Gemeenteblad van Hoeksche Waard

Datum publicatieOrganisatieJaargang en nummerRubriek
Hoeksche WaardGemeenteblad 2019, 6375Verordeningen



Verordening van de gemeenteraad van de gemeente Hoeksche Waard houdende regels omtrent de heffing en invordering van afvalstoffenheffing Verordening afvalstoffenheffing 2019

De raad van de gemeente Hoeksche Waard

 

gelezen het voorstel van de Stuurgroep Hoeksche Waard van 18 december 2018;

 

gelet op artikel 15.33 van de Wet milieubeheer;

 

besluit vast te stellen de volgende verordening:

 

“Verordening op de heffing en invordering van afvalstoffenheffing 2019”

Artikel 1. Begripsomschrijvingen

Voor de toepassing van deze verordening wordt verstaan onder ‘gebruik maken’: gebruik maken in de zin van artikel 15.33 Wet milieubeheer.

Artikel 2. Aard van de belasting en belastbaar feit

  • 1.

    Onder de naam 'afvalstoffenheffing' wordt een directe belasting geheven als bedoeld in artikel 15.33 van de Wet milieubeheer.

  • 2.

    De afvalstoffenheffing bedoeld in deze verordening wordt naar afzonderlijke grondslagen geheven ter zake van het gebruik maken van een perceel ten aanzien waarvan krachtens de artikelen 10.21 en 10.22 van de Wet milieubeheer een verplichting tot het inzamelen van huishoudelijke afvalstoffen geldt.

Artikel 3. Belastingplicht

De belasting wordt geheven van degene die in de gemeente naar de omstandigheden beoordeeld al dan niet krachtens eigendom, bezit, beperkt recht of persoonlijk recht gebruik maakt van een perceel ten aanzien waarvan ingevolge de artikelen 10.21 en 10.22 van de Wet milieubeheer een verplichting tot het inzamelen van huishoudelijke afvalstoffen geldt.

Artikel 4. Maatstaf van heffing

De belasting, als bedoeld in artikel 3 wordt geheven naar de volgende grondslagen, die naast elkaar verschuldigd zijn, te weten:

  • a.

    Een vast bedrag per perceel, en

  • b.

    Een vast bedrag per extra restafvalcontainer, en

  • c.

    Een vast bedrag per soort container, per lediging, en

  • d.

    Een vast bedrag per ontgrendeling van een verzamelcontainer,

één en ander naar de tarieven zoals opgenomen in artikel 5.

Artikel 5. Tarief

1.1

De belasting wordt per perceel berekend naar een vast tarief, verhoogd met één of meer gedifferentieerde tarieven

 

1.2

Het vaste belastingtarief, als bedoeld in artikel 4, onder a, bedraagt per perceel, per belastingjaar

€ 128,50

1.3

Het vaste belastingtarief, als bedoeld in artikel 4, onder a, bedraagt per perceel per belastingjaar voor percelen die geen gebruik maken van een container met een gebruiksregistratiesysteem, of van een verzamelcontainer met een toegangsregistratiesysteem

€ 192,--

1.4

Het vaste belastingtarief, als bedoeld in artikel 4, onder b, bedraagt per extra restafvalcontainer per belastingjaar

€ 50,--

1.5

Het gedifferentieerde belastingtarief, als bedoeld in artikel 4 onder c, bedraagt

 

1.5.1

per aanbieding ter lediging van een restafvalcontainer van 240 liter

€ 7,50

1.5.2

per aanbieding ter lediging van een restafvalcontainer van 140 liter

€ 5,--

1.6

Het gedifferentieerde belastingtarief, als bedoeld in artikel 4 onder d, bedraagt per ontgrendeling van een verzamelcontainer met behulp van een afvalpas

€ 1,25

Artikel 6. Vrijstelling

Indien sprake is van een perceel dat wordt gebruikt door een instelling in de zin van artikel 1 onder f van de Wet toelating zorginstellingen, en de huishoudelijke afvalstoffen worden als bedrijfsafval van de instelling afgevoerd en bij de instelling in de heffing van de reinigingsrechten betrokken wordt ter zake van dit perceel geen afvalstoffenheffing geheven.

Artikel 7. Belastingtijdvak

Het belastingjaar is gelijk aan het kalenderjaar

Artikel 8. Wijze van heffing

De belasting wordt bij wege van aanslag geheven.

Artikel 9. Ontstaan van de belastingschuld en heffing naar tijdsgelang

De belasting verschuldigd naar de grondslag als bedoeld in artikel 4, onderdelen a en b, is verschuldigd bij het begin van het belastingtijdvak of, zo dit later is, bij de aanvang van de belastingplicht.

De belasting verschuldigd naar de grondslagen als bedoeld in artikel 4, onderdelen c en d is verschuldigd na het einde van het belastingtijdvak.

Indien in afwijking van het tweede lid, de belastingplicht voor de belasting verschuldigd naar de grondslagen als bedoeld in artikel 4 onderdelen c en d in de loop van het belastingtijdvak eindigt, is de belasting verschuldigd bij het einde van de belastingplicht.

Indien de belastingplicht voor de belasting verschuldigd naar de grondslag als bedoeld in artikel 4, onderdelen a en b, in de loop van het belastingtijdvak aanvangt, is de belasting verschuldigd voor zoveel twaalfde gedeelten van de voor dat tijdvak verschuldigde belasting als er in dat tijdvak, na de aanvang van de belastingplicht, nog volle kalendermaanden overblijven.

Indien de belastingplicht voor de belasting, bedoeld in artikel 4, onderdelen a en b in de loop van het belastingjaar eindigt, bestaat aanspraak op ontheffing voor zoveel twaalfde gedeelten van de voor dat jaar verschuldigde belasting als er in dat jaar, nog volle kalendermaanden overblijven, tenzij het bedrag van de ontheffing minder bedraagt dan € 9,00.

Indien de grondslag van de belasting als bedoeld in artikel 4, onderdeel c en d in de loop van het belastingtijdvak wijzigt in die zin, dat minder belasting verschuldigd is, bestaat aanspraak op vermindering voor zoveel twaalfde gedeelten van de voor dat tijdvak verschuldigde belasting als er in dat tijdvak, na het einde van de belastingplicht, nog volle kalendermaanden overblijven, tenzij het bedrag van de vermindering minder bedraagt dan € 9,00

Het vierde lid en het vijfde lid zijn niet van toepassing indien de belastingplichtige binnen het gebied van de gemeente Hoeksche Waard verhuist en aldaar een ander perceel in gebruik neemt.

Het vierde lid is niet van toepassing indien de belastingplichtige binnen het gebied van de gemeente Hoeksche Waard verhuist en aldaar een extra container in gebruik neemt.

Voor de toepassing van het bepaalde in het vijfde en zesde lid wordt het totaal van de op één aanslag biljet verenigde aanslagen afvalstoffenheffing of andere heffingen aangemerkt als één belastingaanslag.

Artikel 10. Termijnen van betaling

Variant 1

In afwijking van artikel 9, eerste lid, van de Invorderingswet 1990 moet een aanslag worden betaald uiterlijk 3 maanden na de dagtekening van het aanslagbiljet.

In afwijking van het eerste lid geldt, zolang de verschuldigde bedragen door middel van een automatische betalingsincasso kunnen worden afgeschreven, dat de aanslag moet worden betaald in tien gelijke termijnen. De eerste termijn vervalt één maand na de dagtekening van het aanslagbiljet en elk van de volgende termijnen telkens één maand later.

Artikel 9. Nadere regels door het college van burgemeester en wethouders

Het college van burgemeester en wethouders kan nadere regels geven met betrekking tot de heffing en de invordering van de afvalstoffenheffing.

Artikel 10. Overgangsrecht

De Verordening afvalstoffenheffing 2019, vastgesteld op 17 oktober 2018 door het Algemeen Bestuur van de Regionale Afvalstoffendienst Hoeksche Waard, wordt ingetrokken met ingang van de in artikel 11, tweede lid, genoemde datum van ingang van de heffing.

Artikel 11. Inwerkingtreding

  • 1.

    Deze verordening treedt in werking met ingang van de eerste dag na die van de bekendmaking.

  • 2.

    De datum van ingang van de heffing is 1 januari 2019.

Artikel 12. Citeertitel

Deze verordening wordt aangehaald als: Verordening afvalstoffenheffing 2019.

 

Aldus vastgesteld in de openbare vergadering van 2 januari 2019,

De griffier,

E.Hesen

De voorzitter,

P.A.C.M. van der Velden