Gemeenteblad van Hoogeveen

Datum publicatieOrganisatieJaargang en nummerRubriek
HoogeveenGemeenteblad 2019, 320139Verordeningen



Afstemmingsverordening Participatiewet, IOAW en IOAZ gemeente Hoogeveen 2020

De raad van de gemeente Hoogeveen;

gelezen het voorstel van het college van Burgemeester en Wethouders (datum en nummer);

 

gelet op artikel 8, eerste lid, aanhef en onderdeel a en e, van de Participatiewet, artikel

35 van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze

werknemers (hierna: IOAW) en artikel 35 van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen (hierna: IOAZ);

 

besluit vast te stellen de volgende verordening:

 

Afstemmingsverordening Participatiewet, IOAW en IOAZ gemeente Hoogeveen 2020.

 

Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen

Artikel 1. Begrippen

In deze verordening wordt verstaan onder:

  • a.

    benadelingsbedrag: netto-uitkering waarop eerder, langer of tot een hoger bedrag een beroep wordt of is gedaan ten gevolge van tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan;

  • b.

    bijstandsnorm:

    1° toepasselijke bijstandsnorm als bedoeld in artikel 5, onderdeel c, van de Participatiewet, of

    2° grondslag van de uitkering als bedoeld in artikel 5 van de IOAW of artikel 5 van de IOAZ voor zover sprake is van een uitkering op grond van de IOAW of de IOAZ;

  • c.

    uitkering: algemene bijstand en bijzondere bijstand op grond van de Participatiewet of een uitkering op grond van de IOAW of de IOAZ.

Artikel 2. Het besluit tot opleggen van een verlaging

In het besluit tot het opleggen van een verlaging van de uitkering als bedoeld in de artikelen 9a, twaalfde lid, en 18 tweede, vijfde en zesde lid van de Participatiewet, de artikelen 20 en 38, twaalfde lid, van de IOAW en de artikelen 20 en 38, twaalfde lid, van

de IOAZ worden in ieder geval vermeld:

  • a.

    de reden van de verlaging;

  • b.

    de duur van de verlaging;

  • c.

    het bedrag of percentage waarmee de uitkering wordt verlaagd, en

  • d.

    indien van toepassing, de reden om af te wijken van de standaardverlaging.

Artikel 3. Horen van een belanghebbende

  • 1.

    Voordat een maatregel wordt opgelegd wordt een belanghebbende in de gelegenheid gesteld zijn zienswijze naar voren te brengen.

  • 2.

    Het horen van een belanghebbende kan achterwege blijven als: a. de vereiste spoed zich daartegen verzet;

    b. belanghebbende al eerder in de gelegenheid is gesteld zijn zienswijze naar voren te brengen en zich sindsdien geen nieuwe feiten of omstandigheden hebben voorgedaan;

    c. het college het horen niet nodig acht voor het vaststellen van de ernst van de gedraging of de mate van verwijtbaarheid, of d. belanghebbende aangeeft hiervan geen gebruik te willen maken.

Artikel 4. Afzien van het opleggen van een verlaging

  • 1.

    Het college ziet af van een verlaging als:

    a. elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt, of b. de gedraging meer dan één jaar voor constatering daarvan door het college heeft plaatsgevonden, tenzij sprake is van een tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan vanwege het te snel interen op het vermogen. In hetlaatste geval is de termijn drie jaar.

  • 2.

    Het college kan afzien van een verlaging als het daarvoor dringende redenen aanwezig acht. Belanghebbende wordt hiervan schriftelijk op de hoogte gesteld.

Artikel 5. Ingangsdatum en tijdvak van een verlaging

  • 1.

    De verlaging wordt toegepast op de uitkering met ingang van de eerste dag van de kalendermaand waarin het besluit tot het opleggen van de verlaging aan een belanghebbende is bekendgemaakt, doch niet eerder dan de gedraging heeft plaatsgevonden. Daarbij wordt uitgegaan van de op dat tijdstip voor die belanghebbende geldende bijstandsnorm, tenzij de verordening anders bepaalt.

  • 2.

    Als de verlaging niet op grond van het eerste lid kan worden geëffectueerd, dan wordt de verlaging opgelegd met ingang van de eerste dag van de kalendermaand volgend op de kalendermaand waarin het besluit tot het opleggen van de verlaging is genomen.

  • 3.

    Als het besluit tot het opleggen van een verlaging samenvalt met het besluit tot toekennen van de uitkering, dan kan in afwijking van het eerste lid de verlaging worden toegepast met ingang van de dag waarop het recht op uitkering is ontstaan.

  • 4.

    Een verlaging kan met terugwerkende kracht worden toegepast op de uitkering over de periode waarop de gedraging betrekking heeft gehad of over de periode waarin de gedraging heeft plaatsgevonden als een verlaging overeenkomstig zowel het eerste als tweede lid niet mogelijk is omdat de uitkering is beëindigd of ingetrokken.

  • 5.

    Als een verlaging niet of niet geheel ten uitvoer kan worden gelegd als gevolg van de beëindiging of intrekking van de uitkering, wordt de verlaging of dat deel van de verlaging dat nog niet is uitgevoerd, alsnog opgelegd als belanghebbende binnen de termijn, bedoeld in artikel 4, eerste lid, onderdeel b, opnieuw een uitkering ontvangt.

  • 6.

    Het eerste tot en met het vijfde lid is van overeenkomstige toepassing op bijzondere bijstand die is verleend met toepassing van artikel 12 van de Participatiewet.

Artikel 6. Berekeningsgrondslag

  • 1.

    Een verlaging wordt berekend over de bijstandsnorm.

  • 2.

    In afwijking van het eerste lid kan een verlaging worden toegepast op de bijzondere bijstand als:

    a. aan belanghebbende bijzondere bijstand wordt verleend met toepassing van artikel 12 van de Participatiewet, of

    b. de verwijtbare gedraging van belanghebbende in relatie met zijn recht op bijzondere bijstand daartoe aanleiding geeft.

  • 3.

    Bij toepassing van het tweede lid, onderdeel a, moet in de hoofdstukken 2, 3 en 4 ‘bijstandsnorm’ worden gelezen als ‘bijstandsnorm inclusief de op grond van artikel 12 van de Participatiewet verleende bijzondere bijstand’.

  • 4.

    Bij toepassing van het tweede lid, onderdeel b, moet in de hoofdstukken 2, 3 en 4 ‘bijstandsnorm’ worden gelezen als ‘de verleende bijzondere bijstand’.

Hoofdstuk 2. Niet nakomen van de niet geüniformeerde verplichtingen metbetrekking tot de arbeidsinschakeling

Artikel 7. Gedragingen Participatiwet

Gedragingen van een belanghebbende waardoor een verplichting op grond van de artikelen 9, 9a, 17 tweede lid, en 55 van de Participatiewet niet of onvoldoende wordt nagekomen, worden onderscheiden in de volgende categorieën:

  • a.

    eerste categorie: het zich niet tijdig laten registreren als werkzoekende bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen of het niet tijdig laten verlengenvan de registratie;

  • b.

    tweede categorie:

    1°. het niet of onvoldoende meewerken aan het opstellen, uitvoeren en evalueren van een plan van aanpak als bedoeld in artikel 44a van de Participatiewet;

    2°. het onvoldoende nakomen van verplichtingen als bedoeld in de artikelen 9, eerste lid, of 55 van de Participatiewet, voor zover het gaat om een belanghebbende jonger dan 27 jaar, gedurende vier weken na een melding als bedoeld in artikel 43, vierde en vijfde lid, van de Participatiewet, voor zover deze verplichtingen niet worden genoemd in artikel 18, vierde lid, van de Participatiewet;

    3°. het niet of onvoldoende verrichten van een door het college opgedragen tegenprestatie naar vermogen als bedoeld in artikel 9, eerste lid, onderdeel c, van de Participatiewet;

    4°. het uit houding en gedrag ondubbelzinnig laten blijken verplichtingen als bedoeld in artikel 9, eerste lid, onderdeel b, van de Participatiewet niet te willen nakomen, wat heeft geleid tot het intrekken van de ontheffing van de arbeidsplicht voor een alleenstaande ouder, bedoeld in artikel 9a, eerste lid, van de Participatiewet;

    5°. het niet of niet tijdig voldoen aan een oproep om op een aangegeven plaats en tijd te verschijnen, in verband met arbeidsinschakeling.

  • c.

    derde categorie:het niet naar vermogen proberen algemeen geaccepteerde arbeid te verkrijgen voor zover dit niet voortvloeit uit een gedraging als bedoeld in artikel 18, vierde lid, van de Participatiewet.

Artikel 8. Gedragingen IOAW en IOAZ

Gedragingen van een belanghebbende waardoor een verplichting op grond van de artikelen 13, tweede lid, 20, eerste lid, 37 en 38 van de IOAW of de artikelen 13, tweede lid, 20, tweede lid, 37 en 38 van de IOAZ niet of onvoldoende wordt nagekomen, worden

onderscheiden in de volgende categorieën:

  • a.

    eerste categorie: het zich niet tijdig laten registreren als werkzoekende bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen of het niet tijdig laten verlengenvan de registratie;

  • b.

    tweede categorie:

    1. het niet of in onvoldoende mate meewerken aan een onderzoek naar de mogelijkheden tot arbeidsinschakeling;

    2. het niet of onvoldoende verrichten van een door het college opgedragen tegenprestatie naar vermogen als bedoeld in artikel 37, eerste lid, onderdeel f, van de IOAW of artikel 37, eerste lid, onderdeel f, van de IOAZ;

    3. het niet of niet tijdig voldoen aan een oproep om op een aangegeven plaats en tijd te verschijnen, in verband met arbeidsinschakeling.

  • c.

    c. derde categorie:

    1. het niet of onvoldoende gebruik maken van een door het college aangeboden voorziening gericht op arbeidsinschakeling als bedoeld in de artikelen 36, eerste lid, en 37, eerste lid, onderdeel e, van IOAW of de artikelen 36, eerste lid, en 37, eerste lid, onderdeel e, van de IOAZ, voor zover dit heeft geleid tot het geen doorgang vinden of tot voortijdige beëindiging van die voorziening.

    2. Als de mate waarin de belanghebbende inkomen als bedoeld in of op grond van artikel 8 van de IOAW of de IOAZ zou hebben kunnen verwerven, niet kan worden vastgesteld, dan stelt het college een verlaging vast als:

    i.aan de beëindiging van de dienstbetrekking van belanghebbende een dringende reden ten grondslag ligt in de zin van artikel 678 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek en belanghebbende ter zake een verwijt kan worden gemaakt, of;

    ii.de dienstbetrekking van belanghebbende is beëindigd door of op zijn verzoek zonder dat aan de voortzetting ervan zodanige bezwaren waren verbonden, dat deze voortzetting redelijkerwijs niet van hem zou kunnen worden gevergd, of;

    iii.belanghebbende nalaat algemeen geaccepteerde arbeid te aanvaarden, of; iv.belanghebbende door eigen toedoen geen algemeen geaccepteerde arbeid verkrijgt.

Artikel 9. Hoogte en duur van de verlaging

De verlaging, bij gedragingen als bedoeld in de artikelen 7 en 8, wordt vastgesteld op:

  • a.

    5 procent van de bijstandsnorm gedurende één maand bij gedragingen van de eerste categorie;

  • b.

    25 procent van de bijstandsnorm gedurende één maand bij gedragingen van de tweede categorie;

  • c.

    100 procent van de bijstandsnorm gedurende één maand bij gedragingen van de derde categorie.

Hoofdstuk 3. Niet nakomen van de geüniformeerde verplichtingen metbetrekking tot de arbeidsinschakeling

Artikel 10. Duur verlaging bij schending geüniformeerde arbeidsverplichting

Als een belanghebbende een verplichting als bedoeld in artikel 18, vierde lid, van de Participatiewet niet of onvoldoende nakomt, bedraagt de verlaging 100 procent van de bijstandsnorm gedurende één maand.

Artikel 10a. verrekenen en verlaging
  • 1.

    Het bedrag van de verlaging, bedoeld in artikel 10, wordt toegepast over de maand van oplegging van de maatregel en de volgende twee maanden als bijzondere omstandigheden dit rechtvaardigen.

  • 2.

    Als sprake is van een verlaging op grond van artikel 18, vierde lid, onderdeel a, van de Participatiewet, vindt geen verrekening als bedoeld in het eerste lid plaats.

Artikel 10b. Medewerkingsplicht in het kader van de Wet Taaleis

  • 1.

    Het college legt een maatregel op van 20% van de bijstandsnorm gedurende zes maanden, indien belanghebbende niet of in onvoldoende mate zijn medewerking verleent als bedoeld in artikel 17 lid 2 Participatiewet, waardoor het college niet kan vaststellen of belanghebbende voldoet aan de Wet taaleis WWB, artikel 18b Participatiewet.

  • 2.

    Onder het niet of onvoldoende medewerking verlenen als bedoeld in het eerste lid verstaat het college in ieder geval:

    a. Het niet op een aangegeven plaats en tijd verschijnen in verband met een onderzoek in het kader van de Wet taaleis WWB en;

    b. Het niet meewerken aan de uitvoering van de taaltoets in het kader van de Wet taaleis WWB.

  • 3.

    De hoogte van de maatregel is 40% van de bijstandsnorm gedurende zes maanden, indien de belanghebbende zich binnen twaalf maanden na bekendmaking van een besluit, waarbij een maatregel op grond van het eerste lid is opgelegd, opnieuw schuldig maakt aan eenzelfde verwijtbare gedraging.

  • 4.

    De hoogte van de maatregel is 100% van de bijstandsnorm voor onbepaalde tijd, indien de belanghebbende zich binnen twaalf maanden na bekendmaking van een besluit, waarbij een maatregel op grond van het derde lid is opgelegd, opnieuw schuldig maakt aan eenzelfde verwijtbare gedraging.

Hoofdstuk 4. Overige gedragingen die leiden tot een verlaging

Artikel 11. Tekortschietend besef van verantwoordelijkheid

  • 1.

    Een verlaging wegens tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan als bedoeld in artikel 18, tweede lid, van de Participatiewet wordt afgestemd op het benadelingsbedrag.

  • 2.

    De verlaging wordt vastgesteld op 20% van de bijstandsnorm gedurende één maand indien het benadelingsbedrag niet kan worden vastgesteld.

  • 3.

    De verlaging wordt vastgesteld op 100% van de bijstandsnorm gedurende één maand indien sprake is van een benadelingsbedrag.

  • 4.

    Indien de verlaging van de bijstandsnorm op grond van het derde lid hoger is dan het benadelingsbedrag, is de verlaging gelijk aan het benadelingsbedrag, doch niet lager dan de verlaging genoemd in het tweede lid.

Artikel 12. Zeer ernstige misdragingen

Als een belanghebbende zich zeer ernstig misdraagt tegenover personen en instanties die zijn belast met de uitvoering van de PW als bedoeld in artikel 9, zesde lid, van de PW, tegenover personen en instanties die zijn belast met de uitvoering van de IOAW als

bedoeld in artikel 37, eerste lid, onder g van de IOAW of tegenover personen en instanties die zijn belast met de uitvoering van de IOAZ als bedoeld in artikel 37, eerste lid, onder g, van de IOAZ, wordt een verlaging opgelegd van:

  • a.

    50 % van de bijstandsnorm gedurende één maand bij verbaal geweld, discriminatie of intimidatie gericht tegen de in de aanhef genoemde personen en/of instanties;

  • b.

    100 % van de bijstandsnorm gedurende één maand bij fysiek geweld of dreigend fysiek geweld gericht tegen de in de aanhef genoemde personen en/of instanties en/of materiële zaken.

Artikel 13. Niet nakoming van overige verplichtingen

Als een belanghebbende een door het college opgelegde verplichting als bedoeld in artikel 55 van de Participatiewet niet of onvoldoende nakomt, wordt een verlaging toegepast. De verlaging wordt vastgesteld op:

  • a.

    20 procent van de bijstandsnorm gedurende één maand, bij het niet of onvoldoende nakomen van verplichtingen die strekken tot arbeidsinschakeling;

  • 2.

    20 procent van de bijstandsnorm gedurende één maand, bij het niet of onvoldoende nakomen van verplichtingen die verband houden met de aard en het doel van een bepaalde vorm van bijstand;

  • c.

    40 procent van de bijstandsnorm gedurende één maand, bij het niet of onvoldoende nakomen van verplichtingen die strekken tot vermindering van de bijstand;

  • d.

    100 procent van de bijstandsnorm gedurende één maand, bij het niet of onvoldoende nakomen van verplichtingen die strekken tot beëindiging van de bijstand.

  •  

Hoofdstuk 5. Samenloop en recidive

Artikel 14. Samenloop van gedragingen

  • 1.

    Als sprake is van één gedraging die schending oplevert van meerdere in deze verordening of artikel 18, vierde lid, van de Participatiewet, of artikel 18b, van de Participatiewet, genoemde verplichtingen, wordt één verlaging opgelegd. Voor het bepalen van de hoogte en duur van de verlaging wordt uitgegaan van de gedraging waarop de hoogste verlaging is gesteld.

  • 2.

    Als sprake is van meerdere gedragingen die schending opleveren van één of meerdere in deze verordening of artikel 18, vierde lid, van de Participatiewet, of artikel 18b, van deParticipatiewet, genoemde verplichtingen, wordt voor iedere gedraging een afzonderlijke verlaging opgelegd. Deze verlagingen worden gelijktijdig opgelegd, tenzij dit gelet op de ernst van de gedraging, de mate van verwijtbaarheid en de omstandigheden van de belanghebbende niet verantwoord is.

  • 3.

    Als sprake is van één gedraging die schending oplevert van zowel een in deze verordening of artikel 18, vierde lid, van de Participatiewet, of artikel 18b, van de Participatiewet genoemde verplichting als een in artikel 17, eerste lid, van de Participatiewet of artikel 13, eerste lid, van de IOAW of artikel 13, eerste lid, van de IOAZ genoemde verplichting, wordt geen verlaging opgelegd, voor zover voor die schending een bestuurlijke boete wordt opgelegd.

  • 4.

    Als sprake is van meerdere gedragingen die schending opleveren van zowel een in deze verordening of artikel 18, vierde lid, van de Participatiewet, of artikel 18b, van de Participatiewet genoemde verplichting als een in artikel 17, eerste lid, van de Participatiewet of artikel 13, eerste lid, van de IOAW of artikel 13, eerste lid, van de IOAZ genoemde verplichting, waarvoor een bestuurlijke boete kan worden opgelegd, wordt voor iedere gedraging een afzonderlijke verlaging opgelegd, tenzij dit gelet op de ernst van de gedraging, de mate van verwijtbaarheid en de omstandigheden van de belanghebbende niet verantwoord is.

Artikel 15. Recidive
  • 1.

    Als een belanghebbende zich binnen twaalf maanden na bekendmaking van een besluit waarmee een verlaging is toegepast vanwege een gedraging als bedoeld in de artikelen 7, onder b of c, artikel 8, onder b of c, artikel 12, sub a en b, of artikel 13 opnieuw schuldig maakt aan een verwijtbare gedraging als bedoeld in die artikelen, wordt telkens de duur van de oorspronkelijke verlaging verdubbeld.

  • 2.

    Als een belanghebbende zich binnen twaalf maanden na bekendmaking van een besluit waarmee een verlaging is toegepast vanwege een gedraging als bedoeld in artikel 7, onder a, artikel 8, onder a, artikel 12, sub a, opnieuw schuldig maakt aan eenzelfde verwijtbare gedraging, wordt telkens de hoogte van de oorspronkelijke verlaging verdubbeld.

  • 3.

    Als een belanghebbende zich binnen twaalf maanden na bekendmaking van een besluit waarmee een verlaging is toegepast vanwege een gedraging als bedoeld in artikel 18, vierde lid, van de Participatiewet, opnieuw schuldig maakt aan een verwijtbare gedraging als bedoeld in artikel 18, vierde lid, van de Participatiewet, bedraagt de verlaging honderd procent van de bijstandsnorm gedurende twee maanden.

Artikel 16. Blijvend en tijdelijk weigeren IOAW- of IOAZ-uitkering

Het college kan de uitkering:

  • a.

    gedurende periode tijdelijk weigeren voor de duur van zes maanden als aan de beëindiging van de dienstbetrekking van belanghebbende een dringende reden ten grondslag ligt in de zin van artikel 678 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek enbelanghebbende ter zake een verwijt kan worden gemaakt; of

  • b.

    gedurende periode tijdelijk weigeren voor de duur van zes maanden als de dienstbetrekking is beëindigd door of op verzoek van belanghebbende zonder dat aan de voortzetting ervan zodanige bezwaren waren verbonden, dat deze voortzetting redelijkerwijs niet van hem zou kunnen worden gevergd; of

  • c.

    gedurende periode tijdelijk weigeren voor de duur van zes maanden als belanghebbende nalaat algemeen geaccepteerde arbeid te aanvaarden; of

  • d.

    gedurende periode tijdelijk weigeren voor de duur van zes maanden als belanghebbende door eigen toedoen geen algemeen geaccepteerde arbeid verkrijgt. De verlaging is gelijk aan de mate waarin de belanghebbende inkomen als bedoeld in of op grond van artikel 8 van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers of de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen had kunnen verwerven, doch niet hoger dan de verstrekte uitkering per maand.

Hoofdstuk 7. Slotbepalingen
Artikel 17. Harheidsclausule

Het college kan in bijzondere gevallen ten gunste van de belanghebbende afwijken van de bepalingen in de verordening, indien strikte toepassing ervan tot onbillijkheden van zwaarwegende aard zou leiden.

Artikel 18. Slotartikel  

  • 1.

    Met ingang van de in het tweede lid genoemde datum wordt de Afstemmingsverordening Participatiewet, IOAW en IOAZ gemeente Hoogeveen 2015 ingetrokken, met dien verstande dat zij van toepassing blijft op gedragingen die zich voor die datum hebben voorgedaan en waarvoor nog geen verlaging is opgelegd, tenzij de nieuwe verordening gunstiger is voor belanghebbende.

  • 2.

    Deze verordening treedt in werking op de eerste dag na bekendmaking.

  • 3.

    Deze verordening kan worden aangehaald als: Afstemmingsverordening

 

Aldus vastgesteld in de openbare raadsvergadering van 12 december 2019

De voorzitter,

De griffier,