Gemeenteblad van Beuningen

Datum publicatieOrganisatieJaargang en nummerRubriek
BeuningenGemeenteblad 2020, 13296Verordeningen



Verordening op de heffing en de invordering van afvalstoffenheffing en reinigingsrechten 2020

 

Bij besluit van 17 december 2019 met het kenmerk BB19.00523 heeft de gemeenteraad de Verordening op de heffing en de invordering van afvalstoffenheffing en reinigingsrechten 2020 vastgesteld.

 

De raad van de gemeente Beuningen in openbare vergadering bijeen;

 

gelezen het voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 19 november 2019;

 

gelet op artikel 229, eerste lid, aanhef en onderdelen a en b, van de Gemeentewet en artikel 15.33 van de Wet milieubeheer;

 

B E S L U I T :

 

vast te stellen de volgende Verordening:

 

Verordening op de heffing en de invordering van afvalstoffenheffing en reinigingsrechten 2020 (Verordening Reinigingsheffingen) 2020

 

Hoofdstuk I Algemene bepalingen

 

Artikel 1 Inleidende bepaling

Krachtens deze verordening worden geheven:

  • a.

    een afvalstoffenheffing;

  • b.

    reinigingsrechten.

 

Artikel 2 Definities

Voor de toepassing van deze Verordening wordt verstaan onder:

  • a.

    “gebruik maken” in hoofdstuk II Afvalstoffenheffing: gebruik maken in de zin van artikel 15.33 van de Wet Milieubeheer;

  • b.

    grof bedrijfsafval: afvalstoffen, met uitzondering van autowrakken, afkomstig van bedrijven en instellingen, welke door aard, omvang of hoeveelheid niet periodiek worden ingezameld.

 

Hoofdstuk II Afvalstoffenheffing

 

Artikel 3 Aard van de belasting en belastbaar feit

  • 1.

    Onder de naam ‘afvalstoffenheffing’ wordt een directe belasting geheven als bedoeld in artikel 15.33 van de Wet milieubeheer.

 

  • 2.

    De afvalstoffenheffing bedoeld in deze verordening en de daarbij behorende tarieventabel wordt naar afzonderlijke grondslagen geheven ter zake van het gebruik van een perceel ten aanzien waarvan krachtens de artikelen 10.21 en 10.22 van de Wet milieubeheer een verplichting tot het inzamelen van huishoudelijke afvalstoffen geldt.

 

Artikel 4 Belastingplicht

De belasting wordt geheven van degene die in de gemeente naar de omstandigheden beoordeeld al dan niet krachtens eigendom, bezit, beperkt recht of persoonlijk recht gebruik maakt van een perceel, ten aanzien waarvan ingevolge de artikelen 10.21 en 10.22 van de Wet milieubeheer een verplichting tot het inzamelen van huishoudelijke afvalstoffen geldt.

 

Artikel 5 Maatstaf van heffing en belastingtarief

De belasting wordt geheven naar de maatstaven en de tarieven, opgenomen in hoofdstuk 1 van de bij deze verordening behorende tarieventabel.

 

Artikel 6 Belastingjaar

Met betrekking tot de belasting, die per jaar wordt geheven, is het belastingjaar gelijk aan het kalenderjaar.

 

Artikel 7 Wijze van heffing

De belasting, bedoeld in de onderdelen 1.1 tot en met 1.1.1van hoofdstuk 1 van de tarieventabel wordt geheven bij wege van aanslag.

 

De belasting, bedoeld in de onderdelen 1.2 tot en met 1.9 van hoofdstuk 1 van de tarieventabel wordt geheven bij wege van een mondelinge dan wel schriftelijke gedagtekende kennisgeving.

 

Artikel 8 Ontstaan van de belastingschuld en heffing naar tijdsgelang

  • 1.

    De belasting, bedoeld in onderdeel 1.1. van hoofdstuk 1 van de tarieventabel is verschuldigd bij het begin van het belastingjaar of, zo dit later is, bij de aanvang van de belastingplicht.

 

  • 2.

    Indien de belastingplicht in de loop van het belastingjaar aanvangt, is de belasting, bedoeld in onderdeel 1.1 van hoofdstuk 1 van de tarieventabel, verschuldigd voor zoveel twaalfde gedeelten van de voor dat jaar verschuldigde belasting als er in dat jaar, na de aanvang van de belastingplicht, nog volle kalendermaanden overblijven.

 

  • 3.

    Indien de belastingplicht in de loop van het belastingjaar eindigt, bestaat aanspraak op ontheffing voor zoveel twaalfde gedeelten van de voor dat jaar verschuldigde belasting bedoeld in onderdeel 1.1 van hoofdstuk 1 van de tarieventabel, als er in dat jaar, na het einde van de belastingplicht, nog volle kalendermaanden overblijven.

 

  • 4.

    Het tweede en het derde lid zijn niet van toepassing indien de belastingplichtige binnen de gemeente verhuist en aldaar een ander perceel in feitelijk gebruik neemt.

 

  • 5.

    De belasting als bedoeld in de onderdelen 1.1.1 tot en met 1.9 in hoofdstuk 1 van de tarieventabel is verschuldigd bij de aanvang van de dienstverlening.

 

  • 6.

    Belastingbedragen van minder dan € 5,-- worden niet geheven.

 

Voor de toepassing van de vorige volzin wordt het totaal van op een aanslagbiljet verenigde verschuldigde bedragen afvalstoffenheffing of andere heffingen aangemerkt als één belastingbedrag.

 

Artikel 9 Termijnen van betaling

  • 1.

    In afwijking van artikel 9 eerste lid, van de Invorderingswet 1990 moeten de aanslagen als bedoeld in artikel 7, eerste lid worden betaald uiterlijk twee maanden na de dagtekening van het aanslagbiljet.

 

  • 2.

    In afwijking van het eerste lid geldt - ingeval het totaalbedrag van de op één aanslag biljet verenigde aanslagen meer bedraagt dan € 45,-- met een maximum van € 3.000,-- en een machtiging is afgegeven voor het automatisch incasseren van het verschuldigde bedrag -, dat:

  • a.

    aanslagen, waarvan de dagtekening ligt tussen 1 januari en 1 oktober van het belastingjaar waarop ze betrekking hebben, worden geïncasseerd in zoveel gelijke termijnen als er na de maand van dagtekening van het aanslagbiljet nog maanden in het belastingjaar overblijven met een maximum van acht;

  • b.

    aanslagen, waarvan de dagtekening ligt na 30 september van het belastingjaar waarop ze betrekking hebben, worden geïncasseerd in drie gelijke termijnen.

Bij het van toepassing zijn van het vorenstaande vervalt de eerste incassotermijn een maand na de dagtekening van het aanslagbiljet en elk van de volgende termijnen telkens een maand later.

 

  • 3.

    In afwijking van het eerste lid geldt, voor aanslagen waarvan het totaal bedrag van de op één aanslagbiljet verenigde aanslagen € 45,- of minder bedraagt en een machtiging is afgegeven voor het automatisch incasseren van het verschuldigde bedrag, dat het totaalbedrag van de aanslag in één keer wordt geïncasseerd twee maanden na de dagtekening van het aanslagbiljet.

 

  • 4.

    Voor aanslagen, waarvan het totaalbedrag van de op één aanslagbiljet verenigde aanslagen meer bedraagt dan € 3.000,--, is geen automatische incasso mogelijk en is de betalingstermijn als onder lid 1 van toepassing.

 

  • 5.

    De belasting moet worden betaald ingeval de kennisgeving bedoeld in artikel 7, tweede lid:

  • a.

    mondeling wordt gedaan, op het moment van het doen van de kennisgeving;

  • b.

    schriftelijk wordt gedaan, op het moment van het uitreiken van de kennisgeving, dan wel ingeval van de toezending daarvan, binnen 30 dagen na de dagtekening van de kennisgeving.

 

  • 6.

    De Algemene Termijnenwet is niet van toepassing op de in de voorgaande leden gestelde termijnen.

 

Artikel 10 Kwijtschelding

Bij de invordering van de afvalstoffenheffing wordt kwijtschelding verleend op grond van de uitvoeringsregeling invorderingswet 1990. De kwijtschelding is alleen van toepassing op de belasting bedoeld in de onderdelen 1.1 en 1.2 in hoofdstuk 1 in de bij deze verordening behorende tarieventabel.

 

Hoofdstuk III Reinigingsrechten

 

Artikel 1 1 Belastbaar feit

Onder de naam ‘reinigingsrechten’ worden rechten geheven zowel voor het genot van door het gemeentebestuur verstrekte diensten als voor het gebruik van voor de openbare dienst bestemde gemeentebezittingen, werken of inrichtingen die bij de gemeente in beheer of in onderhoud zijn.

 

Artikel 1 2 Belastingplicht

De rechten worden geheven van degene op wiens aanvraag dan wel ten behoeve van wie de dienst wordt verricht of van degene die van de bezittingen, werken of inrichtingen gebruik maakt.

 

Artikel 1 3 Maatstaf van heffing en belastingtarief

De rechten worden geheven naar de maatstaven en de tarieven, opgenomen in hoofdstuk 2 van de bij deze verordening behorende tarieventabel.

 

Artikel 1 4 Belastingjaar

 

Met betrekking tot de rechten die per jaar worden geheven is het belastingjaar gelijk aan het kalenderjaar.

 

Artikel 1 5 Wijze van heffing

  • 1.

    De rechten als bedoeld in de onderdelen 2.1 en 2.2 in hoofdstuk 2 van de tarieventabel worden geheven bij wege van aanslag, met dien verstande dat per belastbaar feit een afzonderlijke aanslag kan worden opgelegd.

 

  • 2.

    De rechten, als bedoeld in onderdeel 2.3 in hoofdstuk 2 van de tarieventabel worden geheven bij wege van een mondelinge dan wel schriftelijke gedagtekende kennisgeving.

 

Artikel 1 6 Ontstaan van de belastingschuld en h effing naar tijdsgelang voor de jaarlijkse verschuldigde rechten

  • 1.

    De rechten bedoeld in onderdeel 2.1 in hoofdstuk 2 van de tarieventabel zijn verschuldigd bij het begin van het belastingjaar of, zo dit later is, bij de aanvang van de belastingplicht.

 

  • 2.

    Indien de belastingplicht in de loop van het belastingjaar aanvangt zijn de rechten bedoeld in onderdeel 2.1 in hoofdstuk 2 van de tarieventabel, verschuldigd voor zoveel twaalfde gedeelten van de voor dat jaar verschuldigde rechten als er in dat jaar, na de aanvang van de belastingplicht, nog volle kalendermaanden overblijven.

 

  • 3.

    Indien de belastingplicht in de loop van het belastingjaar eindigt, bestaat aanspraak op ontheffing voor zoveel twaalfde gedeelten van de voor dat jaar verschuldigde rechten bedoeld in onderdeel 2.1 in hoofdstuk 2 van de tarieventabel, als er in dat jaar, na het einde van de belastingplicht, nog volle kalendermaanden overblijven.

 

  • 4.

    Het tweede en het derde lid zijn niet van toepassing indien de belastingplichtige binnen de gemeente verhuist.

 

  • 5.

    De rechten als bedoeld in de onderdelen 2.2 en 2.3 in hoofdstuk 2 van de tarieventabel zijn verschuldigd bij de aanvang van de dienstverlening.

 

  • 6.

    Belastingbedragen van minder dan € 5,-- worden niet geheven.

 

Voor de toepassing van de vorige volzin wordt het totaal van op een aanslagbiljet verenigde verschuldigde bedragen reinigingsrechten of andere heffingen aangemerkt als één belastingbedrag.

 

Artikel 1 7 Termijnen van betaling

  • 1.

    In afwijking van artikel 9 eerste lid, van de Invorderingswet 1990 moeten de aanslagen als bedoeld in artikel 15 eerste lid worden betaald uiterlijk twee maanden na de dagtekening van het aanslagbiljet.

 

  • 2.

    In afwijking van het eerste lid geldt - ingeval het totaalbedrag van de op één aanslag biljet verenigde aanslagen meer bedraagt dan € 45,-- met een maximum van € 3.000,-- en een machtiging is afgegeven voor het automatisch incasseren van het verschuldigde bedrag -, dat:

  • a.

    aanslagen, waarvan de dagtekening ligt tussen 1 januari en 1 oktober van het belastingjaar waarop ze betrekking hebben, worden geïncasseerd in zoveel gelijke termijnen als er na de maand van dagtekening van het aanslagbiljet nog maanden in het belastingjaar overblijven met een maximum van acht;

  • b.

    aanslagen, waarvan de dagtekening ligt na 30 september van het belastingjaar waarop ze betrekking hebben, worden geïncasseerd in drie gelijke termijnen.

Bij het van toepassing zijn van het vorenstaande vervalt de eerste incassotermijn een maand na de dagtekening van het aanslagbiljet en elk van de volgende termijnen telkens een maand later.

 

  • 3.

    In afwijking van het eerste lid geldt, voor aanslagen waarvan het totaal bedrag van de op één aanslagbiljet verenigde aanslagen € 45,- of minder bedraagt en een machtiging is afgegeven voor het automatisch incasseren van het verschuldigde bedrag, dat het totaalbedrag van de aanslag in één keer wordt geïncasseerd twee maanden na de dagtekening van het aanslagbiljet.

 

  • 4.

    Voor aanslagen, waarvan het totaalbedrag van de op één aanslagbiljet verenigde aanslagen meer bedraagt dan € 3.000,--, is geen automatische incasso mogelijk en is de betalingstermijn als onder lid 1 van toepassing.

 

  • 5.

    De rechten moeten worden betaald ingeval de kennisgeving bedoeld in artikel 15, tweede lid:

  • a.

    mondeling wordt gedaan, op het moment van het doen van de kennisgeving;

  • b.

    schriftelijk wordt gedaan, op het moment van het uitreiken van de kennisgeving, dan wel ingeval van de toezending daarvan, binnen 30 dagen na de dagtekening van de kennisgeving.

 

  • 6.

    De Algemene Termijnenwet is niet van toepassing op de in de voorgaande leden gestelde termijnen.

 

Artikel 1 8 Kwijtschelding

Bij de invordering van reinigingsrechten wordt geen kwijtschelding verleend.

 

Hoofdstuk IV Aanvullende bepalingen

 

Artikel 19 Overgangsrecht

De ‘Verordening Reinigingsheffingen 2019’ vastgesteld bij besluit van 4 december 2018, wordt ingetrokken met ingang van de in artikel 20, tweede lid genoemde datum van ingang van de heffing, met dien verstande dat zij van toepassing blijft op de belastbare feiten die zich voor die datum hebben voorgedaan.

 

Artikel 20 Inwerkingtreding

  • 1.

    Deze Verordening treedt in werking met ingang van de eerste dag na die van bekendmaking.

  • 2.

    De datum van ingang van de heffing is 1 januari 2020.

 

 

Artikel 21 Citeertitel

Deze Verordening kan worden aangehaald als ‘Verordening Reinigingsheffingen 2020’.

 

 

Bijlage 1: Tarieventabel

 

Behorende bij de “Verordening Reinigingsheffingen 2020”,

 

 

Algemeen

 

De bedragen, genoemd in deze tabel, zijn inclusief omzetbelasting, indien deze verschuldigd is.

 

Hoofdstuk 1 Maatstaven en tarieven afvalstoffenheffing

1.1

De belasting bedraagt per perceel per belastingjaar

€190,00

1.1.1.

Onverminderd het bepaalde in onderdeel 1.1 bedraagt de belasting per inworp in een ondergrondse verzamelcontainer voor restafval

€1,00

1.2

Onverminderd het bepaalde onder 1.1 bedraagt de belasting voor het ophalen van grof huishoudelijk afval met een maximale afmeting van 160x90x90 cm en niet zwaarder dan 30 kg per aanvraag

€5,00

1.2.1

De belasting bedoeld in artikel 1.2 wordt vermeerderd met een bedrag per aangeboden kg afval van

€0,15

1.3

Onverminderd het bepaalde onder 1.1 bedraagt de belasting voor het ophalen van grof huishoudelijk afval waarvan de afmeting groter is dan 160x90x90 cm en zwaarder dan 30 kg

€5,00

1.3.1

De belasting bedoeld in artikel 1.3 wordt vermeerderd met een bedrag per aangeboden stuk van

€16,10

1.4

Onverminderd het bepaalde in onderdeel 1.1 bedraagt de belasting voor het ophalen van snoeiafval per aanvraag

€5,00

1.5

Onverminderd het bepaalde in onderdeel 1.1 bedraagt de belasting voor het gescheiden aanleveren van grof afval van onderstaande categorieën op de milieustraat Bijsterhuizen te Wijchen per kg

•bouw- en sloopafval/gemengd puin

•dakbedekkingsmaterialen (dakleer, bitumen, dakplaten)

•schoon puin (alleen baksteen en beton

•gips

•grof huishoudelijk restafval (huisraad, matrassen, bankstellen)

•grond

•hout (geïmpregneerd)

€0,14

1.6

Onverminderd het bepaalde in onderdeel 1.1 bedraagt de belasting voor de levering van een tweede container voor gft-afval (140 ltr), plastic afvak (180 ltr of 240 ltr) en papier afval (240 ltr) per container

€50,00

1.7

Onverminderd het bepaalde in onderdeel 1.1 bedraagt de belasting voor het omruilen van een container voor plastic afval per omruiling

€25,00

1.8

Onverminderd het bepaalde in onderdeel 1.1 bedraagt de belasting voor het omruilen van een container voor gft-afval per omruiling

€50,00

 

Onverminderd het bepaalde in onderdeel 1.1 bedraagt de belasting voor het vervangen van de combinatiepas voor de milieustraat en ondergrondse restafvalcontainers bij verlies, beschadiging of diefstal per vervanging

€10,00

1.9

De belasting voor het leveren van een combinatiepas voor de milieustraat en ondergrondse restafvalcontainers binnen 3 maanden na vestiging of verhuizing binnen de gemeente bedraagt

€0,00

 

Hoofdstuk 2 Maatstaven en tarieven reinigingsrechten

2.1

Het recht voor periodiek verwijderen van bedrijfsafval vergelijkbaar met huishoudelijke afvalstoffen, bedraagt per belastingjaar

€190,00

2.2

Onverminderd het bepaalde in 2.1 bedraagt het recht per inworp in een ondergrondse verzamelcontainer voor restafval

€1,00

2.3

Onverminderd het bepaalde in 2.1 bedraagt het recht voor het vervangen van de pas voor de ondergrondse restafvalcontainer bij verlies, beschadiging of diefstal

€10,00

2.4

Het recht voor het leveren van een pas voor de ondergrondse restafvalcontainers binnen 3 maanden na vestiging of verhuizing binnen de gemeente bedraagt

€0,00

 

 

Beuningen, 17 december 2019

De raad voornoemd,

de griffier, de voorzitter,