Gemeenteblad van Zaanstad

Datum publicatieOrganisatieJaargang en nummerRubriek
ZaanstadGemeenteblad 2019, 67852Beleidsregels



Beleidslijn gemeente Zaanstad voor vergunningen in het kader van de Wet Bibob - 2019

1. Inleiding

 

Op 1 juni 2003 is de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur (Wet Bibob) in werking getreden. Met de Wet Bibob wordt het openbaar bestuur in staat gesteld zich te beschermen tegen het risico dat criminele activiteiten worden gefaciliteerd bij het verlenen van vergunningen en subsidies en het gunnen van opdrachten in het kader van aanbestedingen. De Wet Bibob is bedoeld als een aanvulling op de bestaande mogelijkheden om een vergunning te weigeren of in te trekken. Bij de toepassing van de Wet Bibob wordt naast de integriteit van de exploitant en leidinggevenden ook deze van de bij de aanvraag betrokken zakelijke partners beoordeeld.

 

2. Begrippen

 

  • De Wet : De Wet Bibob

  • RIEC : Het Regionaal Informatie en Expertise Centrum is opgericht om de samenwerking tussen strafrechtelijke en bestuurlijke partijen te versterken en te ondersteunen, onder ander bij de toepassing van de Wet Bibob.

  • Het Bureau : Het Landelijk Bureau Bibob

  • APV : De Algemene Plaatselijke Verordening van de gemeente Zaanstad

  • Aanvraag : de aanvraag om een beschikking;

  • Bibob-vragenformulier : een formulier dat is vastgesteld krachtens artikel 30, vijfde lid van de wet;

  • Bestuursorgaan : de burgemeester respectievelijk het college van burgemeester en wethouders van Zaanstad;

  • Bibob-toets : de wijze van behandelen van een aanvraag waarbij door het bestuursorgaan volgens deze beleidsregels wordt beoordeeld of er redenen, ontleend aan de Wet Bibob, aanwezig zijn om de aanvraag te weigeren, een beschikking in te trekken, te beëindigen, te wijzigen of hieraan voorschriften te verbinden dan wel een vastgoedtransactie niet aan te gaan of te beëindigen of een overheidsopdracht niet te gunnen, al dan niet na adviesaanvraag bij het Bureau;

  • Tip OvJ : Artikel 26 Wet Bibob bepaalt dat de officier van justitie die beschikt over gegevens die er op wijzen dat een betrokkene in relatie staat tot strafbare feiten die reeds zijn gepleegd of nog gepleegd zullen worden, het bestuursorgaan of de aanbestedende dienst kan wijzen op de wenselijkheid het Bureau om een advies te vragen.

 

3. Waarom een beleidslijn

 

Het is de eigen beslissing en verantwoordelijkheid van de gemeente om het Bibob-instrument toe te passen. Vanwege de grote mate van bestuurlijke keuzevrijheid bij de toepassing van de Wet Bibob verdient het de voorkeur dat de toepassing plaatsvindt op basis van een beleidslijn, waarin het bestuursorgaan aangeeft op welke wijze de Wet Bibob gemeente breed zal worden toegepast.

Dit schept duidelijkheid naar de burgers en ondernemingen die potentieel aan een Bibob-onderzoek kunnen worden onderworpen. Bovendien schept het een helder kader voor de toetsing van een door het bestuur in een concreet geval genomen beslissing door de democratische controleorganen.

Met name de afweging om tot een Bibobonderzoek over te gaan, dient -juist met het oog op het ingrijpende karakter van het instrument- weloverwogen en met inachtneming van de beginselen van behoorlijk bestuur te worden genomen. Daarbij spelen proportionaliteit, subsidiariteit, rechtszekerheid en rechtsgelijkheid een belangrijke rol.

 

Wet Bibob

In hoofdlijnen regelt de wet twee zaken.

Ten eerste wordt het mogelijk om bepaalde vergunningen en subsidies te weigeren, bestaande beschikkingen in te trekken of gunning van een opdracht uit te sluiten wegens – globaal gezegd – crimineel misbruik ervan.

Ten tweede voorziet de wet in een Landelijk Bureau Bibob dat bestuursorganen desgevraagd adviseert over de mate van gevaar dat er sprake is van misbruik van de gevraagde beschikking en daartoe screening kan gaan uitvoeren.

Op grond van artikel 3 Wet Bibob kan een bestuursorgaan een beschikking weigeren of intrekken wanneer:

  • 1.

    sprake is van een ernstig gevaar dat de beschikking mede gebruikt zal worden voor het benutten van voordelen uit strafbare feiten (bijvoorbeeld het witwassen van crimineel geld);

  • 2.

    sprake is van een ernstig gevaar dat de beschikking mede gebruikt zal worden voor het plegen van strafbare feiten (bijvoorbeeld drugshandel of als dekmantel);

  • 3.

    feiten en omstandigheden erop wijzen of redelijkerwijs doen vermoeden dat ter verkrijging van de aangevraagde dan wel gegeven beschikking een strafbaar feit is gepleegd (bijvoorbeeld valsheid in geschrifte of omkoping).

 

Wanneer kan de Wet Bibob toegepast worden?

Artikel 7, eerste lid Wet Bibob bepaalt dat een gemeentelijke vergunning die door het college van burgemeester en wethouders, respectievelijk de burgemeester, op grond van een verordening verplicht is gesteld voor een inrichting of bedrijf, kan worden geweigerd dan wel ingetrokken in het geval en onder de voorwaarden, bedoeld in artikel 3, eerste c.q. vierde c.q. zesde c.q. achtste lid van Wet Bibob.

 

4. Algemene beleidsuitgangspunten

 

De Wet Bibob heeft een belangrijk doel: te voorkomen dat het openbaar bestuur criminelen faciliteert door middel van het verlenen van vergunningen.

De vermenging van onder- en bovenwereld heeft een ontwrichtende werking op de gehele branche en kan daarnaast leiden tot oneerlijke concurrentie.

De Gemeente Zaanstad streeft naar een effectieve en uniforme toepassing van de Wet Bibob waarbij zowel de rechtsgelijkheid wordt bevorderd als de administratieve lasten en de extra werkzaamheden en de duur van de procedures voor de aanvragers én voor de gemeente zoveel mogelijk worden beperkt.

Binnen de horeca-, prostitutiebranche is het lastig om te werken met bepaalde risicoprofielen omdat binnen de gehele branche een verhoogd risico op criminele inmenging bestaat. Daarom is gekozen om elke ondernemer een Bibobvragenformulier in laten te vullen, waarbij bescheiden worden gevraagd die noodzakelijk zijn voor een goede toetsing.

De Gemeente Zaanstad maakt optimaal gebruik van de gegevens die zij reeds in bezit heeft of zelf kan raadplegen, om zo onnodige lasten voor ondernemers te voorkomen.

 

5. Toepassing beleidsregel

 

In deze beleidsregel worden de navolgende onderdelen benoemd waarop de Wet Bibob binnen Zaanstad van toepassing is. Hiervoor is de afdeling Vergunningen verantwoordelijk.

  • -

    D&H vergunning

  • -

    Exploitatievergunning tbv:

    • -

      Horeca (inclusief coffeeshops en shishalounges)

    • -

      Escortbedrijven

    • -

      Seksinrichtingen

    • -

      Speelautomatenhallen

In gevallen waarbij het noodzakelijk is/wordt dat branches waarin criminogene effecten zichtbaar zijn (o.a. faciliterend aan vormen van georganiseerde criminaliteit, witwassen, belastingontduiking, misbruik sociale verzekeringspremies) kan de gemeente Zaanstad een exploitatievergunningsplicht voor deze branche instellen, waartoe de Algemene Plaatselijke Verordening 2013 van de gemeente Zaanstad zal worden aangepast.

 

  • -

    Evenementenvergunning

  • -

    Omgevingsvergunning bouwen

  • -

    Omgevingsvergunning milieu

  • -

    Vuurwerkverkoopvergunning

  • -

    Vergunningen in het kader van de Huisvestingswet 2014

 

Bibob-formulieren

Om te komen tot een goede beoordeling in het kader van de Wet Bibob heeft het bestuursorgaan op grond van artikel 30 Wet Bibob de mogelijkheid om de aanvrager van een vergunning (en ook de houder van een reeds verleende vergunning) vragen te stellen die zien op de bedrijfsstructuur, financiering, betrokken (rechts)personen etc.

Daartoe is een Bibobvragenformulier ontwikkeld dat door de aanvrager (en in voorkomende gevallen de houder van een vergunning) dient te worden ingevuld.

Daarnaast kan in de volgende gevallen ook een Bibob-formulier worden uitgereikt indien sprake is van:

  • -

    Onduidelijkheid of twijfels met betrekking tot de integriteit van de aanvrager(s) of betrokkene(n);

  • -

    Onduidelijkheid of geen transparantie omtrent de organisatorische structuur van de aanvrager(s) of betrokkene(n);

  • -

    Onduidelijkheid of geen transparantie omtrent de financiële structuur van de aanvrager(s) of betrokkene(n);

  • -

    Onduidelijkheid of twijfels met betrekking tot het (actueel/historisch) zakelijk samenwerkingsverband van de aanvrager(s) of betrokkene(n);

 

Vergunningen in het kader van deze beleidslijn

Deze beleidslijn wordt in ieder geval toegepast op de vergunningen voor:

  • a.

    Horeca:

    • -

      Drank & Horecavergunning op grond van de Drank- en Horecawet

    • -

      Exploitatievergunning op grond van de Algemene Plaatselijke Verordening

  • b.

    Escort: Exploitatievergunning op grond van de Algemene Plaatselijke Verordening voor escortbedrijven;

  • c.

    Seksinrichtingen: Exploitatievergunning op grond van de Algemene Plaatselijke Verordening. Onder een seksinrichting worden in elk geval verstaan: een seksbioscoop, seksautomatenhal, sekstheater, een parenclub of een prostitutiebedrijf waaronder tevens begrepen een erotische-massagesalon, al dan niet in combinatie met elkaar;

  • d.

    Speelautomatenhallen: Vergunning in het kader van art. 30c, eerste lid, onderdeel b van de Wet op de kansspelen (Wok) en als bedoeld in artikel 4 van de Verordening Speelautomaten.

  • e.

    Evenementen: Vergunning als bedoeld in artikel 2.24 van de Algemene Plaatselijke Verordening en wel:

    • 1.

      Evenementen waarvoor een financiering van € 10.000,- of meer vereist is.

    • 2.

      Evenementen waarbij leden van zogenoemde Outlaw Motorcycle Gangs (OMG’s) betrokken zijn dan wel waar sprake is van nauwe verwevenheid daarmee, ongeacht de kosten van het evenement.

    • 3.

      Vechtsportwedstrijden of -gala’s, ongeacht de kosten van het evenement.

  • f.

    Omgevingsvergunning bouwen: Vergunning voor de activiteit bouwen en als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht. Voor zover het betreft:

    • 1.

      aanvragen met een totale bouwsom hoger dan €250.000,- (excl. Btw)

    • 2.

      aanvragen ten behoeve van:

      • a)

        horeca;

      • b)

        seksinrichtingen;

      • c)

        coffeeshops;

      • d)

        speelautomatenhallen;

      • e)

        sportscholen;

      • f)

        massagesalons;

      • g)

        zonnestudio’s;

      • h)

        souvenirwinkels;

      • i)

        shishalounges;

      • j)

        kapsalons

      • k)

        belwinkels, internetcafés;

      • l)

        gebedshuizen c.q. religieuze instellingen;

      • m)

        smart- en headshops;

      • n)

        uitzendbureau’s;

      • o)

        afvalbewerkings- en verwerkingsbedrijven;

      • p)

        kamerverhuur

      • q)

        het toevoegen van voor zelfstandige bewoning geschikte ruimtes in bestaande bouwwerken

      • r)

        aanvragen voor auto(sloop)- en garagebedrijven in de branches:

        • i.

          auto-/voertuigdemontage, reparatie, keuring, service en onderhoud

        • ii.

          auto-/voertuig in-/verkoop- en autoverhuur/-leasebedrijven;

        • iii.

          im- en export van personenauto’s en bedrijfswagens;

        • iv.

          bedrijfswagens;

        • v.

          landbouwvoertuigen;

        • vi.

          op- en overslag, verwerken, bewerken en/of vernietigen van auto-/voertuigwrakken en/of schroot.

      • s)

        branches of locaties waarvoor op grond van de APV een exploitatievergunning dient te worden aangevraagd, anders dan hierboven vermeld;

      • t)

        aanvragen voor een gebouw dat is geplaatst op een standplaats en dat in zijn geheel of in delen kan worden verplaatst (woonwagens).

  • g.

    Omgevingsvergunning milieu: Vergunning voor de activiteit milieu als bedoeld in artikel 2.1 eerste lid onder e van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht.

  • h.

    Vuurwerkverkoopvergunning: Vergunning als bedoeld in artikel art. 2:72 van de Algemene Plaatselijke Verordening.

  • i.

    Splitsingsvergunning, zodra opgenomen in een gemeentelijke verordening.

 

De gemeente Zaanstad maakt per geval de afweging of men de Wet Bibob alsnog toepast in gevallen waarin deze beleidslijn niet voorziet terwijl er wel signalen c.q. bezwaren c.q. ernstige vermoedens zijn m.b.t.:

  • a.

    de bedrijfsstructuur, of de activiteiten in en/of in de directe omgeving van de onderneming;

  • b.

    de financiering van de onderneming;

  • c.

    de persoon van de aanvrager, de financier van de onderneming;

  • d.

    (andere) omstandigheden die doen vermoeden dat er sprake is van misbruik met de vergunning;

  • e.

    (andere) omstandigheden die doen vermoeden dat ter verkrijging van de aangevraagde dan wel gegeven vergunning een strafbaar feit is gepleegd.

 

Specifieke bepaling ten aanzien van intrekken omgevingsvergunningen

Op het intrekken van omgevingsvergunningen is deze beleidslijn slechts van toepassing voor zover de vergunning zal of is gaan gelden voor een ander dan de vergunninghouder.

 

6. Beoordeling aanvraag

 

Het bestuursorgaan beoordeelt eerst zelf de aanvraag en onderzoekt of er redenen zijn voor het weigeren of intrekken van een (verleende) vergunning. Indien uit het in eerste instantie gehouden onderzoek vragen of twijfels naar voren komen die niet beantwoord kunnen worden, kan er gebruik worden gemaakt van de Bibob-coördinator dan wel de expertise van het Regionaal Informatie en Expertise Centrum (RIEC).

Mocht een afdeling bij een vergunningsbeoordeling na eigen onderzoek en de aanvullende toets door de Bibob-coördinator en/of het RIEC nog vragen onbeantwoord zien, dan kan een beroep worden gedaan op het Landelijk Bureau Bibob van het Ministerie van Veiligheid en Justitie. Dit Bureau heeft toegang tot gesloten bronnen, zoals politieregisters, strafregisters en gegevens van de Belastingdienst, waardoor een brede screening van de vergunningaanvrager en overige zakelijke partners mogelijk is.

De Bibob-coördinator (al dan niet na tussenkomst c.q. op advies van het RIEC) adviseert de afdelingen in de volgende gevallen om een advies aan te vragen bij het Landelijk Bureau Bibob:

  • 1.

    De Bibob-officier van Justitie heeft op grond van artikel 26 Wet Bibob het bestuursorgaan gewezen op de wenselijkheid het Bureau Bibob om advies te vragen. Dit geldt zowel bij aanvragen om nieuwe vergunningen als bij bestaande vergunningen.

  • 2.

    Na de bestudering van het dossier en het ingevulde Bibob-formulier door de afdeling, de Bibob-coördinator en/of het RIEC blijven vragen bestaan over:

    • a.

      de bedrijfsstructuur, of de activiteiten in en/of in de directe omgeving van de onderneming;

    • b.

      de financiering van de onderneming;

    • c.

      de persoon van de aanvrager, de financier van de onderneming;

    • d.

      (andere) omstandigheden die doen vermoeden dat er sprake is van misbruik met de vergunning

    • e.

      (andere) omstandigheden die doen vermoeden dat ter verkrijging van de aangevraagde dan wel gegeven vergunning een strafbaar feit is gepleegd.

 

7. Het onderzoek door het Landelijk Bureau Bibob

 

Het Landelijk Bureau Bibob zal naar aanleiding van de adviesaanvraag een nader onderzoek instellen en een advies uitbrengen over de mate van gevaar als bedoeld in artikel 3 Wet Bibob. Het Landelijk Bureau Bibob valt onder het ministerie van Veiligheid en Justitie en onderzoekt of betrokkene in relatie staat tot strafbare feiten als bedoeld in de Wet Bibob.

Daarnaast kunnen andere personen (zakelijke samenwerkingsverbanden) betrokken worden in het onderzoek. In artikel 3 Wet Bibob is bepaald dat betrokkene in relatie staat tot strafbare feiten als die feiten door een ander gepleegd zijn en deze persoon:

  • -

    direct of indirect leiding geeft of heeft gegeven aan betrokkene, dan wel

  • -

    zeggenschap heeft over dan wel heeft gehad over betrokkene, dan wel

  • -

    vermogen verschaft dan wel heeft verschaft aan betrokkene, dan wel

  • -

    in een zakelijk samenwerkingsverband tot hem staat.

of dat deze persoon strafbare feiten door een rechtspersoon zijn gepleegd (als bedoeld in artikel 51 Wetboek van Strafrecht) én betrokkene:

  • -

    direct of indirect leiding geeft of heeft gegeven aan die rechtspersoon, dan wel

  • -

    zeggenschap heeft over dan wel heeft gehad over die rechtspersoon, dan wel

  • -

    vermogen verschaft dan wel heeft verschaft aan die rechtspersoon.

Het Landelijk Bureau Bibob kan drie soorten adviezen afgeven:

  • 1.

    Er is geen sprake van een ernstige mate van gevaar;

  • 2.

    Er is sprake van een mindere mate van gevaar;

  • 3.

    Er is sprake van geen gevaar.

Naar aanleiding van het afgegeven advies dient de gemeente op grond van artikel 3, vijfde, zesde en zevende lid Wet Bibob een afweging te maken over de beschikking. De gemeente kan besluiten de beschikking te verlenen, te verlenen met voorschriften of te weigeren / in te trekken. De gemeente is verantwoordelijk voor het besluit dat wordt genomen, al dan niet op basis van het advies van het Landelijk Bureau Bibob.

 

8. Procedure

 

De gemeente vraagt een advies aan bij het Landelijk Bureau Bibob. Tegen deze beslissing kan geen bezwaar en beroep worden ingesteld. Wel is het de aanvrager van een vergunning te allen tijde toegestaan de aanvraag in te trekken.

De aanvrager of houder van de in deze beleidslijn genoemde vergunningen wordt door de gemeente geïnformeerd over het feit dat een advies is gevraagd (notificatieplicht art 32 Wet Bibob).

Het Landelijk Bureau Bibob kan contact opnemen met de aanvrager van de vergunning of de andere bij het onderzoek betrokken personen of bedrijven en hun eventueel aanvullende vragen stellen (artikel 12, vierde lid Wet Bibob).

Het Landelijk Bureau Bibob moet binnen acht weken adviseren aan de gemeente. Deze termijn kan met vier weken worden verlengd. Het Landelijk Bureau Bibob zal de gemeente hiervan in kennis stellen. De gemeente zal de aanvrager hiervan op haar beurt in kennis stellen.

De beslistermijn voor de gemeente om te beslissen op de vergunningaanvraag wordt opgeschort gedurende de adviestermijn van het Landelijk Bureau Bibob.

Indien het voornemen bestaat een negatieve beslissing te nemen op grond van een Bibob-advies zal de gemeente betrokkene in de gelegenheid stellen zijn zienswijze naar voren te brengen.

Betrokkene kan dan het advies inzien.

Derden die in de beschikking zijn genoemd worden aangemerkt als belanghebbenden in de zin van artikel 4:8 Algemene Wet Bestuursrecht en moeten ook in de gelegenheid worden gesteld om hun zienswijze naar voren te brengen.

Derden hebben niet het recht om het advies in zijn geheel in te zien, enkel dat deel dat op hen van toepassing is.

Tegen de beslissing van de gemeente waarin een Bibob-advies is verwerkt kan bezwaar en beroep ingesteld worden.

In artikel 29 Wet Bibob is geregeld dat het bestuursorgaan dat een advies ontvangt, dat advies gedurende twee jaar kan gebruiken in verband met een andere beslissing.

 

Onvolledige aanvragen en termijnen

Het bestuursorgaan dient na ontvangst van de aanvraag zo spoedig mogelijk te beoordelen of de aanvraag compleet is.

Een aanvraag is pas compleet wanneer de aanvrager, in de gevallen genoemd in deze beleidslijn, tevens het Bibob-formulier en aanvullende bescheiden heeft ingediend. Is de aanvraag onvolledig, dan laat het bestuursorgaan de aanvrager weten welke bescheiden nog ontbreken.

De aanvrager dient vervolgens binnen de gestelde termijn de aanvraag met de gevraagde gegevens te completeren. Doet hij dat in het geheel niet dan wel onvolledig, dan kan het bestuursorgaan de aanvraag buiten behandeling laten op grond van artikel 4:5 Algemene Wet Bestuursrecht.

Gedurende de periode dat de aanvrager zijn aanvraag volledig maakt, wordt de beslistermijn opgeschort grond van artikel 4:15 Algemene Wet Bestuursrecht.

 

Overige vergunningen of sectoren die onder de Wet Bibob vallen

Ingeval in een bepaalde aanvraag meerdere vergunningen nodig zijn (bijvoorbeeld een omgevingsvergunning voor bouw) en/of er een aanbestedingsprocedure loopt, zal een adequate afstemming en regie plaats vinden vanuit de Bibob-coördinator. In de praktijk kan het voorkomen dat een vergunning van een ondernemer is c.q. wordt ingetrokken op grond van de Wet Bibob, terwijl deze persoon, dan wel zijn zakelijke relaties ook betrokken is (dan wel zijn) bij bijvoorbeeld een andere vergunningsaanvraag of verleende, al dan niet doorlopende, vergunning. Als er al een advies van het Landelijk Bureau Bibob voorhanden is met betrekking tot deze persoon hoeft niet opnieuw een advies te worden gevraagd.

 

9. Overige bepalingen

 

Geheimhouding en privacy

Informatie-uitwisseling tussen rechtspersonen met een overheidstaak over natuurlijke en rechtspersonen is alleen mogelijk in overeenstemming met de Algemene verordening Gegevensbescherming (AVG) en de Wet openbaarheid van bestuur (Wob). Een andere beperking tot vrije uitwisseling van informatie ligt in de geheimhoudingsplicht als opgenomen in art. 28 van de Wet, die bepaalt dat een ieder die krachtens de Wet informatie krijgt met betrekking tot een derde verplicht is tot geheimhouding van deze informatie. Deze natuurlijke en rechtspersonen dienen voorts door het bestuursorgaan te worden geïnformeerd op basis van welke informatie zij worden uitgesloten om daar evt. in rechte tegen op te kunnen treden. Deze aspecten zijn uitgewerkt op de gemeentelijke website.

 

Subsidiariteit- en proportionaliteitsbeginsel

Volgens de Memorie van Toelichting op de Wet Bibob zijn de beginselen van subsidiariteit en proportionaliteit belangrijke uitgangspunten van de Wet Bibob.

Het bestuursorgaan dient eerst te bekijken of bestaande weigerings- c.q. intrekkingsgronden mogelijkheden bieden om een vergunning al dan niet te weigeren of in te trekken.

In dit kader wordt opgemerkt dat de beoordeling van de vergunningaanvraag op grond van de Wet Bibob slechts aanvullend is op de reeds gangbare beoordelingen op grond van de toetsingsgronden van de inhoudelijke wet- en regelgeving.

Kortom: alvorens advies wordt aangevraagd aan het Landelijk Bureau Bibob, dienen eerst de gangbare en minder vergaande mogelijkheden te zijn benut. Het proportionaliteitsbeginsel wordt ook tot uitdrukking gebracht door in beginsel slechts die gegevens van de ondernemer te verlangen die noodzakelijk zijn voor een adequate toetsing. Hieronder vallen in ieder geval bescheiden over de bedrijfsstructuur, financiering en de betrokken (rechts)personen.

 

Evaluatie en aanpassing

De gemeente Zaanstad zal de inzet van het Bibob-instrumentarium blijvend evalueren. Aandachtspunten daarbij zijn onder andere knelpunten bij de uitvoering van de wet, juridische ontwikkelingen, samenwerking tussen partners en samenwerking met het Landelijk Bureau Bibob.

De beleidslijn zal op onderdelen worden aangepast na wijziging van de Wet Bibob, naar verwachting medio 2019.

 

Overgangsrecht

Op een aanvraag of toestemming anderszins en op een verzoek om handhaving, die is ingediend vóór het tijdstip waarop deze beleidsregels van kracht worden en waarop op genoemd tijdstip nog niet is besloten, zijn de beleidsregels van toepassing, zoals deze luidden vóór de vaststelling van de onderhavige beleidsregels.

 

Citeertitel

Deze beleidslijn wordt aangehaald als “Beleidslijn gemeente Zaanstad voor vergunningen in het kader van de Wet Bibob - 2019”.

 

Inwerkingtreding

Dit beleid treedt in werking op de eerste dag na de datum van bekendmaking.

 

 

Intrekking

De “Bibob beleidsregels Zaanstad 2017”, vastgesteld op 9 mei 2017 is met de inwerkingtreding van deze beleidsregel ingetrokken.

 

Bekendmaking

Dit beleid zal worden bekendgemaakt door plaatsing in het Gemeenteblad en publicatie op overheid.nl.

 

 

Aldus vastgesteld door het college van burgemeester en wethouders d.d. 12-03-2019.

drs. J. Hamming, burgemeester

drs. F.H.M. Apeldoorn, gemeentesecretaris