaakt van de door het college vastgestelde subsidieaanvraagformulieren.

6. Eigen bijdragen / andere inkomsten dan subsidie. De subsidie is niet bestemd voor het dekken van de tekorten die voortvloeien uit het contracteren van de kunstenaars (uitkoop en partage-regeling).

7. Prestaties. Er moet sprake zijn van ten minste 8 producties / voorstellingen op jaarbasis met betrekking tot amateurinstellingen.

8. Overig.

Deze subsidieregeling wordt met ingang van 1 januari 2019 ingetrokken.

 

Subsidieregel 12 - Kunsteducatie

a. Beleid.

In de eerste plaats jongeren, vervolgens volwassenen, actief in aanraking te brengen met-, deel te laten nemen aan activiteiten op het terrein van de beeldende vorming, fotografie, literatuur en schrijven, dans, toneel en film.

b. Subsidieregel.

b.1. Doelstelling activiteiten.

b.1.a. Primair.

Kennis maken alsmede actief en passief bezig zijn met diverse van de genoemde kunstvormen voor kinderen en jongeren tot 23 jaar.

b.1.b. Secundair. Kennis maken alsmede actief en passief bezig zijn met de genoemde kunstvormen van de beeldende kunst voor volwassenen.

b.2. Producten / Activiteiten / Diensten.

b.2.a. Activiteiten in cursorisch verband.

b.2.b. Projecten.

3. Subsidiesoort.

Budgetsubsidie.

4. Subsidiegrondslagen.

4.a. Met betrekking tot de genoemde kunstvormen.

4.a.1. Het activiteitenplan met productbegroting.

4.a.2. Een subsidiebedrag ter dekking van een nader door het college te bepalen deel van de vaste lasten (inclusief overheadkosten).

4.a.3. Een nader door het college te bepalen aantal klokuren aan cursorische activiteiten.

4.a.4. Per klokuur waarvoor een aanvraag tot subsidieverlening wordt ingediend moet gemiddeld sprake zijn van minimaal 12 betalende deelnemers per klokuur dat woonachtig is binnen de gemeente.

4.a.5. Een klokuur cursus dat voldoet aan de genoemde voorwaarden.

4.b. Algemeen.

4.b.1. Het jaarlijks door het college vastgestelde subsidieplafond.

4.b.2. Het in het subsidieprogramma voor deze activiteit opgenomen maximale subsidiebedrag.

4.b.3. Verdeelsleutel met betrekking tot de overheadlasten. naar rato van het aantal inwoners binnen het verzorgingsgebied van de desbetreffende instelling.

5. Nadere subsidievoorwaarden.

5.a. De onderdelen binnen de jaarstukken (activiteitenplan & begroting alsmede jaarverslag & jaarrekening die betrekking hebben op de gemeente Vlissingen moeten separaat worden opgenomen.

5.b. De begroting en jaarrekening moeten zijn opgesplitst in de volgende componenten.

5.b.1. Vaste lasten - algemene, niet activiteit gerelateerde kosten.

5.b.2. Variabele lasten - de directe kosten van de activiteiten.

5.c. Het subsidiebudget dat resteert na aftrek van het aandeel vanuit de subsidie in de overheadlasten, moet als volgt qua volgorde worden ingezet.

5.c.1. Cursorische activiteiten en projecten gericht op jeugdigen en jongeren tot 23 jaar.

5.c.2. Cursorische activiteiten en projecten gericht op volwassenen.

5.d. De variabele cursuslasten moeten volgens de volgende percentages worden bekostigd vanuit de deelnemersbijdragen.

5.d.1. Jeugd en jongeren tot 23 jaar. 80%

5.d.2. Volwassenen. 100%

5.e. De subsidie is bestemd als dekking voor.

5.e.1. 100% van de overheadlasten die zijn verbonden aan het verzorgen van de subsidiabele cursussen.

5.e.2. De hoogte van de te subsidiëren vaste lasten zal maximaal 33% zijn van het totaal aan de subsidiabele cursussen verbonden directe kosten.

6. Nadere vereisten bij de aanvraag.

6.a. Inzicht in:

6.a.1. Het aantal activiteiten en het daaraan verbonden aantal klokuren cursus waarvoor subsidie wordt gevraagd.

6.a.2. De gemiddelde leeftijd van de ingeschreven deelnemers.

6.a.3. Het aantal deelnemers dat zich, per cursus, heeft ingeschreven voor de desbetreffende cursussen.

6.b. Er moet per activiteit inzicht worden gegeven in o.a. de inhoudelijke aspecten, de prestaties en de baten en lasten. Daarvoor moet gebruik worden gemaakt van een door het college vastgesteld format.

7. Eigen bijdragen / andere inkomsten dan subsidie.

7.a. De cursustarieven moeten dekkend zijn ten opzichte van de docentenkosten.

7.a.1. Jeugd en jongeren tot 23 jaar. 80%

7.a.2. Volwassenen. 100%

8. Prestaties.

8.a. Ten minste 10 cursorische activiteiten voor jeugd en jongeren tot 23 jaar, woonachtig in de gemeente Vlissingen met een gemiddeld aantal van 12 deelnemers per cursus.

8.b. Ten minste 20 cursorische activiteiten voor volwassenen, woonachtig in de gemeente Vlissingen met een gemiddeld aantal van 12 deelnemers per cursus.

8.c. De lessen worden verzorgd door daartoe bevoegde docenten.

9. Uitvoeringsovereenkomst.

9.a. Van toepassing.

10. Nadere voorwaarden.

10.a. De in artikel 4.51 Awb genoemde ‘redelijke termijn’ houdt een periode in van maximaal 1,5 kalenderjaar.

10.b. Indien de genoemde prestaties niet worden gerealiseerd zal de subsidierelatie anderhalf jaar na de besluitvorming daartoe door de raad geheel zijn beëindigd.

11.Overige. Deze subsidieregel wordt met ingang van 1 januari 2019 ingetrokken.

 

Subsidieregel 13 - Oudheidkunde en museum

a. Beleid.

Professionele instellingen. Het vormen van een collectie alsmede het conserveren en tentoonstellen alsook het publiceren over de cultuurhistorie van Zeeland in zijn algemeenheid en het eiland Walcheren in het bijzonder, en Vlissingen zeer specifiek.

Steunfonds. Het mee in standhouden van de in Zeeland gevestigde musea.

b. Subsidieregel.

b.1. Doelstelling activiteiten.

b.1.a. Professionele instelling.

b.1.1. Het behoud van cultureel erfgoed.

b.1.2. Het conserveren van materialen en goederen.

b.1.3. Het verzorgen van tentoonstellingen.

b.1.4. Het publiceren van artikelen die betrekking hebben op het Walcherse en specifiek het Vlissingens erfgoed.

b.1.b. Steunfonds.

Het in stand houden van de Zeeuwse musea.

2. Producten / activiteiten / diensten.

2.a. Professionele instelling.

2.a.1. Openstelling van de collectie voor publiek.

2.a.2. De openstelling van het archief voor geïnteresseerden.

3. Publicaties.

3.b. Steunfonds.

Het leveren van een bijdrage aan het in standhouden van Zeeuwse musea.

3. Subsidiesoort.

3.a. Professionele instelling.

Budgetsubsidie.

3.b. Steunfonds.

Waarderingssubsidie.

4. Subsidiegrondslagen.

4.a. Professionele instelling.

4.a.1. Activiteitenplan met productbegroting.

4.a.2. Het jaarlijks door het college vastgestelde subsidieplafond.

4.a.3. Het in het subsidieprogramma voor deze activiteit opgenomen maximale subsidiebedrag.

4.a.4. Verdeelsleutel.

Tender, op basis van de verhouding tussen kwaliteit, kwantiteit, prestaties en prijs.

b. Steunfonds.

Aanvraag tot subsidieverlening betreffende het steunfonds.

5. Nadere subsidievoorwaarden.

5.a. Professionele instelling.

5.a.1. De subsidie is vooral bedoeld voor het dekken van de vaste lasten. De variabele lasten moeten voor een jaarlijks door het college te bepalen percentage worden opgebracht vanuit entreegelden, sponsoring en andere vormen van inkomsten.

5.b. Steunfonds. Niet van toepassing.

6. Nadere vereisten bij de aanvraag.

Er moet gebruik worden gemaakt van de door het college vastgestelde subsidieaanvraagformulieren.

7. Eigen bijdragen / andere inkomsten dan subsidie.

7.a. Professionele instelling.

De inkomsten uit de entreegelden moeten primair gericht zijn op het dekken van de kosten die zijn verbonden aan de publiekgerichte activiteiten.

7.b. Steunfonds.

Ten minste 80% van alle Zeeuwse gemeenten moeten een subsidie verstrekken. Zo niet, dan vervalt de grondslag voor subsidieverstrekking.

8. Prestaties.

8.a. Professionele instelling.

Openstelling voor publiek gedurende.

8.a.1. 52 weken per jaar.

8.a.2. Minimaal 45 uur per week.

8.2. Het verzorgen van lespakketten voor de leerlingen uit de groepen 4, 5 en 6 van het basisonderwijs.

9. Uitvoeringsovereenkomst.

Van toepassing.

 

Subsidieregel 14 - Lokale Omroep

a. Beleid.

a.1. Het verzorgen van lokale radio-uitzendingen voor de inwoners van Vlissingen.

b. Subsidieregel.

b.1. Doelstelling activiteiten. Verzorgen van de lokale omroep waarin voldoende aandacht is voor de onderdelen informatie, cultuur en educatie.

b.2. Producten / Activiteiten / Diensten. Radio-uitzendingen.

b.3. Subsidiesoort. Structurele activiteitensubsidie.

b.4. Subsidiegrondslagen.

b.4.a. Activiteitenplan met begroting.

b.4.b. Het jaarlijks door het college vastgestelde subsidieplafond.

b.4.c. Het in het subsidieprogramma voor deze activiteit opgenomen maximale subsidiebedrag.

5. Subsidievoorwaarden.

5.a. Het college draagt zorg voor de bekostiging van het functioneren van de lokale media-instelling als de gemeenteraad een advies als bedoeld in artikel 2.62 van de Mediawet heeft uitgebracht en daarbij positief heeft geadviseerd of de instelling voldoet aan de eis, bedoeld in artikel 2.61, tweede lid, onderdeel c van de Mediawet.

5.b. De bekostiging betreft vergoeding van de kosten die rechtsreeks verband houden met het verzorgen van de lokale publieke omroepdienst, voor zover die kosten niet op andere wijze zijn gedekt, op zodanige wijze dat op lokaal niveau in een toereikend media-aanbod kan worden voorzien en continuïteit van bekostiging is gewaarborgd.

5.c. Als twee of meer gemeenteraden een advies als bedoeld in artikel 2.62 van de Mediawet hebben uitgebracht, en daarbij positief hebben geadviseerd of de vraag of de instelling voldoet aan de eis, bedoeld in artikel 261, tweede lid, onderdeel c van de Mediawet, zorgen de colleges van de desbetreffende gemeenten gezamenlijk voor de bekostiging, bedoeld in artikel 2.62 van de Mediawet.

5.d. De instelling verzorgt radio-uitzendingen.

5.e. De instelling richt zich op radio-uitzendingen ten behoeve van de inwoners van Vlissingen.

5.f. De instelling dient over een vergunning te beschikking van het Commissariaat van de Media.

5 g. De instelling dient te voldoen aan de zogenaamde ICE-norm. Deze norm bepaalt dat ten minste 50% van de toetsingstijd (uren tussen 7.00 uur en 23.00 uur ) het media-aanbod een informatief, cultureel of educatief karakter moet hebben, gericht op de eigen gemeente(n). Van deze 50% dient weer 60% een lokaal informatief of educatief karakter bevatten.

5.h. De instelling moet streven naar objectiviteit in haar berichtgeving.

6. Prestatieafspraken.

Met de instelling worden de volgende prestatieafspraken gemaakt.

6.1.Het opstellen van een vierjaarlijks programmabeleidsplan.

6.2. Per jaar uitbrengen van verslag/evaluatie behaalde prestaties/activiteiten.

6.3. Verbeteren van de onderdelen informatie, cultuur en educatie in kwalitatieve en kwantitatieve zin.

6.4. Vierjaarlijks houden van een luisteronderzoek.

6.5. Jaarlijks overzicht verstrekken van de (personele en kwalitatieve) samenstelling en het programmabeleidsbepalend orgaan.

6.6. De samenwerking met Omroep Zeeland uit breiden c.q. intensiveren. Mede gelet op het bepaalde in artikel 2.71 van de Mediawet.

6.7. Naar mogelijkheden zoeken om tot samenwerking met andere lokale omroepen in de provincie te kunnen overgaan.

7. Nadere vereisten bij de aanvraag. er moet gebruik worden gemaakt van de door het college vastgestelde subsidieaanvraagformulieren.

 

Subsidieregel 15 – Recreatie

a. Beleid.

Het bevorderen van recreatieve activiteiten gericht op inwoners van en bezoekers aan onze gemeente.

b. Subsidieregel.

b.1. Doelstelling activiteiten.

Het bevorderen van recreatieve activiteiten binnen de gemeente.

b.2. Producten / Activiteiten / Diensten.

Recreatieve activiteiten.

b.3. Subsidiesoort.

b.3.a. Vrijwilligersorganisaties.

Waarderingssubsidie of structurele activiteitensubsidie.

b.3.b. Professionele instellingen.

Budgetsubsidie of structurele activiteitensubsidie.

4. Subsidiegrondslagen.

4.a. Vrijwilligersorganisaties.

4.a.1. Activiteitenplan met begroting.

4.a.2. Het jaarlijks door het college vastgestelde subsidieplafond.

4.a.3. Het in het subsidieprogramma voor deze activiteit opgenomen maximale subsidiebedrag.

4.a.4 Verdeelsleutel. Naar rato.

4.b. Professionele instellingen.

4.b.1. Activiteitenplan met productbegroting.

4.b.2. Het jaarlijks door het college vastgestelde subsidieplafond.

4.b.3. Het in het subsidieprogramma voor deze activiteit opgenomen maximale subsidiebedrag.

4.b.4. Verdeelsleutel.

Tender, op basis van de verhouding tussen kwaliteit, kwantiteit, prestaties en prijs.

4.b.5. Nadere vereisten bij de aanvraag. Er moet gebruik worden gemaakt van de door het college vastgestelde subsidieaanvraagformulieren.

6.Uitvoeringsovereenkomst.

a. Vrijwilligersorganisaties.

Niet van toepassing.

b. Professionele instellingen.

Van toepassing

 

Subsidieregel 16 - Economische ontwikkeling

a. Beleid.

Het bevorderen van de economische ontwikkelingen in zijn algemeenheid binnen de gemeente. Daarbij wordt gewaakt voor het bevoordelen van individuele bedrijven met als gevolg het scheppen van ongelijke voorwaarden voor commerciële ondernemingen.

b. Subsidieregel.

b.1. Doelstelling activiteiten.

Het bevorderen van de economische ontwikkelingen binnen de gemeente.

2. Producten / Activiteiten / Diensten.

2.a. Informatie en advies met betrekking tot de mogelijkheden binnen de gemeente.

2.b. Bijeenkomsten van ondernemers t.b.v. het netwerken.

3. Subsidiesoort. Waarderingssubsidie.

4. Subsidiegrondslagen.

4.a. Activiteitenplan met begroting.

4.b. Het jaarlijks door het college vastgestelde subsidieplafond.

4.c. Het in het subsidieprogramma voor deze activiteit opgenomen maximale subsidiebedrag.

4.d. Verdeelsleutel.

Naar rato.

4.e. De subsidie is primair bedoeld als tegemoetkoming in de organisatiekosten.

5. Nadere vereisten bij de aanvraag.

Er moet gebruik worden gemaakt van de door het college vastgestelde subsidieaanvraagformulieren.

6. Eigen bijdragen / andere inkomsten dan subsidie.

Er moet sprake zijn van een naar het oordeel van het college redelijke eigen bijdrage vanuit de deelnemers aan de bijeenkomsten en de plaatselijke ondernemers.

7. Prestaties.

Minimaal 6 netwerkbijeenkomsten op jaarbasis.

 

Subsidieregel 17 - Bevordering Toerisme

a. Beleid.

Het bevorderen van het toeristische bezoek aan de gemeente.

b. Subsidieregel.

b.1. Doelstelling activiteiten.

Het bevorderen van het toerisme aan de gemeente.

b.2. Producten / Activiteiten / Diensten.

b.2.a. Informatievoorziening.

b.2.b. Promotieactiviteiten.

b.3. Subsidiesoort.

b.3.a. Professionele instellingen.

Budgetsubsidie.

b.3.b. Vrijwilligersorganisaties.

Waarderingssubsidie of een structurele activiteitensubsidie.

b.4. Subsidiegrondslagen.

b.4.a. Professionele instellingen.

b.4.a.1. Activiteitenplan met (product)begroting.

b.4.a.2. Het jaarlijks door het college vastgestelde subsidieplafond.

b.4.a.3. Het in het subsidieprogramma voor deze activiteit opgenomen maximale subsidiebedrag.

b.4.a.4. Verdeelsleutel. Tender, op basis van de verhouding tussen kwaliteit, kwantiteit, prestaties en prijs.

b.4.a.5. Achtereenvolgens worden de volgende kostensoorten ten laste gebracht van het subsidiebudget.

b.4.a.5.1. De vaste lasten zoals kapitaallasten, onderhoud, organisatie- en bestuurskosten. Financiële lasten welke niet aan een activiteit gebonden zijn.

b.4.a.5.2. Per activiteit de variabele lasten nadat per activiteit de baten per activiteit zijn toegerekend.

4.b. Vrijwilligersorganisaties.

4.b.1. Activiteitenplan met begroting.

4.b.2. Het jaarlijks door het college vastgestelde subsidieplafond.

4.b.3. Het in het subsidieprogramma voor deze activiteit opgenomen maximale subsidiebedrag.

4.b.4. Verdeelsleutel. naar rato.

4.b.5. Nadere vereisten bij de aanvraag.

Er moet gebruik worden gemaakt van de door het college vastgestelde subsidieaanvraagformulieren.

6. Eigen bijdragen / andere inkomsten dan subsidie.

Er moet sprake zijn van een naar het oordeel van het college redelijke bijdrage.

7. Prestaties.

7.a. Professionele instellingen.

7.a.1. Het aantal dagen en uren openstelling / activiteiten.

7.a.2. Het aantal onder verantwoordelijkheid van de subsidieontvanger georganiseerde activiteiten.

7.a.3. Het aantal personen dat om inlichtingen vraagt / deelneemt.

7.a.4. Het aantal verspreide brochures en bezoeken aan de website.

7.b. Vrijwilligersorganisaties. Niet van toepassing.

8. Uitvoeringsovereenkomst.

8.a. Professionele instellingen. Van toepassing.

8.b. Vrijwilligersorganisaties. Niet van toepassing.

 

Subsidieregel 18 - Armoedebeleid en Vakanties Minima

a. Armoedebeleid.

Het met inzet van subsidiemiddelen stimuleren en mogelijk maken van plaatselijke initiatieven voor minima. Doelstelling van de subsidie reikt van waarderen tot tijdelijke stimuleringsmaatregel en is geenszins structureel van aard.

b. Vakanties Minima.

Het met inzet van subsidiemiddelen mogelijk maken van vakanties voor inwoners met een smalle beurs. Tot de doelgroep behoren mensen met een inkomen tot 110% van het sociaal minimum. De vakanties dienen in georganiseerd verband te worden aangeboden.

c. Subsidieregel.

c.1. Doelstelling activiteiten armoedebeleid.

Het stimuleren van initiatieven gericht op de doelgroep minima.

c.2. Doelstelling activiteiten vakanties minima.

Het laagdrempelig aanbieden van vakanties voor minima.

c.3. Producten / Activiteiten / Diensten.

c.3.a. Gericht op en/of bijdragend aan verbetering van de inkomenspositie van minima in Vlissingen.

c.3.b. Organiseren van vakanties voor minima.

c.4. Subsidiesoort. Waarderingsubsidie (armoedebeleid), Structurele activiteitensubsidie (vakanties minima).

c.5. Subsidiegrondslagen.

c.5.a. Doelstelling organisatie.

c.5.b. Beoogd aantal deelnemers.

c.5.c. Het jaarlijks door het college vastgestelde subsidieplafond.

c.5.d. Het in het subsidieprogramma voor deze activiteit opgenomen maximale subsidiebedrag.

6. Nadere subsidievoorwaarden.

6.1. Een activiteit ten behoeve van het armoedebeleid die in aanmerking is gekomen voor subsidieverstrekking moet zelfvoorzienend zijn binnen uiterlijk 3 jaar.

6.2 Eigen bijdragen / andere inkomsten dan subsidie inzake vakanties minima.

6.2.a. Moeten in begroting worden verantwoord.

6.2.b. Aan de deelnemers wordt een jaarlijks door het college vast te stellen eigen bijdrage gevraagd.

7. Nadere vereisten bij de aanvraag Er moet gebruik worden gemaakt van de door het college vastgestelde subsidieaanvraagformulieren.

8. Overig.

De subsidie ten behoeve van de vakanties minima wordt met ingang van 2021 beëindigd.

 

Subsidieregel 19 - Volkscultuur

a. Beleid.

Het bevorderen van het in stand houden van Oranjefeesten en regionale, nationale en internationale volksfeesten binnen onze gemeente.

b. Subsidieregel.

b.1. Doelstelling activiteiten.

b.1.a. Oranje- en volksfeesten.

Het besteden van aandacht aan de Nationale feestdagen met het accent op activiteiten voor kinderen tot 12 jaar en volwassenen vanaf 65 jaar.

b.1.b. Ringrijden.

Het organiseren van wedstrijden ringrijden.

2. Producten / Activiteiten / Diensten.

2.a. Oranje- en volksfeesten. Activiteiten voor kinderen tot 12 jaar.

2.b. Ringrijden en de wedstrijden.

3. Subsidiesoort.

3.a. Oranje- en volksfeesten.

Waarderingssubsidie.

3.b. Ringrijden.

Waarderingssubsidie.

4. Subsidiegrondslagen.

4.a. Het aanwijsbaar actief zijn van de organisatie.

4.b. Verdeelsleutel. naar rato.

5. Nadere vereisten bij de aanvraag.

Er moet gebruik worden gemaakt van de door het college voorgeschreven aanvraagformulier.

6. Prestaties.

6.a. Oranjeverenigingen / -comités.

De activiteiten moeten gericht zijn op de deelname door kinderen van 4 tot12 jaar.

6.b. Ringrijden.

Niet van toepassing.

7. Overig.

De subsidie ten behoeve van het ringrijden wordt met ingang van 2021 beëindigd.

 

Subsidieregel 20 - Milieu informatie en educatie

a. Beleid.

Milieubeleid algemeen.

Beleid op gebied van het verstrekken van milieu-informatie en –educatie aan voornamelijk burgers ten behoeve van het vergroten van het milieubewustzijn.

b. Subsidieregel.

b.1. Doelstelling activiteiten.

b.1.a. Het aanwakkeren en vergroten van het milieubewustzijn in de hoop dat men meer milieuvriendelijke keuzes maakt, in het belang van een duurzame ontwikkeling. Naast het vergroten van het milieubewustzijn het geven van tips en tools voor een meer duurzame leefstijl.

b.1.b. Doelgroepen zijn vooral de bewoners van de regio Walcheren, zowel volwassenen als kinderen. De activiteiten richten zich voornamelijk op huishoudens en de (basis)scholen in de regio. Verder worden de natuur- en milieuorganisaties ondersteund bij hun educatieve activiteiten.

2. Producten / Activiteiten / Diensten.

2.a. De Milieu Winkel met informatie en verkoopartikelen.

2.b. Stands.

2.c. Tentoonstellingen.

2.d. Educatieve natuurtuin.

2.e. Cursussen.

2.f. Groene agenda.

3. Subsidiesoort.

Budgetsubsidie

4. Subsidiegrondslagen.

4.a. Activiteitenplan met (product)begroting.

4.b. Het jaarlijks door het college vastgestelde subsidieplafond.

4.c. Het in het subsidieprogramma voor deze activiteit opgenomen maximale subsidiebedrag.

4.d. Verdeelsleutel. tender.

5. Nadere vereisten bij de aanvraag.

Er moet gebruik worden gemaakt van de door het college vastgestelde subsidieaanvraagformulieren.

6. Prestaties. Uitvoering activiteitenplan.

 

Subsidieregel 21 - Vluchtelingenwerk

Subsidieregel.

1. Doelstelling activiteiten.

1.a. Het werven en begeleiden van vrijwilligers gericht op maatschappelijke begeleiding van.

1.a.1. Asiel gerelateerde vergunninghouders binnen de Wet inburgering.

1.a.2. Nieuwe statushouders onder de ‘Regeling ter afwikkeling nalatenschap oude Vreemdelingenwet’.

1.a.3. Voormalig alleenstaande minderjarige vreemdelingen (AMV’s).

2. Producten / Activiteiten / Diensten.

Het werven en begeleiden van vrijwilligers.

3. Subsidiesoort.

Budgetsubsidie.

4. Subsidiegrondslagen.

4.a. Activiteitenplan met productbegroting.

4.b. Het jaarlijks door het college vastgestelde subsidieplafond.

4.c. Het in het subsidieprogramma voor deze activiteit opgenomen maximale subsidiebedrag.

4.d. Verdeelsleutel. Tender, op basis van de verhouding tussen kwaliteit, kwantiteit, prestaties en prijs.

5. Nadere vereisten bij de aanvraag.

Er moet gebruik worden gemaakt van de door het college vastgestelde subsidieaanvraagformulieren

 

 

Subsidieregel 22 - Maatschappelijke Opvang en Vrouwenopvang

1. Beleid.

De Wmo 2015 draagt de gemeenten op maatwerkvoorzieningen beschikbaar te stellen aan cliënten die zijn aangewezen op Maatschappelijke Opvang of Vrouwenopvang. De gemeente Vlissingen is in de Financiële verhoudingswet aangemerkt als centrumgemeente voor Zeeland. Dit laatste houdt in dat de gemeente Vlissingen via de decentralisatie-uitkering Gemeentefonds jaarlijks de middelen ontvangt die voor de uitvoering van beide soorten Opvang in Zeeland nodig zijn.

De gemeente Vlissingen heeft bestuurlijke afspraken gemaakt met de Zeeuwse gemeenten over de uitvoering en financiering van deze soorten Opvang. Het beleidskader daarvoor is neergelegd in het bij raadsbesluit van 27 maart 2008 vastgestelde Zeeuws Kompas.

De Zeeuwse gemeenten hebben aan de gemeente Vlissingen daarvoor uitvoeringsmandaten verleend. De gemeente Vlissingen heeft via een onder mandaat de dagelijkse uitvoering, beleidsvoorbereiding en de subsidieverlening en subsidievaststelling opgedragen aan de directeur van het CZW-bureau te Goes.

2. Financiering en uitvoering.

De financiering van deze soorten Opvang vindt door middel van budgetsubsidies aan de uitvoerende instellingen plaats. Het budgetkader wordt in de begroting van de gemeente Vlissingen gegeven. Het financiële uitvoeringskader is opgenomen in de door burgemeester en wethouder vast te stellen de begroting van het CZW-bureau, in het daarop gebaseerde subsidieplafond en in het subsidieprogramma. Het subsidiekader wordt tenslotte gegeven in de Algemene Subsidieverordening Vlissingen 2017.

De subsidieverlening voor deze soorten Opvang is een verantwoordelijkheid van de gemeente Vlissingen en is daarmee gericht op het uitvoeren van gemeentelijk beleid. De uitvoering van de subsidieverlening, van aanvraag-behandeling tot eindvaststelling van de subsidie, vindt plaats in het CZW-bureau.

3. Reikwijdte opvang.

De reikwijdte van de Opvang is voor.

1. Maatschappelijke Opvang.

3.1.a. Het bieden van opvang en begeleiding aan dak- of thuislozen met als doel de dak- of thuisloosheid zo spoedig mogelijk te beëindigen.

3.1.b. Het bieden van opvang en begeleiding aan zwerfjongeren met als doel de woon- en leefsituatie te stabiliseren en toe te leiden naar reguliere scholing, arbeid en huisvesting.

3.1.c. Het bieden van woonbegeleiding in sociale pensions.

3.1.d. Het bieden van verslavingszorg met als doel het functioneren en het maatschappelijk herstel van de verslaafde te bevorderen, daarmee de kwaliteit van leven te verbeteren.

3.1.e. Het bieden van bemoeizorg met als doel sociaalpsychiatrische hulpverlening te verlenen aan zorgwekkende zorgmijders.

3.1.f. Het bieden van nazorg aan ex-gedetineerden in de vorm van begeleiding naar wonen en werken.

2. Vrouwenopvang.

3.2.a. Het bieden van opvang en begeleiding aan vrouwen en hun kinderen, die voor hun veiligheid zijn aangewezen om een veilige opvang.

3.2.b. Het bieden van Veilig Thuis als advies- en meldpunt huiselijk geweld en kindermishandeling.

3.2.c. Het bieden van een Centrum voor Seksueel Geweld voor hulpverlening en bijstand bij aanranding en verkrachting.

3.d. Subsidiegrondslagen.

3.d.1. Productbegroting en activiteitenprogramma.

3.d.2. Financieel verslag en inhoudelijk verslag.

3.d.3. Subsidieplafond.

3.d.4. Uitvoeringsovereenkomst.

4. Overig. Voor het indienen van de subsidieaanvraag en de aanvraag tot vaststelling van de subsidie gelden in afwijking van artikel 6, lid 1 en artikel 18, lid 1 Algemene Subsidieverordening Vlissingen 2018 andere termijnen. In de Uitvoeringsovereenkomst worden deze termijnen opgenomen.

 

Subsidieregel 23 – Sport

a. Beleid.

De uitgangspunten voor het subsidiebeleid voor sport zijn vastgelegd in de sportnota “Iedereen kan meedoen 2013-2016” en de beleidsnotitie subsidies sport 2011.

b. Subsidieregel.

b.1. Doelstelling activiteiten.

Waardering voor het organiseren van sportactiviteiten en evenementen door sportverenigingen en sportorganisaties. Belangrijk is dat hierdoor de breedtesportdeelname in Vlissingen wordt gestimuleerd. Een brede maatschappelijke deelname en een vernieuwend karakter zijn voorwaarden voor ondersteuning van deze activiteiten.

b.2. Producten / Activiteiten / Diensten.

b.2.a. Breedtesportactiviteiten.

b.2.a.I. Deelname is primair gericht op de inwoners van de gemeente Vlissingen.

b.2.a.II. Sport en/of bewegen en het maatschappelijke belang dienen hierbij voorop te staan.

b.2.a.III. De activiteit of het project is gericht op, of staat open voor, alle inwoners en dus niet alleen voor de leden van de eigen vereniging of organisatie.

b.2.a.IV. De aanvraag dient breedtesport georiënteerd te zijn.

b.2.a.V. Wanneer voor een zelfde sportevenement voor een tweede keer opnieuw een aanvraag wordt gedaan, moet vernieuwing (nieuwe activiteiten/onderdelen etc.) onderdeel uit maken van de aanvraag.

b.2.a.VI. Commerciële sportaanbieders kunnen ook een aanvraag om een incidentele sportsubsidie indienen.

b.2.a.VII. Subsidie mag door dezelfde instelling maximaal twee keer per jaar worden aangevraagd.

b.2.b. Aanvulling projecten.

b.2.b.I. Er moet sprake zijn van een kansrijk sport gerelateerd maatschappelijk initiatief.

b.2.b.II. Projectmatige opzet.

b.2.b.III. De subsidieverstrekking kan voor één of evt. meerdere jaren plaatsvinden.

b.2.b.IV. Het sport- en/of beweeginitiatief maakt onderdeel uit van het jaarplan of het (strategische) meerjarenplan van de vereniging draagt bij aan de doelstellingen daarvan.

b.2.b.V. De leiding van het sport- en/of beweeginitiatief moet voldoen aan de door de desbetreffende sportkoepel vastgestelde normen qua bekwaamheid voor de desbetreffende leeftijdscategorie / het betreffende speelniveau e.d.

b.2.c. Sporthuldiging.

b.2.c.I. De subsidie moet worden aangevraagd door een vereniging.

b.2.c.II. De subsidie moet worden aangewend om samen met de Sportraad de jaarlijkse Sporthuldiging te organiseren.

b.2.c.III. De breedtesport promotie van de eigen sport tijdens de Sporthuldiging is een voorwaarde.

b.2.c.IV. Sportverenigingen kunnen eens in de vijf jaar hiervoor een aanvraag doen.

b.2.c.V. Verenigingen kunnen zich inschrijven / aanmelden voor het (mede) organiseren van de Sporthuldiging, minimaal 12 weken voorafgaand aan de Sporthuldiging.

b.2.c.VI. De Sporthuldiging vindt plaats in het eerste kwartaal van het jaar.

b.2.c.VII. Het maximum bedrag bedraagt € 3.000,00.

b.2.d. Sportambassadeur.

b.2.d.I. De inzet van een sportambassadeur bij een sportevenement of activiteit kan (deels) worden vergoed.

b.2.d.II. Onder een sportambassadeur kan worden verstaan een topsporter, een sporttalent, een oud sporter of ander aansprekend persoon die de sport helpt te stimuleren.

b.2.d.III. De kwaliteit om inwoners te enthousiasmeren voor sport en breedtesport promotie moeten centraal staan bij het inschakelen van een sportambassadeur.

b.2.e. Schoolsporttoernooi.

b.2.e.I. De subsidie moet worden aangevraagd door een vereniging.

b.2.e.II. Het toernooi wordt in overleg met scholen georganiseerd.

b.2.e.III. Verenigingen kunnen per schoolsporttoernooi jaarlijks een aanvraag indienen.

3. Subsidiesoorten. Incidentele activiteitensubsidie, waaronder project- en investeringssubsidies.

4. Subsidiegrondslagen.

4.a. Inhoudelijke activiteitenplan en communicatieplan met begroting.

4.b. Het jaarlijks door het college vastgestelde subsidieplafond.

4.c. Het in het subsidieprogramma voor deze activiteit opgenomen maximale subsidiebedrag - Incidentele activiteitensubsidie op basis van een genormeerd subsidiebedrag.

4.d. Verdeelsleutel. Naar rato.

4.e. Geen vermogenstoets voor subsidiebedragen van € 500,00 of lager.

4.f. Voor deze beperkte subsidieaanvragen (e.) geldt een minimale aanvraagtermijn van 6 weken. Om te kunnen garanderen dat dan tijdig een beschikking wordt verstuurd is een volledige ingevulde aanvraag

een voorwaarde.

5. Nadere vereisten bij de aanvraag.

5.a. Er moet gebruik worden gemaakt van de door het college vastgestelde subsidieaanvraagformulieren.

 

Subsidieregel 24 - Aanjaagfonds Cultuur 2018

a. Beleid.

Met het aanjaagfonds cultuur wil de gemeente organisaties met vernieuwende ideeën voor culturele activiteiten de kans geven om deze nieuwe activiteit met een financiële ondersteuning van de gemeente op te starten. De culturele activiteiten moeten een bijdrage leveren aan de aantrekkelijkheid van de (binnen)stad voor bewoners, studenten, toeristen en bezoekers uit de regio. Alleen activiteiten op het gebied van muziek, dans, film, beeldende kunst, cultuureducatie en erfgoed die toegankelijk zijn voor een breed en omvangrijk publiek komen in aanmerking voor een subsidie. Cofinanciering door een particulier fonds, andere overheid of bedrijfsleven is een voorwaarde om in aanmerking te komen voor een bijdrage.

b. Subsidieregel.

b.1. Doestelling activiteiten.

Een bijdrage leveren aan de aantrekkelijkheid van de (binnen)stad voor zowel bezoekers als (potentiele) inwoners van de gemeente Vlissingen. Een bijdrage leveren aan de vernieuwing van het cultureel aanbod in Vlissingen (nieuwe activiteit voor Vlissingen).Een bijdrage leveren aan het imago van "Vlissingen Studentenstad".

Door het aantrekken van een omvangrijk publiek (in)direct bijdragen aan de economie in de (binnen)stad.

2. Producten / Activiteiten / Diensten.

Evenementen, activiteiten en festivals op gebied van muziek, dans, film, beeldende kunst, cultuureducatie en erfgoed.

3. Subsidiesoort. Incidentele activiteitensubsidie.

4. Subsidiegrondslagen.

4.a. Activiteitenplan met begroting voor 2018.

4.b. Het jaarlijks door het College vastgestelde subsidieplafond voor het aanjaagfonds.

4.c. Verdeelsleutel naar volgorde van ontvangst van een volledige aanvraag. voor 2018 maximaal 20.000 euro per activiteit.

5. Nadere vereisten bij aanvraag. er moet gebruik worden gemaakt van het door het college vastgestelde subsidieformulier.

 

Subsidieregel 25 - Gezond in de Stad

a. Beleid.

Gezond in de Stad (GIDS) is het stimuleringsprogramma vanuit het ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport om gemeenten te helpen bij het versterken van de lokale aanpak van gezondheidsachterstanden.

Initiatieven richten zich op algemene gezondheidsvaardigheden en/of op één of meerdere speerpunten uit het gemeentelijke Gezondheidsbeleid.

Preventie van overgewicht, gebruik genotmiddelen, eenzaamheid en depressie.

b. Subsidieregel.

b.1. Doelstelling van de activiteiten.

Het leveren van een bijdrage ter verminderen van de risico’s op gezondheidsachterstanden van inwoners van Vlissingen.

b.2. Producten/activiteiten/diensten.

Activiteiten / interventies die er op gericht zijn om de gezondheid van de inwoners van Vlissingen te verbeteren. Het gaat om duurzame activiteiten / interventies waarbij Gids-gelden de opstart mogelijk maken.

b.3. Subsidiesoort. Incidentele activiteitensubsidie.

b. 4. Subsidiegrondslagen.

Er moet naast het standaard aanvraagformulier voor incidentele activiteitensubsidies een plan van aanpak worden ingediend als bijlage bij het aanvraagformulier. In het plan van aanpak moet tenminste het volgende worden opgenomen.

- Omschrijving van de activiteit. inhoud, waar en wanneer vindt het plaats.

- Waaruit blijkt de behoefte aan deze activiteit.

- Doel van de activiteit.

- Doelgroep van de activiteit. omschrijving, is er sprake van een gezondheidsachterstand en hoeveel deelnemers worden er verwacht.

- Hoe de activiteit een bijdrage levert aan.

- Algemene gezondheidsvaardigheden en/of.

- Preventie van overgewicht en/of.

- Preventie van gebruik van genotmiddelen en/of.

- Preventie van eenzaamheid of depressie.

- Welke organisaties betrokken zijn en wat hun rol is.

- Wat verwacht wordt aan ondersteuning van de gemeente.

- Hoe de activiteiten na afloop van de subsidie voortgezet worden.

- hoe de evaluatie uitgevoerd wordt.

5. Nadere vereisten bij de aanvraag.

- Verzoeken voor een incidentele activiteitensubsidie kunnen het hele jaar worden ingediend, ten minste 12 weken voor de activiteit start.

- Alle aanvragen moeten verantwoord worden door middel van een verantwoordingsformulier binnen 12 weken na afloop van de activiteit tenzij in de beschikking anders.

 

Subsidieregel 26 - Weerbaarheidslessen primair onderwijs

1. Doelstelling activiteiten.

Het ondersteunen van de Vlissingense scholen in het primair onderwijs bij het organiseren van lessen weerbaarheid voor hun leerlingen. Het kan hierbij gaan om motorisch/lichamelijk, sociale en emotionele weerbaarheid.

Weerbaarheid bevordering is sinds 2008 een thema in het lokale jeugdbeleid van de gemeente Vlissingen en onderdeel van de Jeugdagenda Vlissingen 2013-2016. De maatschappelijke doelstelling is het vergroten van de weerbaarheid van kinderen in situaties waarin sprake is van grensoverschrijdend gedrag (waaronder pesten) en machtsmisbruik. Zowel in de reële wereld als in de social media. Het kunnen omgaan hiermee heeft een grote preventieve werking op het ontstaan van echte problemen voor een kind. Werken aan weerbaarheid voorkomt indirect mogelijke inzet van jeugdhulp en andere maatschappelijke kosten. Doorgaans lopen kinderen uit kwetsbare gezinnen hier meer risico’s.

Naast ouders spelen scholen een belangrijke rol in het bevorderen van weerbaarheid, voornamelijk ook in het kader van pesten. Gerichte aandacht voor weerbaarheid speelt een positieve rol in het bestrijden en voorkomen van pesten. Dit kan in de vorm van weerbaarheidslessen. Juist op de scholen in wijken waar veel kinderen uit kwetsbare gezinnen wonen is meer behoefte aan lessen weerbaarheid. Normale omgangsvormen en respect voor elkaar zijn niet de vaardigheden waar ze van thuis uit voldoende mee geconfronteerd worden.

De gemeente wil bevorderen dat de scholen in het primaire onderwijs hierin hun rol kunnen invullen maar zal zelf geen lessen meer uitvoeren zoals in de periode tot 2015. In de plaats daarvan zal de gemeente aan scholen die zelfstandig weerbaarheid lessen organiseren een tegemoetkoming ter beschikking stellen. De hoogte van de tegemoetkoming is maximaal 40% van de kosten die de school hiervoor moet maken.

2. Producten / Activiteiten / Diensten.

Door een bijdrage in de kosten van het organiseren van weerbaarheidslessen.

3. Subsidiesoort.

De bijdrage betreft een waarderingssubsidie.

4. Subsidiegrondslagen.

4.a. Kostenopgave weerbaarheid les.

4.b. Het jaarlijks door het college vastgestelde subsidieplafond voor weerbaarheidslessen.

4.c. Er wordt gebruik gemaakt van de landelijke Impulsregeling brede scholen, sport en cultuur van het (hierna regeling Combinatiefuncties). Wanneer de gemeente Vlissingen ervoor kiest geen gebruik meer te maken van de regeling Combinatiefuncties óf dat er landelijk een einde komt aan deze rijksregeling wordt deze subsidieregel ingetrokken.

4.d. Op basis van dit budget wordt maximaal 40 % van de kosten vergoedt, verdeelt over alle aanvragen met een maximum van € 5000,00 per school.

4.e. Wanneer alle scholen gebruik maken dan is er een bijdrage van 40% in de kosten met een maximum van € 1.052,00 per schooljaar.

5. Nadere subsidievoorwaarden.

5.a. De subsidie aanvraag moet binnen zijn vóór 1 juli.

5.b. De subsidie is bedoeld voor scholen in het primaire onderwijs binnen de gemeente Vlissingen.

5.c. De weerbaarheidslessen hebben als kwaliteitscriterium dat ze moeten voldoen aan de criteria van de Erkenningscommissie Interventies (http.//www.nji.nl/nl/Kennis/Projecten/Erkenningscommissie-Interventies) of de Commissie Anti-pestprogramma’s (http.//www.nji.nl/antipestprogramma).

5.d. Een inhoudelijke verantwoording dienen de scholen vóór 28 september over het afgelopen schooljaar in te dienen via een door ons vastgesteld formulier.

6. Nadere vereisten bij de aanvraag. de scholen moeten gebruik maken van het door het college vastgestelde subsidieaanvraagformulier voor waarderingssubsidies.

7. Eigen bijdragen / andere inkomsten dan subsidie. scholen dragen zelf minimaal 60% bij in de kosten van de weerbaarheidslessen.

8. Prestaties.

De te leveren prestatie wordt vastgesteld in de beschikking tot subsidieverlening.

9. Uitvoeringsovereenkomst.

Niet van toepassing.

 

Subsidieregel 27 - Algemene voorziening in het kader van de Wet Maatschappelijke Ondersteuning (WMO)

Deze beleidsregel gaat over burgerparticipatie en over vernieuwende algemene voorzieningen in het kader van de WMO 2015.

1. Doelstelling activiteiten.

1.a. Meer participatie, minder specialistische voorzieningen.

De gemeente streeft naar vermindering van het gebruik van specialistische voorzieningen waar burgers toegang toe krijgen op basis van een gemeentelijke beschikking.

1.b. Sterk netwerk rondom burgers.

De gemeente vindt het belangrijk dat burgers zelfredzaam zijn en gebruik kunnen maken van een sterk netwerk. De basis van de te starten vernieuwende algemene voorziening wordt gevormd door een uitgevoerd onderzoek naar het knelpunt in de zelfredzaamheid van de doelgroep, dat men wil verminderen of oplossen.

1.c. Haal de voorziening uit de “zorgsfeer”.

De gemeente vindt het belangrijk dat organisaties niet alleen binnen hun eigen organisatiegrenzen bezig zijn met vernieuwing en verbetering, maar dat zij elkaar opzoeken en gebruiken. Bij ieder initiatief moeten daarom minstens 2 partijen met elkaar samenwerken.

1.d. Burger staat centraal.

De gemeente vindt het belangrijk dat bij innovatie de burger centraal wordt gesteld. Daarom stimuleert de gemeente initiatieven van burgers zelf, initiatieven waarbij vanuit het perspectief van de burger als cliënt wordt nagedacht (vraaggericht) en initiatieven waarbij burgers betrokken zijn.

1.e. Preventie.

De gemeente vindt het belangrijk, dat preventie een doel is van de innovatie. Door het initiatief wordt zoveel mogelijk voorkomen, dat mensen een beroep moeten gaan doen op dure hulpverlening.

1.f. Informele inzet.

De gemeente vindt het belangrijk dat de informele inzet van mensen deel uitmaakt van de innovatie. De gemeente stimuleert daarom initiatieven waarbij vrijwilligers, mantelzorgers, verenigingen etc. betrokken zijn.

1.g. Betaalbaarheid.

Het WMO budget daalt de komende jaren met ongeveer 25%. Ingediende initiatieven moeten bijdragen aan het “anders” organiseren van maatschappelijke ondersteuning met als doel borging van kwaliteit tegen lagere kosten.

1.h. Deelname aan het maatschappelijk verkeer.

De gemeente vindt het belangrijk dat haar inwoners zoveel mogelijk deelnemen aan het maatschappelijk en sociale verkeer binnen buurt, wijk of kern. De gemeente ondersteunt daarom initiatieven die burgers bij elkaar brengen door middel van bewonersparticipatie.

Er moet onderzoek gedaan zijn naar de in de wijk aanwezige relevante stakeholders en netwerkpartners. Het probleem en het voorgestelde plan moet herkend worden door een representatief deel van de in de wijk aanwezige netwerkpartners en (vertegenwoordigers van) bewoners.

1.i. Nabijheid.

De algemene voorziening is bedoeld voor iedereen en moet daarom toegankelijk zijn voor iedereen in de wijk. De voorziening moet daarom bij voorkeur in de wijken, dicht bij de bewoners worden uitgevoerd.

1.j. Succesvolle projecten.

De gemeente is voornemens succesvolle projecten, die een bewezen positief effect hebben op de zelfredzaamheid en betaalbaarheid van de maatschappelijke ondersteuning voor meerder jaren te contracteren of te subsidiëren.

2. Diensten / Activiteiten / Producten.

Algemene voorziening van vernieuwende activiteiten in de buurt of wijk, georganiseerd door 2 of meer samenwerkende organisaties, waardoor netwerken worden gevormd van burgers, die elkaar ondersteunen. Hierdoor wordt voorkomen dat mensen een beroep moeten doen of dure specialistische zorg.

3. Subsidiesoorten.

- Incidentele subsidie.

- Waarderingssubsidie.

- Structurele activiteitensubsidie.

- Budgetsubsidie.

4. Subsidiegrondslagen.

4.a. Activiteitenplan met begroting.

4.b. Het jaarlijks door het college vastgestelde subsidieplafond.

4.c. Het in het subsidieprogramma voor deze activiteit opgenomen maximale subsidiebedrag.

4.d. Verdeelsleutel. Naar rato.

5. Nadere subsidievoorwaarden.

5.a. Bij iedere aanvraag wordt een afweging gemaakt tussen de investeringen en resultaten. de in te zetten middelen moeten in verhouding staan tot het beoogde resultaat. Het gesprek met de aanvrager gaat in ieder geval over.

- Resultaten lopend jaar.

- Investeringen 1ste jaar.

- Doorkijk van resultaten en investeringen op lange termijn (> 5 jaar).

5.b. In het activiteitenplan wordt in ieder geval beschreven.

- Hoe de algemene voorziening de zelfredzaamheid van cliënten bevordert.

- Welke partijen (organisaties, instellingen, stichtingen, vrijwilligers etc.) met elkaar samenwerken. Er moet sprake zijn van minimaal 2 organisaties of een organisatie met verbinding tot vrijwillige inzet.

- Hoe de algemene voorziening bijdraagt aan een afname van specialistische begeleiding, bij voorkeur met een financiële doorrekening.

- Hoe de algemene voorziening invulling geeft aan activiteiten in de wijk en wat het draagvlak is binnen die wijk.

- Hoe specialistische en informele inzet georganiseerd wordt.

- Welke ondersteuning er geboden wordt.

- Hoe de algemene voorziening gebruik maakt van de reeds bestaande infrastructuur binnen zorg en welzijn.

- Welke resultaten en investeringen worden verwacht in termen van geld en maatschappelijke effecten.

c. In de financiële paragraaf van de subsidieaanvraag wordt in ieder geval de volgende informatie opgenomen.

- Kosten en baten overzicht.

- Welke financieringsbronnen er naast het vernieuwingsbudget ingezet worden.

- Welke investeringen er worden gedaan door de bij de aanvraag betrokken organisaties. - hoe de eigen bijdragen van de deelnemers worden ingevuld.

- Welke ondersteuningsbijdrage er van de gemeente wordt gevraagd. Dit kan ook anders dan financieel zijn.

6. Nadere vereisten bij de aanvraag.

Er moet gebruik worden gemaakt van de door het college vastgestelde subsidieaanvraagformulieren

 

Subsidieregel 28 -Investeringssubsidie

a. Doel van deze regeling.

Investeringssubsidies zijn eenmalige subsidies, bedoeld ter ondersteuning van organisaties die grote(re) investeringen moeten plegen voor de voortgang van hun maatschappelijke activiteiten.

b. Subsidievoorwaarden.

1. Aan de verlening van een investeringssubsidie worden de volgende algemene voorwaarden gesteld.

I. De organisatie moet statutair gevestigd zijn in de gemeente Vlissingen.

II. De activiteiten van de organisatie moeten passen binnen de beleidsdoelstellingen van de gemeente Vlissingen en dienen tevens een bijdrage te leveren aan het leefklimaat in de gemeente.

III. De activiteiten van de organisatie dienen plaats te vinden op een accommodatie in de gemeente Vlissingen.

IV. Er is sprake van een vrijwilligersorganisatie zonder winstoogmerk.

V. De investering betreft geen onroerende zaken, nieuwbouw of verbouwing van kantines, clubhuizen en/of verenigingsgebouwen.

VI. De organisatie is zelf niet in staat om de investering volledig zelf te bekostigen.

VII. De verwachtte levensduur van een gebruiksartikel is minimaal 10 jaar.

VIII. De organisatie kan eens in de tien jaar een beroep doen op deze regeling.

2. Ten behoeve van een investering aan een sportverenigingen worden ter aanvulling van de onder 1 genoemde algemene voorwaarden, de volgende nadere specifieke voorwaarden gesteld.

I. De sportvereniging is eigenaar van de betreffende sportaccommodatie.

II. De regeling geldt alleen voor het sportgedeelte van de accommodatie en dus niet voor kantines, clubhuizen en/of verenigingsgebouwen.

III. De regeling geldt alleen voor vervangingsinvesteringen of groot onderhoud en niet voor de uitbreiding van de sportaccommodatie.

IV. De vereniging kan alleen een aanvraag doen als aangetoond kan worden dat voor de betreffende tak van sport, vanwege de aard van de sport (dus niet vanwege de capaciteit), geen onderdak gevonden kan worden in een gemeentelijke accommodatie of in een accommodatie van een andere Vlissingense vereniging of organisatie.

3. Subsidiesoorten Investeringssubsidies met eenmalig karakter.

4. Subsidiegrondslagen.

4.a. Een financiële begroting van het project.

4.b. Voor deze subsidievorm is een subsidieplafond.

Aanvragen worden op volgorde van binnenkomst in behandeling genomen. Voor het bepalen van de volgorde van binnenkomst wordt een aanvraag pas als ontvangen beschouwd wanneer deze compleet is. Als het subsidieplafond bereikt is, worden alle volgende aanvragen afgewezen.

4.c. Zo nodig zal bij een noodzakelijke investering, specifiek te verrichten door een sportvereniging, welke het subsidieplafond doet overschrijden, een aanvraag voor budget bij de kadernota in navolgende jaren moet worden aangevraagd.

5. Nadere vereisten bij de aanvraag.

5.a. Er moet gebruik worden gemaakt van de door het college vastgestelde subsidieaanvraagformulieren.

5.b. Een onderbouwd verzoek met argumenten met betrekking tot de noodzaak van de investering, evenals redenen waarom de organisatie zelf niet in staat is dit uit te voeren.

5.c. Een bijlage met daarin stukken die volledige inzage geven in de financiële positie van de organisatie van de voorgaande 3 jaren.

5.d. Een bijlage met een gedetailleerde kostenopzet van de uit te voeren werkzaamheden, welke wordt onderbouwd door ten minste twee offertes.

5.e. Een recente (geanonimiseerde) ledenlijst van de vereniging.

6. Financieel kader.

6.a. De subsidie bedraagt maximaal één derde deel van de investeringskosten of vervangingskosten met een maximum van € 10.000,00.

6.b. De subsidie, specifiek voor sportverenigingen, bedraagt maximaal € 50.000,00 per aanvraag.

6.c. De subsidie bedraagt maximaal € 100,00 per lid van de vereniging.