Gemeenteblad van Hilversum

Datum publicatieOrganisatieJaargang en nummerRubriek
HilversumGemeenteblad 2020, 113304Beleidsregels



Regeling parttime ondernemen gemeente Hilversum 2020’.

 

 

 

 

Beleidsregels gemeente Hilversum inzake parttime ondernemen met een uitkering op grond van de Participatiewet (PW) of de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers (IOAW), alsmede verrekening van inkomsten uit overige werkzaamheden buiten dienstbetrekking op bescheiden schaal

 

Gelet op artikel 4:81 van de Algemene wet bestuursrecht, de artikelen 9, 17, 19 en 55 van de Participatiewet (PW) en de artikelen 4a, 5, 8, 13, 37 Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers (IOAW);

en

in aanmerking nemende dat:

• parttime ondernemen de uitkeringsgerechtigde niet verhindert om algemeen geaccepteerde arbeid in loondienst te krijgen.

• met de werkzaamheden als parttime ondernemer de maatschappelijke participatie van de uitkeringsgerechtigde wordt bevorderd;

• deze werkzaamheden tevens een opmaat kunnen zijn voor een volledige voorziening in het eigen bestaan;

• de inkomsten uit parttime ondernemen een besparing op de uitkeringskosten opleveren;

• er behoefte is aan kaders om parttime ondernemen effectief in te zetten als instrument ter bevordering van de zelfredzaamheid;

 

besluiten burgemeester en wethouders van Hilversum de hierna volgende beleidsregels vast te stellen.

 

Artikel 1. Definities en afkortingen

a. uitkeringsgerechtigde: de persoon met een uitkering op grond van de Participatiewet (PW) of de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers (IOAW);

 

b. zelfstandigenaftrek: de belastingaftrek zoals genoemd in artikel 3.76 Wet inkomstenbelasting 2001 (IB2001);

 

c. BTW-nummer: het btw-identificatienummer zoals genoemd in artikel 2a, eerste lid, onder g, van de Wet op de omzetbelasting 1968;

 

d. Bbz: Besluit bijstandverlening zelfstandigen 2004.

 

e. Boekjaar: periode van 1 januari tot en met 31 december waarin de uitkeringsgerechtigde een onderneming voert of heeft gevoerd.

 

Artikel 2. Doelgroep

Deze regeling is bedoeld voor de uitkeringsgerechtigde die:

a. langer dan 6 maanden in de uitkering zit en nog geen zicht heeft op arbeid in loondienst; of

 

b. al een onderneming dreef voordat hij een beroep deed op de Participatiewet voor (aanvullende) bijstand; of

 

c. een te grote afstand tot de arbeidsmarkt heeft en om die reden (nog) niet actief bemiddeld kan worden naar betaald werk; of

 

d. tijdelijk geheel of gedeeltelijk is vrijgesteld van arbeidsverplichtingen.

 

 

Artikel 3. Verzoek, ondernemingsvoorstel en entreetoets

1. Voordat de uitkeringsgerechtigde begint met zijn parttime onderneming dient hij een verzoek tot parttime ondernemen in bij zijn contactpersoon van de gemeente. In de regel is dit de klantmanager werk en participatie. Het verzoek wordt gedaan via een standaardformulier van de gemeente.

 

2. Tezamen met het verzoek dient de uitkeringsgerechtigde een ondernemingsvoorstel in. In dit voorstel worden de volgende zaken uitgewerkt:

a. aard van de onderneming en de soort werkzaamheden;

b. de omvang van de werkzaamheden;

c. de klantengroep waarop de onderneming zich richt;

d. prognose omtrent de te verwachten omzet;

e. een overzicht van de aan de ondernemersactiviteiten verbonden kosten;

f. de wijze waarop de administratie wordt ingericht.

 

3. In het ondernemingsvoorstel geeft de uitkeringsgerechtigde tevens aan of hij gebruik maakt van ‘de kleineondernemersregeling’ (KOR).

 

4. Een entreetoets kan deel uitmaken van de procedure ter beoordeling van de ondernemersvaardigheden en motivatie van de bijstandsgerechtigde.

 

 

Artikel 4. Voorwaarden

 

Aan parttime ondernemen zijn de volgende voorwaarden verbonden:

a. de uitkeringsgerechtigde staat met zijn onderneming ingeschreven bij de Kamer van Koophandel;

b. er is sprake van een aparte bankrekening ten behoeve van de onderneming. Op deze rekening komen alle bedragen binnen en vanuit deze rekening worden alle betalingen gedaan die rechtstreeks verband houden met de onderneming;

c. de uitkeringsgerechtigde beschikt over een BTW-nummer;

d. de uitkeringsgerechtigde zorgt zelf voor de noodzakelijke vergunningen;

e. de uitkeringsgerechtigde voert een deugdelijke financiële administratie;

f. de uitkeringsgerechtigde houdt een urenadministratie bij;

g. er is geen sprake van zelfstandigenaftrek of meewerkaftrek als bedoeld in artikel 3.78 Wet IB2001;

h. er worden marktconforme tarieven gehanteerd;

i. aan de onderneming zijn geen contractuele verplichtingen verbonden langer dan de periode als waarvoor de toestemming geldt conform artikel 5 en artikel 7 lid 3 van de beleidsregels;

j. er worden geen kosten gemaakt ten behoeve van inschakeling personeel;

k. er worden in de onderneming geen activiteiten verricht die illegaal zijn of strafrechtelijk verboden dan wel in strijd zijn met het bestemmingsplan of algemeen verbindende voorschriften.

 

 

 

Artikel 5. Toestemming

1. De uitkeringsgerechtigde mag zijn parttime onderneming slechts starten na verkregen toestemming van het college. Het gaat om een besluit als bedoeld in artikel 1:3 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Onderdeel van het besluit is het werkplan als bedoeld in artikel 13. Voorafgaand wordt advies ingewonnen bij de medewerker van bureau zelfstandigen die belast is met de uitvoering van de Bbz.

 

2. De toestemming kan tussentijds worden ingetrokken wanneer de uitkeringsgerechtigde feitelijk niet langer een onderneming voert, hij niet voldoet aan de voorwaarden die voortvloeien uit deze beleidsregels, hij niet voldoet aan de overige re-integratieverplichtingen uit de Participatiewet, of wanneer de financiële positie van de uitkeringsgerechtigde daar om vraagt.

 

Artikel 6 Mandaat

 

De Teammanager Sociaal Plein is gemandateerd een besluit te nemen over de toestemming als bedoeld in artikel 5 en de daaraan verbonden voorwaarden.

 

Artikel 7. Omvang en duur parttime onderneming

1. De omvang van de ondernemersactiviteiten is minimaal 8 uur per week en maximaal 20 uur per week. Het gaat hierbij om het gemiddeld aantal gewerkte uren in een kwartaal. Een en ander moet blijken uit de door de uitkeringsgerechtigde te voeren urenadministratie. Ook de uren die de uitkeringsrechtigde besteedt aan administratie, promotie en acquisitie tellen mee voor het aantal uren.

2. In geval de uitkeringsgerechtigde samen met diens partner de onderneming drijft, geldt het urenmaximum van 20 uur per week voor hen tezamen.

3. De toestemming voor de parttime onderneming wordt gegeven voor de maximum duur van één jaar. Verlenging is mogelijk. Eén en ander is afhankelijk van het resultaat uit de onderneming, de arbeidsmogelijkheden van de uitkeringsgerechtigde en de persoonlijke omstandigheden. Ook in geval van verlenging wordt advies ingewonnen bij bureau zelfstandigen.

 

Artikel 8 Kosten

1. Als algemeen uitgangspunt geldt dat de kosten noodzakelijk moeten zijn en passen bij de aard van de werkzaamheden. Daaronder vallen in ieder geval niet privékosten en kosten die ook een niet ondernemer gewoon is te maken. Zie tevens lid 5. De kosten moeten ook in verhouding staan tot de gerealiseerde omzet. Daarbij geldt een maximum van 50% van de gerealiseerde omzet per maand, uitgezonderd de indirecte kosten van lid 2. Kosten die door de Belastingdienst niet als aftrekbaar in aanmerking worden genomen, blijven in ieder geval voor rekening van de uitkeringsgerechtigde.

 

2. Voor wat betreft de indirecte kosten, d.w.z. kosten die niet direct verband houden met de in rekening gebrachte factuur, geldt dat deze in mindering mogen worden gebracht op de omzet voor zover het betreft:

a. Aanloopkosten: de kosten van inschrijving bij de Kamer van Koophandel, voor benodigde vergunningen en ontheffingen;

b. Boekhoudkosten, voor zover het betreft een boekhoudprogramma/-pakket tot een maximumbedrag van € 15,00 per maand en kosten van beroepsmatige ondersteuning tot een maximum van € 300,00 per jaar;

c. Beroeps- c.q. bedrijfsaansprakelijkheidsverzekering.

 

3. Reiskosten mogen in mindering worden gebracht op de omzet voor zover het betreft: kosten voor openbaar vervoer 2e klas of € 0,19 per kilometer voor gebruik van auto of motorfiets en voor zover de kosten noodzakelijk zijn en rechtstreeks zijn gekoppeld aan een opdracht.

 

4. Zakelijke telefoonkosten kunnen als kosten worden opgevoerd tot een maximum van € 20,00 per maand.

 

5. De volgende kosten mogen in ieder geval niet in mindering worden gebracht op de omzet:

 

a. deel van huur/hypotheekkosten woning;

b. personeelskosten;

c. deel van energiekosten woning;

d. inrichtingskosten die niet direct verband houden met de aard van de onderneming

e. computer en aanverwante digitale apparaten die niet direct verband houden met de aard van de onderneming maar bestemd zijn voor algemeen gebruik.

 

6. Aanschaf van artikelen om de voorraad aan te vullen mogen slechts als directe kosten in rekening worden gebracht zodra deze gebruikt of verkocht worden.

 

 

Artikel 9 Boekhouding

1. De zelfstandige houdt een deugdelijke boekhouding bij die voldoet aan de criteria van de Belastingdienst en die in ieder geval bestaat uit een kopie van de aangifte en (voorlopige) aanslag omzet- en inkomstenbelasting.

 

2. De in lid 1 genoemde boekhouding moet jaarlijks na afloop van het boekjaar voor 1 mei van het volgende boekjaar overgelegd worden.

3. Indien de definitieve aanslag omzet- en inkomstenbelasting afwijkt van de voorlopige aanslag doet de uitkeringsgerechtigde hiervan melding aan zijn contactpersoon bij de gemeente Hilversum binnen één week na ontvangst en met overlegging van stukken.

 

Artikel 10 Inkomen

Als inkomen wordt aangemerkt de omzet minus de inkoop- en bedrijfskosten, rekening houdend met het bepaalde in artikel 8 van deze regeling.

 

Artikel 11 (Tussentijdse) verrekening inkomsten uit onderneming

1. Het inkomen van de uitkeringsgerechtigde uit parttime ondernemen als bedoeld in artikel 10 wordt maandelijks achteraf verrekend op basis van de inkomstenopgave. Hierbij wordt nog geen rekening gehouden met latente belastingaanslagen. De uitkeringsgerechtigde maakt gebruik van het door de gemeente verstrekte middel voor de opgave van inkomsten.

 

2. Om forse fluctuaties in de nabetalingen of terugvorderingen te voorkomen kan ook worden gekozen voor een fictief maandinkomen dat maandelijks wordt verrekend. Afspraken hierover worden in het werkplan als bedoeld in artikel 13 opgenomen, dan wel als aanhangsel toegevoegd.

 

 

 

Artikel 12 Definitieve vaststelling inkomsten uit onderneming en recht op uitkering

1. Na ontvangst van de in artikel 9 genoemde stukken zal overgegaan worden tot een definitieve vaststelling van het inkomen uit onderneming.

 

2. Indien de totale netto inkomsten na de definitieve vaststelling als bedoeld in het vorige lid lager zijn dan wat op grond van artikel 11 met de uitkering is verrekend, vindt herziening plaats van de verstrekte uitkering over het betreffende kalenderjaar. In de regel zal aan de uitkeringsgerechtigde algemene bijstand worden verstrekt ter compensatie van de naheffingsaanslag Inkomstenbelasting (IB) en/of Zorgverzekeringswet (Zvw).

 

3. Indien de totale netto inkomsten na de definitieve vaststelling als bedoeld in lid 1 hoger zijn dan wat op grond van artikel 11 met de uitkering is verrekend, vindt eveneens herziening plaats van de verstrekte uitkering over het betreffende kalenderjaar. De teveel verstrekte uitkering zal worden teruggevorderd overeenkomstig het bepaalde in artikel 58 e.v. Participatiewet en de hierop beruste beleidsregels van de gemeente.

 

Artikel 13 Werkplan

 

Afspraken over het parttime ondernemen worden vastgelegd in een werkplan. Dit schept duidelijkheid omtrent rechten en plichten van de bijstandsgerechtigde. Tevens worden hiermee het eigen initiatief en de eigen verantwoordelijkheid van de bijstandsgerechtigde tot uitdrukking gebracht. In het werkplan worden ook afspraken opgenomen omtrent sollicitatieverplichtingen en beschikbaarheid voor arbeid in dienstverband. De uitkeringsgerechtigde en de klantmanager ondertekenen beiden het werkplan.

 

Artikel 14 Verrekening van inkomsten bij overige werkzaamheden buiten dienstbetrekking op zeer bescheiden schaal

1. Dit artikel ziet op situaties waarin op gemiddeld minder dan 8 uur per week werkzaamheden of activiteiten worden verricht, anders dan in dienstverband, waarmee de uitkeringsgerechtigde inkomsten verwerft.

2. Bij de werkzaamheden als bedoeld onder lid 1 wordt uitgegaan van arbeid van niet structurele aard. Mocht hiervan wel sprake zijn, dit kan ook na verloop van tijd het geval zijn, dan dient de uitkeringsgerechtigde dit expliciet te melden aan de klantmanager.

3. Bij de verrekening van inkomsten wordt alleen rekening gehouden met kosten die direct verband houden met de geleverde dienst of het product en voor zover deze ook aangetoond kunnen worden en redelijkerwijs zijn gemaakt. Met indirecte kosten, zoals investeringskosten ten behoeve van aankoop/onderhoud productiemiddelen of andere kosten wordt in het geheel geen rekening gehouden.

4. In geval van reiskosten, die noodzakelijk zijn en direct verband houden met een opdracht, wordt rekening gehouden met kosten openbaar vervoer tweede klas of € 0,19 per kilometer bij gebruik van een auto of motorfiets.

5. De artikelen 9, 11, 12 en 15 van deze regeling zijn van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat voor de opgave van inkomsten gebruik wordt gemaakt van het (digitale) formulier dat door de gemeente beschikbaar wordt gesteld . De kosten als bedoeld in lid 3 en lid 4 van dit artikel kunnen eveneens hierin worden opgenomen. Omdat het gaat om inkomsten uit overige werkzaamheden is omzetbelasting niet aan de orde.

 

 

Artikel 15 inkomensvrijlating en premies

De inkomensvrijlating als bedoeld in artikel 31 lid 2 onder n en r van de Participatiewet en artikel 8, tweede en vijfde lid, van de IOAW, alsmede de (uitstroom)premies zoals vastgelegd in de Beleidsregels Re-integratie en tegenprestatie Hilversum 2016 zijn ook van toepassing in geval van inkomsten uit parttime onderneming of inkomsten uit overige werkzaamheden.

 

Artikel 16 Hardheidsclausule

1. Het college kan in bijzondere gevallen ten gunste van belanghebbende gemotiveerd afwijken van de beleidsregels indien de toepassing ervan tot onbillijkheden van overwegende aard leidt.

 

2. Het college beslist in gevallen waarin deze beleidsregels niet voorzien.

 

Artikel 17 Inwerkingtreding regeling

1. Deze regeling treedt in werking op 1 april 2020.

 

2. Deze regeling zal periodiek worden geëvalueerd.

 

Artikel 18 Citeertitel

Deze beleidsregels worden aangehaald als ‘Regeling parttime ondernemen gemeente Hilversum 2020’.

 

 

Hilversum, 28 april 2020

de secretaris, de burgemeester

 

 

D. Emmer P.I. Broertjes

 

 

 

TOELICHTING

 

I Algemeen

Voor natuurlijke personen die voldoen aan de definitie van ‘zelfstandige’ als bedoeld in het Besluit bijstandsverlening zelfstandigen 2004 (Bbz) is het mogelijk om vanuit een uitkeringssituatie een onderneming te voeren. Belangrijke criteria om als beginnend zelfstandige voor bijstand op grond van de Bbz 2004 in aanmerking te komen zijn het aantal werkzame uren (minimaal 1225 uur op jaarbasis) en de levensvatbaarheid van het bedrijf. Voorafgaande aan de feitelijke start van een bedrijf is een oriëntatieperiode mogelijk van maximaal 12 maanden, waarin de betrokkene met behoud van de uitkering Participatiewet zich kan voorbereiden op een mogelijke start van een eigen bedrijf. Zie artikel 2 lid 3 Bbz. Voor menig uitkeringsgerechtigde zal de stap naar het zelfstandig ondernemerschap in de zin van de Bbz een brug te ver zijn, omdat daarvoor de competenties (nog) ontbreken, er twijfels zijn rondom de levensvatbaarheid van de onderneming of vanwege de beperkte inzetbaarheid van de uitkeringsgerechtigde zelf. De mogelijkheid van parttime ondernemen kan dan uitkomst bieden. Hierbij moet worden aangetekend dat de parttime ondernemer zelf zijn onderneming moet kunnen financieren. Anders dan in de Bbz worden er vanuit de PW geen bedrijfskredieten verstrekt. In de regel zullen de opstartkosten daarom laag (moeten) zijn. In voorkomende gevallen kan maatwerk worden toegepast.

 

Het creëren van mogelijkheden om als parttime ondernemer aan de slag te gaan dient verschillende doelen:

a) Opstap naar financiële zelfstandigheid: een parttime onderneming kan op den duur uitgroeien tot een levensvatbaar bedrijf dan wel in combinatie met een parttime baan leiden tot volledige uitstroom.

 

b) Bevordering ontwikkeling en inzicht in eigen mogelijkheden: Een uitkeringsgerechtigde start een parttime onderneming vanuit persoonlijke interesse. Dat motiveert. Als parttime ondernemer doet de uitkeringsgerechtigde kennis en vaardigheden op, ontdekt hij waar zijn kracht ligt en welke kansen er zijn om in zijn eigen levensonderhoud te voorzien als zelfstandige maar ook als werknemer in loondienst.

 

c) Maatschappelijke participatie: door werkzaamheden als zelfstandige te verrichten is sprake van maatschappelijke participatie. Deze actieve deelname aan de samenleving is positief voor de uitkeringsgerechtigde die een bijdrage levert aan de maatschappij, investeert in zijn netwerk en tegelijkertijd (deels) in zijn eigen levensonderhoud voorziet. De werkzaamheden die verricht worden, leveren daarnaast een positieve bijdrage aan een vitale lokale economie.

 

d) Schadelastbeperking: uit de parttime onderneming worden inkomsten verworven. Deze inkomsten worden gekort op de uitkering, voor zozeer deze niet zijn vrijgesteld. Hierdoor worden uitkeringslasten bespaard.

Aan het parttime ondernemerschap zijn wel voorwaarden verbonden. Deze zijn nader uitgewerkt in de artikelen van deze regeling. Het gaat onder meer om:

 

• Toestemmingsvereiste;

• Wachttijd;

• Minimale en maximale omvang van de werkzaamheden in de onderneming;

• Formele vestigingseisen;

• Administratieve verplichtingen;

• Hanteren van marktconforme tarieven;

• Verplichting tot aanvaarding van algemene geaccepteerde arbeid;

• Verrekening van inkomsten.

 

De gemeente Hilversum maakt uitdrukkelijk onderscheid tussen parttime ondernemen en overige werkzaamheden van bescheiden omvang. De laatste categorie ziet op activiteiten buiten dienstverband met een omvang van minder dan 8 uur per week. In deze situatie gaat het veelal om niet structurele werkzaamheden en ligt een inschrijving als ondernemer bij de Kamer van Koophandel ook minder voor de hand. Voor deze werkzaamheden is geen voorafgaande toestemming vereist. Deze werkzaamheden maken ook geen deel uit van een actief re-integratietraject. De uitkeringsgerechtigde moet de inkomsten uit overige werkzaamheden uiteraard wel opgeven aan de gemeente en deze zullen overeenkomstig de bepalingen in de Participatiewet worden verrekend met de uitkering. Alleen de directe verwervingskosten mogen in mindering worden gebracht. Voor deze situatie is een apart artikel opgenomen in deze regeling, namelijk artikel 14 inzake “Verrekening van inkomsten bij overige werkzaamheden buiten dienstbetrekking op zeer bescheiden schaal”. Hoewel voor werkzaamheden buiten dienstverband en van bescheiden omvang geen verplichte toestemming nodig is, moeten deze wel aan de klantmanager worden gemeld als deze een terugkerend karakter hebben.

 

II Artikelsgewijs

 

Artikel 1 Definities en afkortingen

In dit artikel wordt een toelichting gegeven bij enkele in deze beleidsregels gebruikte begrippen en afkortingen. Behoeft geen verdere uitwerking.

 

Artikel 2 Doelgroep

Er zijn gemeenten waarin elke uitkeringsgerechtigde een parttime onderneming kan starten. Daar kiest Hilversum niet voor. Als uitgangspunt heeft te gelden dat de uitkeringsgerechtigde algemeen geaccepteerde arbeid moet aanvaarden. In beginsel gaat het om fulltime arbeid, zodat niet langer beroep hoeft te worden gedaan op bijstand. Dit uitgangspunt geldt ook voor een uitkeringsgerechtigde met een parttime onderneming. In de praktijk zal echter eerder naar een combinatie van parttime ondernemen en parttime dienstverband worden gezocht. Omdat het voeren van een parttime onderneming niet direct zal leiden tot uitstroom, zal altijd moeten worden afgewogen of parttime ondernemen wel het meest passende re-integratie- instrument is. Mede daarom wordt in het algemeen een wachttijd van 6 maanden in acht genomen. Uitzondering betreft de groep van uitkeringsgerechtigden voor wie geen verplichte arbeidsinschakeling geldt of uitkeringsgerechtigden die al voorafgaande aan de ingangsdatum van de bijstandsuitkering inkomsten uit onderneming genoten. In geval van schuldhulpverlening of bewindvoering zal een parttime onderneming veelal geen optie zijn. De uitkeringsgerechtigde zal immers vrijelijk over zijn gelden moeten kunnen beschikken.

 

Artikel 3 Verzoek, ondernemingsvoorstel en entreetoets

Anders dan bij de andere re-integratie instrumenten geldt voor parttime ondernemen dat dit instrument louter op verzoek van de bijstandsgerechtigde kan worden ingezet. Enerzijds moet het instrument laagdrempelig zijn. Anderzijds zijn er wel enige ondernemersvaardigheden benodigd om een traject succesvol te laten zijn. Van de aspirant ondernemer wordt daarom onder meer verwacht inzichtelijk te maken wat zijn activiteiten zijn, hoe hij zijn klanten gaat werven, wat de omzetverwachtingen zijn en welke kosten er gemaakt zullen worden.

De kleineondernemersregeling (KOR) is per 1 januari 2020 veranderd. Kleine ondernemers (omzet tot € 20.000,00 per kalenderjaar) kunnen kiezen voor een vrijstelling voor de omzetbelasting (BTW). Dit betekent dat er over de omzet geen omzetbelasting geheven hoeft te worden. Anderzijds geldt er ook geen aftrek van BTW over de gemaakte kosten voor de onderneming. De keuze zal mede afhangen van de vraag welke klanten de uitkeringsgerechtigde gaat bedienen. De uitkeringsgerechtigde maakt aan de gemeente in het ondernemingsvoorstel kenbaar of hij van de KOR gebruik maakt.

Anders dan bij de Bbz hoeft er geen uitgebreid ondernemersplan te worden opgeleverd, maar de uitkeringsgerechtigde moet wel goed over zijn onderneming hebben nagedacht. Dit zal veelal al een uitvloeisel zijn van het enthousiasme dat de uitkeringsgerechtigde heeft met betrekking tot het voeren van een eigen onderneming. Het gaat dus vooral om de intrinsieke motivatie. Daarnaast is van belang dat de uitkeringsgerechtigde over voldoende vaardigheden beschikt om aan zijn administratieve verplichtingen te kunnen voldoen. Om te kunnen beoordelen of de uitkeringsgerechtigde over voldoende basiskennis en –vaardigheden beschikt om een eigen onderneming te starten, kan de gemeente een entreetoets opleggen.

 

Artikel 4. Voorwaarden

Formele vestigingseisen moeten voorkomen dat onrechtmatig wordt gestart met gevaar, schade, hinder, overlast etc. voor de omgeving waar de onderneming is gevestigd. Formele vestigingseisen zijn controleerbaar, onder meer via inzage van vergunningen/verklaringen. Daarnaast moet de zelfstandige ook alle wettelijk vereiste inschrijvingen hebben. De voorwaarden voor vestiging zijn opgenomen in artikel 4 aanhef en onderdelen a t/m d. In onderdeel b is opgenomen dat er één aparte bankrekening is waarop alle inkomsten en uitgaven van de onderneming zien. Een aparte bankrekening voor de kosten en opbrengsten uit ondernemerschap vergemakkelijkt het zicht op de inkomende en uitgaande geldstromen van de onderneming. Het voorkomen van samenloop van privé en zakelijke kasstromen binnen één rekening vergroot het inzicht in de mate waarin de uitkeringsgerechtigde de lopende betalingsverplichtingen kan voldoen.

De voorwaarden als vermeld onder artikel 4 aanhef en de onderdelen e t/m k zien met name op het ondernemen zelf. De voorwaarden spreken voor zich. Onderdelen f en g hebben betrekking op de urennorm (zie artikel 7). Onderdeel h dient ter voorkoming van oneerlijke concurrentie. Het is niet de bedoeling dat uitkeringsgerechtigden in een gunstiger positie komen dan ondernemers zonder uitkering, omdat zij zich verzekerd weten van een minimum inkomen. Daarom dienen er tarieven te worden gehanteerd die gangbaar zijn in het handelsverkeer. Bureau zelfstandigen heeft hierin een adviserende rol. De onderdelen i en j hebben betrekking op langlopende en veelal kostbare verplichtingen. Mede gezien de beperkte duur van de toestemming, zie artikel 7, zijn deze niet toegestaan.

 

Artikel 5 Toestemming

De uitkeringsgerechtigde moet vooraf toestemming vragen om met behoud van uitkering als parttime ondernemer aan de slag te gaan. De verlening of onthouding van de toestemming geldt als een besluit in de zin van de Awb waartegen de uitkeringsgerechtigde (= belanghebbende) bezwaar en beroep kan aantekenen.

Gedurende de periode waarvoor toestemming wordt verleend is sprake van frequent contact tussen de uitkeringsgerechtigde en de klantmanager. Er zullen tussentijdse evaluaties plaatsvinden over de voortgang van de onderneming en de mogelijkheden voor arbeid in loondienst.

De toestemming voor parttime ondernemen kan tussentijds ingetrokken worden (artikel 5 lid 3). De algemene beginselen van behoorlijk bestuur zijn van toepassing. Zo wordt de uitkeringsgerechtigde normaliter eerst in de gelegenheid gesteld om aan zijn verplichtingen te voldoen, alvorens de instemming in te trekken. De beslissing om de toestemming in te trekken is eveneens een voor bezwaar en beroep vatbaar besluit.

 

Het ligt voor de hand om de toestemming in te trekken wanneer de uitkeringsgerechtigde niet langer ondernemer is conform deze regeling of in geval hij zich niet houdt aan de verplichtingen die verbonden zijn aan parttime ondernemen. Echter ook in geval de financiële positie van de uitkeringsgerechtigde daar om vraagt kan de toestemming worden ingetrokken. In eerste instantie kan worden gedacht aan de situatie van schuldhulpverlening of bewindvoering, maar zover hoeft het nog niet te zijn gekomen. Aan het ondernemerschap zijn zekere risico’s verbonden, maar deze mogen niet zodanig zijn dat de uitkeringsgerechtigde in zijn bestaansvoorziening wordt bedreigd. In de regel dienen de resultaten uit de onderneming positief te zijn. Mede daarom gelden er ook restricties voor het opvoeren van kosten. Grotere investeringen zijn in beginsel al bij aanvang van de onderneming in beeld gebracht. Eventuele verliezen zijn voor eigen risico. Deze worden niet gecompenseerd.

 

Artikel 6 mandaat

Dit artikel sluit aan bij het bevoegdhedenregister, nummers 287 en 304, behorende bij het Mandaatbesluit 2018 van de gemeente Hilversum. De teammanagers sociaal plein nemen namelijk al besluiten op aanvragen voor uitkeringen en voorzieningen krachtens de Participatiewet, waaronder de voorzieningen van hoofdstuk 2 van de Verzamelverordening inkomensvoorzieningen Hilversum 2016.

 

Artikel 7. Omvang en duur parttime onderneming

Aan het voeren van een parttime onderneming zijn behoorlijk wat (formele) voorwaarden verbonden waaraan de uitkeringsgerechtigde moet voldoen. Tevens wordt met het instrument parttime ondernemen beoogd om de uitkeringsgerechtigde minder afhankelijk te maken van een uitkering. Dit brengt met zich mee dat werkzaamheden een zekere omvang moeten hebben en daarnaast structureel van aard dienen te zijn. Vandaar de ondergrens van 8 uur per week. De bovengrens van 20 uur is afgeleid van het urencriterium van de Bbz. Voor ondernemen krachtens de Bbz gelden andere voorwaarden. Er dient een duidelijk onderscheid te worden gemaakt tussen parttime ondernemen en ondernemen op grond van de Bbz. Er wordt uitgegaan van een gemiddelde per kwartaal. Het kan voorkomen dat de uitkeringsgerechtigde in een week meer dan 20 uur per werkt als ondernemer. Dit is toegestaan, zolang het aantal uur in een kwartaal niet hoger is dan 260 (13 x 20). Deze norm wordt strikt nageleefd.

In geval van ondernemen is sprake van directe en indirecte uren. Directe uren zijn de voor de onderneming gewerkte uren, waarin daadwerkelijk geld wordt verdiend. De indirecte uren zijn de uren besteed aan administratie, werven van een opdracht, studie, reistijd etc. Voor parttime ondernemers met een uitkering tellen zowel de directe als de indirecte uren mee voor de normering (dus gemiddeld maximaal 20 uur per week, maximaal 260 uur per kwartaal). Beide soorten uren moeten daarom worden geregistreerd in de urenverantwoording.

Het urencriterium geldt zowel voor de alleenstaande als de gehuwden samen. Er kan dus niet meer dan gemiddeld 20 uur per week aan de onderneming besteed worden. Voor zover mogelijk moet de uitkeringsgerechtigde daarom met een rooster werken. Dit zorgt ervoor dat een eventueel in te zetten traject richting arbeidsinschakeling geen belemmeringen ondervindt van het parttime ondernemerschap.

De toestemming voor het voeren van een parttime onderneming is beperkt qua duur. Verlenging van de toestemming is mogelijk naar de gelang de arbeidsmogelijkheden en persoonlijke omstandigheden van de uitkeringsgerechtigde. Als uitgangspunt heeft wel te gelden dat de uitkeringsgerechtigde met zijn/haar onderneming minimaal een inkomen verdient dat naar rato van het aantal uren gelijk is aan zijn/haar uitkering. Stel dat een uitkeringsgerechtigde gemiddeld 16 uur per week werkt als ondernemer: dan wordt hij/zij verondersteld ten minste 40 % van de uitkering terug te verdienen (16 uur parttime versus 40 uur fulltime). In geval de toestemming niet wordt verlengd dan wel tussentijds wordt ingetrokken, dient de uitkeringsgerechtigde zijn/haar onderneming ook te staken en zich uit te schrijven bij de Kamer van Koophandel.

 

Artikel 8 Kosten

Het instrument van parttime ondernemen mag niet oneigenlijk worden gebruikt. Dit betekent dat kosten niet zonder meer ten laste kunnen komen van het resultaat en daarmee dus ook van de uitkering. De kosten moeten noodzakelijk zijn, ze moeten in verhouding staan tot het resultaat, alsmede directe binding hebben met de verrichte werkzaamheden voor de onderneming. Met betrekking tot de laatste voorwaarde gelden als uitzondering de aanloopkosten, de boekhoudkosten en de kosten van verzekering, zoals vermeld in artikel 8 lid 2. Om eerder genoemde reden is er tevens een maximum aan kosten gesteld van 50% van de omzet, met uitzondering dan van de indirecte kosten als vermeld in artikel 8 lid 2, al zijn ook hier grenzen aan gesteld. Dit maximum heeft tevens als doel dat de uitkeringsgerechtigde geen onevenredige risico’s loopt met zijn onderneming. Zoals eerder aangegeven worden verliezen niet gecompenseerd.

In geval van kleinschalige investeringen (tot € 450,00) geldt dat deze over meerdere maanden in het jaar van aanschaf mogen worden uitgesmeerd, voor zover de uitgaven in een maand meer bedragen dan 50% van de omzet EN slechts in het geval hiervoor uitdrukkelijke toestemming is gegeven door de gemeente. Artikel 8 kent nog specifieke bepalingen voor reiskosten en telefoonkosten (lid 3 en lid 4). Ook in die gevallen blijft het maximum van 50% van de omzet onverkort van toepassing. In artikel 8 lid 5 worden kosten vermeld die in ieder geval niet ten laste gebracht kunnen worden van het netto resultaat. Het gaat hier niet om een limitatieve opsomming. Het gaat om voorbeelden van kosten waarvan in ieder geval wordt aangenomen dat deze niet noodzakelijk zijn, geen direct verband houden met werkzaamheden als parttime ondernemer, dan wel als algemeen gebruikelijk kunnen worden beschouwd.

Artikel 8 lid 6 ziet op voorraden. Deze kunnen pas als kosten worden opgevoerd wanneer ze ook feitelijk worden gebruikt/verkocht. Dit vanuit de gedachte dat investeringen en inkoop gelijk op moeten lopen met de feitelijke werkzaamheden en de omzet. Het is niet de bedoeling dat grote voorraden worden aangelegd ten laste van de bijstand. Overigens is het maximum aan kosten van

50 % van de omzet, zoals bepaald in artikel 8 lid 2, onverkort van toepassing.

 

Artikel 9 Boekhouding

 

Uitgangspunt is dat uitkeringsgerechtigde een goede en overzichtelijke administratie voert (boekhouding). Deze moet voldoen aan de eisen die de belastingdienst hieraan stelt. Naast een aangifte en (voorlopige) aanslag omzet- en inkomstenbelasting, dient de uitkeringsgerechtigde in ieder geval een overzicht van de inkomende en uitgaande facturen te kunnen overleggen, alsmede een volledige weergave van de bankafschriften. Het ontbreken van een deugdelijke boekhouding kan leiden tot een intrekking van de instemming, terugvordering van de uitkering en het opleggen van een bestuurlijke boete of maatregel. Wanneer de (volledige) administratie niet tijdig overgelegd kan worden, meldt de uitkeringsgerechtigde dit aan zijn klantmanager. Naast de bespreking van de oorzaak van de vertraging worden nadere afspraken gemaakt over het inleveren van de administratie. De definitieve vaststelling van de uitkering in het betreffende kalenderjaar wordt hierop aangepast.

 

Artikel 10 Inkomen

In dit artikel wordt de definitie van het belastbaar inkomen geregeld. Het belastbaar inkomen is de omzet minus de inkoop- en bedrijfskosten. In artikel 8 van deze regeling is aangegeven welke (bedrijfs)kosten op de omzet in mindering gebracht mogen worden.

 

 

Artikel 11 (Tussentijdse) verrekening inkomsten uit onderneming

De inkomsten uit onderneming worden maandelijks achteraf verrekend op basis van de opgave van de uitkeringsgerechtigde. Er geldt min of meer dezelfde systematiek als bij inkomsten uit dienstbetrekking. De bruto inkomsten als resultaat uit onderneming (omzet minus kosten) worden volledig in mindering gebracht op de uitkering voor zover de vrijlatingsbepalingen niet van toepassing zijn. Mocht er sprake zijn van een voorlopige aanslag inkomstenbelasting van de belastingdienst, dan wordt de uitkeringsgerechtigde verzocht contact op te nemen met zijn inkomensconsulent. Bij de verrekening van inkomsten wordt in beginsel rekening gehouden met de maandelijkse betalingstermijnen van de voorlopige aanslag inkomstenbelasting over het betreffende kalenderjaar.

Om de verrekening te doen vergemakkelijken en ten behoeve van de eenduidigheid in de werkprocessen maakt de uitkeringsgerechtigde verplicht gebruik van een door de gemeente beschikbaar gesteld middel voor opgave van inkomsten, zoals een digitaal formulier of bestand.

Indien daarvoor aanleiding is kunnen partijen afspreken om maandelijks een vast bedrag te verrekenen. Dit ter voorkoming van grote fluctuaties in het betalingsverkeer tussen de gemeente en de uitkeringsgerechtigde.

 

Artikel 12 Definitieve vaststelling inkomsten uit onderneming en recht op uitkering

Op grond van artikel 45, tweede lid Participatiewet, kan zowel de vaststelling als de betaling van de bijstand over een langere periode dan de betreffende kalendermaand worden uitgesmeerd (zogenoemde middeling van inkomsten). Deze beleidsregels benutten deze wettelijke mogelijkheid om het inkomen uit parttime ondernemen jaarlijks vast te stellen. Op deze manier ontstaat ook ruimte voor zelfstandige activiteiten op bescheiden schaal die gedurende een korte periode een relatief hoog inkomen opleveren.

De inkomstenverrekening zoals genoemd in artikel 11 betreft een voorlopige verrekening. Aan de hand van de jaarcijfers, een kopie van de belastingaangifte en de (voorlopige) aanslag inkomstenbelasting wordt het inkomen definitief vastgesteld en daarmee ook het definitieve recht op bijstand. Er volgt eventueel terugvordering of nabetaling afhankelijk van het definitieve inkomen en de inkomsten die reeds zin verrekend. Is er geen sprake van winst maar van verlies, dan volgt geen nabetaling tot een inkomen op bijstandsniveau. Een verlies komt voor rekening en risico van de parttime ondernemer

 

Artikel 13 Werkplan

Het toestemmingsbesluit van artikel 5 en het werkplan van artikel 13 vormen tezamen de kaders op basis waarvan de uitkeringsgerechtigde zijn parttime onderneming voert. Voor het werkplan wordt gebruik gemaakt van het format van de gemeente.

 

Artikel 14 Verrekening van inkomsten bij overige werkzaamheden buiten dienstbetrekking op zeer bescheiden schaal

Zoals in de inleiding aangegeven maakt de gemeente onderscheid tussen parttime ondernemen en inkomsten uit overige werkzaamheden. Volgens vaste jurisprudentie behoeft de gemeente geen rekening te houden met verwervingskosten. Het college wil echter de uitstroom/zelfredzaamheid bevorderen. Dan past het niet om geen rekening te houden met kosten die rechtstreeks voortvloeien uit de verrichte werkzaamheden. Artikel 14 is voor die situatie geschreven.

Lid 2

Onder arbeid van structurele aard wordt verstaan: ‘een aaneengesloten periode van 3 maanden, waarin de uitkeringsgerechtigde wekelijks werkt.’

 

Artikel 15 inkomensvrijlating en premies

Heb beleid van de gemeente Hilversum is gericht op eigen verantwoordelijkheid van de uitkeringsgerechtigde en de bevordering van de zelfredzaamheid. Om de uitkeringsgerechtigde te ondersteunen en initiatieven te bevorderen dienen eventuele drempels te worden weggenomen. Voor de toepassing van de vrijstellingsregels en de premies wordt daarom geen onderscheid gemaakt naar de (rechtmatige) bron van de inkomsten.

 

 

Artikel 16 Hardheidsclausule

Dit artikel behoeft geen nadere toelichting.

 

Artikel 17 Inwerkingtreding en duur regeling

Dit artikel behoeft geen nadere toelichting.

 

Artikel 18 Citeertitel

Dit artikel behoeft geen nadere toelichting.