Gemeenteblad van Utrecht

Datum publicatieOrganisatieJaargang en nummerRubriek
UtrechtGemeenteblad 2019, 317849Verordeningen



Verordening Jeugdhulp 2020 gemeente Utrecht

De raad van de gemeente Utrecht;

Heeft gelezen:

Het voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 8 oktober 2019;

 

Gelet op:

Artikel 147 lid 1 van de Gemeentewet;

Artikel 2.9 onder a. van de Jeugdwet;

 

Overweegt dat:

- de Jeugdwet de verantwoordelijkheid voor het organiseren van goede en toegankelijke jeugdhulp bij de gemeente belegt;

- het uitgangspunt is dat de verantwoordelijkheid voor het gezond en veilig opgroeien van jeugdigen allereerst bij de ouders en de jeugdige zelf ligt;

- het noodzakelijk is om regels vast te stellen over de door het college te verlenen individuele voorzieningen en algemene voorzieningen over de volgende onderwerpen:

a) de voorwaarden voor toekenning, de wijze van beoordeling van en de afwegingsfactoren bij een individuele voorziening;

b) afstemming over de toegang tot en toekenning van een individuele voorzieningen met andere voorzieningen;

c) de manier van vaststellen van de hoogte van een persoonsgebonden budget

d) het voorkomen en bestrijden van onterecht gebruik van een individuele voorziening of een persoonsgebonden budget als ook misbruik en oneigenlijk gebruik van de wet;

e) het waarborgen van een goede verhouding tussen de prijs en de kwaliteit voor de levering van jeugdhulp of de uitvoering van een kinderbeschermingsmaatregel of jeugdreclassering;

 

- het verder wenselijk is voorwaarden te bepalen voor het toekennen van een persoonsgebonden budget voor jeugdhulp vanuit het sociale netwerk;

 

Besluit vast te stellen de Verordening Jeugdhulp 2020 gemeente Utrecht.

 

Inhoud

 

Hoofdstuk 1 Algemene bepalingen

Hoofdstuk 2 Jeugdhulp

Hoofdstuk 3 Een persoonsgebonden budget (pgb)

Hoofdstuk 4 Overige bepalingen

Hoofdstuk 5 Slotbepalingen

 

Hoofdstuk 1 Algemene bepalingen

 

Deze verordening bevat de regels die de gemeenteraad heeft vastgesteld en die de wettelijke regels van de Jeugdwet aanvullen.

Artikel 1 Definities

De verordening bevat veel begrippen. Die leggen we hier uit op alfabetische volgorde. Een aantal begrippen staan al in de wet. Die herhalen we hier niet.

  • 1.

    Algemene voorziening: een vrij toegankelijke voorziening -of met beperkt- voorafgaand onderzoek naar de behoeften, persoonskenmerken en mogelijkheden van de jeugdige en zijn ouders, (zoals bedoeld in artikel 2.9 sub a in de Jeugdwet, daarin “Overige voorziening” genoemd;

  • 2.

    Andere voorziening: een voorziening op het gebied van zorg, onderwijs, maatschappelijke ondersteuning of werk en inkomen die niet onder de Jeugdwet valt;

  • 3.

    Basiszorg: de zorg die wordt geboden door de buurtteams, huisartsen en jeugdartsen;

  • 4.

    Buurtteam: een team van medewerkers dat:

    • jeugd- en gezinshulp verleent onder de Jeugdwet,

    • meldingen en aanvragen in ontvangst neemt,

    • hulpvragen en aanvragen kan behandelen.

  • 5.

    Medewerkers van het buurtteam zijn door het college gemandateerd om een individuele voorziening toe te kennen;

  • 6.

    Gezinsplan: een door de buurtteammedewerker samen met de jeugdige of ouders opgesteld, schriftelijk plan met de hulpvraag/hulpvragen van de jeugdige of ouders, de afgesproken doelen en begeleiding, en hoe daar aan gewerkt wordt en de aanvraag voor (een) voorziening(en) in het kader van de Jeugdwet;

  • 7.

    Familiegroepsplan: hulpverleningsplan of plan van aanpak, opgesteld door de ouders, samen met bloedverwanten, aanverwanten of anderen die tot de sociale omgeving van de jeugdige behoren;

  • 8.

    Hulpvraag: behoefte van een jeugdige of zijn ouders aan (jeugd)hulp. Dit kan zijn in verband met opgroei- en opvoedingsproblemen, psychische problemen, verstandelijke, lichamelijke of zintuigelijke beperkingen en stoornissen, als bedoeld in artikel 2.3, eerste lid, van de wet. Daarnaast kan het bijvoorbeeld gaan over hulp bij weer meedoen, geldzaken of wonen;

  • 9.

    Individuele voorziening: een op de jeugdige of ouders toegesneden niet vrij toegankelijke voorziening als bedoeld in artikel 2.9 sub a van de Jeugdwet. Toegang tot deze voorziening is via een verwijzing.

  • 10.

    Medewerker: gemandateerd jeugd-, gezinswerker die voor of namens het college een hulpvraag of aanvraag behandelt;

  • 11.

    Pgb: persoonsgebonden budget. Een bedrag, zoals bedoeld in artikel 8.1 lid 1 van de wet, dat het college toekent aan een jeugdige of ouders, waarmee zij een individuele voorziening kunnen betalen die zij bij een derde inkopen;

  • 12.

    Trekkingsrecht: Het geld van het pgb budget komt niet op de eigen rekening van de aanvrager. De Sociale Verzekeringsbank (SVB) doet alle uitbetalingen uit het toegekende pgb aan de zorgaanbieder of informele hulpverlener. Daarmee heeft de aanvrager een trekkingsrecht;

  • 13.

    Vakantie: aaneengesloten dagen waarop belanghebbende buiten de gemeente Utrecht verblijft, maar nog wel aangemerkt kan worden als ingezetene van de gemeente Utrecht. De maximale aaneengesloten vakantieduur die een inwoner kan opnemen en ook zijn hulp kan blijven ontvangen is 6 weken. Binnen een kalenderjaar worden de verschillende vakantieperiodes bij elkaar opgeteld en kunnen samen nooit meer zijn dan 13 weken per kalenderjaar. Ook als de vakantie opgenomen wordt over twee aansluitende kalenderjaren, kan niet meer dan 6 weken aangesloten opgenomen worden;

  • 14.

    Vaktherapie: overkoepelende naam voor de vaktherapeutische disciplines. Dat is voor beeldende therapie, danstherapie, dramatherapie, muziektherapie, psychomotorische therapie, psychomotorische kindertherapie en speltherapie;

  • 15.

    Verwijzer: onder andere een buurtteam medewerker, de huisarts, de medisch specialist, de jeugdarts, rechter, gecertificeerde instelling en Samen Veilig;

  • 16.

    Wet: Jeugdwet.

 

Hoofdstuk 2 Jeugdhulp

Artikel 2 Vormen van jeugdhulp

  • 1. De volgende algemene voorzieningen zijn beschikbaar:

  • a. generalistische Basiszorg via de Buurtteams Jeugd en Gezin

  • b. hulp bij dakloosheid voor jeugdigen

  • c. voorzieningen voor spoedeisende situaties

  • d. basis voorzieningen Jeugd via jongeren werk, welzijnswerk

  • e. opgroei en opvoed ondersteuning

  • 2. De volgende individuele voorzieningen zijn beschikbaar:

  • a. Specialistische Jeugdhulp: ambulante specialistische jeugdhulp; begeleiding en behandeling van kinderen, jeugdigen en hun gezinnen, aanvullend op de basishulp (en sociale basis) omdat er specifieke kennis/expertise gewenst is. Dit kan ook gaan om groepsgerichte inzet. (Er is geen sprake van verblijf in een instelling.)

  • • pleegzorg; Pleegzorg is jeugdhulp waarbij een kind of jongere (in deeltijd) verblijft in een pleeggezin. Pleegzorg is het bieden van een veilige, gestructureerde opvoedsituatie in een gewone gezinssituatie. Pleegzorg kent een hulpverlenings- en een opvoedingsvariant. gezinsgericht logeren & wonen; het kind of de jongere verblijft (in deeltijd) in een voorziening die zoveel mogelijk lijkt op een gezin: in de buurt, kleinschalig en met vaste opvoeders.

  • • niet-gezinsgericht logeren & wonen.

  • Dit zijn alle vormen van aanvullende jeugdhulp waarbij een kind of jongere niet in een pleeggezin of gezinsgerichte voorziening logeert of woont en niet bij ouders opvoeders.

  • Deze vormen van jeugdhulp worden uitgevoerd door aanbieders van specialistische jeugdhulp zoveel als mogelijk in buurtgerichte specialistische teams eventueel in combinatie met vaktherapie. Ook vervoer van en naar de locatie waar de ambulant specialistische jeugdhulp geboden wordt, valt onder de definitie specialistische jeugdhulp. Dit geldt niet voor de andere individuele voorzieningen.

  • b. Dyslexiezorg; diagnostiek bij- en behandeling van- ernstige enkelvoudige dyslexie.

  • c. Essentiele functies: Hoog specialistische zorg voor kinderen met ernstige gedragsproblemen waarbij de veiligheid en/of de ontwikkeling van het kind door de aard van de problematiek in het geding is, dit zijn de zogenaamde ‘essentiële functies’. Deze bieden we op regionaal niveau in samenwerking met de jeugdregio’s Lekstroom, Utrecht West en Zuidoost Utrecht.

  • d. Landelijk transitiearrangement (LTA): Voor zeer weinig voorkomende zorgvragen die hoogwaardige, specialistische inzet vragen is landelijk via het LTA beschikbaarheid van zorg georganiseerd. Het gaat hierbij om zeer diverse vormen van specialisme die de VNG namens de gemeenten inkoopt.

  • 3. Het college kan nadere regels vaststellen over welke algemene en individuele voorzieningen op basis van het eerste en tweede lid van dit artikel beschikbaar zijn.

 

Artikel 3 Toegang tot jeugdhulp

  • 1.

    De voorzieningen die worden geregeld in deze verordening zijn toegankelijk voor jeugdigen en hun gezin die, volgens de wet, onder de verantwoordelijkheid van de gemeente Utrecht vallen.

  • 2.

    Voor jeugdigen of ouders met een hulpvraag zijn algemene voorzieningen vrij toegankelijk.

  • 3.

    Jeugdigen of hun ouders met een hulpvraag kunnen zich melden bij het Buurtteam. Tijdens het gesprek met een medewerker van het buurtteam wordt de hulpvraag onderzocht en besproken wat nodig is en welke voorziening passend is. De jeugdige of zijn ouders kan een aanvraag voor een individuele voorziening indienen. Het college kan hiertoe nadere regels opstellen.

  • 4.

    Een jeugdige of zijn ouders kan zich tijdens het aanvraagproces met een medewerker van het buurtteam om een voorziening laten bijstaan door een onafhankelijke cliëntondersteuner. Het attenderen van jeugdige of ouders op de laatstgenoemde mogelijkheid is een vast onderdeel van het werkproces van de medewerkers van de Buurtteams.

  • 5.

    In een gesprek (zoals in lid 3 bedoeld) komt in ieder geval aan de orde:

  • a.

    de behoeften, persoonskenmerken, voorkeuren, veiligheid, ontwikkeling en gezinssituatie van de jeugdige en het probleem of de hulpvraag;

  • b.

    het gewenste resultaat van het verzoek om jeugdhulp;

  • c.

    het vermogen van de jeugdige of zijn ouders om zelf of met ondersteuning van de naaste omgeving een oplossing voor de hulpvraag te vinden; waarbij de Medewerker van het buurtteam de jeugdige en zijn ouders stimuleert om een familiegroepsplan op te stellen;

  • d.

    de mogelijkheden om jeugdhulp te verlenen met gebruikmaking van een algemene of voorliggende voorziening;

  • e.

    de mogelijkheden om gebruik te maken van een andere voorziening;

  • f.

    hoe en wie verder te betrekken bij de hulpvraag, (denk aan zorg, onderwijs, maatschappelijke ondersteuning, werk en inkomen, schulddienst verlening, voorschool);

  • g.

    de mogelijkheden om een individuele voorziening in te zetten;

  • h.

    hoe in geval van toekenning van een individuele voorziening deze wordt verzilverd; via een gecontracteerde jeugdhulpaanbieder van de gemeente (in natura) of via pgb.

  • 6.

    De bevindingen van een gesprek worden opgenomen in het gezinsplan. Een familiegroepsplan kan hiervan onderdeel zijn.

  • 7.

    Het college zorgt voor de inzet van jeugdhulp na een verwijzing door andere volgens de wet bevoegde verwijzers naar een individuele voorziening, voor zo lang de jeugdhulpaanbieder die de individuele voorziening levert van oordeel is dat inzet van jeugdhulp nodig is.

  • 8.

    In afwijking van het derde en vierde lid kan het college een individuele voorziening voor dyslexie-zorg toekennen op verzoek van een door haar gecontracteerde aanbieder voor dyslexiezorg na verwijzing van de jeugdige door de school. Deze aanbieder voert vooraf een controle uit op het door de school opgestelde leerlingdossier en geeft het college advies over de toe te kennen voorziening voor dyslexiezorg.

  • 9.

    Het college zorgt voor de inzet van de jeugdhulp die de rechter of de gecertificeerde instelling nodig vindt bij de uitvoering van een kinderbeschermingsmaatregel.

  • 10.

    Het college zorgt voor de inzet van de jeugdhulp die de rechter, het openbaar ministerie, de selectiefunctionaris, de inrichtingsarts of de directeur van de justitiële inrichting nodig vinden bij de uitvoering van een strafrechtelijke beslissing, of die de gecertificeerde instelling (een organisatie die bevoegd is om een kinderbeschermingsmaatregel of jeugdreclassering uit te voeren) nodig vindt bij de uitvoering van de jeugdreclassering.

  • 11.

    In spoedeisende gevallen zorgt het college zo snel mogelijk voor een tijdelijke passende maatregel of vraagt het college een machtiging gesloten jeugdhulp zoals bedoeld in hoofdstuk 6 van de wet.

  • 12.

    Het college kan nadere regels vaststellen ten aanzien van de methodiek en procedure waarmee het gesprek wordt gevoerd en het gezinsplan tot stand komt.

 

Artikel 4 Toekenning van individuele voorzieningen

  • 1. Een jeugdige of ouder kan binnen de kaders van de Jeugdwet en deze verordening in aanmerking komen voor een individuele voorziening wanneer door het college of een andere wettelijke verwijzer is vastgesteld dat:

  • a. inzet van jeugdhulp noodzakelijk is gezien de aard en ernst van de hulpvraag;

  • b. de jeugdige op eigen kracht, of met inzet van zijn ouders, andere personen uit het eigen netwerk, vrijwilligers of gebruikelijke zorg, geen passende oplossing kan vinden voor zijn hulpvraag;

  • c. algemene, voorliggende of voorzieningen in de betreffende situatie niet voldoende blijken.

  • 2. De buurt waar de jeugdige of ouders woont, is leidend bij de toewijzing van een individuele voorziening door de verwijzer naar een buurtgerichte specialistisch team tenzij:

  • • de leefwereld of situatie van de jeugdige of ouders om andere inzet vraagt;

  • • de jeugdige of ouders hierin een andere wens heeft.

  • 3. Indien de Medewerker van het buurtteam op basis van een gesprek met de jeugdige of zijn ouders vaststelt dat een individuele voorziening noodzakelijk is, dan bevestigt hij dit schriftelijk aan de jeugdige of ouder.

  • 4. In de volgende gevallen verstrekt de Medewerker van het buurtteam namens het college altijd een beschikking:

  • a. bij verstrekking van een pgb;

  • b. bij weigering van een aanvraag voor een individuele voorziening;

  • c. bij een verzoek van de jeugdige of zijn ouders om een beschikking te ontvangen, binnen 6 weken na de datum van het gesprek waarin de aanvraag is gedaan.

  • 5. Het college kan nadere regels stellen omtrent de verdere uitwerking van de criteria voor een individuele voorziening en de methodiek en procedure waarmee de noodzaak tot het bieden van een individuele voorziening wordt vastgesteld.

 

Hoofdstuk 3 Een persoonsgebonden budget (pgb)

Artikel 5 Individuele voorzieningen inkopen met een pgb

  • 1. Op de aanvraag voor een individuele voorziening in de vorm van een pgb is artikel 3, lid 4 tot en met 7, en artikel 4, lid 3 en 4 van overeenkomstige toepassing.

  • 2. Als er sprake is van toekenning van een individuele voorziening, kan dit worden inkocht via een pgb. De jeugdige of zijn ouders dienen hiervoor een door het college hiervoor ter beschikking gesteld format in te vullen (dit wordt het pgb- aanvraagformulier genoemd) en dit in te leveren bij een Medewerker van het buurtteam. In dit aanvraagformulier staat:

  • a. Welke jeugdhulp de jeugdige of zijn ouders gezien de hulpvraag willen inkopen met het pgb en wat het beoogde resultaat is;

  • b. Hoe het beoogde resultaat bijdraagt aan de doelen in het gezinsplan

  • c. Hoe de jeugdige of zijn ouders de aan het pgb verbonden taken op verantwoorde wijze uitvoeren, of wie hiervoor is gemachtigd;

  • d. Waarom de jeugdige of zijn ouders de jeugdhulp “in natura” niet passend vinden;

  • e. Hoe de kwaliteit van de zelf in te kopen jeugdhulp is gewaarborgd;

  • f. Een onderbouwde begroting.

  • 3. Een Medewerker van het buurtteam stelt de benodigde omvang (hoeveelheid) van de individuele voorziening in uren of dagdelen vast aan de hand van de door de jeugdige of zijn ouders ingediende aanvraag als bedoeld in artikel 5 lid 1.

  • 4. De hoogte van het pgb is de benodigde omvang van de individuele voorziening in uren of dagdelen maal het tarief.

  • 5. De tarieven als bedoeld in lid 4 zijn vastgesteld in het geldende Financieel besluit Jeugdhulp.

  • 6. Een pgb kan alleen worden gebruikt voor de in de beschikking beschreven vorm, duur en omvang van jeugdhulp. Het geld/budget mag niet voor andere zaken worden gebruikt.

  • 7. Het college kan een aanvraag voor een pgb weigeren. Reden hiervoor zijn:

  • a. voor zover het pgb is bedoeld of wordt gebruikt voor andere kosten dan het leveren van de benodigde zorg. Onder andere kosten wordt o.a. verstaan kosten van:

  • - tussenpersonen

  • - belangenbehartigers (bijvoorbeeld mensen die ondersteuning geven aan de jongere of de ouders waarbij niet de zorg wordt ingekocht)

  • - administratie

  • - reis en verblijf van zorgverleners;

  • b. indien aan de jeugdige of zijn ouders in de 3 jaren voorafgaand aan de datum van het gesprek, een pgb is verleend en de jeugdige of zijn ouders niet voldeden aan de gestelde of wettelijke voorwaarden aan het pgb;

  • c. Als het college vindt dat de jeugdhulp die de jeugdige of zijn ouders aanvragen niet of onvoldoende zal bijdragen aan het beoogde resultaat;

  • d. als de aanvraag tot gevolg heeft dat één en dezelfde persoon meer dan 48 uur per week moet werken voor deze jeugdige en/of zijn gezin. Bij het vaststellen of deze 48 uur per week overschreden wordt, kunnen alle betaalde werkzaamheden worden meegewogen en kan ook betrokken worden de hoeveelheid ondersteuning die deze persoon, al dan niet via een pgb, levert aan andere personen of gezinsleden;

  • e. als het pgb bestemd is voor besteding in het buitenland. Het college kan wel toestemming geven voor individuele begeleiding tijdens de vakantieperiode;

  • f. als de aanvraag alleen is gedaan voor vaktherapie en er geen individuele voorziening specialistische jeugdhulp is toegekend;

  • g. als de aanvraag is gedaan voor vaktherapie en er een voorliggende voorziening is waar de jeugdige of zijn ouders geen beroep op hebben gedaan.

  • h. als de beheerder van het pgb niet beschikt over de taken, kennis en vaardigheden die nodig zijn om het pgb goed te kunnen beheren.

  • i. als de (beoogd) beheerder van het pgb-budget ook de zorgverlener of directeur/ bestuurder is van de zorgorganisatie.

  • j. als de hulpverlener en/of de organisatie waar de hulpverlener werkzaam is, niet aansluit bij de behoeften en persoonskenmerken van de jeugdige en zijn ouders, en/of de godsdienstige gezindheid, de levensovertuiging en de culturele achtergrond van de jeugdige en zijn ouders en dit bezwaarlijk is bij het realiseren van gestelde doelen.

  • 8. Het college kan nadere regels stellen voor de wijze van indienen van een verzoek zoals beschreven in artikel 5 lid 7 onder e en het afwegingskader voor een dergelijk verzoek.

  • 9. Het college kent een pgb voor niet-professionele zorg vanuit het sociale netwerk alleen toe als:

  • a. de jeugdige of zijn ouders motiveert waarom dit tot een zelfde of beter resultaat leidt dan de inzet van een professionele zorgverlener, en

  • b. de persoon uit het sociale netwerk die de zorg verleent aangeeft dat de zorg aan de jeugdige of zijn ouders hem niet overbelast, en

  • c. de persoon uit het sociale netwerk geen handelingen verricht die aan een geregistreerde professional is voorbehouden.

  •  

Artikel 6 Hoe wordt de hoogte van een pgb – tarief bepaald?

  • 1. Het pgb is nooit hoger dan dat de goedkoopste voorziening in natura zou kosten die past bij wat nodig is.

  • 2. Het pgb is gebaseerd op een uurtarief of gemiddeld resultaattarief, er wordt onderscheid gemaakt tussen drie soorten tarieven, dit zijn het instellingstarief, het zelfstandige zonder personeel (zzp)-tarief en het informeel tarief:

  • 3. Het college legt normbedragen voor het pgb vast bij de verschillende zorgvormen in een Financieel besluit Jeugdhulp Utrecht. Daarbij geldt dat:

  • a. het instellingstarief is vastgesteld op basis van normatieve berekeningen, dat zijn toepasbare cao, plus opslagen, zoals bedoeld in de Algemene maatregelen van Bestuur (AmvB) reële prijzen;

  • b. het zzp tarief is gebaseerd op het instellingstarief minus 17% overheadkosten;

  • c. het informele tarief is gebaseerd op het tarief bij de Wet langdurige zorg voor niet-professionals. Het tarief voor kortdurend verblijf in het sociale netwerk is gebaseerd op het historisch tarief uit de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten. Het wettelijke minimum loon is de ondergrens.

  • 4. Voor eerstegraads familieleden geldt het informele tarief, ook al is iemand werkzaam bij een erkende zorginstelling of is iemand een zelfstandige zonder personeel (als relevante hulpverlener), tenzij er zwaarwegende redenen zijn om hiervan af te wijken.

  • 5. Het tarief op basis waarvan het pgb is berekend blijft in stand zolang de toekenning geldig is. (Deze stijgt/verandert niet bij een aanpassing van het financieel besluit jeugdhulp.)

  •  

Artikel 7 Besteding en verantwoording van het pgb

  • 1. De jeugdige of ouder en/of diens vertegenwoordiger stemt in met en handelt volgens de bepalingen van de gemeente Utrecht zoals opgenomen in deze Verordening en bijbehorende aanvullende regelgeving, beschikking en pgb plan.

  • 2. De SVB bank keert het PGB uit. De cliënt stemt in met en handelt volgens de (algemene) voorwaarden van de Sociale Verzekeringsbank (de voorwaarden zoals de gemeente Utrecht die is overeengekomen met de SVB).

  • 3. Het college kan de cliënt verplichten om, bij het aanleveren van gegevens voor de uitbetaling door het SVB, standaarddocumenten te gebruiken bij het aanleveren van gegevens voor het trekkingsrecht via de SVB.

 

Hoofdstuk 4 Overige bepalingen

Artikel 8 Nieuwe feiten en omstandigheden, herziening, intrekking, invordering en controle

  • 1. Zoals artikel 8.1.2 van de wet aangeeft moet de jeugdige of zijn ouders zelf of op verzoek melding maken van alle feiten/omstandigheden die een verandering kunnen betekenen voor de beslissing over de toegekende voorziening.

  • 2. Het college kan een beslissing over een pgb herzien of intrekken als het college vaststelt dat:

  • a. de jeugdige of zijn ouders/vertegenwoordiger onjuiste of onvolledige gegevens hebben verstrekt en de verstrekking van juiste of volledige gegevens tot een andere beslissing zou hebben geleid;

  • b. de jeugdige of zijn ouders/vertegenwoordiger niet meer op de individuele voorziening zijn aangewezen;

  • c. de individuele voorziening niet meer voldoet;

  • d. de jeugdige of zijn ouders/vertegenwoordiger niet voldoen aan de voorwaarden van het pgb;

  • e. de jeugdige of zijn ouders/vertegenwoordiger het pgb niet of voor een ander doel gebruiken dan waarvoor het is bestemd;

  • f. de jeugdige of zijn ouders/vertegenwoordiger een wijziging ten aanzien van de ingekochte voorziening, waarvan redelijkerwijs duidelijk is dat deze van invloed is op de toegekende voorziening, niet vooraf met het college heeft afgestemd.

  • 3. Als het college een beslissing op grond van het tweede lid, onder a, heeft ingetrokken en er sprake is van verstrekking van onjuiste of onvolledige gegevens, kan het college van degene die onjuiste of onvolledige gegevens heeft verschaft, geheel of gedeeltelijk de geldswaarde terug vorderen van de ten onrechte genoten individuele voorziening.

  • 4. Het college kan een pgb intrekken als blijkt dat het pgb binnen 6 maanden na uitbetaling niet is gebruikt voor de voorziening waarvoor het pgb verleend is.

  • 5. Het college maakt afspraken met aanbieders van voorzieningen over de facturatie en accountantscontrole, zodat declaraties en uitbetalingen in overeenstemming zijn met de contractuele afspraken, de leveringsopdracht en de geleverde prestaties.

  • 6. Het college wijst de toezichthouders aan die toezicht houden op de naleving van rechtmatige en doelmatige uitvoering van de wet, waaronder de bestrijding van misbruik, oneigenlijk gebruik en niet-gebruik van deze wet en de besteding van het pgb, dit kan ook steekproefsgewijs. Het college kan beleidsregels stellen met betrekking tot de wijze waarop deze onderzoeken vorm worden gegeven.

  • 7. Het college kan de Sociale verzekeringsbank verzoeken tot een geheel of gedeeltelijke opschorting van betalingen uit het pgb voor ten hoogste dertien weken. Dit kan alleen gemotiveerd als er ten aanzien van een cliënt een ernstig vermoeden is dat er sprake is van een omstandigheid als bedoeld in artikel 8.1.4, eerste lid onder a, d of e van de wet of een wijziging die duidelijk van invloed is op de toegekende voorziening (zoals bedoeld in artikel 8, tweede lid onder f).

 

Artikel 9 Balans tussen prijs en kwaliteit van aanbieders van jeugdhulp, uitvoerders van kinderbeschermingsmaatregelen en jeugdreclassering

  • 1.

    Bij het vaststellen van de tarieven voor door derden te leveren jeugdhulp of uit te voeren kinderbeschermingsmaatregelen of jeugdreclassering, houdt het college rekening met:

  • a.

    de aard en omvang van de te verrichten taken;

  • b.

    de voor de sector toepasselijke cao-schalen in relatie tot de zwaarte van de functie;

  • c.

    een redelijke toeslag voor overheadkosten;

  • d.

    een voor de sector passende mate van non-productiviteit van het personeel door verlof, ziekte, scholing en werkoverleg;

  • e.

    kosten voor bijscholing van het personeel.

  • 2.

    De aanbieders van Jeugdhulp, uitvoerders van kinderbeschermingsmaatregelen en jeugdreclassering zijn cultuursensitief. Organisaties borgen de cultuursensitiviteit structureel via de organisatievisie en het personeelsbeleid door te sturen op de benodigde kennis en competenties van de medewerkers en een samenstelling van de teams die past bij de diversiteit van Utrechtse cliënten. Het begrip “cultureel” moet breed worden opgevat; het behelst herkomst, levensbeschouwing, seksuele geaardheid, genderdiversiteit en mensen met een functiebeperking.

 

Artikel 10 Vertrouwenspersoon

  • 1. Het college zorgt ervoor dat jeugdigen, ouders en pleegouders een beroep kunnen doen op een “onafhankelijke vertrouwenspersoon”.

  • 2. Het college wijst jeugdigen en ouders erop dat zij een beroep kunnen doen op een “onafhankelijke vertrouwenspersoon” als zij dat willen.

  •  

Artikel 11 Klachtregeling

Het college stelt een regeling vast voor de afhandeling van klachten van jeugdigen en ouders die betrekking hebben op de wijze van afhandeling van meldingen en aanvragen als bedoeld in deze verordening.

 

Artikel 12 Inspraak en medezeggenschap

  • 1. Het college betrekt de inwoners van de gemeente bij de voorbereiding van het jeugdhulpbeleid . ( artikel 150 van de Gemeentewet).

  • 2. Jeugdigen die jeugdhulp krijgen, hun ouders en vertegenwoordigers van cliëntgroepen mogen voorstellen voor het jeugdhulpbeleid doen en advies uitbrengen bij de besluitvorming over verordeningen en beleidsvoorstellen over jeugdhulp. Het college zorgt ervoor dat zij ondersteund worden om hun rol effectief te vervullen.

  • 3. Inwoners van de gemeente kunnen deelnemen aan overleg over jeugdhulp. Zij kunnen ook zelf onderwerpen voor dit overleg aanmelden. Het college zorgt ervoor dat inwoners hiertoe geïnformeerd en ondersteund worden.

  • 4. Het college stelt nadere regels vast ter uitvoering van het tweede en derde lid van dit artikel.

 

Artikel 13 Privacy

Aanbieders van Jeugdhulp waarborgen de privacy van cliënten;

  • 1.

    De Buurtteams handelen volgens de Jeugdwet en de Algemene Verordening Gegevensbescherming. Het privacycharter Buurtteams Utrecht is een afsprakenkader tussen gemeente en buurtteams jeugd en gezin onder meer over hoe gegevens vast te leggen en het informatie te delen, Deze is van toepassing. Medewerkers van de buurtteams attenderen hun cliënten hierop.

  • 2.

    Aanbieders van aanvullende zorg handelen volgens de Jeugdwet, de Algemene verordening gegevensbescherming en (indien van toepassing) de Wet op de geneeskundige behandelingsovereenkomst.

 

Hoofdstuk 5 Slotbepalingen

Artikel 14 Intrekking oude verordening

De Verordening Jeugdhulp 2019 gemeente Utrecht vervalt op 1 januari 2020. (De al gemaakte afspraken op basis van die verordening gelden nog).

 

Artikel 15 Overgangsbepalingen

  • 1. Aanvragen voor jeugdhulp die bij het college zijn ingediend voor 1 januari 2020 en waarop nog niet is beslist wanneer deze verordening in werking treedt, worden afgehandeld volgens de Verordening Jeugdhulp 2019.

  • 2. Op bezwaarschriften wordt beslist volgens de verordening waarop het besluit is gebaseerd.

  • 3. Het college heeft de bevoegdheid een besluit te herzien a. op de gronden vermeld in deze verordening;

  • a. Als het college een heronderzoek heeft uitgevoerd en daaruit blijkt dat er met toepassing van deze verordening een afwijkend besluit zou zijn genomen;

  • b. als de jeugdige of zijn ouders ondersteuning ontvangt in natura en wil overstappen naar een andere aanbieder of naar een pgb;

  • c. als de jeugdige of zijn ouders ondersteuning ontvangt in de vorm van een pgb en wil overstappen naar ondersteuning in natura.

 

Artikel 16 Inwerkingtreding

Deze verordening treedt per 1 januari 2020 in werking.

 

Artikel 17 Citeertitel

Deze verordening heet: Verordening Jeugdhulp 2020 gemeente Utrecht.

 

 

 

Aldus vastgesteld in de openbare vergadering van 19 december 2019

De griffier,

mr. M. van Hall CMC

De burgemeester,

mr. J.H.C. van Zanen