Beleidsnotitie zonneparken en kleine windmolens Gemeente Westerwolde

1. Beleidsnotitie zonneparken en kleine windmolens

Energie in het landschap

De beleidsnotitie zonneparken en kleine windmolens is een aanvullende uitwerking op visiedocument ‘Westerwolde samen verduurzamen’ en geeft een uitwerking aan energie in het landschap in Westerwolde voor de komende vijf jaar (2019-2024). Het betrekken van inwoners bij de beleidskeuzes is een belangrijk onderdeel in het proces geweest. Er zijn drie inloopavonden georganiseerd waarin de mening van de bewoners is gepolst ten aanzien van het opwekken van onder andere duurzame energie. In september is een thematische verdiepingsavond georganiseerd over wind- en zonneenergie. In de raadsvergadering van 20 maart 2019 is deze notitie vastgesteld met toevoeging van een amendement (Groenlinks zie pagina 14) en een amendement (CDA, VVD en Groenlinks zie pagina 18).

 

Context en positiebepaling

Energieneutraal Westerwolde

Westerwolde spreekt zich in haar duurzaamheidsvisie uit om volledig energieneutraal te willen zijn in 2035. Dit is 15 jaar eerder dan de provincie Groningen zichzelf ten doel stelt. Deze keuze maakt Westerwolde omdat ze voldoende ruimte heeft om de opgave zelf te realiseren en bovendien blijkt dat de markt interesse toont om duurzame energie mogelijk te maken in het gebied.

 

In 2017 is het beleidskader zonneparken Vlagtwedde vastgesteld. Er is een zonnepark van 100 ha vergund. Inmiddels hebben zich al meer geïnteresseerde partijen voor de ontwikkeling van zonneparken gemeld. De markt is momenteel erg in beweging.

 

Om energieneutraal te zijn moet er een bepaalde hoeveelheid duurzame energie worden opgewekt. Om een gevoel te krijgen bij de opgave die de energietransitie en de ruimtelijke impact van duurzame energie met zich meebrengt drukken we deze uit in cijfers. De cijfers zijn alleen een indicatie van de grootte.

 

De gemeente wil dus in 2035 energieneutraal zijn. Hiermee hebben we nog ruim 15 jaar te gaan. De ontwikkeling van duurzame energie gaat snel en technieken veranderen. Welke techniek over vijf of tien jaar het meeste rendement oplevert is onbekend, maar zon en wind zijn de komende tijd nog de belangrijkste hernieuwbare energiebronnen. De beleidsnotitie kijkt daarom naar de komende vijf jaar en geeft een afwegingskader voor initiatieven op het gebied van zonneparken en kleine windmolens.

Uitkomsten informatieavonden

Tijdens de informatieavonden over duurzaamheid is aan de bewoners gevraagd het energiespel te spelen. Het doel is om de opgave van Westerwolde (gesteld op ongeveer 1800 Terra Joule (TJ)) een plek te geven in het landschap. Zonneparken worden verspreid over de gemeente, maar opvallend is dat vaker wordt gekozen voor grootschalige wind en zon te combineren langs de Nederlands-Duitse grens in het landschap van de Industriële Veenkoloniën. In deze beleidsnotitie wordt verder geen aandacht besteed aan grootschalige wind.

 

Het vergroten van het draagvlak voor duurzame energie kan door het inzetten op lokale betrokkenheid. Met een (deel)gebied de ontwikkelingsmogelijkheden verkennen, kan hierin een volgende stap zijn.

Afwegingskader voor initiatieven

De beleidsnotitie is een afwegingskader, een beleidslijn die aangeeft hoe zal worden omgegaan met de geïnteresseerde partijen. De afweging wordt als eerste gemaakt op basis van het landschap van de locatie en het gezamenlijke advies van gemeente, provincie en netbeheerder over de locatie. Ten tweede moet het proces van planvorming worden doorlopen volgens de maatwerkmethode. De uitgangspunten voor de planvorming en het proces staan in dit beleid beschreven.

Doelstelling duurzame energie gaat uit van huidig verbruik

De cijfers zijn gebaseerd op een opgave voor de gemeente Westerwolde, uitgaand van het huidige energieverbruik van ongeveer 4200 TJ (warmte en elektriciteit).De opgave is gebaseerd op alle energie die wordt verbruikt in Westerwolde. We weten niet hoeveel hernieuwbare energie (= hetzelfde als duurzame energie) in 2035 nodig zal zijn, daarom rekenen we met aannames. Dit doen we niet om een exacte opgave te bepalen, maar om een beeld te krijgen van de gevolgen en de impact van de energietransitie.

 

Het is niet nodig dat in 2035 de gehele opgave van 4200 TJ aan duurzame energie in het landschap binnen Westerwolde wordt opgewekt. We gaan ervan uit dat in de toekomst de bedrijven zelf via hernieuwbare energie in hun energiebehoefte voorzien, aangevuld door de capaciteit van windmolens op zee. Voor de overige energiebehoefte gaan we uit van een besparing van 19%, door bijvoorbeeld isolatie, zuiniger apparatuur en efficiëntere werkprocessen. We gaan 10% decentraal opwekken. Denk hierbij aan zonnepanelen op woningen en schuren en aan kleine windmolens van maximaal 15 meter. Dan blijft er ongeveer 1800 TJ over die opgewekt kan worden met hernieuwbare energie in het landschap: dit zijn nu eerst zonneparken , maar door innovatie en nieuwe inzichten kan dit op termijn heel anders zijn. Denk bijvoorbeeld aan grote windmolens, geothermie of riothermie. Daarnaast kan door innovatie op energiedragers het speelveld ook veranderen. Denk bijvoorbeeld aan waterstof of batterijen.

 

Om een beeld te geven hoe groot de opgave van 1800 TJ is, geven we een rekenvoorbeeld. Alles oplossen met zon op grond betekent 600 ha zonneparken. Dit betekent niet dat we nu 1800 TJ moeten opwekken met zon, maar dat we een begin met deze opgave moeten maken.

 

Daarbij maken we de eerste kanttekening dat binnen de opgave van de 1800 TJ ook het warmte- en transportvraagstuk zit. We hebben nu nog niet de technische middelen om de elektriciteit volledig te gebruiken voor warmte en transport.

Figuur 1

 

Daarbij maken we een tweede kanttekening dat bij het energieneutraal maken van de eigen regio het van groot belang is dat vraag en aanbod van energie bij elkaar gebracht worden. Met alleen zonneenergie wordt vooral elektriciteit opgewekt in de zomer en op het midden van de dag. Als warmte (deels) wordt omgezet naar elektriciteit dan is de vraag hiernaar ’s winters en in de avond het grootst. Vraag en aanbod komen bij een combinatie van zon en wind en opslag met batterijen al dichter bij elkaar.

 

Het klimaatakkoord is momenteel nog niet vastgesteld. Wel hebben de VNG, IPO en de Unie van Waterschappen besloten dat er een Regionale Energie Strategie (RES) moet komen. Dit maakt als derde kanttekening dat het rekenvoorbeeld uitgaat van een energieneutraal Westerwolde (huidig gebruik 4200 TJ), maar de opgave zal worden bekeken in een grotere regio, het gebied van RES Groningen. Daaruit kan blijken dat het opgave gebied groter is dan alleen Westerwolde. Jaarlijks zal dit beleid worden geëvalueerd en als nodig worden aangepast, tenzij hier eerder aanleiding voor is.

Bronnen duurzame energie

Bronnen van duurzame energie, die zowel technisch als financieel haalbaar zijn, zijn naast wind- en zonne-energie, lokale biomassa en aardwarmte. Lokale biomassa wordt veel toegepast om warmte te winnen. Energie uit biomassa levert momenteel de grootste bijdrage aan hernieuwbare energieproductie in Westerwolde. Dit bestaat grotendeels uit het verbranden van hout voor het verwarmen van woningen en grootschalige vergistingsinstallaties. Een kanttekening bij het opwekken van energie uit biomassa is de onzekerheid over de werkelijke emissiereductie. Het klimaatakkoord in wording geeft aan dat hierdoor het draagvlak beperkt is en dat dit nog nader uitgewerkt zal worden. Aardwarmte is in ontwikkeling, warmtepompen bij woningen zijn in opkomst, maar het grootschalige geothermie-project in Groningen leidt nog niet tot het gehoopte resultaat. Bij het opwekken van aardwarmte geldt dat de kosten nog hoger zijn dan de opbrengsten. Zonne-energie is ook mogelijk als warmtebron. Thermische zonnewarmte PV(T) is in opkomst. Hiervoor zijn naast zonnepanelen een warmtenet en warmteopslag nodig. Het is gewenst de zonnewarmte zo dicht mogelijk bij de bebouwde omgeving op te wekken want hoe verder van de bebouwing (dus hoe meer transport er nodig is) hoe meer warmte er verloren gaat.

 

Deze beleidsnotitie gaat in op de ontwikkeling van de duurzame bronnen zon en kleinschalige wind, die direct invloed hebben op het landschap. Indien gewenst kunnen andere vormen van duurzame energie in een latere fase worden uitgewerkt.

Het elektriciteitsnetwerk

De energietransitie is meer dan het opwekken van een vermogen aan duurzame energie. Het gaat om het zoeken naar een nieuw evenwicht tussen vraag en aanbod. Waar en wanneer is de stroom nodig en wat vraagt dit van het elektriciteitsnetwerk? Waar is ruimte om energie op te wekken en is er een mogelijkheid voor een netaansluiting en waar kan de energie direct worden verbruikt?

 

Momenteel is er niet of nauwelijks capaciteit voor nieuwe aansluitingen van grootschalige zonneparken in Westerwolde. Enexis en TenneT werken actief aan uitbreiding van het net. De planningstermijn voor een eventueel hoogspanningsstation duurt 6 tot 10 jaar. Pas na uitbreiding kunnen zonneparken in een deel van Westerwolde weer worden aangesloten. De voorbereiding hiervan kan eerder worden gestart en gelijktijdig lopen met de ontwikkeling en vergunningperiode van het station. Dit betekent concreet dat grote zonneparken tot 2025 niet aangesloten kunnen worden en middelgrote niet in het grootste deel van de gemeente (alleen in het noordelijk deel zijn nog een paar stations waar ruimte beschikbaar is). De aansluiting van de parken is daardoor alleen mogelijk na deze periode. Voor zon op dak tot 1,7 MW (ongeveer 1,8 ha) is nog wel (beperkt) ruimte. De gemeente gaat er wel vanuit dat de problemen omtrent de mogelijkheid tot netinpassing zullen worden opgelost.

 

Wij richten ons daarom nu eerst op de visievorming. Hierin is omschreven welke delen van de gemeente kansrijk zijn en in welke delen de parken niet zijn gewenst. Verder zijn de voorbereiding en verlening van omgevingsvergunningen van haalbare initiatieven beschreven. Het verkrijgen van een zo groot mogelijk draagvlak vormt een essentieel onderdeel van het proces. De gemeente Westerwolde blijft in gesprek met de netbeheerder over de mogelijke scenario’s en wensen ten aanzien van de realisatie van duurzame energie en de locaties voor nieuwe transformatorstations.

 

Leeswijzer

Hoofdstuk 2 is de beleidslijn voor zonne-energie in het landschap; wat zijn de regels vanuit het rijk en de provincie, wat zijn de kansrijke gebieden en wat voor randvoorwaarden stelt Westerwolde voor ontwikkeling. De lijn voor kleine windmolens staat in hoofdstuk 3.

2. Zon in het landschap

Zon op dak en zon op grond

Ook in onze gemeente zijn vele initiatieven voor de plaatsing zonnepanelen op daken . Dit gebeurt voornamelijk op particuliere daken. We staan achter de ontwikkeling om zoveel mogelijk zonneenergie op daken te realiseren, maar zelfs al zouden alle daken in de gemeente worden voorzien van zonnepanelen, dan beslaat dit slechts 10% van de totale opgave om energieneutraal te worden. Ook is de rol van de overheid hierin beperkt. Daarom willen we ruimte bieden aan zonneparken op de grond. De realisatie van een zonnepark levert in één keer een groter vermogen op dan dat dezelfde hoeveelheid aan panelen gelegd zou worden op daken, omdat er bij kleinere hoeveelheden panelen meer verlies optreedt dan bij een grote hoeveelheid panelen. De energiewinning middels grotere zonneparken kan in een korte periode een substantieel aandeel leveren in de opgave om energieneutraal te worden. In aansluiting op het provinciaal beleid willen we ook ruimte bieden aan energieopwekking bij de dorpen.

Grootte van zonneparken

Door de variatie in omvang van een zonnepark houden we de volgende indeling aan: kleinschalige parken (1 à 2 ha ), middelgrote parken (tussen 2 en 10 ha ) en grootschalige parken (groter dan 10 ha).

 

Regelgeving

Provinciaal

In de Omgevingsverordening Groningen is bepaald dat zonneparken zijn toegestaan binnen bestaand stedelijk gebied, grenzend aan bestaand stedelijk gebied, grenzend aan een bouwvlak in het buitengebied, of op een voormalig slibdepot, gaswinlocatie of stortplaats. Voor ‘losliggende’ parken in het buitengebied geldt een nee-tenzij regime, om het buitengebied te vrijwaren van ongebreidelde groei van zonneparken. GS kunnen als uitzondering locaties aanwijzen, indien deze locaties aan de volgende voorwaarden voldoen:

  • -

    De locatie is opgenomen in de integrale gemeentelijke gebiedsvisie;

  • -

    De maatwerkmethode om tot een goed ontwerp en landschappelijke inpassing te komen heeft

  • -

    plaatsgevonden onder begeleiding van provincie en gemeente. Er worden eisen gesteld aan het ontwerp;

  • -

    De gemeente treedt in overleg met ondernemers waarbij wordt gestreefd naar afspraken over

  • -

    een gezamenlijke aanpak waarbij lokale initiatieven en bewoners worden betrokken bij financiële exploitatie en organisatie van een zonnepark.

  • -

    Er wordt een vergunning verleend voor een zonnepark voor een periode van maximaal 30 jaar.

Zonneparken zijn niet toegestaan binnen de NNN-natuurgebieden, NNN-beheer aanpassingsgebied, het zoekgebied robuuste verbindingszone en bos en natuurgebieden buiten het Natuurnetwerk Nederland.

Gemeentelijk

Er is geen gemeentelijke regelgeving voor zonneparken in Westerwolde. De voorliggende beleidslijn zal hiervoor de basis zijn. Wel is er beleid vanuit de voormalige gemeente Vlagtwedde maar deze mocht alleen gebruikt worden voor één pilotproject.

 

Kansrijke gebieden

Er worden kansrijke gebieden aangewezen voor zonneparken. Dit zijn grote gebieden, waar op basis van landschappelijke kenmerken zonneparken passend kunnen zijn. Dit betekent niet dat binnen deze gebieden zonneparken worden toegestaan, maar als eerste voorwaarde voor het verkrijgen van een omgevingsvergunning geldt dat een zonnepark moet liggen binnen één van de kansrijke gebieden. De grenzen tussen landschapstypes liggen vast, alleen voor initiatieven op/direct aansluitend aan een grens zal per geval worden beoordeeld of er mogelijkheden zijn.

Passend binnen de maat en schaal van het landschap

De landschappen in Westerwolde zijn verschillend van schaal en identiteit. Het beekdal van de Ruiten Aa en Westerwoldse Aa behoort tot het Nationaal Natuurnetwerk Nederland. De hoge waardering van dit landschap, uit oogpunt van natuur, maar ook vanuit cultuurhistorisch en recreatief perspectief vertaalt zich naar het beleidsstandpunt dat zonneparken hier niet zijn toegestaan.

 

De kleinschalige zandlandschappen en de open beekdalen buiten het NNN worden gekenmerkt door een fijnmazig landschap, boomsingels en houtwallen en een kleinschalige kavelstructuur, met een zekere recreatieve aantrekkelijkheid. Grootschalige zonneparken (groter dan 10 ha) zijn hier niet passend. Kleine en middelgrote zonneparken worden hier niet op voorhand uitgesloten. In de buurt van het NNN past een zekere terughoudendheid. Grootschalige zonneparken passen uitsluitend in de grootschalige open landschappen, gekenmerkt door de grote open ruimten zoals de Open Dollardpolders, Oude Groningse Veenkoloniën, Industriële Veenkoloniën, Grootschalig Zandlandschap, Randveenontginningen en Drentse Monden. De landschappelijke indeling is gebaseerd op de indeling in gebieden in het Landschapsontwikkelingsplan Veenkoloniën, Kwaliteitsgids Groningen en de Provinciale Omgevingsverordening (POV).

Figuur 2 Landschappen Westerwolde

Figuur 3 Kansrijke gebieden zonneparken

 

Uitgangspunten voor de planvorming

Indien een initiatief qua locatie en grootte valt binnen de kansrijke gebieden dan moet bij de verdere planvorming aan de volgende uitgangspunten worden voldaan.

- Afstemming met gemeente, provincie en netbeheerder over de locatie en omvang van hetinitiatief

Bij locaties groter dan 1 ha en losliggend in het buitengebied is een provinciaal aanwijsbesluit nodig. Bij binnenkomst van een initiatief wordt in deze gevallen overleg met de provincie gevoerd over de locatie en het initiatief. Ook wordt de netbeheerder bij de locatiekeuze betrokken. De mogelijkheid van een aansluiting moet onderschreven worden door de netbeheerder. Wel is de initiatiefnemers vrij om de opgewekte stroom niet te transporteren, maar op een andere wijze te gebruiken waarmee voldoende inkomsten gegenereerd kunnen worden. Hierbij wordt bijvoorbeeld gedacht aan het produceren van waterstof. Indien er geen ruimte is op het net kan alleen medewerking worden verleend aan de realisatie van een zonnepark wanneer het een plan betreft die niet afhankelijk is van aansluiting op het net omdat er bijvoorbeeld gebruik wordt gemaakt van opslag. Wanneer de initiatiefnemer kan onderbouwen dat dit op korte termijn (binnen drie jaar) gerealiseerd kan worden zou hiermee aan de randvoorwaarde van de economische haalbaarheid voldaan kunnen worden.

- Toepassen van de maatwerkmethode

De maatwerkmethode1 is het organiseren van een proces waaraan de omgeving, de ontwikkelende partij, de netbeheerder en overheid deelnemen. De uitvoering richt zich naast de landschappelijke inpassing op de omgeving voor het verkrijgen van maatschappelijk draagvlak en maken van afspraken voor financiële participatie.

 

Maatschappelijk draagvlak draagt bij aan de kansrijkheid van het ontwikkelen van duurzame energie. Zowel omgevingsparticipatie als financiële participatie zijn dan een voorwaarde. Denk hierbij aan het overleg met de omgeving waarin de wensen van de omgeving ten behoeve van de inrichting van het park worden geborgd en financiële participatie: waarin de mogelijkheden voor mee investeren en mee profiteren een onderdeel zijn.

 

Het doel van het inrichtingsplan is om tot een optimaal functionerend en goed in het landschap passend zonnepark te komen waarvoor een breed maatschappelijk draagvlak bestaat. Het is nodig hier specialisten/experts op het gebied van landschapsarchitectuur, duurzame ontwikkeling en procesbegeleiding bij te betrekken.

 

Draagvlak kan ontstaan door het inbrengen van deskundigheid, financiële deelname door medeeigenaarschap of het oprichten van een gebieds- of duurzaamheidsfonds.

 

Er wordt overleg met de omgeving georganiseerd waarin de wensen van de omgeving ten behoeve van de inrichting van het park, de opties voor financiële participatie en de wijze van delen van de opbrengsten worden besproken.

 

Voor zonneparken in het landelijk gebied en in/nabij stedelijk gebied groter dan 1 ha wordt de maatwerkmethode ingezet. De gemeente voert de regie en de provincie Groningen en de netbeheerder zijn hierbij ook betrokken. Voor locaties in- en aangrenzend aan het stedelijk gebied (tot 1 ha) is de provincie niet bij de maatwerkmethode betrokken.

 

De uitkomst van de maatwerkbenadering kan ook zijn dat het initiatief niet past op de voorgestelde locatie en in de voorgestelde vorm.

- Inrichtingsplan

Voor het initiatief wordt een inrichtingsplan opgesteld, met daarin de omvang, de situering en inrichting van een zonnepark. Hierin moeten de volgende aspecten worden opgenomen en toegelicht:

  • a.

    de historisch gegroeide landschapsstructuur en de aanleiding vanuit het landschap voor deze locatie;

  • b.

    de afstand tot andere ruimtelijke elementen;

  • c.

    een evenwichtige ordening en in de omgeving passende maatvoering en vormgeving van de voorzieningen voor de opwekking van zonne-energiebebouwing en opslag- of andere voorzieningen;

  • d.

    het woon- en leefklimaat van direct omwonenden;

  • e.

    het aspect nachtelijke uitstraling.

- Financiële participatie

Om lusten en lasten van zonneparken evenrediger te verdelen, wordt financiële participatie ingezet. Onder participatie wordt verstaan de mogelijkheid van omwonenden om - al dan niet financieel - profijt te hebben van een zonnepark.

  • Financiële participatie gemeenschap – financieel rendement participanten

  • Duurzaamheidsfonds – afgesproken bedrag per MW in fonds voor duurzaamheids- en gebiedsprojecten

  • Spin-off mogelijkheden – werk met werk maken (fietsroutes, landschapsontwikkeling)

Bij de start van een project moet de initiatiefnemer een voorstel doen voor het uitwerken van participatiemogelijkheden. Een participatieplan vormt een onderdeel van de ruimtelijke onderbouwing van de omgevingsvergunning. De gemaakte afspraken worden in overeenkomsten vastgelegd. De drie opties moeten in meer of mindere mate terugkomen in de overeenkomst. Dit betekent dat een substantieel deel van de revenuen terugvloeit in het gebied.

- Wijze van innovatie/ experimenten met opslag

Westerwolde wil inspelen op de ontwikkeling van opslag en innovatieve experimenten (bv. smart-grid) bij zonneparken. Met opslagmogelijkheid wordt piekbelasting voorkomen en kan duurzaam opgewekte energie gedurende 24 uur of nog langer worden gebruikt. Indien ruimte voor opslag wordt toegevoegd moet dit worden meegenomen in de landschappelijke inpassing.

- Meervoudig ruimtegebruik

Meervoudig ruimtegebruik betekent dat naast het opwekken van energie het zonnepark nog een tweede functie heeft. Westerwolde geeft voorkeur aan deze zonneparken met koppelkansen op het gebied van economische kansen/werkgelegenheid, educatie, recreatie, natuurontwikkeling en innovatie. Voorbeelden van meervoudig ruimtegebruik en het opwekken van zonne-energie zijn: landschappelijke inpassing met hoogblijvende agrarische gewassen of een voedselbos, een combinatie met schaduwminnende gewassen, scharrelkippen/schapen onder de panelen, panelen op water(berging) of een zonnepark als buffer in/nabij natuur.

- Vergroten van de biodiversiteit

Het vergroten van de bestaande biodiversiteit is gewenst. Dit is mogelijk indien de locatie gevarieerder wordt ingericht dan een huidige agrarische functie, bijvoorbeeld met akkerranden en gevarieerde mengsels voor de ondergrond. Een voorwaarde is dat er voldoende lichttoetreding mogelijk is. Zonneparken hebben een impact op de bestaande biodiversiteit. Indien veel licht verloren gaat kan dit ten koste gaan van de biodiversiteit. Het volledig overkappen van de bodem is dan ook ongewenst.

 

Indien er sprake is van een leefgebied voor (weide- en) akkervogels zal dit leefgebied conform de POV moeten worden gecompenseerd. Verder liggen er kansen om zonneparken te combineren met maatregelen tegen veenoxidatie.

- Landschappelijke inpassing

Daar waar zonneparken wel zijn toegestaan, is de wijze van inpassing in ieder landschap anders. Ieder landschap vraagt om gebruik van de eigen kenmerkende landschapselementen en om een reactie op de aard van het landschap. Hiervoor geldt maatwerk. De ruimtelijke kwaliteit van een zonnepark wordt bepaald door de keuze voor structuur: bewust wel of niet zichtbaar zijn van het park, de hoogte van de panelen en het inspelen op de aanwezige landschappelijke kwaliteiten. Het verschil in grootschaligheid en kleinschaligheid in het landschap is bepalend voor de te kiezen inpassing. Met voorbeelden geven we aan welke opties het landschap biedt, om het landschap zoveel mogelijk te respecteren.

Voorbeelden van inpassing met landschapselementen

Figuur 4

Boomsingels

Eén van de kenmerkende landschapselementen in zowel het kleinschalig als het grootschalig zandlandschap, zijn de boomsingels. Die kunnen worden toegepast bij de afscherming van het zonnepark. Door een groene rand kunnen de parken aan het zicht worden onttrokken. Het versterken van de onderbegroeiing geeft ook de mogelijkheid om een hekwerk onzichtbaar te maken.

 

Indien het park binnen een landschappelijke ‘kamer’ wordt geplaatst, is een open ruimte tussen boomsingel en de zonnepanelen gewenst. Hierdoor is er minder last van schaduw en blijft de boomsingel als los element zichtbaar.

Sloten

In de open landschappen of in het beekdal zijn sloten kenmerkende landschapselementen. Een brede sloot kan een hekwerk rond een park vervangen.

Dijken

Oude dijken komen voor de in de open polders. Een bestaande of een nieuw aan te leggen dijk is een landschapselement dat kan worden toegepast om het zonnepark aan het zicht te onttrekken.

Lijnen

Bij zonneparken is het van belang dat de panelen geordend worden binnen de lijnen van het landschap. Dit kunnen boomsingels of slotenpatronen zijn. Ook de ondersteunende bebouwing moet binnen deze lijnen blijven.

Voorbeelden van inpassing in landschapsstructuren

Openheid

In een open landschap is het wenselijk de openheid zoveel mogelijk te behouden. Dit kan bijvoorbeeld door lage panelen toe te passen, waar je overheen kan kijken.

Grootschalig landschap met grote kavels

Door de grote schaal van de kavels in de grootschalige landschappen zijn hier andere inpassingsprincipes van toepassing. Dit geldt voor alle zonneparken. Door de aanwezige ruimte kan de maat van de inpassing worden afgestemd op de schaal van het landschap. Dit betekent voor kleinschalige parken dat de grootschaligheid van het landschap wordt benadrukt door (grote) open ruimtes aan weerszijden van het zonnepark te behouden, of een inpassingsstrook af te stemmen op de maat van het landschap.

Afstand van de weg tot de panelen

In de grote open landschappen kan inpassing plaatsvinden door het zonnepark op afstand (bijvoorbeeld 300 m) van de belangrijkste doorgaande wegen te plaatsen. Hierdoor ontstaat een wijdte tussen waarnemer en rand van het zonnepark zodanig dat details vervagen.

Afstand van het bebouwd gebied tot grote en middelgrote zonneparken

Om een dominant zicht op grote en middelgrote parken in het open landschap vanuit het bebouwd gebied te voorkomen, dient een zodanig grote afstand ten opzichte van het bebouwd gebied (kernen en linten) te worden gehouden dat het zonnepark nadrukkelijk op de achtergrond staat of zelfs in de horizon verdwijnt. De in acht te nemen afstand is sterk afhankelijk van de locatie en eventuele inpassingsmaatregelen. Zonder inpassingsmaatregelen moet bijvoorbeeld worden gedacht aan een afstand van bijvoorbeeld 700 meter.

- Opruimen van het zonnepark

De omgevingsvergunning wordt verleend voor een periode van 30 jaar. Na deze periode moet het zonnepark worden opgeruimd en het land in huidige toestand worden teruggebracht. Indien de initiatiefnemer dit nalaat kan er zowel langs publiekrechtelijke als privaatrechtelijke weg worden opgetreden. In de omgevingsvergunning zal de voorwaarde worden opgenomen dat het zonnepark na afloop van de termijn van 30 jaar weer wordt opgeruimd en dat het terrein in de oorspronkelijke staat wordt teruggebracht. Als geen gevolg aan deze verplichting wordt gegeven kan bestuursrechtelijk (bestuursdwang/dwangsom) worden opgetreden. Voorts wordt (privaatrechtelijk) in de anterieure overeenkomst een bepaling over het opruimen van het zonnepark opgenomen, met een boetebeding bij niet nakoming.

 

Procesomschrijving

Een uitgebreide procesomschrijving is te vinden in bijlage 1.

 

Om tot een goede planontwikkeling te komen moeten drie stappen worden doorlopen. Zie figuur 5.

 

Als eerste stap het principeverzoek waarin het initiatief op schetsniveau wordt ingediend. In deze fase vindt een afstemming plaats tussen de overheden (provincie en gemeente) en de netbeheerder of ze zich in het initiatief kunnen vinden en of een reële netaansluiting mogelijk is.

 

Als tweede stap het uitvoeren van de maatwerkmethode waarin de planontwikkeling en de proces- en financiële participatie voorop staan. De planvorming is een samenwerking tussen de initiatiefnemer, de overheid en de omgeving. Het proces van de maatwerkmethode is voorzien van meerdere momenten waarop de omgeving actief wordt betrokken bij het plan en de uitwerking daarvan. Mocht tijdens de maatwerkmethode op welk moment dan ook geen draagvlak voor het plan bestaan, kan het proces worden gestopt.2

Als derde stap het indienen van de aanvraag omgevingsvergunning.

Figuur 5

 

Een initiatiefnemer kan op twee verschillende manieren een aanvraag indienen. Het stappenplan gaat uit van het aanvragen van een omgevingsvergunning voor het afwijken van het bestemmingsplan. In bestemmingsplannen van de provincie Groningen is sinds kort het 'voorlopig bestemmen voor het bouwen en in werking hebben van een collector voor warmteopwekking of een paneel voor elektriciteitsopwekking voor een termijn van maximaal 30 jaar' mogelijk. Hiermee kan in een bestemmingsplan aan een zonnepark dus een voorlopige (tijdelijke) bestemming worden gegeven met een termijn van maximaal 30 jaar. Als voor deze weg wordt gekozen wordt ook het stappenplan gevolgd, met dien verstande dat bij stap 3 een wijziging van het bestemmingsplan wordt aangevraagd. Na wijziging van het bestemmingsplan moet nog een omgevingsvergunning voor de bouw van het zonnepark worden gevraagd. Op die aanvraag is de reguliere voorbereidingsprocedure van toepassing.

 

Voor een zonnepark van tenminste 100 MWp dient op grond van de Elektriciteitswet 1998 de rijkscoördinatieregeling als bedoeld artikel 3.35, eerste lid, onder c van de Wet ruimtelijke ordening te worden gevolgd. De minister van Economische Zaken kan (desgevraagd) besluiten deze verplichting buiten toepassing te verklaren.

3. Kleine windmolens

Kleine windmolens

Westerwolde stimuleert het opwekken van duurzame energie. Naast de ontwikkeling van zonneenergie kan windenergie een essentiële bijdrage leveren aan het duurzaam opwekken van energie. Het opwekken van windenergie is op dit moment niet toegestaan. Grote turbines (groter dan 15 meter) zijn vanuit provinciaal beleid uitgesloten en kleine windmolens zijn nu niet mogelijk binnen de geldende bestemmingsplannen.

 

Voor de ontwikkeling van kleine windmolens wil Westerwolde beleidsmatig mogelijkheden scheppen. Westerwolde kan bij aanvragen buiten het bouwperceel een pilotstatus aanvragen bij de provincie Groningen. De beleidslijn voor kleine windmolens wordt hier uitgewerkt.

 

Kleine windmolens

Een nieuwe generatie kleine windmolens is in opkomst. De vorige generaties kleine windmolens (Energy Ball en Turby turbines) hebben een beperkte opbrengst voor de relatief hoge kosten. Als voorbeeld nemen we een windmolen met een opbrengst van 2.800 kWh (vergelijkbaar met zonnepanelen op dak voor een huishouden) waarvan de kosten € 18.500,- zijn (versus € 5.000,- voor zonnepanelen). Nu is er een nieuwe generatie kleine windmolens op de markt die qua opbrengst en prijs vergelijkbaar of zelfs gunstiger is dan zonnepanelen. Bijvoorbeeld de EAZ- twaalf molen heeft een opbrengst van 30.000 kWh en de kosten hiervan zijn € 37.500,-.

 

Er zijn twee soorten kleine windmolens: met horizontale as en met verticale as. Voor kleine windmolens geldt een maximale ashoogte (mastlengte) van 15 meter. Windmolens van 15 meter zijn zichtbaar in het landschap, wat als afwegingscriteria voor kansrijke gebieden meegenomen wordt. Daarnaast moet bij realisatie worden voldaan aan bouw-, ruimtelijke ordening en milieuregels.

Figuur 6

 

Regelgeving

Landelijk

Wet milieubeheer

Het oprichten en in werking hebben van een windmolen valt onder de werkingssfeer van het Activiteitenbesluit en is op basis hiervan meldingsplichtig. Hiervoor gelden regels ten aanzien van geluid en slagschaduw. De vuistregel is dat de afstand tussen afzonderlijke windmolens en de dichtstbijzijnde woning of andere gevoelige bestemming ten minste vier maal de ashoogte bedraagt. De afstand tussen een windmolen met een ashoogte van 15 meter en een woning is dan 60 meter.

 

Er gelden geluidsnormen om de hinder voor omwonenden zoveel mogelijk te beperken. Het totale geluidniveau wat een kleine molen maximaal mag produceren op de gevel van omwonenden en andere geluidgevoelige objecten vanuit het Activiteitenbesluit is maximaal 40 dB(A). Dit is de geluidsnorm die tijdens de nacht geldt.

Provinciaal

De provincie geeft aan dat kleine windmolens tot 15 meter mogen worden toegestaan binnen het stedelijk gebied of binnen de bouwpercelen in het buitengebied. Tot 15 meter is er geen planologische bemoeienis van de provincie Groningen en heeft de gemeente beleidsvrijheid.

 

De provincie Groningen kan pilotgemeentes voor proefprojecten met kleine windmolens aanwijzen. Bij een proefproject zijn er ruimere mogelijkheden. Er mogen bijvoorbeeld drie windmolens worden geplaatst binnen een zone van 25 meter rond een agrarisch bouwperceel (in plaats van alleen op het bouwperceel). Of er mag een park- en lijnopstelling ten behoeve van een lokaal initiatief gericht op duurzaamheid en zelfvoorzienendheid worden gerealiseerd (participatie is hiervoor een voorwaarde). De molens mogen niet in het NNN en overige natuurgebieden worden gerealiseerd. Bij een proefproject voor kleine windmolens geldt dat de maatwerkmethode toegepast moet worden onder begeleiding van een bij de provincie werkzame deskundige op het gebied van stedenbouw en landschapsarchitectuur.

 

Het aantal pilotprojecten is per landschapstype gemaximeerd tot drie pilotprojecten (uitgaande van de volgende zeven landschapstypen: dijkenlandschap, wierdenlandschap, esdorpenlandschap, parkachtig esdorpenlandschap, veenkoloniaal landschap, heide-ontginningslandschap en wegdorpenlandschap). Het maximumaantal pilotprojecten in de landschapstypen wierdenlandschap en wegdorpenlandschap (dat ook in de gemeente Westerwolde voorkomt) is reeds bereikt.

Gemeentelijk

Kleine windmolens zijn in de bestemmingsplannen niet toegestaan.

 

Kansrijke gebieden

Westerwolde wil de nieuwe generatie kleine windmolens mogelijk maken binnen de gemeente. We zien daarom kansen voor het plaatsen van kleine molens bij (agrarische) bedrijven in het buitengebied en op de bedrijventerreinen. In het buitengebied waait het harder, zodat ook een maximale opbrengst gegenereerd kan worden.

 

Daarnaast zien wij kansen op de bedrijventerreinen, aan de randen van de kernen. Een windmolen van 15 meter is hier niet storend in het beeld op het bedrijventerrein en er zijn vaak minder woningen aanwezig die hinder van de molens kunnen ondervinden.

 

Woongebieden en dorpskernen worden uitgesloten van windmolens. Dit omdat dit ruimtelijke visueel minder gewenst is, het rendement in stedelijk gebied lager is (door minder wind) en milieutechnisch (de afstand tot woningen) eerder ongewenste situaties ontstaan.

 

Het plaatsen van kleine windmolens en -turbines tot 15 meter is voor particulieren ook mogelijk, onder dezelfde voorwaarden als voor bedrijven.3

 

Westerwolde is zuinig op haar buitengebied en met name op de gebieden nabij het NNN. Om dit landschap van kleinschalig bos, beekdal, natuur, weides en akkers te behouden, wordt in dit landschap met het plaatsen van kleine windmolens terughoudend omgegaan.

Figuur 7 Kansrijke gebieden kleine windmolens

 

Uitgangspunten voor ontwikkeling

- Passend binnen de kansrijke gebieden

Plaatsing van windmolens mag in het buitengebied bij (agrarische) bedrijven in zowel de grootschalige als de kleinschalige landschappen. Het NNN is uitgesloten en er geldt een terughoudendheid in de nabijheid van het NNN. Dit is afhankelijk van de locatie.

- Achter hoofdbebouwing

De gekozen positie dient zich achter de hoofdbebouwing te bevinden. Dit omdat het bouwwerk anders

op een dominante wijze het beeld gaat bepalen. Voorkeur verdient plaatsing achter op het erf of op geruime afstand van de achtergevelrooilijn van de hoofdbebouwing. Een afstand tot woningen van ten minste vier keer de ashoogte is een verplichte afstand uit de Wet milieubeheer.

- Passend in erfstructuur

De gekozen positie dient op een logische wijze verankerd te zijn aan de kavel of het erf. Het dient de bestaande bebouwing- en erfstructuur te ondersteunen. Te denken valt hierbij aan plaatsing in de lijn met de bestaande bebouwing, in het hart van bestaande bebouwing of op hoekpunten van kavels.

- Onopvallende kleurstelling

Ten aanzien van de kleurstelling wordt een middentoon of donkere toon geadviseerd.

- Evenwichtig beeld

Windmolens moeten in hun verschijningsvorm in werkende en in de rusttoestand een evenwichtig beeld vertonen. Windmolens die wat betreft het aantal wieken (bijvoorbeeld twee wieken in plaats van drie of vier) een onrustig beeld opleveren, zijn ongewenst.

Participatie

Initiatieven die in gezamenlijkheid worden ontwikkeld stellen wij zeer op prijs. Denk hierbij bijvoorbeeld aan een dorp dat energieneutraal door een of meer molens te plaatsen. Of een groep agrariërs die zelfvoorzienend wil zijn.

 

Naar boven