Gemeenteblad van Soest

Datum publicatieOrganisatieJaargang en nummerRubriek
SoestGemeenteblad 2019, 55840Overige besluiten van algemene strekking



Nadere regels 2019 Verordening Jeugdhulp Soest 2017

Burgemeester en Wethouders van Soest,

 

gelet op de artikelen 2, lid 3, artikel 4, en artikel 6 , lid 3 en 4 van de Verordening Jeugdhulp Soest 2017,

BESLUIT:

 

de volgende nadere regels

 

vast te stellen:

 

Nadere regels 2019 Verordening Jeugdhulp Soest 2017

 

Hoofdstuk 1: Vormen van jeugdhulp

Artikel 1. Overige voorzieningen

De volgende overige voorzieningen zijn beschikbaar:

  • a.

    Informatie en opvoedadvies;

  • b.

    Preventie opvoed- en opgroeiondersteuning individueel;

  • c.

    Preventie opvoed- en opgroeiondersteuning groepsgewijs;

Jeugdigen en/of ouders kunnen zich rechtstreeks wenden tot een overige voorziening.

Artikel 2. Individuele voorzieningen

De volgende individuele voorzieningen zijn beschikbaar:

  • a.

    Ambulante begeleiding

  • b.

    Ambulante behandeling

  • c.

    Ambulante dagbehandeling

  • d.

    Dagactiviteit

  • e.

    Begeleid wonen met toezicht jeugd

  • f.

    Logeren jeugd

  • g.

    Pleegzorg

  • h.

    Wonen in gezinsvormen

  • i.

    Opname met behandeling, besloten

  • j.

    Opname met behandeling, gesloten

  • k.

    Opname met behandeling, psychiatrie

  • l.

    ADHD ziekenhuiszorg

  • m.

    Dyslexie

  • n.

    Hulpverlening dwang en drang

  • o.

    Crisisbeschikbaarheid

Hoofdstuk 2: Toegang jeugdhulp als individuele voorziening via de gemeente

Artikel 3. Toegang jeugdhulp via de gemeente, melding hulpvraag

  • 1.

    Jeugdigen en/of ouders kunnen een hulpvraag melden bij de gemeente of het Centrum voor Jeugd en Gezin (CJG);

  • 2.

    Het college bevestigt binnen vijf werkdagen de ontvangst van een melding digitaal of schriftelijk, tenzij de jeugdige en/of ouders hebben meegedeeld dit niet te wensen.

  • 3.

    In spoedeisende gevallen treft het college zo spoedig mogelijk een passende tijdelijke maatregel of vraagt het college een machtiging gesloten jeugdhulp als bedoeld in hoofdstuk 6 van de Jeugdwet.

  • 4.

    Jeugdigen en en/of ouders kunnen zich rechtstreeks wenden tot een voorziening zoals bedoeld in artikel 1.

Artikel 4. Vooronderzoek

  • 1.

    Het college verzamelt alle voor het onderzoek, bedoeld in artikel 5, van belang zijnde en toegankelijke gegevens over de jeugdige en zijn situatie en maakt vervolgens zo spoedig mogelijk met hem een afspraak voor een gesprek. Hierbij brengt het college de jeugdige en zijn ouders op de hoogte van de mogelijkheid om binnen een redelijke termijn een familiegroepsplan als bedoeld in artikel 1.1 van de Wet op te stellen. Als de jeugdige en/of zijn ouders daarom verzoeken, draagt het college zorg voor ondersteuning bij het opstellen van een familiegroepsplan.

  • 2.

    Voor het gesprek verschaffen de jeugdige of zijn ouders aan het college alle overige gegevens en bescheiden die naar het oordeel van het college voor het onderzoek nodig zijn en waarover zij redelijkerwijs de beschikking kunnen krijgen. De jeugdige en/of zijn ouders verstrekken in ieder geval een identificatiedocument als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter.

  • 3.

    Het college kan in overleg met de jeugdige en/of zijn ouders afzien van een vooronderzoek als bedoeld in het eerste en tweede lid.

Artikel 5. Gesprek

  • 1.

    Het college onderzoekt in een gesprek tussen deskundigen en de jeugdige of zijn ouders, zo spoedig mogelijk en voor zover nodig:

    • a.

      de behoeften, persoonskenmerken, voorkeuren, veiligheid, ontwikkeling en gezinssituatie, inclusief de gebruikelijke hulp of zorg die geboden wordt, van de jeugdige en het probleem of de hulpvraag;

    • b.

      het gewenste resultaat van het verzoek om jeugdhulp;

    • c.

      het vermogen van de jeugdige of zijn ouders om zelf of met ondersteuning van de naaste omgeving een oplossing voor de hulpvraag te vinden;

    • d.

      de mogelijkheden om gebruik te maken van een andere voorziening;

    • e.

      de mogelijkheden om jeugdhulp te verlenen met gebruikmaking van een overige voorziening;

    • f.

      de mogelijkheden om een individuele voorziening te verstrekken;

    • g.

      de wijze waarop een mogelijk toe te kennen individuele voorziening wordt afgestemd met andere voorzieningen op het gebied van zorg, onderwijs, maatschappelijke ondersteuning, of werk en inkomen;

    • h.

      hoe rekening zal worden gehouden met de godsdienstige gezindheid, de levensovertuiging en de culturele achtergrond van de jeugdige en/of zijn ouders, en

    • i.

      de mogelijkheden om te kiezen voor de verstrekking van een pgb, waarbij de jeugdige of zijn ouders in begrijpelijke bewoordingen worden ingelicht over de gevolgen van die keuze.

  • 2.

    Als de jeugdige en zijn ouders een familiegroepsplan als bedoeld in artikel 1.1 van de Jeugdwet hebben opgesteld, betrekt het college dat als eerste bij het onderzoek, bedoeld in het eerste lid.

  • 3.

    Het college informeert de jeugdige en/of zijn ouders over de gang van zaken bij het gesprek, hun rechten en plichten en de vervolgprocedure en vraagt hen toestemming om hun persoonsgegevens te verwerken.

  • 4.

    Het college kan in overleg met de jeugdige en/of zijn ouders afzien van een gesprek.

Artikel 6. Verslag

  • 1.

    Het college zorgt voor schriftelijke verslaglegging van het onderzoek, bedoeld in artikel 5.

  • 2.

    Het college verstrekt binnen zes weken na het gesprek aan de jeugdige en/of zijn ouders een verslag van de uitkomsten van het onderzoek, tenzij zij hebben meegedeeld dit niet te wensen.

  • 3.

    Opmerkingen of latere aanvullingen van de jeugdige en/of zijn ouders worden aan het verslag toegevoegd.

  • 4.

    Het college kan met redenen omkleed de termijn voor het aanleveren van het verslag eenmalig met zes weken verlengen.

Artikel 7. Aanvraag

  • 1.

    Jeugdigen en ouders kunnen een aanvraag om een individuele voorziening schriftelijk indienen bij het college.

  • 2.

    Het college kan een ondertekend verslag van het gesprek aanmerken als aanvraag als de jeugdige en/of zijn ouders dat op het verslag hebben aangegeven en het verslag is voorzien van een dagtekening, van de naam, burgerservicenummer, geboortedatum van de jeugdige.

Artikel 8. Afwegingsfactoren

Conform artikel 2.3 van de Jeugdwet waarborgt het college een deskundige toeleiding naar, advisering over, bepaling van het inzetten van de aangewezen voorziening. Het college heeft daartoe professionals in een sociaal team aangesteld. Deze professionals hanteren op bassis van het vooronderzoek (artikel 4), het gesprek (artikel 5), het verslag (artikel 6) en de aanvraag (artikel 7) de volgende afwegingsfactoren en verstrekken een onderbouwd advies aan het college om een overige voorziening, een algemene voorziening of een individuele voorziening te treffen.

  • 1.

    Wat is gebruikelijke hulp of zorg in deze situatie? Voor gebruikelijke hulp of zorg wordt geen voorziening getroffen.

  • 2.

    Wat kan het gezin zelf om de hulpvraag te helpen oplossen?

  • 3.

    Wat kan het sociaal netwerk om de hulpvraag te helpen oplossen?

  • 4.

    Wat kan vanuit overige of algemene voorzieningen bijdragen aan het oplossen van de hulpvraag?

  • 5.

    Welke individuele voorziening is nodig om de hulpvraag op te lossen?

Daar waar van toepassing hanteren de professionals richtlijnen om de afweging zorgvuldig te maken.

Hoofdstuk 3: Regels voor persoonsgebonden budget

Artikel 9. Wijze waarop de hoogte van het persoonsgebonden budget (pgb) wordt vastgesteld

  • 1.

    Het tarief voor een pgb:

    • a.

      is gebaseerd op een door de jeugdige en/of zijn ouders opgesteld plan over hoe zij het pgb gaan besteden;

    • b.

      is toereikend om effectieve en kwalitatief goede zorg in te kopen, en

    • c.

      bedraagt ten hoogste de kostprijs van de in de betreffende situatie goedkoopst adequate individuele voorziening in natura.

  • 2.

    Bij de berekening van de hoogte van een pgb hanteert het college de volgende uitgangspunten:

    • a.

      bemiddelingskosten, administratiekosten, een eenmalige uitkering en een feestdagenuitkering mogen niet uit een pgb worden betaald;

    • b.

      reiskosten mogen uit een pgb worden betaald;

    • c.

      budgethouders mogen een vast maandloon afspreken met hun zorgverlener, en

    • d.

      er wordt geen vrij besteedbaar bedrag binnen het pgb gehanteerd.

  • 3.

    Het pgb voor dienstverlening door:

    • a.

      professionals in dienst van een instelling wordt per uur of per resultaat bepaald op basis van 90% van het door het college vastgestelde tarief voor het betreffende onderdeel;

    • b.

      professionals niet in dienst van een instelling wordt per uur of per resultaat bepaald op basis van 75% van het door het college vastgestelde tarief voor het betreffende onderdeel;

    • c.

      niet-professionals wordt bepaald op basis van 50% het door het college vastgestelde tarief voor het betreffende onderdeel.

  • 4.

    Het college stelt het tarief voor de onderdelen genoemd in lid 3 vast.

  • 5.

    De persoon aan wie een pgb wordt verstrekt, kan de jeugdhulp, naast de in het derde lid sub c genoemde voorwaarde voor het tarief, betrekken van een persoon die behoort tot het sociale netwerk onder de voorwaarden dat:

    • a.

      deze persoon heeft aangegeven dat de zorg aan de belanghebbende niet tot overbelasting leidt, en

    • b.

      tussenpersonen of belangenbehartigers niet uit dit pgb worden betaald.

Hoofdstuk 4: Overige bepalingen

Artikel 10. Inspraak en medezeggenschap

  • 1.

    Op basis van artikel 21 van de Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Soest 2015 zorgt het college ervoor dat ingezetenen van de gemeente, waaronder cliënten en hun vertegenwoordigers worden betrokken bij het voorbereiden van het beleid. Daarnaast stelt het college ingezetenen van de gemeente vroegtijdig in de gelegenheid voorstellen voor beleid betreffende maatschappelijke ondersteuning te doen.

  • 2.

    De Adviesraad Sociaal Domein Soest adviseert het college vanuit burgerperspectief gevraagd en ongevraagd op het brede sociaal domein.

Artikel 11. Inwerkingtreding en citeertitel

  • 1.

    Deze regeling treedt in werking op 1 januari 2019 onder gelijktijdige intrekking van de Nadere regels 2017 Verordening Jeugdhulp Soest 2017.

  • 2.

    De regeling wordt aangehaald als: Nadere regels 2019 Verordening Jeugdhulp Soest 2017.

Vastgesteld in het college van 18 december 2018,

De secretaris,

A. Veenstra

de burgemeester,

R. Metz

Toelichting Nadere regels 2019 Verordening jeugdhulp 2017

Hoofdstuk 1 Vormen van jeugdhulp

Artikel 1 Overige voorzieningen

De overige voorzieningen zijn vrij toegankelijk beschikbaar zonder een aanvraagprocedure. De overige voorzieningen bestaan uit het laagdrempelig verlenen van informatie en advies en uit het verstrekken van ambulante hulpverlening. Voor een deel van de hulpvragen zal volstaan kunnen worden met een vrij toegankelijke voorziening. Indien dit niet toereikend is, wordt een individuele voorziening ingezet. Daarnaast kunnen de overige voorzieningen een goede ondersteuning bieden bij de inzet van individuele voorzieningen.

 

Ouders en jeugdige kunnen zonder een aanvraag rechtstreeks toegang krijgen tot overige jeugdhulp. De gemeente communiceert duidelijk naar de inwoners welke voorzieningen direct toegankelijk zijn en welke voorzieningen niet direct toegankelijk zijn.

Artikel 2 Individuele voorzieningen

De individuele voorziening is een voorziening die alleen via een aanvraag en een beschikking kan worden ingezet. Het is een voorziening, die niet vrij toegankelijk is voor ouders en jeugdigen. Voorzieningen ter uitvoering van het gedwongen kader vallen onder de diensten van SAVE. De diensten die onder het gedwongen kader vallen zijn niet op aanvraag beschikbaar, maar worden opgelegd via de rechtbank. Het gaat hier om jeugdbescherming en jeugdreclassering. De gemeente is verantwoordelijk voor een toereikend aanbod van deze voorzieningen.

 

De individuele voorzieningen betreffen specialistische hulpverlening/begeleiding en kunnen zowel ambulant als in een intramurale setting worden geboden.

 

In de Verordening Jeugdhulp Soest 2017 (artikel 2, lid 2) worden de volgende individuele voorzieningen genoemd:

 

Specialistische jeugdhulp, zijnde

 

  • i.

    Hulp voor jeugdigen met (ernstige) opvoed- en opgroeiproblemen die niet preventief of door sociaal team geboden kan worden

  • ii.

    Hulp voor jeugdigen met psychische klachten of stoornissen (voorkomen, behandelen en genezen)

  • iii.

    Hulp voor jeugdigen met een verstandelijke beperking

  • iv.

    Begeleiding en persoonlijke verzorging jeugdigen

In deze Nadere regels Verordening Jeugdhulp Soest 2019 wordt een vertaling gemaakt zoals beschreven in artikel 2 Individuele voorzieningen.

 

  • a.

    Ambulante begeleiding

  • b.

    Ambulante behandeling

  • c.

    Ambulante dagbehandeling

  • d.

    Dagactiviteit

  • e.

    Begeleid wonen met toezicht jeugd

  • f.

    Logeren jeugd

  • g.

    Pleegzorg

  • h.

    Wonen in gezinsvormen

  • i.

    Opname met behandeling, besloten

  • j.

    Opname met behandeling, gesloten

  • k.

    Opname met behandeling, psychiatrie

  • l.

    ADHD ziekenhuiszorg

  • m.

    Dyslexie

  • n.

    Hulpverlening dwang en drang

  • o.

    Crisisbeschikbaarheid

Deze indeling past binnen de ingezette beweging in het sociaal domein en sluit aan bij de vormen van individuele voorzieningen zoals staan beschreven in artikel 2 lid 2 van de Verordening Jeugdhulp Soest 2017.

Hoofdstuk 2 Toegang jeugdhulp via de gemeente

Artikel 3 lid 1 en 2 Toegang jeugdhulp via de gemeente, melding hulpvraag

De gemeente organiseert de toegang tot de jeugdhulp. We gaan er hiervan uit dat de toegang naar jeugdhulp zo dicht mogelijk bij het kind en gezin wordt georganiseerd. Inwoners kunnen zich met hun hulpvraag telefonisch of via de website melden. Na bevestiging van de hulpvraag wordt een afspraak gemaakt voor een gesprek door het jeugdteam. Indien mogelijk zal het gesprek zoveel mogelijk bij de ouders en jeugdige thuis plaatsvinden.

Artikel 3 lid 3

Wanneer er sprake is van spoedeisende hulp, kan direct een individuele voorziening worden ingezet. Dit betekent dat ouders en jeugdige geen procedure hoeven te doorlopen om de nodige zorg te ontvangen.

 

Het jeugdteam lid informeert de ouders en jeugdigen over de procedure omtrent het gesprek en informeert de ouders en jeugdigen over hun rechten en plichten. Het kan zijn dat een lid van het jeugdteam op basis van de gegevens uit het brede gesprek nader onderzoek doet om te bepalen of belanghebbende een individuele voorziening op grond van de Jeugdwet nodig heeft. Het aanvragen van advies door de expertisepool kan onderdeel uitmaken van het onderzoek. Het is van belang dat de ouders en jeugdigen toestemming geven voor het uitwisselen van persoonsgegevens.

Vooronderzoek

Artikel 4 lid 1, 2 en 3

Na bevestiging van de hulpvraag wordt een afspraak gemaakt voor een gesprek. Op voorhand bepalen de nadere regels niet precies wanneer deze afspraak wordt gemaakt. Afhankelijk van de hulpvraag kan het namelijk zijn dat het jeugdteam eerst gegevens wil verzamelen voor een goede voorbereiding op het gesprek.

Artikel 4 lid 3

Wanneer de gegevens bekend zijn bij het jeugdteam, dan is het niet nodig om het gehele vooronderzoek opnieuw te houden.

Gesprek

Artikel 5 lid 2

Het familiegroepsplan is in artikel 1.1 van de Jeugdwet gedefinieerd als: hulpverleningsplan of plan van aanpak opgesteld door de ouders, samen met bloedverwanten, aanverwanten of anderen die tot de sociale omgeving van de jeugdige behoren. In artikel 4.1.2 van de Jeugdwet is bepaald dat de jeugdhulpaanbieder of de gecertificeerde instelling bij het uitvoeren van artikel 4.1.1 Jeugdwet en indien sprake is van vroegsignalering van opgroei- en opvoedingsproblemen, psychische problemen en stoornissen, als eerste de mogelijkheid biedt om, binnen redelijke termijn, een familiegroepsplan op te stellen. Op voorhand bepalen deze nadere regels niet wat een redelijke termijn is. Per situatie kunnen met het gezin hierover afspraken worden gemaakt. Op grond van artikel 2.1., onder g, Jeugdwet, maakt het familiegroepsplan onderdeel uit van het gemeentelijk beleid.

Verslag

Artikel 6

Van het gesprek wordt binnen zes weken een schriftelijk verslag opgesteld. Daarin staan de in samenspraak met de ouders en jeugdigen, en indien aanwezig andere personen uit het sociale netwerk, tot stand gekomen oplossingen (een arrangement). In plaats van een verslag kan ook een plan van aanpak worden opgesteld. De inhoud daarvan bevat in ieder geval ook de strekking van de genoemde onderzoeksonderwerpen.

Het verslag vormt de belangrijkste basis voor de beslissing op de aanvraag. Nadat de ouders en jeugdigen beschikken over het verslag is het wel de verantwoordelijkheid van de ouders en jeugdige, al dan niet personen uit het sociale netwerk, zelf te beslissen of een aanvraag wordt ingediend. Als de ouders en/of jeugdige niet eens zijn met het opgestelde plan, dan is er altijd een mogelijkheid voor de ouders en/of jeugdige om aan te geven waarom zij niet akkoord zijn.

Aanvraag

Artikel 7

Als de ouders en/of jeugdige het plan ondertekenen en het plan is voorzien van naam, Burgerservicenummer (BSN), geboortedatum en een dagtekening, kan het plan fungeren als aanvraagformulier voor een individuele voorziening of individuele voorziening; als dat (mede) de uitkomst is van het gesprek.

Afwegingsfactoren

Artikel 8

In de inleiding van de Jeugdwet wordt in overweging genomen dat het wenselijk is dat hulp op maat wordt geboden, er meer ruimte voor professionals is en tot het demedicaliseren, ontzorgen en normaliseren van de jeugdsector, waarbij het uitgangspunt is dat de verantwoordelijkheid voor het gezond en veilig opgroeien van jeugdigen allereerst bij de ouders en de jeugdige zelf ligt.

 

De genoemde afwegingsfactoren zijn daarop gericht. Passende hulp wordt geboden zo licht als het kan, zo zwaar als het moet. Waarbij de beoordeling van wat passende jeugdhulp is aan de professional wordt overgelaten. De professionals in het sociaal domein team verstrekken een onderbouwd advies op basis van intercollegiale toetsing en stellen richtlijnen op die behulpzaam zijn bij het formuleren van dat advies.

Hoofdstuk 3: Regels voor pgb

In de Jeugdwet staat vermeld dat de ouder of jeugdige op eigen kracht of met hulp van zijn sociaal netwerk in staat moet zijn de aan een persoonsgeboden budget verbonden taken op verantwoorde wijze uit te voeren (zie artikel 8.1.1).

Wijze waarop de hoogte van het pgb wordt vastgesteld

Een individuele voorziening in de vorm van een PGB wordt alleen verstrekt indien de aanvrager dit gemotiveerd, aan de hand van een opgesteld plan vraagt. De ouders (en jeugdige) moeten motiveren dat het bestaande aanbod van zorg in natura (ZIN) niet passend is. Conform hetgeen in de Jeugdwet (artikel 8.1.1) staat, kan het niet beschikbaar zijn van ZIN die identiteitsgebonden is, een reden zijn dat ZIN “niet passend is”. In het plan moet duidelijk worden aangetoond dat de verstrekking van een PGB aantoonbaar leidt tot veilige betere en effectievere ondersteuning. Ook dient de ondersteuning aantoonbaar doelmatiger te zijn. De gemeente beoordeelt of dit plan voldoet. Door het opstellen van een persoonlijk plan wordt de ouders en jeugdige gestimuleerd na te denken over zijn zorgvraag, deze uit te werken en te concretiseren.

 

Bij de vaststelling van de tarieven voor dienstverlening wordt een onderscheid gemaakt tussen zorgverlening door professionals in dienst van een instelling, professionals niet in dienst van een instelling en niet professionals (zoals werkstudenten, sociaal netwerk). Het PGB voor dienstverlening door professionals in dienst van een instelling bedraagt 100% van het door het college vast te stellen tarief. Voor dienstverlening door professionals niet in dienst van een instelling (zoals ZZP-ers) wordt uitgegaan van 75% van het vastgestelde tarief omdat deze professionals lagere overheadkosten hebben. Voor de categorie niet professionals hanteert het college een bedrag van 50% van het vastgestelde tarief.

 

De gemeente keert een “bruto” PGB uit aan het SVB, hierop is geen eigen bijdrage in mindering gebracht.

 

Wanneer de jeugdhulp die gefinancierd wordt uit het PGB duurder blijkt te zijn dan de hulp in natura, mag het PGB niet op voorhand worden geweigerd. Gemeenten mogen in dit geval ervoor kiezen alleen een budget te verstrekken ter hoogte van het ingekochte ZIN-tarief (zorg in natura). De extra kosten om de jeugdhulp uit het PGB te contracteren, kunnen dan bijbetaald worden door de aanvrager.