Artikel 3. Welstandscriteria
Criteria:
De architectonische kenmerken van de bebouwing in de directe omgeving van de locatie biedt geen eenduidig beeld waaraan architectonische elementen kunnen worden ontleend om aanwezige ruimtelijke kwaliteit te versterken. De diversiteit en functie van die bebouwing is simpelweg te divers.
Wel kan gesteld worden dat de voornamelijk uit woningen bestaande wijdere omgeving traditioneel van aard is. Voornamelijk met pannen bedekte zadeldaken en bakstenen gevels.
Met dit in gedachten is voor het gebied gekozen om individuele bewoners de optimale vrijheid te geven in het verwezenlijken van hun woonwensen. Slechts enkele basale eisen op het gebied van kleur en materiaalgebruik zijn voldoende om te voorkomen dat de aanwezige ruimtelijke kwaliteit niet wordt aangetast. Daarnaast zijn er enkele criteria geformuleerd die waarborgen dat bijgebouw en aan-, uit- en opbouwen aansluiten bij de architectuur van het hoofdgebouw. Daarnaast is voorgeschreven dat (toekomstige) wijzigingen van de woning moeten aansluiten bij de architectuur van de woning zelf.
In figuur 1 is het gebied weergegeven waarvoor de hier beschreven gebiedscriteria van toepassing zijn.
Hoofdaspecten
• Het materiaal voor de gevels van hoofdgebouw moet bestaan uit baksteen.
• Baksteen moet rood van kleur zijn tenzij de gevel met witte silicaatverf wordt behandeld.
• De verplichte dakvorm is een zadeldak.
• Het dak moet bedekt zijn met pannen in een rode of antracietkleur.
• Bijgebouwen moeten, waar functioneel mogelijk, aansluiten bij de architectuur van het
hoofdgebouw.
• Aan- uit- en opbouwen moeten op het niveau van de hoofdaspecten, wanneer functioneel mogelijk,
dezelfde architectonische kenmerken als de hoofdbouwmassa hebben.
• Wijzigingen van een gebouw moeten aansluiten bij de bestaande architectuur van dat gebouw.
Deelaspecten
• Bijgebouwen moeten, waar functioneel mogelijk, aansluiten bij de architectuur van het
hoofdgebouw.
• Aan- uit- en opbouwen moeten op het niveau van de deelaspecten, wanneer functioneel mogelijk,
dezelfde architectonische kenmerken als de hoofdbouwmassa hebben.
• Wijzigingen van een gebouw, op deelaspect niveau, moeten aansluiten bij de bestaande architectuur
van dat gebouw.
Detailaspecten
• Bijgebouwen moeten, waar functioneel mogelijk, aansluiten bij de architectuur van het
hoofdgebouw.
• Aan- uit- en opbouwen moeten op het niveau van de detailaspecten, wanneer functioneel mogelijk,
dezelfde architectonische kenmerken als de hoofdbouwmassa hebben.
• Wijzigingen van een gebouw op detailniveau moeten aansluiten bij de bestaande architectuur van
dat gebouw.