Gemeenteblad van Veere

Datum publicatieOrganisatieJaargang en nummerRubriek
VeereGemeenteblad 2019, 314821Verordeningen



Verordening op de heffing en invordering van watertoeristenbelasting 2020

De raad van de gemeente Veere;

gelezen het voorstel van het college van burgemeester en wethouders

gelet op artikel 224 van de Gemeentewet;

besluit:

vast te stellen op de volgende verordening

Verordening op de heffing en invordering van watertoeristenbelasting 2020

 

 

 

 

 

Artikel 1. Definities

Deze verordening verstaat onder:

a. vaartuig: een vaartuig dat is bestemd of wordt gebezigd voor vakantie- of andere recreatieve doeleinden;

b. lengte: de lengte over alles;

c. vaste ligplaats een ligplaats die naar plaatselijk gebruik, zulks ter beoordeling van het college van burgemeester en wethouders, is bestemd voor het regelmatig afmeren of ter anker leggen van een vaartuig en die ter beschikking wordt gesteld voor eenzelfde vaartuig gedurende een seizoen;

d. etmaal: een aaneengesloten tijdvak van 24 uren, aanvangend om 21.00 uur;

e. maand: een aaneengesloten tijdvak van 30 etmalen;

f. seizoen: het tijdvak van 1 april tot en met 1 november;

g. kapitein: de gezagvoerder van een vaartuig of degene die deze vervangt.

h. passanten: diegene die verblijf houden in de gemeente, met of op een vaartuig, zonder het hebben van een vaste ligplaats.

 

Artikel 2. Belastbaar feit

Ter zake van het houden van verblijf binnen de gemeente op vaartuigen waarvoor wegens de aanwezigheid in het watergebied van de gemeente in welke vorm dan ook een vergoeding wordt betaald door personen, die niet in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens van de gemeenten zijn opgenomen, wordt onder de naam “watertoeristenbelasting” een directe belasting geheven.

 

Artikel 3. Belastingplicht

  • 1.

    Belastingplichtig is degene die tegen vergoeding gelegenheid biedt tot verblijf als bedoeld in artikel 2 aan hem ter beschikking staande ligplaatsen dan wel op hem ter beschikking staande vaartuigen.

  • 2.

    De belastingplichtige is bevoegd de belasting als zodanig te verhalen op degene ter zake van wiens verblijf de belasting verschuldigd wordt.

  • 3.

    Indien met toepassing van het eerste lid geen belastingplichtige is aan te wijzen, is belastingplichtig de kapitein, de eigenaar of de gebruiker van een vaartuig als in artikel 2 bedoeld dan wel een andere persoon die werkelijk verblijf houdt aan boord van een dergelijk vaartuig.

Artikel 4. Vrijstellingen

De belasting wordt niet geheven ter zake van het verblijf:

  • 1.

    door degenen die verblijf houden aan boord van:

    a. een vaartuig dat is ingericht en wordt gebruikt tot verpleging of verzorging van zieken, van gebrekkigen, van hulpbehoevenden of van bejaarden;

    b. kano's, roei- en volgboten;

    c. motor- en zeilboten met een lengte van ten hoogste 4 meter;

    d. een vaartuig dat zich op last of bevel van de overheid in het gemeentelijke watergebied bevindt.

  • 2.

    waarvoor de gemeente belasting heft ingevolge de verordening op de heffing en invordering van toeristenbelasting;

  • 3.

    van een vreemdeling als bedoeld in artikel 29, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000, die regelmatig in Nederland verblijft in de zin van artikel 8, letters c, d, f, g, h, van voornoemde wet, en voor zover deze persoon verblijf houdt in een gelegenheid als bedoeld in artikel 2 van de Verordening, onder verantwoordelijkheid van het Centraal Orgaan Opvang Asielzoekers.

 

Artikel 5. Maatstaf van heffing

De belasting wordt geheven naar het aantal verblijven in het belastingtijdvak.

Het aantal verblijven wordt gesteld op de som van het aantal etmalen dat elke in artikel 2 bedoelde persoon verblijf heeft gehouden. Voor de toepassing van dit artikel wordt een gedeelte van een etmaal voor een vol etmaal gerekend

 

Artikel 6. Belastingtarief

  • 1.

    De belasting bedraagt per persoon per etmaal € 1,30

  • 2.

    In afwijking van het eerste lid bedraagt het tarief voor vaartuigen met een vaste ligplaats, indien een belastingplichtige als bedoeld in artikel 3, eerste lid, is aangewezen:

    a) bij een vaartuig met een lengte van meer dan 4, doch ten hoogste 7 meter € 46,33

    b) bij een vaartuig met een lengte van meer dan 7, doch ten hoogste 9 meter € 67,04

    c) bij een vaartuig met een lengte van meer dan 9, doch ten hoogste 12 meter € 63,21

    d) bij een vaartuig met een lengte van meer dan 12 meter € 88,80

 

Artikel 7. Belastingtijdvak

Het belastingtijdvak is gelijk aan het seizoen.

 

Artikel 8. Wijze van belastingheffing

De belasting wordt bij wege van aanslag geheven.

 

Artikel 9. Termijnen van betaling

  • 1.

    In afwijking van artikel 9 eerste lid van de Invorderingswet 1990 moeten:

    a. de voorlopige aanslagen worden betaald in één termijn die vervalt op de laatste dag van de maand volgend op de maand die in de dagtekening van het aanslagbiljet is vermeld.

    b. de definitieve aanslagen worden betaald in één termijn die vervalt op de laatste dag van de maand volgend op de maand die in de dagtekening van het aanslagbiljet is vermeld.

  • 2.

    De Algemene termijnenwet is niet van toepassing op de in het eerste lid gestelde termijnen.

  • 3.

    In afwijking van het eerste lid onderdeel a en b geldt dat, zolang de verschuldigde bedragen door middel van automatische incasso worden afgeschreven, De aanslagen moeten worden betaald in gelijke termijnen voor het verstrijken van het belastingjaar. De eerste termijn vervalt een maand na de dagtekening van het aanslagbiljet en elk van de volgende termijnen een maand later. Voor betalingen middels een automatische incasso is het incassoreglement van toepassing.

 

Artikel 10. Aanmeldingsplicht

De belastingplichtige bedoeld in artikel 3, eerste lid, is gehouden, voordat hij voor de eerste maal na het in werking treden van deze verordening gelegenheid tot verblijf verschaft, zulks schriftelijk te melden aan de door het college van burgemeester en wethouders aangewezen ambtenaren, bedoeld in artikel 231, tweede lid, onderdelen b en d, van de Gemeentewet.

 

Artikel 11. Overgangsrecht

De "Verordening watertoeristenbelasting 2019" vastgesteld bij besluit van 1 maart 2018, wordt ingetrokken met ingang van de in artikel 12, tweede lid genoemde datum van ingang van de heffing, met dien verstande dat zij van toepassing blijft op de belastbare feiten die zich voor die datum hebben voorgedaan.

 

Artikel 12. Inwerkingtreding

  • 1.

    Deze verordening treedt in werking met ingang van de eerste dag na die van de bekendmaking.

  • 2.

    De datum van ingang van de heffing is 1 januari 2020.

 

Artikel 13. Citeertitel

Deze verordening kan worden aangehaald als "Verordening watertoeristenbelasting 2020".

 

 

 

Aldus vastgesteld in openbare vergadering van 18 december 2019.

De voorzitter,

De griffier,