Gemeenteblad van Bloemendaal

Datum publicatieOrganisatieJaargang en nummerRubriek
BloemendaalGemeenteblad 2019, 308543Verordeningen



Verordening op de heffing en de invordering van precariobelasting Bloemendaal 2020

De raad van de gemeente Bloemendaal;

 

gelezen het voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 12 november 2019;

 

gelet op artikel 228 van de Gemeentewet;

besluit:

 

vast te stellen de:

 

Verordening op de heffing en de invordering van precariobelasting Bloemendaal 2020

Artikel 1 Begripsomschrijvingen

Deze verordening verstaat onder:

  • a.

    jaar:

    een kalenderjaar;

  • b.

    maand:

    een kalendermaand;

  • c.

    week:

    een periode van zeven achtereenvolgende dagen;

  • d.

    dag:

    een periode van 24 uren, aanvangende te 0.00 uur, of een gedeelte daarvan;

  • e.

    vergunning:

    een door het gemeentebestuur verleende en in een gemeentelijke registratie opgenomen toestemming op grond waarvan een persoon een of meer voorwerpen onder, op of boven voor de openbare dienst bestemde gemeentegrond mag hebben.

Artikel 2 Belastbaar feit

Onder de naam precariobelasting wordt een directe belasting geheven ter zake van het hebben van voorwerpen onder, op of boven voor de openbare dienst bestemde gemeentegrond, bedoeld of genoemd in deze verordening en de daarbij behorende tarieventabel.

Artikel 3 Belastingplicht

  • 1.

    De precariobelasting wordt geheven van degene die het voorwerp of de voorwerpen onder, op of boven voor de openbare dienst bestemde gemeentegrond heeft, dan wel van degene ten behoeve van wie dat voorwerp of die voorwerpen onder, op of boven voor de openbare dienst bestemde gemeentegrond aanwezig zijn.

  • 2.

    In afwijking in zoverre van het eerste lid wordt, indien de gemeente een vergunning heeft verleend voor het hebben van het voorwerp of de voorwerpen onder, op of boven voor de openbare dienst bestemde gemeentegrond, degene aan wie de vergunning is verleend of diens rechtsopvolger aangemerkt als degene bedoeld in het eerste lid, tenzij blijkt dat hij niet het voorwerp of de voorwerpen onder, op of boven voor de openbare dienst bestemde gemeentegrond heeft.

Artikel 4 Vrijstellingen

De precariobelasting wordt niet geheven ter zake van het hebben van:

  • a.

    voorwerpen, indien de gemeente ter zake van het gebruik van de voor de openbare dienst bestemde gemeentegrond waarop het voorwerp of de voorwerpen zich bevinden een recht heft op grond van artikel 229, eerste lid, onderdeel a, van de Gemeentewet, dan wel een privaatrechtelijke vergoeding is overeengekomen;

  • b.

    voorwerpen, waarvan de gemeente genothebbende krachtens eigendom, bezit of beperkt recht is, met uitzondering van voorwerpen die in gebruik zijn bij een derde;

  • c.

    voorwerpen welke ten behoeve van de uitoefening van hun publiekrechtelijke taak door het Rijk, de provincie, de gemeente of door waterschappen, veenschappen en veenpolders worden beheerd.

Artikel 5 Maatstaf van heffing en belastingtarief

De precariobelasting wordt geheven naar de maatstaven en de tarieven opgenomen in de bij deze verordening behorende tarieventabel, met inachtneming van het overigens in deze verordening bepaalde.

Artikel 6 Berekening van de precariobelasting

  • 1.

    Voor de berekening van de precariobelasting wordt met betrekking tot een in de tarieventabel genoemde lengte- of oppervlaktemaat een gedeelte daarvan als een volle eenheid aangemerkt.

  • 2.

    Indien een tarief per oppervlakte is vastgesteld, wordt de precariobelasting berekend naar de oppervlakte van de horizontale projectie van de voorwerpen, tenzij anders is bepaald.

  • 3.

    De oppervlakte van andere dan rechthoekige voorwerpen wordt gesteld op het product van de twee aangrenzende zijden van een om het voorwerp geplaatste denkbeeldige rechthoek.

  • 4.

    Indien de gemeente een vergunning heeft verleend voor het hebben van het voorwerp of de voorwerpen onder, op of boven voor de openbare dienst bestemde gemeentegrond, wordt voor de berekening van de precariobelasting aangesloten bij de geldigheidsduur van die vergunning, tenzij blijkt dat het belastbaar feit zich gedurende een kortere periode heeft voorgedaan. In dat geval bestaat aanspraak op ontheffing, waarbij het vijfde lid van overeenkomstige toepassing is.

  • 5.

    Indien in de tarieventabel voor een voorwerp tarieven voor verschillende tijdseenheden zijn opgenomen, wordt de precariobelasting berekend op de voor de belastingplichtige meest voordelige wijze.

  • 6.

    In afwijking van het bepaalde in artikel 1 wordt voor de berekening van de precariobelasting:

    • a.

      indien in de tarieventabel voor een voorwerp wel een weektarief, maar geen dagtarief is opgenomen, een gedeelte van een week gelijkgesteld met een week;

    • b.

      indien in de tarieventabel voor een voorwerp wel een maandtarief, maar geen dag- of weektarief is opgenomen, een gedeelte van een maand gelijkgesteld met een maand.

  • 7.

    Indien in de tarieventabel voor een voorwerp een dagtarief, weektarief of maandtarief is opgenomen en het belastingtijdvak een langere periode dan een dag, onderscheidenlijk een week of een maand omvat, gelden deze tarieven per dag, onderscheidenlijk week of maand van het belastingtijdvak.

Artikel 7 Belastingtijdvak

  • 1.

    In de gevallen waarin de gemeente een vergunning heeft verleend voor het hebben van het voorwerp of de voorwerpen onder, op of boven voor de openbare dienst bestemde gemeentegrond, is het belastingtijdvak de periode waarvoor de vergunning is verleend, met dien verstande dat bij een kalenderjaar-overschrijdende geldigheidsduur van de vergunning het belastingtijdvak gelijk is aan het kalenderjaar.

  • 2.

    In andere dan de in het eerste lid bedoelde gevallen, is het belastingtijdvak de in het kalenderjaar gelegen aaneengesloten periode gedurende welke het belastbaar feit zich voordoet of heeft voorgedaan.

Artikel 8 Wijze van heffing

  • 1.

    De precariobelasting wordt bij wege van aanslag geheven.

  • 2.

    In afwijking van het eerste lid wordt de voor een dag verschuldigde precariobelasting geheven door middel van een mondelinge kennisgeving, dan wel gedagtekende schriftelijke kennisgeving waarop het gevorderde bedrag is vermeld. Het gevorderde bedrag wordt mondeling, dan wel door toezending of uitreiking van de schriftelijke kennisgeving aan de belastingschuldige bekendgemaakt.

Artikel 9 Ontstaan van de belastingschuld en heffing naar tijdsgelang

  • 1.

    In de gevallen bedoeld in artikel 7, eerste lid, is de precariobelasting verschuldigd bij de aanvang van het belastingtijdvak of, zo dit later is, bij de aanvang van de belastingplicht.

  • 2.

    In de gevallen bedoeld in artikel 7, tweede lid, is de precariobelasting verschuldigd bij het einde van het belastingtijdvak.

  • 3.

    Indien de belastingplicht in de loop van het belastingtijdvak aanvangt is de naar jaartarieven geheven precariobelasting verschuldigd voor zoveel twaalfde gedeelten van de voor dat tijdvak verschuldigde belasting als er in dat tijdvak, na de aanvang van de belastingplicht, nog volle kalendermaanden overblijven.

  • 4.

    Indien de belastingplicht in de loop van het belastingtijdvak eindigt, bestaat aanspraak op ontheffing voor de naar jaartarieven geheven precariobelasting voor zoveel twaalfde gedeelten van de voor dat tijdvak verschuldigde precariobelasting als er in dat tijdvak, na het einde van de belastingplicht, nog volle kalendermaanden overblijven, tenzij blijkt dat het bedrag van de ontheffing minder bedraagt dan € 10,–.

  • 5.

    Belastingbedragen van minder dan € 10,– worden niet geheven.

Artikel 10 Termijnen van betaling

  • 1.

    In afwijking van artikel 9, eerste lid, van de Invorderingswet 1990 moet de aanslag worden betaald uiterlijk op de laatste dag van de maand volgend op de maand die in de dagtekening van het aanslagbiljet of kennisgeving is vermeld.

  • 2.

    In afwijking van artikel 9, eerste lid, van de Invorderingswet 1990 moet de precariobelasting worden betaald ingeval de kennisgeving bedoeld in artikel 8, tweede lid:

    • a.

      mondeling wordt gedaan, op het moment van het doen van de kennisgeving;

    • b.

      schriftelijk wordt gedaan, op het moment van het uitreiken van de kennisgeving, dan wel ingeval van toezending ervan, uiterlijk op de laatste dag van de maand volgend op de maand die in de dagtekening van de kennisgeving is vermeld.

  • 3.

    De Algemene termijnenwet is niet van toepassing op de in de voorgaande leden gestelde termijnen.

Artikel 11 Kwijtschelding

Bij de invordering van de precariobelasting wordt geen kwijtschelding verleend.

Artikel 12 Overgangsrecht, inwerkingtreding en citeertitel

  • 1.

    De ‘Verordening precariobelasting Bloemendaal 2019’, vastgesteld bij raadsbesluit van 13 december 2018, wordt ingetrokken met ingang van de in het derde lid genoemde datum van ingang van de heffing, met dien verstande dat zij van toepassing blijft op de belastbare feiten die zich voor die datum hebben voorgedaan.

  • 2.

    Deze verordening treedt in werking met ingang van de eerste dag na die van de bekendmaking.

  • 3.

    De datum van ingang van de heffing is 1 januari 2020.

  • 4.

    Deze verordening wordt aangehaald als ‘Verordening precariobelasting Bloemendaal 2020’.

 

Aldus besloten in de openbare vergadering van de raad der gemeente Bloemendaal gehouden op 12 december 2019

voorzitter,

griffier,

TARIEVENTABEL

behorende bij de Verordening precariobelasting Bloemendaal 2020

 

 

RUBRIEK

MAAT

TIJDVAK

Tarief

 

 

 

 

2020

A.

Bouw- en onderhoudswerken

 

 

 

1.

Het tarief bedraagt voor bouwmaterialen, zoals een loods, een keet, een container, een steiger of een stelling, een heikar of een heistelling, een kraan, een betonmolen, een asfaltketel, trechter, of enig ander werktuig ten dienste van bouwwerken, dan wel het innemen, overdekken en het hebben van voorwerpen, werken en/of inrichtingen of het door een schutting of hekwerk afgesloten hebben van grond

per m²

week of gedeelte daarvan langer dan 3 dagen

€ 2,75

 

 

 

maand

€ 9,20

 

 

 

jaar

€ 54,30

2.

Het tarief bedraagt voor een stut, schoor, paal of daarmede gelijk te stellen voorwerp

Per voorwerp

week of gedeelte daarvan langer dan 3 dagen

€ 2,75

 

 

 

maand

€ 9,20

 

 

 

jaar

€ 54,30

3.

Het tarief bedraagt voor een laadbak tot het verzamelen van stoffen, puin of grond

per m²

dag

€ 1,00

 

 

 

 

 

B.

Kabels, leidingen e.d.

 

 

 

1.

Het tarief bedraagt voor leidingen, kabels en buizen ten behoeve van de voorziening van gas

per m¹

jaar

€ 5,65

2.

Het tarief bedraagt voor leidingen, kabels en buizen ten behoeve van de voorziening van water

per m¹

jaar

 

3.

Het tarief bedraagt voor leidingen, kabels en buizen ten behoeve van de voorziening van elektriciteit

per m¹

jaar

€ 2,40

 

 

 

 

 

C.

Benzinepompinstallatie etc.

 

 

 

1.

Het tarief bedraagt voor een enkele benzine- of oliepompinstallatie of dergelijke inrichtingen, met inbegrip van de daarbij behorende pompheuvel, vulput en leidingen

 

jaar

€ 254,20

2.

Het tarief bedraagt voor een dubbele benzine- of oliepompinstallatie of dergelijke inrichtingen, met inbegrip van de daarbij behorende pompheuvel, vulput en leidingen

 

jaar

€ 508,40

3.

Het tarief bedraagt voor een vulput en leidingen, voor zover deze niet reeds onder C1 en C2 zijn belast

 

jaar

€ 45,30

4.

Het tarief bedraagt voor een benzine- of olietank of een dergelijke inrichting, per m², bij grootste lengte en breedtedoorsnede

per m²

jaar

€ 90,60

5.

Het tarief bedraagt voor een elektrische laadinstallatie of een dergelijke inrichting

 

jaar

€ 0,00

 

 

 

 

 

D.

Aankondigingen

 

 

 

1.

Het tarief bedraagt voor reclamevlaggen:

 

 

 

 

a. een vlag ter grootte van maximaal 1/2 m²

stuk

jaar

€ 18,10

 

b. een vlag ter grootte van meer dan 1/2 m²

stuk

jaar

€ 36,20

 

 

 

 

 

E.

Gebruik van grond voor andere doeleinden

 

 

 

1.

Het tarief bedraagt voor objecten aan de gevel van percelen per m² van het ingenomen gevelvlak, mits vergunningplichtig

per m²

3 maanden of gedeelte daarvan

€ 13,65

 

 

per m²

jaar

€ 40,80

2.

Het tarief bedraagt voor het hebben van voorwerpen op of boven zgn. terrassen, waaronder banken, tafels en stoelen, tochtschermen, bloemen- en plantenbakken en dergelijke voorwerpen

per m²

per week

€ 0,55

 

 

 

per maand

€ 2,55

 

 

 

per jaar

€ 37,20

3.

Het tarief bedraagt voor het hebben van een brug, vlonder, steiger, plankier in of boven openbaar gemeentewater

per m²

jaar

€ 14,05

4.

Het tarief bedraagt voor het hebben van een ligplaats in of boven openbaar gemeentewater voor een vaartuig:

 

 

 

 

a. met een lengte tot 5 m¹

per voorwerp

jaar

€ 145,15

 

b. met een lengte van 5 m¹ of meer doch minder dan 10 m¹

per voorwerp

jaar

€ 328,45

 

c. met een lengte van 10 m¹ of meer doch minder dan 15 m1

per voorwerp

jaar

€ 494,95

 

d. met een lengte van 15 m1 of meer

per voorwerp

jaar

€ 669,85

Behorende bij raadsbesluit van 12 december 2019.

De griffier van de gemeente Bloemendaal.