Gemeenteblad van Asten

Datum publicatieOrganisatieJaargang en nummerRubriek
AstenGemeenteblad 2019, 320306Verordeningen



Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Asten 2020

De raad van de gemeente Asten;

 

gelezen het voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 29 oktober 2019;

 

gehoord het advies van de commissie Burgers van 25 november 2019;

 

gelet op de artikelen 2.1.3, 2.1.4,eerste tot en met het vierde lid, en zesde lid, 2.1.4a, eerste, tweede, vijfde en zesde lid, 2.1.4b, tweede lid, 2.1.5, eerste lid, 2.1.6, 2.1.7, 2.3.6,vierde lid, 2.6.6, eerste lid, van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015en de artikelen 3.8, tweede lid en 5.4 van het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015;

 

overwegende dat burgers een eigen verantwoordelijkheid dragen voor de wijze waarop zij hun leven inrichten en deelnemen aan het maatschappelijk leven; dat van burgers verwacht mag worden dat zij elkaar daarin naar vermogen bijstaan; dat burgers die zelf, dan wel samen met personen in hun omgeving onvoldoende zelfredzaam zijn of onvoldoende in staat zijn tot participatie, een beroep moeten kunnen doen op ondersteuning door de gemeente, zodat zij zo lang mogelijk in de eigen leefomgeving kunnen blijven wonen; dat het noodzakelijk is om regels vast te stellen ter uitvoering van het beleidsplan als bedoeld in artikel 2.1.2 van de wet met betrekking tot de ondersteuning bij de versterking van de zelfredzaamheid en participatie van personen met een beperking of met chronische psychische of psychosociale problemen, beschermd wonen en opvang, en dat het noodzakelijk is om de toegankelijkheid van voorzieningen, diensten en ruimten voor mensen met een beperking te bevorderen en daarmee bij te dragen aan het realiseren van een inclusieve samenleving zijnde een samenleving waar iedereen tot zijn recht kan komen en kan participeren;

 

 

besluit:

 

 

vast te stellen de Verordening maatschappelijke ondersteuninggemeente Asten2020;

in te trekken de Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Asten 2018.

 

 

Hoofdstuk 1 Begripsbepalingen

Artikel 1.1 Begripsbepalingen

In deze verordening en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

  • a.

    Aanvraag:

  • een verzoek aan het college om in aanmerking te komen voor een maatwerkvoorziening;

  • b.

    Algemene voorziening;

  • aanbod van diensten of activiteiten dat, zonder voorafgaand onderzoek naar de behoeften, persoonskenmerken en mogelijkheden van gebruikers, toegankelijk is, dat is gericht op maatschappelijke ondersteuning en waarmee aan de ondersteuningsbehoefte wordt tegemoet gekomen;

  • c.

    Algemeen gebruikelijke voorziening:

  • voorziening die niet speciaal is bedoeld voor mensen met een beperking en die algemeen verkrijgbaar is, niet of niet veel duurder is dan vergelijkbare producten en voor de cliënt ook daadwerkelijk beschikbaar is, financieel gedragen kan worden en adequate compensatie biedt;

  • d.

    Begeleiding:

  • activiteiten gericht op het bevorderen van zelfredzaamheid en participatie van de cliënt opdat hij zo lang mogelijk in zijn eigen leefomgeving kan blijven (artikel 1.1.1 Wmo 2015);

  • e.

    Begeleiding plus:

  • op de behoeften, persoonskenmerken en mogelijkheden van een cliënt afgestemd geheel van diensten en activiteiten in het kader van intensieve ambulante individuele (woon-) begeleiding. Bedoeld voor personen met langdurige psychiatrische, psychische of psychosociale problemen, of een combinatie daarvan met een verstandelijke beperking of gedragsstoornissen, die niet volledig in staat zijn zich op eigen kracht te handhaven in de samenleving c.q. niet geheel zelfstandig kunnen wonen.

  • De maatwerkvoorziening wordt ingezet ter voorkoming dan wel afschaling van beschermd wonen; Deze intensieve ambulante individuele begeleiding is gericht op het bevorderen van zelfredzaamheid en participatie, het psychisch en psychosociaal functioneren, stabilisatie van een psychiatrisch ziektebeeld, het voorkomen van verwaarlozing of maatschappelijke overlast of het afwenden van gevaar voor de cliënt of anderen. De individuele begeleiding kan, indien nodig, aangevuld worden met een vorm van dagbesteding (begeleiding groep). Begeleiding Plus kan in die zin zowel begeleiding groep als begeleiding individueel omvatten waarbij begeleiding groep altijd aanvullend is op begeleiding individueel en niet los van begeleiding individueel kan worden ingezet. De maatwerkvoorziening Begeleiding-Plus wordt ingezet bij de afschaling van beschermd wonen naar zelfstandig (begeleid) wonen of ter voorkoming van opname in een beschermd-wonen voorziening (opschaling). Daartoe behoort eveneens, in geval van individuele begeleiding, het bieden van 24-uurs bereikbaarheid van de begeleiding en deels planbare en deels onplanbare begeleiding;

  • f.

    Beperkingen:

  • moeilijkheden die een cliënt heeft met het uitvoeren van activiteiten;

  • g.

    Beschermd wonen:

  • wonen en verblijf in een accommodatie van een instelling met daarbij behorend 24-uurs toezicht en begeleiding in de directe nabijheid, gericht op het bevorderen van zelfredzaamheid en participatie, het psychisch en psychosociaal functioneren, stabilisatie van een psychiatrisch ziektebeeld, het voorkomen van verwaarlozing of maatschappelijke overlast of het afwenden van gevaar voor de cliënt of anderen, bestemd voor personen met psychische of psychosociale problemen, die niet in staat zijn zich op eigen kracht te handhaven in de samenleving (artikel 1.1.1 Wmo 2015);

  • h.

    Bezoek baar maken van een woning:

  • aanpassen van een woonruimte opdat de woonkamer, één toilet en de buitenruimte behorende bij het hoofdverblijf, bereikt kunnen worden;

  • i.

    Bijdrage:

  • bijdrage als bedoeld in de artikelen 2.1.4 en 2.1.4a van de wet;

  • j.

    Cliënt:

  • persoon die gebruik maakt van een algemene voorziening of aan wie een maatwerkvoorziening of persoonsgebonden budget is verstrekt of door of namens wie een melding is gedaan als bedoeld in artikel 2.3.2, eerste lid, van de wet;

  • k.

    Cliëntondersteuning:

  • onafhankelijke ondersteuning met informatie, advies en algemene ondersteuning die bijdraagt aan het versterken van de zelfredzaamheid en participatie en het verkrijgen van een zo integraal mogelijke dienstverlening op het gebied van maatschappelijke ondersteuning, preventieve zorg, zorg, jeugdhulp, onderwijs, welzijn, wonen, werk en inkomen;

  • l.

    College:

  • college van burgemeester en wethouders;

  • m.

    Diensten

  • maatwerkvoorziening niet zijnde hulpmiddelen of woningaanpassingen;

  • n.

    Dienstverlener: de zorgverlener die ingevolge een pgb diensten verleent aan een budgethouder;

  • o.

    gebruikelijke hulp:

  • hulp die naar algemeen aanvaarde opvattingen in redelijkheid mag worden verwacht van de echtgenoot, ouders, inwonende kinderen of andere huisgenoten;

  • p.

    Huisgenoot:

  • iedere persoon met wie cliënt gemeenschappelijk een woning bewoont;

  • q.

    Hulpvraag:

  • behoefte aan maatschappelijke ondersteuning als bedoeld in artikel 2.3.2, eerste lid, van de wet;

  • r.

    Ingezetene van een gemeente:

  • inwoner van een gemeente waarbij de feitelijke plek / plaats waar een cliënt verblijft of woont bepalend is;

  • s.

    Klacht jegens een aanbieder:

  • iedere uiting van onvrede over een handeling, of het nalaten daarvan, dat gevolgen heeft voor een cliënt, door de aanbieder of door een persoon die voor een aanbieder werkzaam is;

  • t.

    Kortdurend verblijf:

  • de noodzakelijke ontlasting van de persoon die gebruikelijke zorg of mantelzorg verleent aan een persoon met een beperking aangewezen op permanent toezicht en / of 24 uur per dag zorg in de nabijheid middels het laten verblijven van mensen met een beperking gedurende maximaal drie etmalen buitenshuis, tot een maximum van 52 etmalen op jaarbasis;

  • u.

    Maatschappelijke ondersteuning:

  • 1°. bevorderen van de sociale samenhang, de mantelzorg en vrijwilligerswerk, de toegankelijkheid van voorzieningen, diensten en ruimten voor mensen met een beperking, de veiligheid en leefbaarheid in de gemeente, alsmede voorkomen en bestrijden van huiselijk geweld,

  • 2°. ondersteunen van de zelfredzaamheid en de participatie van personen met een beperking of met chronische psychische of psychosociale problemen zoveel mogelijk in de eigen leefomgeving,

  • 3°. bieden van beschermd wonen en opvang;

  • v.

    Maatwerkvoorziening:

  • 1.op de behoeften, persoonskenmerken en mogelijkheden van een persoon afgestemd geheel van diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen:

  • 1°. ten behoeve van zelfredzaamheid, daaronder begrepen kortdurend verblijf in een instelling ter ontlasting van de mantelzorger, het daarvoor noodzakelijke vervoer, alsmede hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen,

  • 2°. ten behoeve van participatie, daaronder begrepen het daarvoor noodzakelijke vervoer, alsmede hulpmiddelen en andere maatregelen,

  • 3°. ten behoeve van beschermd wonen en opvang.

  • 2.onder een maatwerkvoorziening wordt, met inachtneming van hetgeen bepaald in deze verordening, tevens een financiële tegemoetkoming verstaan;

  • w.

    Mantelzorg:

  • hulp ten behoeve van zelfredzaamheid, participatie, beschermd wonen, opvang, jeugdhulp, het opvoeden en opgroeien van jeugdigen en zorg en overige diensten als bedoeld in de Zorgverzekeringswet, die rechtstreeks voortvloeit uit een tussen personen bestaande sociale relatie en die niet wordt verleend in het kader van een hulpverlenend beroep;

  • x.

    Melding:

  • melding aan het college als bedoeld in artikel 2.3.2, eerste lid, van de wet;

  • y.

    Particuliere inzet:

  • Particuliere inzet betreft de inzet die niet wordt geleverd door een professionele dienstverlener. Onder particuliere inzet wordt mede begrepen inzet door het sociaal netwerk;

  • z.

    Pgb:

  • persoonsgebonden budget als bedoeld in artikel 1.1.1 van de wet;

  • aa.

    Professionele dienstverlener:

  • Een entiteit of dienstverlener (zelfstandige zonder personeel) die beroepsmatig zorg, maatschappelijke en / of aanpalende diensten aanbiedt aan cliënten. Van een beroepsmatig aanbod van diensten zoals genoemd in de eerste zin, is sprake wanneer de entiteit of dienstverlener (zelfstandige zonder personeel) staat ingeschreven in het handelsregister van de Kamer van Koophandel en daarnaast uit overige feiten en omstandigheden blijkt dat de entiteit of de dienstverlener als onderneming respectievelijk als ondernemer kan worden aangemerkt;

  • ab.

    Sociaal netwerk:

  • personen uit de huiselijke kring of andere personen met wie de cliënt een sociale relatie onderhoudt;

  • ac.

    Trekkingsrecht:

  • het pgb – met uitzondering van het eenmalige pgb – wordt beheerd door de SVB. De SVB betaalt vervolgens in opdracht van de cliënt rechtstreeks de dienstverlener;

  • ad.

    Uitvoeringsbesluit Wmo 2015:

  • landelijke AMvB ingevolge artikel 2.1.4., vierde lid, Wmo 2015;

  • ae.

    Voorliggende voorziening:

  • een voorziening ontleend aan een andere wettelijke regeling dan de Wmo 2015 waarmee aan de ondersteuningsvraag wordt tegemoetgekomen;

  • af.

    Voorziening in natura:

  • een voorziening die in eigendom, in bruikleen, in huur of in de vorm van persoonlijke dienstverlening wordt verstrekt;

  • ag.

    Wet:

  • Wet maatschappelijke ondersteuning 2015;:

  • ah.

    Wlz-instelling

  • instelling die zorg levert die valt binnen de Wet langdurige zorg (Wlz);

  • jj. Zelfredzaamheid:

  • in staat zijn tot het uitvoeren van de noodzakelijke algemene dagelijkse levensverrichtingen en het voeren van een gestructureerd huishouden.

 

HOOFDSTUK 2 PROCEDURE MAATWERKVOORZIENING EN TEGEMOETKOMING VOOR MEERKOSTEN

Artikel 2. 1De melding van een hulpvraag kan schriftelijk, telefonisch, mondeling of elektronisch door of namens een cliënt bij het college worden ingediend. Het college bevestigt de ontvangst van een melding.

2. In spoedeisende gevallen als bedoeld in artikel 2.3.3 van de wet treft het college na de melding onverwijld een tijdelijke maatwerkvoorziening in afwachting van de uitkomst van het meldingsonderzoek zoals vermeld in artikel 2.3 van de verordening.

Artikel 2.2. Cliëntondersteuning

1. Het college zorgt ervoor dat ingezetenen een beroep kunnen doen op kosteloze cliëntondersteuning, waarbij het belang van de cliënt uitgangspunt is.

2.  Het college wijst de cliënt en zijn mantelzorger voor het meldingsonderzoek, bedoeld in artikel 2.3.2, eerste lid, van de wet, op de mogelijkheid gebruik te maken van gratis cliëntondersteuning.

Artikel 2.3 Meldingsonderzoek

1. Het college verzamelt alle voor het meldingsonderzoek, bedoeld in artikel 2.3.2, eerste lid, van de wet, van belang zijnde en toegankelijke gegevens over de cliënt en zijn situatie en maakt zo spoedig mogelijk met hem een afspraak voor een gesprek.

2.  Voor het gesprek verschaft de cliënt het college alle overige gegevens en bescheiden die naar het oordeel van het college voor het meldingsonderzoek nodig zijn en waarover hij redelijkerwijs de beschikking kan krijgen. De cliënt verstrekt in ieder geval een identificatiedocument als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage.

3.  Als de cliënt genoegzaam bekend is bij de gemeente, kan het college in overeenstemming met de cliënt afzien van een meldingsonderzoek als bedoeld in het eerste en tweede lid.

4. Het college brengt de cliënt op de hoogte van de mogelijkheid om een persoonlijk plan als bedoeld in artikel 2.3.2, tweede lid, van de wet op te stellen en stelt hem gedurende zeven dagen na de melding in de gelegenheid het plan te overhandigen.

Artikel 2.4 De medewerkingsverplichting van de cliënt en huisgenoten

1. Het college is bevoegd om, voor zover dit van belang kan zijn voor de beoordeling van de aanspraak op een maatwerkvoorziening:

a. de cliënt en diens huisgenoten op te roepen in persoon te verschijnen op een door het college te bepalen plaats en tijdstip en hem te bevragen;

b. de cliënt en diens huisgenoten op een door het college te bepalen plaats en tijdstip door een of meer daartoe aangewezen deskundigen te laten bevragen en/of te onderzoeken.

2.  De cliënt alsook diens relevante huisgenoten in het kader van gebruikelijke hulp, zijn verplicht medewerking te verlenen aan de oproep als bedoeld in het eerste lid onder a en de bevraging en/of onderzoek als bedoeld in het eerste lid onder b.

3. Deze medewerkingsplicht van de cliënt en diens huisgenoten behelst ook de verplichting om:

a. aan het college, gevraagd en ongevraagd, mededeling te doen van feiten en omstandigheden, waarvan redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat deze van invloed kunnen zijn op het recht op de voorziening;

b. medewerking te verlenen aan een bezichtiging van de persoonlijke woon- en leefsituatie, een optische controle of een controle anderszins van een verstrekte of te verstrekken dienst of middel.

4. Wanneer het college gebruik maakt van zijn controlebevoegdheden, houdt het college rekening met de beginselen van proportionaliteit en subsidiariteit zoals die zijn verbonden aan het recht op de bescherming van de persoonlijke levenssfeer.

Artikel 2.5 Gesprek

  • 1.

    Het college onderzoekt in een gesprek tussen deskundige(n) (namens het college) en degene door of namens wie de melding is gedaan, dan wel diens vertegenwoordiger en waar mogelijk met de mantelzorger(s) en desgewenst familie, zo spoedig mogelijk en voor zover nodig:

    • a.

      de behoeften, persoonskenmerken en voorkeuren van de cliënt;

    • b.

      het gewenste resultaat van het verzoek om ondersteuning;

    • c.

      de mogelijkheden om op eigen kracht of met gebruikelijke hulp of algemeen gebruikelijke voorzieningen zijn zelfredzaamheid of zijn participatie te handhaven of te verbeteren, of te voorzien in zijn behoefte aan beschermd wonen of opvang;

    • d.

      de mogelijkheden om met mantelzorg of hulp van andere personen uit zijn sociaal netwerk te komen tot verbetering van zijn zelfredzaamheid of zijn participatie, of te voorzien in zijn behoefte aan beschermd wonen of opvang;

    • e.

      de behoefte aan maatregelen ter ondersteuning van de mantelzorger van de cliënt;

    • f.

      de mogelijkheden om met gebruikmaking van een algemene voorziening of door het verrichten van maatschappelijk nuttige activiteiten te komen tot verbetering van zijn zelfredzaamheid of zijn participatie, of de mogelijkheden om met gebruikmaking van een algemene voorziening te voorzien in zijn behoefte aan beschermd wonen of opvang;

    • g.

      de mogelijkheden om door middel van voorliggende voorzieningen of de samenwerking met zorgverzekeraars en zorgaanbieders als bedoeld in de Zorgverzekeringswet en partijen op het gebied van publieke gezondheid, jeugdhulp, onderwijs, welzijn, wonen, werk en inkomen, te komen tot een zo goed mogelijk afgestemde dienstverlening met het oog op de behoefte aan verbetering van zijn zelfredzaamheid of zijn participatie of aan beschermd wonen of opvang;

    • h.

      de mogelijkheid om een maatwerkvoorziening te verstrekken;

    • i.

      de bijdrage in de kosten die de cliënt met toepassing van het bepaalde bij of krachtens artikel 2.1.4 van de wet verschuldigd zal zijn, en

    • j.

      de mogelijkheden om te kiezen voor de verstrekking van een pgb, waarbij de cliënt in begrijpelijke bewoordingen wordt ingelicht over de gevolgen van die keuze.

  • 2.

    Als de cliënt een persoonlijk plan als bedoeld in artikel 2.3, vierde lid, aan het college heeft overhandigd, betrekt het college dat plan bij het meldingsonderzoek, bedoeld in het eerste lid. 

  • 3..

    Het college informeert de cliënt over de gang van zaken bij het gesprek, diens rechten en plichten en de vervolgprocedure.  

  • 4.

    Als de hulpvraag genoegzaam bekend is, kan het college onverminderd het bepaalde in artikel 2.3.2 van de wet, in overleg met de cliënt afzien van een gesprek.

Artikel 2.6 Verslag

1. Het college zorgt voor schriftelijke verslaglegging van het meldingsonderzoek.

2.  Na het gesprek bevestigt het college aan de cliënt schriftelijk de uitkomsten van het meldingsonderzoek via een verslag.

3.  De cliënt heeft de mogelijkheid om binnen een termijn van 14 dagen naar aanleiding van de verzending van het verslag zoals genoemd in lid 2 opmerkingen of aanvullingen te plaatsen. Dit kan schriftelijk, telefonisch, mondeling of elektronisch. Deze worden aan het verslag toegevoegd.

Artikel 2.7 De aanvraag

Een aanvraag voor een maatwerkvoorziening kan schriftelijk, telefonisch, mondeling of elektronisch door of namens de cliënt bij het college worden ingediend.

Artikel 2.8 Nadere regels

Het college kan nadere regels stellen over de wijze waarop wordt beoordeeld of een cliënt aanspraak maakt op een maatwerkvoorziening

 

HOOFDSTUK 3 TE BEREIKEN RESULTATEN

Artikel 3.1 De te bereiken resultaten

 

  • 1.

    De door het college te verstrekken maatwerkvoorzieningen zijn gericht op:

  • a.

    het begeleiden van een cliënt bij zijn verslechterende zelfredzaamheid en / of participatie; of

  • b.

    het stabiliseren van de zelfredzaamheid en / of participatie van een cliënt dan wel het voorkomen van achteruitgang van de zelfredzaamheid en / of participatie; of

  • c.

    het verbeteren van de zelfredzaamheid en / of participatie van een cliënt. 

2. In de context van de gradaties sub a, b en c zoals benoemd in lid 1, wordt de cliënt zoveel als mogelijk in staat gesteld om:

1. een huishouden te voeren, waaronder wordt verstaan:

  • a..

    het beschikken over een schoon en leefbaar huis;

  • b.

    het beschikken over goederen voor primaire levensbehoeften;

  • c.

    het bereiden en neerzetten van de maaltijden;

  • d.

    het beschikken over schone en draagbare kleding.

  •  

2. de woning normaal te kunnen gebruiken, waaronder wordt verstaan:

  • a.

    het bereiken van de woning;

  • b.

    het zich kunnen verplaatsen in en om de woning.

  •  

3. zich lokaal te verplaatsen per vervoermiddel;

4. medemensen te ontmoeten en op basis daarvan sociale verbanden aan te gaan;

5. regie te voeren over het dagelijkse leven, waaronder met name verstaan kan

worden:

  • a.

    het vermogen om op eigen kracht zelfstandig of met ondersteuning te wonen waaronder mede wordt begrepen (het voorkomen dan wel afschalen van) beschermd wonen;

  • b.

    het voeren van regie over de zelfzorghandelingen;

  • c.

    stabilisatie van een psychiatrisch ziektebeeld;

  • d.

    het voorkomen van verwaarlozing, gevaar voor de cliënt of anderen of maatschappelijke overlast;

  • e.

    het vermogen tot sociaal functioneren in de dagelijkse leefsituaties, zoals thuis, en in relatie met vrienden, familie en de woonomgeving;

  • f.

    het thuis kunnen zorgen voor kinderen die tot het gezin behoren;

  • g.

    het vermogen om zelf te voorzien in het structureren van de dag;

  • h.

    het beheren van financiën en administratie;

  • i.

    het aanleren van oplossingsvaardigheden.

  •  

6. een dagstructuur te hebben, waaronder wordt verstaan:

  • a.

    het hebben van een zinvolle dagbesteding, gericht op behoud of ontwikkeling van vaardigheden;

  • b.

    het hebben van een evenwichtig dag- en nachtritme.

  • .

     

Artikel 3.2 Nadere regels in verband met de uitwerking van de te bereiken resultaten

1. Het college kan in nadere regels per maatwerkvoorziening zo nodig nadere deelresultaten benoemen en / of deze nader concretiseren, ter uitwerking van de resultaten, zoals genoemd in artikel 3.1.

2.  Het college stelt in nadere regels vast welke kernactiviteiten en/of taken in ieder geval moeten worden verricht om de resultaten, zoals vermeld in artikel 3.1, te kunnen bereiken alsmede, indien noodzakelijk, een aanduiding van de mate van frequentie van uitvoering

3. Het college kan in nadere regels de objectieve norm stellen waaraan de kernactiviteiten, en/of taken en indien noodzakelijk de frequentie moeten voldoen. In verband met de bepaling en uitwerking van wat een schoon en leefbaar huis omvat, zoals genoemd in artikel 3.2, tweede lid, sub 1, hanteert het college een normenkader gebaseerd op de NEN 2075:2000.

Artikel 3.3 Bevoegdheid tot het vaststellen van algemene voorzieningen

  • 1.

    In verband met de te bereiken resultaten kan het college besluiten tot de vaststelling van een algemene voorziening. Wanneer het college hiertoe overgaat, legt zij in nadere regels de voorwaarden en verplichtingen vast, zoals die gelden voor cliënten.

  • 2.

    Bij de nadere ontwikkeling en uitwerking van algemene voorzieningen, houdt het college waar mogelijk in het bijzonder rekening met de ondersteuning van mantelzorgers en vrijwilligers waardoor zij in staat zijn, zoveel als mogelijk, hun taken als mantelzorger of vrijwilliger te kunnen uitvoeren.

HOOFDSTUK 4 CRITERIA MAATWERKVOORZIENING

Artikel 4.1 Criteria voor een maatwerkvoorziening

1. Een cliënt komt in aanmerking voor een maatwerkvoorziening ter compensatie van de beperkingen in de zelfredzaamheid of participatie die de cliënt ondervindt. De maatwerkvoorziening levert een passende bijdrage aan het realiseren van een situatie waarin de cliënt in staat wordt gesteld tot zelfredzaamheid of participatie en zo lang mogelijk in de eigen leefomgeving kan blijven. Hierbij wordt rekening gehouden met de uitkomsten van het meldingsonderzoek zoals beschreven in artikelen 2.1 tot en met 2.6 van de verordening.

2. Een cliënt komt in aanmerking voor een maatwerkvoorziening ter compensatie van de problemen bij het zich handhaven in de samenleving van de cliënt met psychische of psychosociale problemen en de cliënt die de thuissituatie heeft verlaten, al dan niet in verband met risico’s voor zijn veiligheid als gevolg van huiselijk geweld. De maatwerkvoorziening levert, een passende bijdrage aan het voorzien in de behoefte van de cliënt aan beschermd wonen of opvang en aan het realiseren van een situatie waarin de cliënt in staat wordt gesteld zich zo snel mogelijk weer op eigen kracht te handhaven in de samenleving.

3. Een cliënt komt voor een maatwerkvoorziening zoals genoemd in de leden 1 en 2 in aanmerking indien en voor zover de beperkingen of problemen niet verminderd of weggenomen kunnen worden middels:

a. inzet van eigen kracht van de cliënt; en/of

b. inzet van gebruikelijke hulp; en/of

c. inzet van mantelzorg; en/of

d. inzet van hulp van andere personen uit zijn sociale netwerk; en/of

e. mogelijkheden tot gebruikmaking van algemeen gebruikelijke voorzieningen; en/of

f. mogelijkheden tot inzet van voorliggende voorzieningen.

4. Een cliënt komt in aanmerking voor een maatwerkvoorziening als deze langdurig noodzakelijk is om de beperkingen genoemd in lid 1 en problemen genoemd in lid 2 op te heffen of te verminderen. Uitzondering hierop is de maatwerkvoorziening voor diensten die voor korte duur kan worden geïndiceerd. 

5. Als een maatwerkvoorziening noodzakelijk is, verstrekt het college de goedkoopst adequate voorziening.

Artikel 4.2 Criteria specifieke maatwerkvoorzieningen

 

  • 1.

    De maatwerkvoorziening HO wordt ingezet ter realisatie van het te bereiken resultaat “voeren van een huishouden” en het meest in het bijzonder een “schoon en leefbaar huis” en “schone en draagbare kleding” zoals gesteld in artikel 3.1. Een schoon huis betekent dat de leef vertrekken schoon moeten zijn volgens algemeen gebruikelijke hygiënische normen. Leefbaar staat voor opgeruimd en functioneel.

  • 2.

    De maatwerkvoorziening Primaire levensbehoeften wordt ingezet ter realisatie van het te bereiken resultaat “voeren van een huishouden” en meer in het bijzonder “het beschikken over goederen voor primaire levensbehoeften” en ”het bereiden en neerzetten van de maaltijden” zoals gesteld in artikel 3.1.

     

  • 3.

    De maatwerkvoorziening begeleiding wordt ingezet ter realisatie van één of meerdere resultaten zoals gesteld in artikel 3.1 in lid 3 tot en met 6. De maatwerkvoorziening kan bestaan uit begeleiding groep (dagbesteding) en begeleiding individueel.

     

  • 4.

    de maatwerkvoorziening kortdurend verblijf wordt ingezet ter noodzakelijke ontlasting van de persoon die gebruikelijke zorg of mantelzorg verleent zodat deze de zorg langer kan volhouden. Kortdurend verblijf heeft tot doel de cliënt in staat te stellen zo lang mogelijk zelfstandig te wonen zoals gesteld in artikel 3.1, lid 5 onder a

  • 5..

    De intramurale maatwerkvoorziening beschermd wonen wordt ingezet ter realisatie van één of meerdere resultaten zoals gesteld in artikel 3.1 in lid 5 en 6. Voor de maatwerkvoorziening begeleiding plus gelden dezelfde te behalen resultaten waarbij de maatwerkvoorziening wordt ingezet ter voorkoming dan wel afschaling van beschermd wonen (artikel 3.1 lid 5 onder a).

6. Het college stelt in nadere regels aanvullende criteria vast op uitvoerend niveau in verband met de beoordeling van aanvragen voor een specifieke maatwerkvoorziening.

Artikel 4.3 Weigeringsgronden maatwerkvoorziening

1. Een gevraagde voorziening wordt niet toegekend of een gevraagde voorziening wordt afgewezen:

a. indien de cliënt niet aan het bepaalde in artikel 4.1 leden 1 tot en met 4 voldoet;

b. indien cliënt geen ingezetene is conform artikel 2.3.5 eerste lid sub a van de wet en de begripsbepaling “ingezetene” van artikel 1.1 van deze verordening, met uitzondering van beschermd wonen en opvang ingevolge artikel 2.3.5 eerste lid sub b van de wet;

c. voor zover er aan de zijde van de cliënt geen sprake is van aantoonbare meerkosten in vergelijking met de situatie voorafgaand aan het optreden van de beperkingen of psychische of psychosociale problemen waarvoor de maatwerkvoorziening wordt aangevraagd;

d. voor zover de aanvraag betrekking heeft op kosten die de persoon met beperkingen of problemen voorafgaand aan het moment van beschikken op de aanvraag heeft gemaakt, tenzij het college vooraf uitdrukkelijk schriftelijk toestemming heeft gegeven, of het college de noodzaak, adequaatheid en passendheid van de voorziening en de gemaakte kosten achteraf nog kan beoordelen en als goedkoopst adequaat aangemerkt kan merken;

e. indien een gevraagde maatwerkvoorziening reeds eerder krachtens deze, of een eerdere Verordening maatschappelijke ondersteuning is verstrekt en de normale afschrijvingstermijn van de voorziening nog niet is verstreken, tenzij de eerder vergoede of versterkte voorziening verloren is gegaan als gevolg van omstandigheden die niet aan de cliënt zijn toe te rekenen;

f.  indien de aanspraak niet is vast te stellen doordat de cliënt of zijn of haar huisgenoten niet of onvoldoende voldoen aan de verplichtingen als bedoeld in artikel 2.3.8 lid 1 en 3 van de wet of artikel 2.4 van deze verordening;

g. indien:

1º: de noodzaak tot ondersteuning ten behoeve van zelfredzaamheid en participatie voor de cliënt redelijkerwijs vermijdbaar was; en

2º: van de cliënt redelijkerwijs verwacht had mogen worden dat hij maatregelen zou hebben getroffen die de gevraagde maatwerkvoorziening overbodig had gemaakt nu de hulpvraag en de noodzaak tot ondersteuning hierbij redelijkerwijs voorzienbaar was voor de cliënt;

h. voor zover de cliënt redelijkerwijs een beroep kan doen op een voorliggende voorziening of de kosten van de maatwerkvoorziening als niet noodzakelijk zijn aangemerkt ingevolge de voorliggende voorziening;

i. indien de gevraagde voorziening voor de cliënt algemeen gebruikelijk is.

2. Het college kan bij nadere regels aanvullende criteria vaststellen in verband met de weigeringsgronden voor een specifieke maatwerkvoorziening dan wel een specifieke tegemoetkoming in de meerkosten.

 

HOOFDSTUK 5 HET PERSOONSGEBONDEN BUDGET (PGB) EN DE FINANCIËLE TEGEMOETKOMING

Paragraaf 1: Het persoonsgebonden budget

Artikel 5.1 Regels voor pgb

1. Het college verstrekt een pgb in overeenstemming met artikel 2.3.6 van de wet.

2. Ingevolge artikel 2.3.6, eerste lid Wmo 2015, vindt verstrekking van een toegekende individuele voorziening in de vorm van een pgb plaats indien de cliënt dit wenst.

3. Ingevolge artikel 2.3.6, tweede lid Wmo 2015, wordt een pgb alleen verstrekt indien:

  •  

  • a.

    de cliënt naar het oordeel van het college op eigen kracht voldoende in staat is te achten tot een redelijke waardering van zijn belangen ter zake dan wel met hulp uit zijn sociale netwerk of van zijn vertegenwoordiger, in staat is te achten de aan een pgb verbonden taken op een verantwoorde wijze uit te voeren;

  • b.

    de cliënt zich gemotiveerd op het standpunt stelt dat hij de maatwerkvoorziening als persoonsgebonden budget wenst geleverd te krijgen; en

  • c.

    naar het oordeel van het college is gewaarborgd dat de diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen die tot de maatwerkvoorziening behoren, veilig, doeltreffend en cliëntgericht worden ingezet. Hierbij weegt het college, ingevolge artikel 2.3.6, derde lid, Wmo 2015, mee of de voorzieningen in redelijkheid geschikt zijn voor het doel waarvoor het pgb wordt verstrekt

4. Indien het pgb wordt aangevraagd voor een dienst, dan overlegt de cliënt desgevraagd een volledig ingevuld pgb-plan conform een daartoe voorgeschreven model. Door of namens het college zal vervolgens worden getoetst of er in de situatie van een cliënt concrete belemmeringen zijn, gelet op het gestelde in lid 3, die gegronde reden zijn voor afwijzing van de aanvraag voor een maatwerkvoorziening in de vorm van pgb.

5. Indien de verwachting bestaat dat binnen afzienbare tijd een vervanging van de voorziening nodig is dan wel de verwachting is dat de voorziening kortdurend wordt gebruikt, wordt geen pgb verstrekt. Wat heeft te gelden als "afzienbare tijd" of "kortdurend" hangt mede af van het typevoorziening in relatie tot de eventuele gebruikelijke afschrijvingsduur (in geval van hulpmiddelen)

6. Indien de toekenning van een pgb het voortbestaan van een collectieve voorziening (individueel verstrekt) in gevaar kan brengen, wordt geen pgb verstrekt.

  •  

Artikel 5.2 De hoogte van het pgb algemeen

1. Het pgb wordt zo vastgesteld dat de cliënt daarmee redelijkerwijs een voorziening kan kopen, huren of betrekken die inhoudelijk gelijkwaardig is aan een voorziening in natura. Hierbij geldt dat de prijs of het tarief van het pgb zo is vastgesteld dat een cliënt daarmee redelijkerwijs verzekerd is dat het pgb toereikend is om veilige, doeltreffende en kwalitatief goede diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen die tot de maatwerkvoorziening behoren, van derden te betrekken, en wordt indien nodig aangevuld met een vergoeding voor onderhoud en verzekering.

2. In de regel is het pgb gelijk aan de werkelijke kosten van de door de cliënt aan te schaffen, te huren of te betrekken voorziening.

3. Het maximumbedrag van het pgb is de kostprijs die het college aan haar leverancier of aanbieder betaalt voor de in de betreffende situatie goedkoopst adequate, in de gemeente beschikbare maatwerkvoorziening in natura

  •  

Artikel 5.3 Hoogte pgb voor woningaanpassing

  • 1.

    De hoogte van het pgb voor woningaanpassing wordt vastgesteld als tegenwaarde van het bedrag zoals vermeld in de door het college geaccepteerde offerte.

  • 2.

    Alleen de kosten van de navolgende bouwkundige- of woon technische woningaanpassing komen voor vergoeding, als bedoeld in het eerste lid, in aanmerking:

  • a.

    de aanneemsom excl. BTW (hierin begrepen de loon- en materiaalkosten) voor het treffen van de voorziening. Indien de voorziening in zelfwerkzaamheid wordt getroffen, vervalt de post loonkosten en worden alleen de materiaalkosten vergoed;

  • b.

    de risicoverrekening van loon- en materiaalkosten, met inachtneming van het bepaalde in de risicoregeling woning- en utiliteitsbouw 1991. Indien de voorziening in zelfwerkzaamheid wordt getroffen, vervalt de post loonkosten en worden alleen de materiaalkosten vergoed;

c. het architectenhonorarium tot ten hoogste € 1.500,- excl. BTW;Alleen in die gevallen dat het noodzakelijk is dat een architect voor de woningaanpassing moet worden ingeschakeld worden deze kosten subsidiabel geacht. Het betreft dan veelal de ingrijpender woningaanpassingen;

d. de kosten voor het toezicht op de uitvoering, indien toezicht noodzakelijk is, tot een maximum van twee procent van de aanneemsom;

e. de leges voor zover deze betrekking hebben op het treffen van de voorziening;

f. de door het college (schriftelijk) goedgekeurde kostenverhogingen, die ten tijde van de raming van de kosten redelijkerwijs niet voorzien hadden kunnen zijn;

g. de kosten van noodzakelijk technisch onderzoek en voor advisering over de te treffen aanpassing;

h. de verschuldigde en niet verrekenbare- of terugvorderbare omzetbelasting.

  •  

  •  

Artikel 5.4 Hoogte pgb voor HO

1. De huishoudelijke ondersteuningsbehoefte van de cliënt wordt uitgedrukt in een budget en wordt bepaald aan de hand van een empirisch onderbouwd en geobjectiveerd puntensysteem. Afhankelijk van welke resultaten moeten worden behaald en de individuele kenmerken van de cliënt waaronder begrepen mogelijkheden van cliënt en zijn sociaal netwerk tot inzet ho, gezinssamenstelling, hoeveelheid kamers, mate van vervuiling, wordt een aantal punten toegekend. Het aantal punten wordt vermenigvuldigd met een factor, afgerond op 1 decimaal achter de komma. De uitkomst van die vermenigvuldiging levert het budget op jaarbasis op.

2. Het puntensysteem zoals genoemd in lid 1 wordt opgenomen in Nadere regels.

3. De factor zoals benoemd in lid 1 is gebaseerd op 125% van de Wet minimumloon voor 23 jaar en ouder inclusief vakantiegeld/-uren op basis van een 36-urige werkweek. De geldende factor is neergelegd in de Nadere regels.

4. Eenmaal per jaar, per 1 januari, vindt aanpassing (indexatie) plaats van het gehanteerde minimumloon. De aanpassing per 1 januari is gelijk aan 125% van het wettelijk minimumloon zoals dat gold per 1 juli van het voorafgaande kalenderjaar. Aanpassing van het gehanteerde minimumloon leidt tot aanpassing van de factor genoemd in lid 1 tenzij de ophoging van het minimumloon dusdanig beperkt is dat het de factor niet beïnvloedt.

Artikel 5.5 Hoogte pgb voor Primaire levensbehoeften

  • 1.

    De hoogte van het pgb-tarief voor wat betreft het verwarmen, bereiden en neerzetten van maaltijden is gelijk aan het tarief zorg in natura dat zou hebben te gelden tussen de gemeente en een gecontracteerde aanbieder in geval van verstrekking in de vorm van zorg in natura.

  • 2.

    Voor wat betreft het doen van boodschappen, voor wat betreft levensmiddelen, schoonmaakmiddelen en toiletartikelen, is de hoogte van het pgb een bedrag dat aansluit bij de goedkoopst adequate oplossing.

Artikel 5.6 Hoogte pgb voor begeleiding

1. Voor pgb gelden, voor zowel begeleiding individueel als begeleiding groep, twee tarieven:

- een tarief voor de professionele dienstverlener; en

- een tarief voor particuliere inzet.

 

2. De hoogte van het pgb-tarief in geval van begeleiding door een professionele dienstverlener wordt afgeleid van het tarief zorg in natura dat zou hebben te gelden tussen de gemeente en een gecontracteerde aanbieder in geval van verstrekking in de vorm van zorg in natura. Het pgb is het rekenkundig gemiddelde van de som van de gemiddelde tarieven per bandbreedte zoals van toepassing in geval van zorg in natura. Deze regel geldt zowel in geval van begeleiding groep als begeleiding individueel.

3. De hoogte van het pgb voor begeleiding individueel en begeleiding groep in geval van particuliere inzet bedraagt per uur: 125% van de Wet minimumloon voor 23 jaar en ouder inclusief vakantiegeld/-uren op basis van een 36-urige werkweek, waarbij voor begeleiding groep heeft te gelden dat een dagdeel geldt als een uur.

4. Eenmaal per jaar, per 1 januari, vindt aanpassing (indexatie) plaats van het in lid 3 genoemde bedrag. De aanpassing per 1 januari is gelijk aan 125% van het wettelijk minimumloon zoals dat gold per 1 juli van het voorafgaande kalenderjaar.

 

Artikel 5.7 Hoogte pgb voor kortdurend verblijf

1. Voor pgb gelden twee tarieven:

- een tarief voor de professionele dienstverlener; en

- een tarief voor particuliere inzet.

2. De hoogte van het pgb-tarief in geval van begeleiding door een professionele dienstverlener is gelijk aan het tarief zorg in natura dat zou hebben te gelden tussen de gemeente en een gecontracteerde aanbieder in geval van verstrekking in de vorm van zorg in natura.

3. De hoogte van het pgb voor kortdurend verblijf bij particuliere inzet bedraagt € 30,52.

 

Artikel 5.8 Hoogte pgb voor beschermd wonen en begeleiding plus

1. Voor pgb gelden twee tarieven:

- een tarief voor de professionele dienstverlener; en

- een tarief voor particuliere inzet.

  • 1.

     

2. De hoogte van het pgb-tarief in geval van beschermd wonen door een professionele dienstverlener is gelijk aan het pgb-zzp GGZ-c tarief 2014 zoals dat voor cliënt gold dan wel zou hebben gegolden. Het pgb-tarief wordt niet verhoogd met de AWBZ-toeslag huishoudelijke hulp en de toeslag Verhoging ZZP. Deze toeslagen c.q. bedragen die daarmee corresponderen, worden niet aanvullend op het pgb-tarief verstrekt.

3. De hoogte van het pgb voor beschermd wonen bij particuliere inzet bedraagt 80% van het tarief zoals genoemd in het tweede lid.

4. De hoogte van het pgb-tarief in geval van begeleiding plus individueel door een professionele dienstverlener is 90% van het tarief zorg in natura dat zou hebben te gelden tussen de gemeente en een gecontracteerde aanbieder in geval van verstrekking in de vorm van zorg in natura.

5. De hoogte van het pgb-tarief in geval van begeleiding plus groep door een professionele dienstverlener is gelijk aan het pgb-tarief voor begeleiding groep zoals gesteld in artikel 5.6 lid 2.

6. De hoogte van het pgb voor begeleiding plus in geval van particuliere inzet bedraagt per uur: 125% van de Wet minimumloon voor 23 jaar en ouder inclusief vakantiegeld/-uren op basis van een 36-urige werkweek, waarbij voor begeleiding groep heeft te gelden dat een dagdeel geldt als een uur.

7. Eenmaal per jaar, per 1 januari, vindt aanpassing (indexatie) plaats van het in lid 5 genoemde bedrag. De aanpassing per 1 januari is gelijk aan 125% van het wettelijk minimumloon zoals dat gold per 1 juli van het voorafgaande kalenderjaar.

 

Artikel 5.9 Begrenzing van de bestedingsvrijheid van de pgb-houder

  • 1.

    Het persoonsgebonden budget dient besteed te worden aan het doel/resultaat waarvoor het is verstrekt. Dit betekent dat het pgb in ieder geval niet besteed kan worden aan:

    • a..

      bemiddelings- en administratiekosten;

    • b.

      kosten verbonden aan opstellen pgb-plan;

    • c.

      reistijd, vervoers- en parkeerkosten van de dienstverlener;

    • d.

      overheadkosten van de dienstverlener waaronder mede begrepen kosten van de dienstverlener tot opstellen van een zorg- of werkplan; en

    • e.

      feestdagen- en/of eenmalige uitkering of cadeau aan dienstverlener; en

    • f.

      een overlijdensuitkering voor de dienstverlener.

2. Het persoonsgebonden budget mag niet besteed worden aan kosten die zijn te beschouwen als algemeen gebruikelijk.

3. Het volledige bedrag aan pgb dient verantwoord te worden. Er wordt geen verantwoordingsvrij bedrag gehanteerd.

4. Het is cliënt niet toegestaan om met dienstverlener een vast maandloon overeen te komen dan wel een andersoortige afspraak te maken op basis waarvan uitbetaling door SVB aan dienstverlener plaatsvindt zonder voorafgaande verplichting van cliënt tot overlegging aan SVB van een door cliënt geaccordeerde factuur of specificatie van ingezette zorg.

5. Uitbetaling van een eenmalige pgb vindt plaats na overlegging van factuur waaruit realisatie van de gemaakte kosten blijkt door storting op de rekening van de cliënt of degene die als diens wettelijke vertegenwoordiger optreedt.

  • 1.

     

Artikel 5.10 Weigeringsgronden persoonsgebonden budget

Onverminderd artikel 2.3.6, tweede en vijfde lid, van de wet alsook hetgeen in algemene zin over de weigering van een maatwerkvoorzieningen bepaald in artikel 4.3 van deze verordening, verstrekt het college geen pgb indien:

a. de client op verzoek daartoe zijdens het college, geen voledig ingeuvld pgb-plan heeft overgelegd conforma een daartoe voorgewchreven model;

b. de client weigert het pgb-plan desgevraagd met het college te bespreken of verschijnt zonder geldige reden niet op de afspraka om het pgb-plan te bespreken;

c. de client het beheren van het persoonsgebonden budget overlaat aan de dienstverlener (professioneel dan wel particulier) die de ondersteuning levert of een persoon die werkzam is bij of voor deze dienstverlener

d. de client het beheren van het persoonsgeboden budget overlaat aan een bewindvoerder of een persoon die werkzaam is voor deze bewindvoerder.

 

Paragraaf 2: Financiële tegemoetkoming

 

Artikel 5.11 Regels voor financiële tegemoetkoming

1. Ter realisatie van één of meerdere resultaten zoals gesteld in artikel 3.1 kan het college aan een cliënt een financiële tegemoetkoming verstrekken.

2. De regels inzake maatwerkvoorziening en in het bijzonder de regels inzake pgb’s zijn van overeenkomstige toepassing op de financiële tegemoetkoming tenzij de aard van de financiële tegemoetkoming zich tegen analoge toepassing verzet waaronder begrepen het opleggen van een bijdrage zoals bedoeld in artikel 6.2.

3. Het college kan een tegemoetkoming verstrekken in geval van:

  • a..

    woningsanering;

  • b.

    tijdelijke huisvesting;

  • c.

    verhuis- en inrichtingskosten;

  • d..

    bezoekbaar maken van een woning niet zijnde het hoofdverblijf;

  • e..

    vervoerskosten;

  • f.

    sportvoorziening.

  •  

4. Het college kan in nadere regels aanvullende criteria vaststellen in verband met de beoordeling van aanvragen voor een specifieke financiële tegemoetkoming.

Artikel 5.12 Tegemoetkoming voor woningsanering

1. De hoogte van een door het college te verlenen tegemoetkoming voor meerkosten van woningsanering, te weten het vervangen van zachte door harde vloerbedekking of vervanging van stoffering, is gelijk aan de werkelijke kosten met een maximum van de bedragen zoals genoemd in Prijzengids Nibud.

2. Bij de vaststelling van de tegemoetkoming wordt rekening gehouden met de gangbare afschrijvingstermijn zoals die geldt voor het betreffende product.

 

Artikel 5.13 Tegemoetkoming voor tijdelijke huisvesting

  • 1.

    Een cliënt die tijdens het aanbrengen van woonvoorzieningen niet in zijn/haar eigen woonruimte kan blijven, kan in aanmerking komen voor een tegemoetkoming voor tijdelijke huisvesting.

  • 2.

    De hoogte van een door het college te verlenen tegemoetkoming voor de meerkosten van tijdelijke huisvesting is gelijk aan de werkelijk gemaakte kosten, met een maximum van het bedrag genoemd in artikel 13 eerste lid onder a van de Wet op de Huurtoeslag.

  • 3.

    De maximale duur voor een financiële tegemoetkoming in de kosten van tijdelijke huisvesting bedraagt zes maanden.

     

Artikel 5.14 Tegemoetkoming voor verhuis- en inrichtingskosten

1. Indien het college heeft beoordeeld dat cliënt geen recht heeft op een maatwerkvoorziening voor woningaanpassing vanwege toepassing van het primaat verhuizing, kan het college een tegemoetkoming voor verhuis- en inrichtingskosten verstrekken ter hoogte van de werkelijke kosten tot maximaal € 3.500,00.

  • 2.

    Bij de afweging tot het al dan niet verstrekken van een maatwerkvoorziening voor woningaanpassing zoals het college die maakt ingevolge artikel 4.1 wordt, tevens beoordeeld of cliënt kan verhuizen naar een geschikte woning of een gemakkelijker geschikt te maken woning.

3. Voor zover de in het vorige lid genoemde mogelijkheid beschikbaar en bruikbaar is, wordt geen maatwerkvoorziening voor woningaanpassing verstrekt voor de huidige woning, rekening houdende met de criteria in het vierde lid. Een verhuiskostenvergoeding kan dan verstrekt worden en, indien noodzakelijk, een maatwerkvoorziening tot woningaanpassing van de woning waar naar toe wordt verhuisd.

4. De beoordeling of cliënt kan verhuizen naar een geschikte woning of een gemakkelijker geschikt te maken woning vindt in ieder geval plaats indien:

a. de woning waar naartoe kan worden verhuisd voor de cliënt geschikter is of verhuizing goedkoper is dan aanpassing van zijn huidige woning;

b. er geen contra-indicatie tot verhuizen aanwezig is op grond van objectieve psychische of sociale redenen;

c. de kosten van een door het college te verstrekken bouwkundige of woontechnische woonvoorziening van de door de cliënt bewoonde woning meer bedragen dan

€ 9.000,--, en

d. er binnen een tijdsbestek van een jaar of binnen een medisch aanvaardbare termijn een woning beschikbaar komt waar naartoe kan worden verhuisd.

5. Indien het verhuisprimaat wordt toegepast en de cliënt niet wenst te verhuizen, wordt de cliënt de mogelijkheid geboden worden van een tegemoetkoming tot maximaal € 5.000,- onder de voorwaarde dat de bouwkundige of woontechnische woonvoorziening wordt uitgevoerd conform de aanwijzingen van het college.

 

Artikel 5.15 Tegemoetkoming voor bezoek baar maken van een woning

  • 1.

    Een tegemoetkoming kan worden verstrekt voor het bezoek baar maken van één woning indien:

  • -

    het bezoek baar maken noodzakelijk is voor de cliënt om medemensen te ontmoeten en op basis daarvan sociale verbanden aan te gaan; en

  • -

    de cliënt zijn hoofdverblijf heeft in een Wlz-instelling of in een woonvorm daarmee vergelijkbaar.

  • 2.

    Het college verstrekt de goedkoopst adequate voorziening tot een maximum van € 5.000,00.

     

Artikel 5.16 Tegemoetkoming voor vervoerskosten

1. Indien er een contra-indicatie bestaat voor gebruik van het collectief vraagafhankelijk vervoer dan kan een tegemoetkoming verstrekt worden als individuele vervoersvoorziening. Deze vergoeding kan worden aangewend voor vervoer per personenauto dan wel reguliere taxi.

2. De hoogte van een door het college te verlenen tegemoetkoming zoals genoemd in lid 1 bedraagt maximaal € 600,00 per jaar.

3. Indien de cliënt aangewezen is op vervoer uitsluitend per rolstoeltaxi, wordt, indien sprake is van een contra-indicatie voor gebruik van het collectief vraagafhankelijk vervoer, een tegemoetkoming verstrekt van maximaal € 2.000,- per jaar.

4. Indien de cliënt voor de korte en middellange afstanden gebruik kan maken van een scootmobiel of daar waar het echtelieden betreft die beiden een tegemoetkoming ontvangen, wordt de tegemoetkoming vastgesteld op 50% van de in dit artikel genoemde bedragen.

5. De cliënt woonachtig in een Wlz-instelling of in een woonvorm daarmee vergelijkbaar, kan aanspraak maken op een tegemoetkoming welke 50% bedraagt van de in dit artikel genoemde bedragen.

 

Artikel 5.17 Tegemoetkoming voor sportvoorziening

1. Het college verstrekt een tegemoetkoming voor een sportvoorziening indien de voorziening noodzakelijk is om medemensen te ontmoeten en op basis daarvan sociale verbanden aan te gaan.

2. Het college verstrekt de goedkoopst adequate voorziening tot een maximum van € 3.000,00.

3. Voor wat betreft de looptijd van tegemoetkoming dan wel de afschrijvingsduur wordt aansluiting gezocht bij de afschrijvingstermijn die gangbaar is voor de voorziening. Indien de sportvoorziening na verstrijken van de gestelde afschrijvingsduur nog adequaat is, kan een tegemoetkoming voor onderhoud van de voorziening verstrekt worden in plaats van verstrekking van een nieuwe tegemoetkoming.

Artikel 5.18 Uitbetaling en verantwoording tegemoetkoming

  • 1.

    Uitbetaling van de tegemoetkoming vindt plaats na overlegging van de bewijsstukken waaruit realisatie blijkt van de gemaakte kosten en uitvoering conform de gestelde eisen door de gemeente (eventueel middels een Programma van Eisen) dan wel indien de situatie waarvoor de tegemoetkoming is verstrekt is gerealiseerd door storting op de rekening van de aanvrager of degene die als diens wettelijke vertegenwoordiger optreedt.

  • 2.

    Bij de verstrekking van een tegemoetkoming zoals genoemd in artikel 5.16, vindt betaling plaats per kalenderjaar. De eerste betaling vindt plaats na verzending van de beschikking.

     

HOOFDSTUK 6 BIJDRAGE VOOR VOORZIENINGEN

Artikel 6.1 Bijdrage in de kosten van algemene voorzieningen

Een cliënt is een bijdrage verschuldigd in de kosten voor het gebruik van de was- en strijkservice, ter hoogte van € 17,50 per maand.

 

Artikel 6.2 Bijdrage voor maatwerkvoorzieningen of pgb’s

 

  • 1.

    Een cliënt is een bijdrage in de kosten verschuldigd voor een maatwerkvoorziening of pgb, zolang de cliënt van de maatwerkvoorziening gebruik maakt of gedurende de periode waarvoor het pgb wordt verstrekt.

  • 2.

    De bijdragen voor maatwerkvoorzieningen of pgb’s, zijn gelijk aan de kostprijs, tot aan ten hoogste € 19,00 per maand voor de ongehuwde cliënt of de gehuwde cliënten tezamen, tenzij overeenkomstig artikel 2.1.4a, vijfde lid, van de wet of hoofdstuk 3 van het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015 of het volgende lid geen bijdrage is verschuldigd.

  • 3.

    In afwijking van het eerste lid is geen bijdrage verschuldigd voor de volgende maatwerkvoorzieningen:

  • a.

    een vergoeding enkel voor instandhoudingskosten, zoals onderhoud, keuring en reparatie; of

  • b.

    de voorziening collectief vraagafhankelijk vervoer; of

  • c.

    de voorziening kortdurend verblijf; of

  • d.

    een financiële tegemoetkoming

  • 4.

    In het kader van het minimabeleid:

  • a.

    Stelt CAK het (verzamel)inkomen vast van een cliënt op wie het gemeentelijk minimabeleid van toepassing is.

  • b.

    Bepaalt de gemeente de inkomensgrens waaronder geen bijdrage verschuldigd is (0-factuur). Deze inkomensgrens wordt door de gemeente jaarlijks doorgegeven aan CAK.

  • c.

    Wordt voor de inkomensgrens zoals genoemd in lid b aansluiting gezocht bij de standaardparameter 2018 (laagste bijdrageplichtig inkomen) volgend uit artikel 3.8, eerste lid, van het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015, zoals dit tot 1 januari 2019 luidde. Dit bruto bijdrageplichtig inkomen wordt vervolgens geïndexeerd op basis van de Prijsindex voor de gezinsconsumptie. De inkomensgrens wordt vastgesteld op 91,67% van dit bruto bijdrageplichtige inkomen.

  • d.

    Indien het (verzamel)inkomen van cliënt (zoals berekend door CAK) beneden de inkomensgrens ligt dan wordt de bijdrage op nihil gesteld.

  • 5.

    Een cliënt is een bijdrage verschuldigd in de kosten voor het gebruik van de maatwerkvoorziening collectief vervoer, dat bestaat uit een opstaptarief van € 0,75 en een tarief van € 0,75 per zone. Het zonetarief kan ieder opvolgend kalenderjaar worden gewijzigd aan de hand van prijsindex voor het reguliere openbaar vervoer. Reist een cliënt meer dan vijf zones dan is cliënt het commerciële tarief verschuldigd dat door de vervoerder wordt vastgesteld.

    Na invoering van een kilometertarief betaalt cliënt een opstaptarief van € 0,96 per rit en een kilometertarief van € 0,167 per kilometer (prijspeil 2019). Het kilometertarief kan ieder opvolgend kalenderjaar worden gewijzigd aan de hand van prijsindex voor het reguliere openbaar vervoer. Reist een cliënt meer dan 25 km dan is cliënt het commerciële tarief verschuldigd.

    Het college kan nadere regels stellen m.b.t. de vaststelling en hoogte van het tarief.

  • 6.

     De kostprijs van een:

    • a.

      maatwerkvoorziening of algemene voorziening wordt bepaald door een aanbesteding, na consultatie in de markt of na overleg met de aanbieder.

    • b.

      pgb is gelijk aan de hoogte van het pgb.

7.  In de gevallen bedoeld in artikel 2.1.4b, tweede lid, van de wet, worden bijdragen voor een maatwerkvoorziening of pgb door de instantie(s) die de opvang realiseert/realiseren, vastgesteld en geïnd.

8. Een bijdrage voor een maatwerkvoorziening of pgb ten behoeve van een woningaanpassing voor een minderjarige is verschuldigd door de onderhoudsplichtige ouders, daaronder begrepen degene tegen wie een op artikel 394 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek gegrond verzoek is afgewezen, en degene die anders dan als ouder samen met de ouder het gezag uitoefent over een cliënt.

 

HOOFDSTUK 7 INHOUD BESCHIKKING

 

Artikel 7.1 Verstrekking in natura

1. Bij het treffen van een maatwerkvoorziening in natura wordt in de beschikking in ieder geval vastgelegd:

  • a.

    wat de te treffen voorziening is en voor welk resultaat de verstrekking in natura verstrekt wordt;

  • b.

    de eventuele duur en eventuele omvang van de verstrekking;

  • c.

    hoe de voorziening in natura verstrekt wordt; en

  • d.

    of er sprake is van een overeenkomst waarin deze verstrekking is geregeld.

2. Als er sprake is van een bijdrage wordt cliënt daarover in de beschikking geïnformeerd.

 

Artikel 7.2 Verstrekking als pgb

1. Bij het treffen van een maatwerkvoorziening in de vorm van een pgb wordt in de beschikking in ieder geval vastgelegd:

a. voor welk resultaat het pgb gebruikt moet worden, eventueel aangevuld met een Programma van Eisen waaraan bij de besteding voldaan moet worden;

b. wat de omvang van het pgb is en hoe deze omvang tot stand is gekomen;

c. wat de duur is van de verstrekking waarvoor het pgb bedoeld is en

d. welke regels gelden ten aanzien van verantwoording van de besteding van het

pgb.

2. Als er sprake is van een bijdrage wordt cliënt daarover in de beschikking geïnformeerd.

 

HOOFDSTUK 8 PROCEDURELE BEPALINGEN ROND WIJZIGING, INTREKKING EN TERUGVORDERING

Artikel 8.1 Wijziging situatie

Degene aan wie krachtens deze verordening een maatwerkvoorziening is verstrekt, is verplicht zo spoedig mogelijk en uit eigen beweging aan het college mededeling te doen van feiten en omstandigheden, waarvan redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat deze van invloed kunnen zijn op het recht op een voorziening.

Artikel 8.2 Intrekking en beëindigen

1. Het college kan onverminderd artikel 2.3.10 van de wet een besluit, genomen op grond van deze verordening, geheel of gedeeltelijk intrekken of het verleende recht beëindigen indien:

a. niet of niet langer is voldaan aan de voorwaarden of verplichtingen gesteld bij of krachtens deze verordening waaronder gestelde voorwaarden en verplichtingen in de toekenningsbeschikking begrepen;

b. op grond van gegevens een besluit is genomen en gebleken is dat de gegevens zodanig onjuist waren dat, waren de juiste gegevens bekend geweest, een andere beslissing zou zijn genomen;

c. de cliënt niet langer op de maatwerkvoorziening of het pgb is aangewezen;

d. de maatwerkvoorziening of het pgb niet meer toereikend is te achten;

e. de cliënt de maatwerkvoorziening of het pgb niet of voor een ander doel gebruikt.

2.  Een besluit tot het verlenen van een maatwerkvoorziening of pgb wordt ingetrokken als blijkt dat de cliënt niet langer ingezetene is conform artikel 4.2 onder b van deze verordening, tenzij het beschermd wonen of opvang betreft.

3.  Een besluit tot verlening van een pgb kan worden ingetrokken indien blijkt dat het pgb binnen zes maanden na uitbetaling van het geldbedrag niet is aangewend voor de bekostiging van de voorziening waarvoor de verlening heeft plaatsgevonden.

Artikel 8.3 Terugvordering en invordering

1.  Ingeval de aanspraak op een maatwerkvoorziening of pgb is ingetrokken of beëindigd kan een op basis daarvan reeds uitbetaalde pgb dan wel een verstrekte maatwerkvoorziening in natura al dan niet in geldswaarde geheel of gedeeltelijk worden teruggevorderd.

2.  Bij de invordering van de ten onrechte verleende geldsom maakt het college, indien mogelijk, gebruik van haar bevoegdheid tot verrekening met in de toekomst uit te betalen pgb.

 

HOOFDSTUK 9 KWALITEIT MAATSCHAPPELIJKE ONDERSTEUNING

 

Artikel 9.1 Kwaliteitseisen aanbieders en dienstverleners

1.  Aanbieders en dienstverleners zorgen voor een goede kwaliteit van voorzieningen, eisen met betrekking tot de deskundigheid van beroepskrachten daaronder begrepen, door in ieder geval:

a.  de voorziening veilig, doeltreffend, doelmatig en cliëntgericht te verstrekken;  

b. het afstemmen van voorzieningen op de persoonlijke situatie van de cliënt;

c. het afstemmen van voorzieningen op andere vormen van zorg en ondersteuning;

d. erop toe te zien dat beroepskrachten tijdens hun werkzaamheden in het kader van het leveren van voorzieningen handelen in overeenstemming met de

professionele standaard, zoals geldend in hun branche.

2. Het college kan bij nadere regels bepalen welke verdere eisen worden gesteld aan de kwaliteit van voorzieningen, eisen met betrekking tot de deskundigheid van beroepskrachten daaronder begrepen.

3. Onverminderd andere handhavingsbevoegdheden ziet het college toe op de naleving van de gestelde kwaliteitseisen door overleggen met de aanbieders, een jaarlijks cliëntervaringsonderzoek, en het zo nodig in overleg met de cliënt ter plaatse controleren van de geleverde voorzieningen. In beleidsregels kan het college hieraan nadere invulling geven.

 

Artikel 9.2 Kwaliteit pgb

Het college kan, uit het oogpunt van beoordeling kwaliteit van de geleverde zorg, al dan niet steekproefsgewijs, onderzoek doen naar de bestedingen van pgb’s.

 

Artikel 9.3 Verhouding prijs en kwaliteit levering maatwerkvoorziening door derden

1. Ter waarborging van een goede verhouding tussen de prijs voor de levering van een dienst door een derde als bedoeld in artikel 2.6.4 van de wet en de eisen die gesteld worden aan de kwaliteit van de dienst stelt het college vast:

a. een vaste prijs, die geldt voor een inschrijving als bedoeld in de Aanbestedingswet 2012 en het aangaan overeenkomst met derde; of

b. een reële prijs die geldt als ondergrens voor:

- 1. een inschrijving en het aangaan overeenkomst met de derde, en

- 2. de vaste prijs, bedoeld in onderdeel a.

2.  Het college stelt bij nadere regels de prijzen, bedoeld in het eerste lid, vast:

a. overeenkomstig de eisen aan de kwaliteit van die dienst, waaronder de eisen aan de deskundigheid van de beroepskracht, bedoeld in artikel 2.1.3, tweede lid, onderdeel c, van de wet, en

b. rekening houdend met de continuïteit in de hulpverlening, bedoeld in artikel 2.6.5, tweede lid, van de wet, tussen degenen aan wie de dienst wordt verstrekt en de betrokken hulpverleners.

3. Het college baseert de vaste prijs of de reële prijs op de volgende kostprijselementen:

a.  de kosten van de beroepskracht;

b.  redelijke overheadkosten;

c.  kosten voor niet productieve uren van de beroepskrachten als gevolg van verlof, ziekte, scholing, werkoverleg;

d.  reis en opleidingskosten;

e.  indexatie van de reële prijs voor het leveren van een dienst;

f.  overige kosten als gevolg van door de gemeente gestelde verplichtingen voor aanbieders waaronder rapportageverplichtingen en administratieve verplichtingen.

4.  Het college kan het eerste lid, onderdeel b, buiten beschouwing laten indien bij de inschrijving aan de derde de eis wordt gesteld een prijs voor de dienst te hanteren die gebaseerd is op hetgeen gesteld is in het tweede en derde lid. Daarover legt het college verantwoording af aan de gemeenteraad.

5.  Het college bepaalt met welke derde als bedoeld in het eerste lid hij een overeenkomst aangaat.

 

Artikel 9.4 Klachtregeling aanbieders

  • 1.

    Aanbieders stellen een regeling vast voor de afhandeling van klachten van cliënten ten aanzien van de door hen, krachtens deze verordening, geleverde maatwerkvoorzieningen.

2. Onverminderd andere handhavingsbevoegdheden ziet het college toe op de naleving van de klachtregelingen van aanbieders dooroverleggen met de aanbieders, en een cliëntervaringsonderzoek.

 

Artikel 9.5 Medezeggenschap bij aanbieders van maatschappelijke ondersteuning

1. Aanbieders van diensten stellen een regeling vast voor de medezeggenschap van cliënten over voorgenomen besluiten van de aanbieder welke voor de gebruikers van belang zijn.

2. Onverminderd andere handhavingsbevoegdheden ziet het college toe op de naleving van de medezeggenschapsregelingen van aanbieders door overleggen met de aanbieders en een cliëntervaringsonderzoek

 

HOOFDSTUK 10 BESTRIJDING MISBRUIK OF ONEIGENLIJK GEBRUIK

 

Artikel 10.1 Fraudepreventie

Het college informeert de cliënt over de rechten en plichten die aan het ontvangen van een maatwerkvoorziening zijn verbonden en over de consequenties van misbruik en oneigenlijk gebruik van de wet.

 

Artikel 10.2 Onderzoek rechtmatigheid

Het college doet onderzoek naar de rechtmatigheid van de maatwerkvoorziening indien er een vermoeden bestaat van misbruik dan wel oneigenlijk gebruik van de wet.

 

Artikel 10.3 Nadere regels

Het college kan ten aanzien van het bepaalde in dit hoofdstuk nadere regels stellen.

 

HOOFDSTUK 11 OVERIGE BEPALINGEN

Artikel 11.1 Jaarlijkse waardering mantelzorgers

1. Mantelzorgers van cliënten in de gemeente ontvangen jaarlijks een blijk van waardering voor hun inzet.

2. Het college bepaalt bij nadere regels waaruit de jaarlijkse blijk van waardering voor mantelzorgers van cliënten in de gemeente bestaat.

 

Artikel 11.2 Betrekken van ingezetenen bij het beleid

  • 1.

    Krachtens de Inspraakverordening Participatieraad Asten van 5 juli 2010

  • 2.

    Het college stelt ingezetenen vroegtijdig in de gelegenheid voorstellen voor het beleid betreffende maatschappelijke ondersteuning te doen, advies uit te brengen bij de besluitvorming over verordeningen en beleidsvoorstellen betreffende maatschappelijke ondersteuning, en voorziet hen van ondersteuning om hun rol effectief te kunnen vervullen.

  • 3.

    Het college zorgt ervoor dat ingezetenen kunnen deelnemen aan periodiek overleg, waarbij zij onderwerpen voor de agenda kunnen aanmelden, en dat zij worden voorzien van de voor een adequate deelname aan het overleg benodigde informatie en ondersteuning.

  • 4.

    Het college stelt nadere regels vast ter uitvoering van het tweede en derde lid.

     

HOOFDSTUK 12 SLOTBEPALINGEN

 

Artikel 12.1  Hardheidsclausule

Het college kan in bijzondere gevallen ten gunste van de cliënt afwijken van de bepalingen van deze regels, indien toepassing van het besluit tot onbillijkheden van overwegende aard leidt.

Artikel 12.2  Besluitvorming en beleidsregels

  • 1.

    Voor zover in deze verordening geen beperkingen zijn opgelegd is het college bevoegd tot alle besluiten ter uitvoering van deze verordening en de wet.

  • 2.

    Het college

     

Artikel 12.3 Intrekking oude verordening en overgangsrecht

1. De Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Asten 2018 wordt ingetrokken per datum inwerkingtreding onderhavige verordening.

2. Besluiten, genomen krachtens de eerdere Verordeningen maatschappelijke ondersteuning gemeente Asten en die gelden op het moment van inwerkingtreding van deze Verordening blijven van kracht tot aan het moment dat zij van rechtswege vervallen, worden ingetrokken of beëindigd.

3. Aanvragen die zijn ingediend onder de Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Asten 2018 en waarop nog niet is beslist bij het in werking treden van onderhavige verordening, worden afgehandeld krachtens de Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Asten 2018.

4. Op een aanhangig bezwaar- of beroepschrift tegen een besluit dat is genomen voor de inwerkingtreding van deze verordening, wordt beslist met inachtneming van

het bepaalde in de Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Asten 2018.

 

Artikel 12.4 Inwerkingtreding

Deze verordening treedt in werking op 1 januari 2020.

 

Aldus vastgesteld in de openbare vergadering van de raad van de gemeente Asten van

10 december 2019.

 

De raad voornoemd,

 

griffier,

mr. M.B.W. van Erp-Sonnemans

voorzitter,

mr. H.G. Vos