Gemeenteblad van Hoogeveen

Datum publicatieOrganisatieJaargang en nummerRubriek
HoogeveenGemeenteblad 2019, 38280Beleidsregels



Beleidsregels algemene bijstand gemeente Hoogeveen 2019

Burgemeester en wethouders van de gemeente Hoogeveen;

Gelet op hoofdstuk 3 van de Participatiewet, overwegende dat het wenselijk is de beleidsregels met betrekking tot de algemene bijstand bijeen te brengen,

besluit:

de beleidsregels algemene bijstand gemeente Hoogeveen 2019 vast te stellen.

Hoofdstuk 1 Algemene Bepalingen

Artikel 1 Begripsbepalingen

  • 1.

    In deze beleidsregel wordt verstaan onder:

    • a.

      college: het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Hoogeveen;

    • b.

      wet: de Participatiewet;

    • c.

      bijstand: algemene en bijzondere bijstand;

    • d.

      algemene bijstand: de bijstand ter voorziening in de algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan;

    • e.

      bijzondere bijstand: de bijstand, bedoeld in artikel 35 van de wet, de individuele inkomenstoeslag, bedoeld in artikel 36 van de wet en individuele studietoeslag als bedoeld in artikel 36b van de wet;

    • f.

      de bijstandsnorm: de van toepassing zijnde bijstandsnorm, verminderd met de vastgestelde verlaging op grond van de beleidsregels;

    • g.

      voorliggende voorziening: elke voorziening buiten de wet waarop een belanghebbende of het gezin aanspraak kan maken, dan wel een beroep kan doen, ter verwerving van middelen of ter bekostiging van specifieke uitgaven;

    • h.

      duurzame gebruiksgoederen: gebruiksgoederen met een duurzaam karakter en met een restwaarde;

    • i.

      de eigen verantwoordelijkheid; de mate waarin de belanghebbende zelf verantwoordelijk is voor de kosten van het bestaan, via zijn eigen netwerk, sociale omgeving of andere voorliggende voorzieningen;

    • j.

      maatwerk: De bijstand wordt afgestemd op de omstandigheden, mogelijkheden en middelen van de belanghebbende;

    • k.

      vergunninghouder: asielzoeker die een verblijfsvergunning heeft gekregen en in het kader van de taakstelling huisvesting vergunninghouders gehuisvest is in de gemeente;

    • l.

      inrichting: de instelling zoals omschreven in artikel 1 van de wet;

    • m.

      ALO-kop: de verhoging van het kindgebonden budget voor alleenstaande ouders zoals bedoeld in artikel 2 lid 6 van de Wet op het kindgebonden budget;

    • n.

      tienermoeder: de minderjarige alleenstaande ouder;

    • o.

      dakloze: een persoon die geen vaste woon- of verblijfplaats heeft en niet ingeschreven staat in het bevolkingsregister van de gemeente;

    • p.

      thuisloze: een persoon die steeds wisselt van onderdak en ingeschreven staat in het bevolkingsregister van de gemeente als postadres.  

  • 2.

    Alle andere in deze beleidsregel gehanteerde begrippen hebben dezelfde betekenis als vermeld in de wet.

Hoofdstuk 2 Algemene bijstand

Artikel 2 Aanvraag

  • 1.

    Een aanvraag dient schriftelijk of digitaal te worden ingediend.

  • 2.

    De datum van de melding geldt in principe als de ingangsdatum van de uitkering.

  • 3.

    In het geval van een verwijzing/afwijzende beschikking, afkomstig van een sociale verzekeringsinstantie, geldt de meldings-/aanvraagdatum bij die instantie als ingangsdatum voor de bijstandsuitkering, indien belanghebbende zich binnen 7 dagen na dagtekening van de verwijzing/afwijzing komt melden.

  • 4.

    De verkorte aanvraagprocedure geldt voor de volgende situaties:

    • a.

      belanghebbende komt binnen drie maanden na beëindiging van de eerdere bijstandsuitkering een hernieuwd beroep doen op een bijstandsuitkering, en bij de beëindiging was geen sprake van schending van de inlichtingenplicht;

    • b.

      belanghebbende verhuisd van de gemeente Hoogeveen naar gemeente de Wolden en vice versa;

    • c.

      bij beëindiging samenwoning van bijstandsgerechtigden;

    • d.

      bij samenwoning van bijstandsgerechtigden.

Artikel 3 Verhuizing vanuit andere gemeente

1. Bij een verhuizing vanuit een andere gemeente wordt, voor wat betreft de ingangsdatum van de uitkering, aangesloten bij de einddatum van de bijstandsuitkering in die andere gemeente indien men zich binnen 7 dagen na de beëindiging heeft gemeld.

2. Bij een verhuizing vanuit De Wolden naar Hoogeveen en andersom wordt, indien er binnen 30 dagen na beëindiging wordt aangevraagd, de vermogensvaststelling van de vorige gemeente overgenomen.

3. Bij verhuizingen vanuit andere gemeenten dient in alle gevallen het vermogen opnieuw te worden vastgesteld.

Artikel 4 Ingangsdatum uitkering jongeren onder de 27

  • 1.

    Indien de jongere de aanvraag niet binnen 7 dagen na de zoektijd van 28 dagen indient, dan is de ingangsdatum de dag waarop de aanvraag is ingediend en niet de eerste meldingsdatum.

  • 2.

    Indien de jongere de aanvraag later dan 30 dagen na verstrijken van de zoektijd indient, zal de jongere opnieuw de zoektijd moeten doorlopen.

  • 3.

    Indien de jongere de aanvraag tijdens de zoektijd van 28 dagen indient, wordt de aanvraag pas in behandeling genomen nadat de zoektijd is verstreken. De jongere krijgt dan een hersteltermijn voor de resterende zoektijd. Hij moet aantonen wat hij in de resterende zoektijd heeft gedaan om scholing of werk te vinden.

Artikel 5 Ingangsdatum en einddatum zak- en kleedgelduitkering bij opname in instelling

  • 1.

    De ingangsdatum van de zak- en kleedgelduitkering gaat in vanaf datum opname indien belanghebbende voorafgaande aan de opname geen bijstandsuitkering ontvangt.

  • 2.

    Indien belanghebbende een bijstandsuitkering ontvangt dan wordt de oude bijstandsnorm voortgezet gedurende drie maanden na datum opname. Daarna wordt de uitkering gewijzigd in de zak- en kleedgeldnorm.

  • 3.

    Bij een echtpaar wijzigt de norm, drie maanden na datum opname, in de zak- en kleedgeldnorm en voor de achterblijvende partner in de van toepassing zijnde norm.

  • 4.

    Als de opname langer dan 6 maanden duurt dan vindt een herbeoordeling plaats van de voortgang van de opname en domicilie.

Artikel 6 Afstemming bij verblijf in een instelling

  • 1.

    Bij een verblijf in een instelling kan wonen en zorg gescheiden zijn. Hierdoor kan een situatie ontstaan waardoor belanghebbende woonlasten verschuldigd is. De algemene bijstand naar de norm voor verblijf in een instelling is dan ontoereikend. De algemene bijstand moet via artikel 18 Participatiewet worden afgestemd op de omstandigheden, mogelijkheden en middelen van belanghebbende.

  • 2.

    De algemene bijstand wordt in een dergelijke situatie opgehoogd met de verschuldigde woonkostencomponenten (bijvoorbeeld huur, gas, water en elektra), rekening houdend met eventuele huurtoeslag.

  • 3.

    Als er een ander inkomen wordt ontvangen dan algemene bijstand en er bijzondere bijstand wordt aangevraagd dient er bij de berekening van de draagkracht uit te worden gegaan van de inrichtingsnorm verhoogd met de woonkostencomponenten, zoals bedoeld in lid 2 van dit artikel.

  • 4.

    Jongeren van 18 – 21 jaar in instelling zijn uitgesloten van het recht op algemene bijstand. Voor de kosten van levensonderhoud kunnen zij een beroep doen op de bijzondere bijstand. Dit is geregeld in de beleidsregels bijzondere bijstand.

Artikel 7 Gedwongen opname BOPZ

  • 1.

    Bij een gedwongen opname op grond van de Wet Bijzondere Opneming in Psychiatrische Ziekenhuizen (BOPZ) wordt de algemene bijstand voortgezet gedurende de maand van opname en de maand daaropvolgend.

  • 2.

    Is belanghebbende langer dan de periode, zoals gesteld onder lid 1 opgenomen, dan wordt de algemene bijstand beëindigd met in achtneming van lid 1.

Artikel 8 Inlichtingenplicht

  • 1.

    Belanghebbende moet wijzigingen waarvan het hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op arbeidsinschakeling of recht op bijstand uit eigen beweging melden.

  • 2.

    Belanghebbende moet wijzigingen binnen 7 dagen doorgeven via het wijzigingsformulier.

  • 3.

    Wordt de wijziging niet tijdig doorgegeven dan vindt een boetebeoordeling plaats.

Artikel 9 Bijstand aan daklozen en thuislozen

  • 1.

    De Gemeente Hoogeveen is geen aangewezen gemeente voor bijstandsverlening aan daklozen. Daklozen worden doorverwezen naar de aangewezen centrumgemeente Assen.

  • 2.

    Thuislozen die verblijven in de Gemeente Hoogeveen en geen verblijfadres hebben, kunnen een briefadres bij het Leger des Heils krijgen voor de duur van maximaal 1 jaar als aan de voorwaarden wordt voldaan. Voor deze groep is bijstand mogelijk.

Artikel 10  Inkomen

  • 1.

    Alle ontvangen middelen die het karakter hebben van een voorziening in het levensonderhoud worden gezien als inkomen.

  • 2.

    Een vrijwilligersvergoeding kan worden vrijgelaten indien belanghebbende het vrijwilligerswerk via het wijzigingsformulier bij het college heeft gemeld en de vergoeding voldoet aan de wettelijke voorwaarden.

  • 3.

    Ontvangen bedragen aan teruggave en voorlopige teruggave van de Belastingdienst worden gekort wanneer deze betrekking hebben op een periode waarin bijstand wordt verleend en wanneer zij tot de middelen moeten worden gerekend.

Artikel 11 Vaststellen vermogen bij aanvang bijstand

  • 1.

    Vermogen is de waarde van bezittingen minus de aanwezige schulden.

  • 2.

    Bezittingen zijn zowel geld als goederen, die een bepaalde waarde in het economisch verkeer vertegenwoordigen.

  • 3.

    Bij de waardebepaling van de eigen woning wordt uitgegaan van de geldende WOZ-waarde minus het saldo van de hypotheek die op de woning rust. Dit geldt ook bij een spaarhypotheek.

  • 4.

    Er dient rekening te worden gehouden met de opgebouwde waarde van een spaar- beleggingshypotheek en/of levensverzekering.

  • 5.

    Alle vermogensbestanddelen van belanghebbenden, inclusief van de ten laste komende kinderen en een eventuele niet-rechthebbende partner, worden meegenomen.

Artikel 12 Algemeen gebruikelijke bezittingen

  • 1.

    Bij het vaststellen van het vermogen wordt geen rekening gehouden met algemeen gebruikelijke bezittingen.

  • 2.

    Onder algemeen gebruikelijke bezittingen wordt verstaan:

    a. gebruikelijke huisraad en inboedel;

    b. de waarde van de auto(’s), 45 km wagens en motoren tot een bedrag van in totaal € 5.000,00;

    c. de waarde van de scooters, brommers, elektrische fietsen tot een bedrag van in totaal € 2.500,00.

  • 3.

    De waarde van de auto(s) wordt bepaald aan de hand van de

  • 4.

    Indien de auto niet meer in de ANWB koerslijst voorkomt wordt uit gegaan van de gemiddelde prijs op

  • 5.

    Indien de gezamenlijke waarde van de bezittingen, genoemd onder lid 2b, meer bedraagt dan € 5.000,00 dient de meerwaarde meegenomen te worden in de vermogensvaststelling;

  • 6.

    De waarde van de brommers, scooters en elektrische fietsen worden vastgesteld aan de hand van de aankoopbewijzen, leeftijd, opgegeven onderhoudstoestand en navraag bij een erkende dealer.

  • 7.

    Indien de gezamenlijke waarde van de bezittingen, genoemd onder lid 2c, meer bedraagt dan € 2.500,00 dient de meerwaarde meegenomen te worden in de vermogensvaststelling;

  • 8.

    Wanneer voorzienbaar was dat een belanghebbende een beroep op bijstand zou moeten doen en hij in de drie maanden voorafgaand aan de bijstandsaanvraag nog een auto, motor, scooter, brommer, 45 km wagen of een elektrische fiets heeft aangeschaft wordt de waarde van het voertuig wel volledig tot het vermogen gerekend;

  • 9.

    Indien een van de bovenstaande goederen tijdens de bijstand aan een belanghebbende wordt geschonken gelden de regels van het verkrijgen van een gift als bedoeld in artikel 22.

  • 10.

    Indien vervoer noodzakelijk is vanwege een beperking, wordt de waarde van een aangepast voertuig vrijgelaten.

Artikel 13 Geen algemeen gebruikelijke bezittingen

  • 1.

    Onder algemeen gebruikelijke bezittingen wordt niet verstaan:

    a. vrachtauto, tractor, aanhangwagen, (sta)caravan, camper, boot, tuinhuisje;

    b. klassieker en/of oldtimer.

  • 1.

    De waarde van de onder lid 1a genoemde bezittingen worden vastgesteld aan de hand van aankoopbewijzen, leeftijd, opgegeven onderhoudstoestand en navraag bij detailhandel.

  • 2.

    De waarde van de onder lid 1b genoemde bezittingen dient te worden vastgesteld aan de hand van een taxatierapport, die niet ouder is dan 3 jaar en opgesteld door een erkende taxateur.

  • 3.

    Indien de gezamenlijke waarde van de onder lid 1a en 1b genoemde bezittingen meer bedraagt dan € 2.500,00 dient de meerwaarde meegenomen te worden in de vermogensvaststelling.

  • 4.

    Indien een van de bovenstaande bezittingen tijdens de bijstand aan een belanghebbende wordt geschonken gelden de regels van het verkrijgen van een gift als bedoeld in artikel 22.

Artikel 14 Waardevolle dieren

  • 1.

    Dieren met een totale waarde van minder dan € 2.500,00 worden niet meegenomen in de vermogensvaststelling.

  • 2.

    Indien de gezamenlijke waarde van de dieren meer bedraagt dan € 2.500,00 dient de meerwaarde meegenomen te worden in de vermogensvaststelling.

  • 3.

    Bij waardevolle dieren wordt de waarde vastgesteld aan de hand van aankoopbewijzen, leeftijd en navraag bij erkende fokkers.

Artikel 15 Sieraden, goud/zilver, kunst en antiek

  • 1.

    Sieraden, goud/zilver, kunst en antiek met een totale waarde van minder dan € 2.500,00 worden niet meegenomen in de vaststelling van het vermogen.

  • 2.

    Indien de waarde van in bezit zijnde sieraden, goud/zilver, kunst en antiek meer bedraagt dan € 2.500,00 dient de meerwaarde meegenomen te worden in de vaststelling van het vermogen.

  • 3.

    De waarde van sieraden, goud/zilver wordt vastgesteld door een juwelier.

  • 4.

    De waarde van kunst en antiek wordt vastgesteld door een galerij of antiekhandel.

  • 5.

    Indien een van de bovenstaande goederen tijdens de bijstand wordt geschonken aan een belanghebbende gelden de regels van het verkrijgen van een gift als bedoeld in artikel 22.

Artikel 16 Bijzondere bezittingen zoals aandelen, effecten, e-wallet, cryptomunten etc.

  • 1.

    Van de hieronder opgenoemde overige bezittingen dienen altijd bewijstukken te worden ingeleverd:

    a. onroerend goed in het binnenland en/of buitenland;

    b. e-wallet (bijvoorbeeld Paypal);

    c. inhoud gehuurde bankkluis;

    d. cryptomunten;

    e. aandelen;

    f. effecten;

    g. overige bijzondere bezittingen.

  • 2.

    De actuele waarde van deze bezittingen worden tot het vermogen gerekend.

  • 3.

    De waarde van de bezittingen wordt vastgesteld op de waarde in het economische verkeer.

  • 4.

    Als de waardevermeerdering van de onder 1d tot en met 1g genoemde bezittingen tijdens de bijstand het resterend vrij te laten vermogen overschrijdt dient belanghebbende deze wijziging direct door te geven.

  • 5.

    Eenmaal per jaar dient belanghebbende bewijsstukken in te leveren van de waarde van de onder 1d tot en met 1g genoemde bezittingen.

Artikel 17 Materiële en immateriële schadevergoeding

  • 1.

    De schadevergoeding die de belanghebbende ontvangt voor materiële schade wordt niet als vermogen aangemerkt tenzij de schadevergoeding niet wordt gebruikt voor het wegnemen van de schade.

  • 2.

    a. Een schadevergoeding die is bedoeld ter compensatie van het verlies van arbeidsvermogen wordt aangemerkt als inkomen over de periode waarop de vergoeding betrekking heeft.

    b. Het deel van de schadevergoeding dat betrekking heeft op een periode voor bijstandsaanvang wordt tot het vermogen gerekend.

  • 3.

    Een immateriële schadevergoeding wordt niet als vermogen in aanmerking genomen als deze minder bedraagt dan € 6.000,00.

  • 4.

    Van een immateriële schadevergoeding die meer bedraagt dan € 6.000,00 wordt 2/3 van het meerdere aangemerkt als vermogen.

  • 5.

    Als uit het totale bedrag van de schadevergoeding niet kan worden afgeleid welk deel de materiele en/of immateriële schade betreft, is het aan de klant om aan te tonen hoe de verdeling is.

Artikel 18 Uitvaartverzekering

  • 1.

    Als een uitvaartverzekering kan worden afgekocht moet de afkoopwaarde worden meegenomen in de vermogensvaststelling.

  • 2.

    Als belanghebbende wist of redelijkerwijs had kunnen weten dat hij op korte termijn aangewezen zou zijn op een bijstandsuitkering, en hij vermogen in een uitvaartverzekering steekt of een afkoopbare uitvaartverzekering omzet in een niet-afkoopbare, kan er sprake zijn van een tekortschietend besef van verantwoordelijkheid als het vermogen van invloed is op zijn recht op uitkering.

Artikel 19 Pensioenverzekeringen

  • 1.

    Bij een afkoop van een pensioen moet worden vastgesteld voor welke periode het pensioen is bestemd.

  • 2.

    In de meeste gevallen is het pensioen bestemd voor een toekomstige periode. Het bedrag van de afkoop wordt dan tot het vermogen gerekend.

  • 3.

    Een afkoop van een pensioen tot een bedrag van netto € 125,00 per kalenderjaar wordt als kruimelbedrag aangemerkt en leidt niet tot een herziening van de vermogenspositie en eventuele boetebeoordeling.

  • 4.

    Als de afkoop van een pensioen betrekking heeft op een periode waarover bijstand wordt ontvangen moet een deel van de afkoop tot het inkomen worden gerekend.

  • 5.

    De hoogte van deze inkomsten worden berekend aan de hand van de gemiddelde levensverwachting van de persoon.

  • 6.

    Een lijfrenteverzekering is een pensioenvoorziening. De afkoopwaarde van een lijfrenteverzekering wordt onder bepaalde voorwaarden buiten beschouwing gelaten. Dit is geregeld in artikel 15 lid 2 van de Participatiewet. Deze regeling is niet van toepassing als de lijfrente is bedoeld voor derden zoals nabestaanden.

Artikel 20 Schulden en/of leningen

  • 1.

    De voorwaarden voor een schuld of lening zijn:

    a. de schuld of lening is in voldoende mate aannemelijk;

    b. er is een daadwerkelijke verplichting tot terugbetaling;

    c. de aflossing van de schuld of lening is te verifiëren aan de hand van objectieve gegevens;

    d. de schuld of lening is schriftelijk vastgelegd.

  • 2.

    Als aan de bovenstaande voorwaarden is voldaan is een schuld of lening een negatieve vermogenscomponent bij de aanvraag.

Artikel 21 Stortingen en bijschrijvingen

  • 1.

    Stortingen en bijschrijvingen worden volgens vaste jurisprudentie gezien als middelen.

  • 2.

    Als de stortingen en bijschrijvingen een terugkerend of periodiek karakter hebben en kunnen worden aangewend voor algemeen noodzakelijke bestaanskosten is er sprake van inkomen. Als het ontvangen bedrag in een maand de norm overstijgt, dan wordt het meerdere tot het vermogen gerekend.

  • 3.

    Bij een eenmalige storting of bijschrijving is er geen sprake van inkomen maar van vermogen.

  • 4.

    Als het ontvangen bedrag in de vorm van een lening is verstrekt is dit geen middel.

Artikel 22 Giften

  • 1.

    Uitgangspunt is dat giften geen structureel karakter hebben.

  • 2.

    Giften van een charitatieve instelling worden tot een totaalbedrag van € 1.500,00 per kalenderjaar vrijgelaten.

  • 3.

    Giften van derden worden tot een totaalbedrag van € 750,00 per kalenderjaar vrijgelaten.

  • 4.

    Giften in natura zoals vliegtickets of geschenken worden omgerekend naar de waarde die zij vertegenwoordigen in het economische verkeer en kunnen deels worden vrijgelaten als aan alle voorwaarden in dit artikel is voldaan. Het meerdere wordt toegerekend aan het vermogen.

  • 5.

    Giften in natura worden tot een totaalbedrag van € 1.000,00 per kalenderjaar vrijgelaten.

  • 6.

    Giften in natura die een waarde van minder dan € 50,00 vertegenwoordigen worden niet tot de middelen gerekend en hoeven niet te worden gemeld.

  • 7.

    Een gift dient binnen 7 dagen na ontvangst te worden gemeld middels het wijzigingsformulier.

  • 8.

    Als een gift niet tijdig is gemeld, wordt deze tot de middelen gerekend, zoals bedoeld in artikel 21.

  • 9.

    Als een gift meer bedraagt dan de genoemde vrijlatingen in dit artikel wordt het meerdere toegerekend aan het vermogen.

Artikel 23 Boedelscheidingen en erfenissen

  • 1.

    Het uitgangspunt is dat het vermogen wordt vastgesteld bij aanvang van de bijstand.

  • 2.

    Is belanghebbende ten tijde van de aanvraag verwikkeld in een echtscheidingsprocedure dan wordt het definitieve vermogen vastgesteld zodra de boedelscheiding is afgerond.

  • 3.

    Het vermogen wordt na de afwikkeling van de echtscheiding vastgesteld per datum aanvang bijstand.

  • 4.

    Een toename van het vermogen als gevolg van een erfenis wordt meegenomen vanaf de datum van overlijden van de erflater.

  • 5.

    Is het vermogen na een erfenis hoger dan de van toepassing zijnde vermogensgrens dan wordt de teveel betaalde bijstand netto teruggevorderd rekening houdend met de successierechten.

Artikel 24 Interingsnorm vermogen

  • 1.

    Vraagt belanghebbende bijstand aan, na op zijn vermogen te hebben ingeteerd, dan wordt beoordeeld of belanghebbende verantwoord heeft ingeteerd op zijn vermogen.

  • 2.

    De interingsnorm is 1,5 keer de toepasselijke bijstandsnorm

  • 3.

    De interingsnorm kan worden verhoogd met het eventuele gemis aan huur- en zorgtoeslag.

  • 4.

    Er wordt rekening gehouden met de inkomsten welke gedurende de interingsperiode zijn ontvangen.

  • 5.

    Met eventuele bijzondere uitgaven kan rekening worden gehouden.

  • 6.

    Bij schending van de inlichtingenplicht wordt de interingsnorm van 1 keer de toepasselijke bijstandsnorm gehanteerd.

Artikel 25 Detentie

  • 1.

    De dag van in detentie neming telt als een volledige dag detentie waardoor belanghebbende uitgesloten is van het recht op bijstand.

  • 2.

    De dag van invrijheidstelling wordt als volledige vrije dag aangemerkt.

  • 3.

    Als vooraf bekend is dat de detentieperiode korter duurt dan 30 dagen wordt de belanghebbende uitgesloten gedurende de detentieperiode. De periode van uitsluiting wordt achteraf vastgesteld aan de hand van het ontslagbewijs.

  • 4.

    Als nog niet bekend is hoe lang de detentieperiode duurt of als de detentieperiode langer duurt dan 30 dagen wordt de uitkering beëindigd per datum in detentie neming.

Artikel 26 Verblijf in buitenland

  • 1.

    Bij verblijf in het buitenland wordt de dag van vertrek gezien als volledige dag in Nederland en de dag van terugkomst als volledige dag in het buitenland.

  • 2.

    Het verblijf in het buitenland moet twee weken voor vertrek middels een vakantieformulier worden gemeld.

  • 3.

    Als vooraf bekend is dat het verblijf in het buitenland langer duurt dan 4 weken wordt de uitkering in principe beëindigd.

Artikel 27 Niet rechthebbende partner

  • 1.

    Het recht op bijstand komt beide echtgenoten gezamenlijk toe, tenzij een van de echtgenoten geen recht op bijstand heeft.

  • 2.

    Indien een van beide partners geen recht op bijstand heeft zijn de gevolgen:

    a. voor de rechthebbende partner is de norm gelijk aan 50% van de norm die voor hem zou gelden als hij gehuwd zou zijn met een rechthebbende partner, tenzij de kostendelersnorm van toepassing is in verband met kostendelende medebewoners;

    b. er wordt rekening gehouden met het inkomen en vermogen van de niet-rechthebbende partner.

  • 3.

    Indien de norm is gewijzigd naar 50% en er geen aanspraak meer kan worden gemaakt op de ALO-kop, kan de bijstand op grond van artikel 18 Participatiewet worden afgestemd met het ontbrekende bedrag van de ALO-kop.

  • 4.

    Indien de norm is gewijzigd naar 50% kan de bijstand op grond van artikel 18 Participatiewet worden afgestemd als er sprake is van een schrijnende situatie. De uitkering wordt opgehoogd naar 70% van gehuwdennorm.

Artikel 28 Inkomstenvrijlating

  • 1.

    De inkomstenvrijlatingen worden beoordeeld na het indienen van een schriftelijke aanvraag.

  • 2.

    De inkomstenvrijlatingen kunnen met terugwerkende kracht tot maximaal 2 maanden worden toegekend.

  • 3.

    Voor toepassing van een inkomstenvrijlating dienen de inkomsten uit arbeid tezamen met de andere inkomensbestanddelen niet hoger te zijn dan de toepasselijke bijstandsnorm of grondslag.

  • 4.

    De inkomstenvrijlatingen kunnen één maal per uitkeringsperiode toegekend.

Artikel 29 Tienermoeder

  • 1.

    Aan het kind van een minderjarige ouder kan bijstand worden verstrekt als aan de volgende voorwaarden wordt voldaan:

    a. er kan geen beroep worden gedaan op eigen middelen en de onderhoudsplicht van de ouders van het kind;

    b. er bestaat geen recht op de ALO-kop van de Belastingdienst.

  • 2.

    De hoogte van de bijstand is gelijk aan de hoogte van de ALO-kop.

Artikel 30 Inwerkingtreding

Deze beleidsregels treden in werking op de dag na bekendmaking en werken terug tot en met 1 januari 2019.

Aldus vastgesteld door het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Hoogeveen, op 5 februari 2019

De secretaris, de burgemeester

N. Kramer K. Loohui