Verordening van de raad van de gemeente Bodegraven-Reeuwijk houdende regels inzake de gemeentelijke ondersteuning op het gebied van zelfredzaamheid, participatie, beschermd wonen en opvang (Verordening maatschappelijke ondersteuning Bodegraven-Reeuwijk 2020)

 

De raad van de gemeente Bodegraven-Reeuwijk;

 

gelezen het voorstel van burgemeester en wethouders van 5 november 2019;

 

gelet op de artikelen 2.1.3, 2.1.4, 2.1.4a, 2.1.4b, 2.1.5, 2.1.6, 2.17, 2.3.6 en 2.6.6 van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015;

 

besluit:

 

vast te stellen de volgende

 

Verordening maatschappelijke ondersteuning Bodegraven-Reeuwijk 2020

 

Artikel 1. Begripsbepaling

In deze verordening en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

  • -

    algemene voorziening: een voorziening als bedoeld in artikel 1.1.1, eerste lid, van de wet;

  • -

    algemeen gebruikelijke voorziening: voorziening die niet speciaal is bedoeld voor mensen met een beperking en die algemeen verkrijgbaar is en niet of niet veel duurder is dan vergelijkbare producten, diensten, activiteiten of andere maatregelen;

  • -

    andere voorziening: voorziening anders dan in het kader van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015;

  • -

    bijdrage: bijdrage als bedoeld in de artikelen 2.1.4 en 2.1.4a van de wet;

  • -

    cliënt: persoon die gebruik maakt van een algemene voorziening of aan wie een maatwerkvoorziening of persoonsgebonden budget is verstrekt of door of namens wie een melding is gedaan als bedoeld in artikel 2 van deze verordening;

  • -

    gesprek: gesprek als bedoeld in artikel 2.3.2, eerste lid, van de wet en artikel 3 van deze verordening;

  • -

    hulpvraag: behoefte aan maatschappelijke ondersteuning als bedoeld in artikel 2.3.2, eerste lid, van de wet;

  • -

    melding: de mededeling aan het college door of namens een persoon dat deze behoefte heeft aan maatschappelijke ondersteuning;

  • -

    nadere regels: regels die door het college zijn vastgesteld die een nadere uitwerking zijn van de verordening;

  • -

    persoonsgebonden budget: persoonsgebonden budget als bedoeld in artikel 1.1.1, eerste lid, van de wet;

  • -

    voorliggende voorziening: een andere voorziening die vergelijkbaar is met een voorziening op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015, waardoor geen voorziening op grond van deze verordening hoeft te worden verleend;

  • -

    wet: Wet maatschappelijke ondersteuning 2015.

Artikel 1a. Aanbod maatwerkvoorzieningen

De volgende maatwerkvoorzieningen zijn in ieder geval beschikbaar:

  • -

    hulp bij het huishouden;

  • -

    individuele begeleiding;

  • -

    dagbesteding;

  • -

    kortdurend verblijf;

  • -

    rolstoelvoorziening;

  • -

    vervoersvoorziening;

  • -

    woonvoorziening.

Artikel 2. Melding behoefte aan maatschappelijke ondersteuning, cliëntondersteuning en indienen persoonlijk plan

  • 1.

    De cliënt, of iemand anders namens de cliënt, kan de behoefte aan maatschappelijke ondersteuning melden bij het college.

  • 2.

    Als de client daarom verzoekt, zorgt het college voor ondersteuning bij het verhelderen van de ondersteuningsbehoefte.

  • 3.

    Het college bevestigt de ontvangst van een melding schriftelijk.

  • 4.

    Het college wijst de cliënt en zijn mantelzorger voor het onderzoek, bedoeld in artikel 2.3.2, eerste lid, van de wet, op de mogelijkheid gebruik te maken van gratis cliëntondersteuning en op de mogelijkheden conform artikel 2.3.2, tweede lid, van de wet, een persoonlijk plan in te dienen.

Artikel 3. Onderzoek

  • 1.

    Met inachtneming van artikel 2.3.2, vierde, vijfde en zesde lid, van de wet, onderzoekt het college zo spoedig mogelijk, doch uiterlijk binnen zes weken na ontvangst van de melding, de behoefte aan ondersteuning in samenspraak met degene door of namens wie de melding is gedaan en waar mogelijk met de mantelzorger of mantelzorgers dan wel zijn vertegenwoordiger en desgewenst familie om de zelfredzaamheid of de maatschappelijke participatie te handhaven of te verbeteren.

  • 2.

    In aanvulling op hetgeen is bepaald in artikel 2.3.2, vierde, vijfde en zesde lid, van de wet, betrekt het college de volgende aspecten in het onderzoek:

    • a.

      het gewenste resultaat van het verzoek om ondersteuning;

    • b.

      algemeen gebruikelijke voorzieningen;

    • c.

      voorliggende voorzieningen;

    • d.

      andere voorzieningen en

    • e.

      de mogelijkheid om een maatwerkvoorziening te verstrekken.

Artikel 4. Ondersteuningsplan

  • 1.

    Het college zorgt middels een ondersteuningsplan voor een schriftelijke weergave aan de cliënt, dan wel zijn vertegenwoordiger, van het onderzoek en voegt daar, indien aanwezig, het persoonlijk plan aan toe.

  • 2.

    Opmerkingen of latere aanvullingen van de cliënt worden aan het ondersteuningsplan toegevoegd en meegenomen in de besluitvorming.

  • 3.

    Als de cliënt in aanmerking wil komen voor een maatwerkvoorziening wordt dit opgenomen in het ondersteuningsplan.

Artikel 5. Aanvraag

  • 1.

    Een cliënt of zijn gemachtigde of vertegenwoordiger kan een aanvraag om een maatwerkvoorziening schriftelijk indienen bij het college.

  • 2.

    De aanvraag wordt ingediend op een door het college vastgesteld formulier.

Artikel 6. Criteria voor een maatwerkvoorziening

  • 1.

    Bij het beoordelen van de aanvraag om een maatwerkvoorziening neemt het college de melding, het ondersteuningsplan en eventuele opmerkingen en latere aanvulling van de cliënt als uitgangspunt.

  • 2.

    In aanvulling op hetgeen is bepaald in artikel 2.3.5 van de wet betrekt het college de volgende criteria bij een beoordeling tot verstrekking van een maatwerkvoorziening:

    • a.

      alle mogelijkheden van de cliënt om met algemeen gebruikelijke, voorliggende of andere voorzieningen te komen tot een passende bijdrage aan het realiseren van een situatie;

    • b.

      de langdurige noodzaak tot het verstrekken van een maatwerkvoorziening voor zelfredzaamheid, participatie, beschermd wonen of opvang;

    • c.

      de normale afschrijvingstermijn van eerder verstrekte gelijkwaardige hulpmiddelen, tenzij de eerder vergoede of verstrekte voorziening verloren is gegaan als gevolg van omstandigheden die niet aan de cliënt zijn toe te rekenen;

    • d.

      de goedkoopst adequate tijdig beschikbare voorziening.

Artikel 7. Regels persoonsgebonden budget

  • 1.

    Het college verstrekt een persoonsgebonden budget in overeenstemming met artikel 2.3.6 van de wet.

  • 2.

    Onverminderd artikel 2.3.6, tweede en vijfde lid, van de wet, verstrekt het college geen persoonsgebonden budget voor zover de aanvraag betrekking heeft op kosten die de belanghebbende voorafgaand aan de indiening van de aanvraag heeft gemaakt en niet meer is na te gaan of de ingekochte voorziening noodzakelijk was.

  • 3.

    De hoogte van een persoonsgebonden budget:

    • a.

      wordt vastgesteld aan de hand van een door de cliënt opgesteld plan over hoe hij het persoonsgebonden budget gaat besteden. Waarin in ieder geval uiteen is gezet welke diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen die tot de maatwerkvoorziening behoren de client van het budget wil betrekken en, indien van toepassing, welke hiervan de client wil betrekken van een persoon die behoort tot het sociale netwerk;

    • b.

      wordt berekend op basis van een prijs of tarief waarmee redelijkerwijs is verzekerd dat het persoonsgebonden budget toereikend is om tijdig, veilige, doeltreffende en kwalitatief goede diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen die tot de maatwerkvoorziening behoren, van derden te betrekken, en wordt indien nodig aangevuld met een vergoeding voor kosten van redelijke overhead, onderhoud en verzekering, en waarbij, voor zover van toepassing, rekening is gehouden met de in deze verordening gestelde voorwaarden betreffende het tarief voor inzet van een persoon die tot het sociale netwerk behoort en

    • c.

      bedraagt niet meer dan de kostprijs van de in de betreffende situatie goedkoopste adequate voorziening in de gemeente beschikbare maatwerkvoorziening in natura.

  • 4.

    De hoogte van een persoonsgebonden budget voor:

    • a.

      een zaak: op basis van de kostprijs van de zaak die de cliënt zou hebben ontvangen als de zaak in natura zou zijn verstrekt en rekening houdende met een reële termijn voor de technische afschrijving en de onderhouds- en verzekeringskosten;

    • b.

      huishoudelijke hulp door een daartoe opgeleid persoon of waarvoor bijzondere deskundigheden zijn vereist: op basis van het laagste toepasselijke tarief per uur of resultaat dat hiervoor zou worden gehanteerd door een door de gemeente gecontracteerde aanbieder;

    • c.

      individuele begeleiding uitgevoerd door een daartoe opgeleid persoon of waarvoor bijzondere deskundigheden zijn vereist: op basis van het laagste toepasselijke tarief per uur of resultaat voor dergelijke hulp zou worden gehanteerd door een door de gemeente gecontracteerde aanbieder;

    • d.

      dagbesteding uitgevoerd door een daartoe opgeleid persoon in dienst van een zorgaanbieder of waarvoor bijzondere deskundigheden zijn vereist: op basis van het laagste toepasselijke tarief dat voor dergelijk begeleiding zou worden gehanteerd door een door de gemeente gecontracteerde aanbieder;

    • e.

      kortdurend verblijf- en respijtzorg uitgevoerd door een daartoe opgeleid persoon in dienst van een zorgaanbieder: op basis van het laagste toepasselijke tarief dat voor dergelijke begeleiding zou worden gehanteerd door een door de gemeente gecontracteerde aanbieder;

    • f.

      vervoer van en naar de dagbesteding: op basis van het laagste toepasselijke tarief dat voor vervoer zou worden gehanteerd door een door de gemeente gecontracteerde aanbieder;

    • g.

      taxi- en rolstoeltaxivervoer: wordt bepaald op basis van het tarief voor maximaal 2000 kilometers per jaar dat hiervoor wordt gehanteerd bij de uitvoering van de beleidsregeling normbedragen voorzieningen UWV;

    • h.

      een autoaanpassing wordt bepaald op basis van het programma van eisen voor de aanpassing;

    • i.

      verhuiskosten, een sportvoorziening en het bezoekbaar maken van een woning wordt door het college bij nadere regels vastgesteld.

  • 5.

    Een cliënt aan wie een persoonsgebonden budget wordt verstrekt, kan diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen betrekken van een persoon die behoort tot het sociale netwerk, niet zijnde op onverplichte basis verleende maatschappelijke ondersteuning, onder de voorwaarden dat:

    • a.

      deze persoon een tarief betaald krijgt voor zijn diensten vergelijkbaar met een afgeleide van het bruto uurloon conform de Wet minimumloon, namelijk 120%;

    • b.

      eventuele kosten anders dan voor de directe ondersteuning zoals voor tussenpersonen of belangenbehartigers niet uit het persoonsgebonden budget worden betaald.

Artikel 8. Bijdrage in de kosten van maatwerkvoorzieningen of persoonsgebonden budgetten

  • 1.

    Een cliënt is een bijdrage in de kosten verschuldigd voor een maatwerkvoorziening of een persoonsgebonden budget, zolang de cliënt van de maatwerkvoorziening gebruik maakt of gedurende de periode waarvoor het persoonsgebonden budget wordt verstrekt.

  • 2.

    De bijdragen voor maatwerkvoorzieningen of een persoonsgebonden budget zijn ten hoogste € 19,00 per maand voor de ongehuwde cliënt of de gehuwde cliënten tezamen, tenzij overeenkomstig artikel 2.1.4a, vijfde lid, van de wet, of hoofdstuk 3 van het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015 geen of een lagere bijdrage is verschuldigd.

  • 3.

    In afwijking van artikel 2.1.4a, vierde lid, van de wet, is de cliënt een bijdrage verschuldigd in de kosten per zone voor het gebruik van collectief vervoer.

  • 4.

    De kostprijs van een maatwerkvoorziening en persoonsgebonden budget wordt bepaald door het resultaat van de aanbesteding.

  • 5.

    In de gevallen bedoeld in artikel 2.1.4, zevende lid, van de wet, worden de bijdragen voor een maatwerkvoorziening of een persoonsgebonden budget door een andere instantie dan het CAK vastgesteld en geïnd.

  • 6.

    De bijdrage voor een maatwerkvoorziening of een persoonsgebonden budget ten behoeve van een woningaanpassing voor een minderjarige cliënt is verschuldigd door de onderhoudsplichtige ouders, daaronder begrepen degene tegen wie een op artikel 394 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek gegrond verzoek is toegewezen, en degene die anders dan als ouder samen met de ouder het gezag uitoefent over een cliënt.

Artikel 9. Weigeringsgronden

  • 1.

    Het college verstrekt geen maatwerkvoorziening:

    • a.

      indien de cliënt geen ingezetene is van de gemeente Bodegraven-Reeuwijk;

    • b.

      voor zover de cliënt op eigen kracht, met gebruikelijke hulp, met mantelzorg of met hulp van andere personen uit zijn sociaal netwerk in staat is tot zelfredzaamheid of participatie, of met gebruikmaking van algemene, algemeen gebruikelijke voorzieningen of andere voorzieningen de beperkingen kan wegnemen;

    • c.

      indien de voorziening voor een persoon als cliënt algemeen gebruikelijk is;

    • d.

      ndien de voorziening niet langdurig noodzakelijk is;

    • e.

      indien de situatie van de cliënt niet (goed) kan worden beoordeeld doordat hij niet voldoet aan de medewerkingsplicht, bedoeld in artikel 2.3.8, derde lid, van de wet;

    • f.

      in de gevallen, bedoeld in artikel 2.3.5, zesde lid, en 2.3.6, vijfde lid, van de wet;

    • g.

      indien deze geen passende bijdrage levert aan het realiseren van een situatie waarin de cliënt in staat wordt gesteld tot zelfredzaamheid of participatie en zo lang mogelijk in de eigen leefomgeving kan blijven;

    • h.

      voor zover een voorziening als die waarop de aanvraag betrekking heeft reeds eerder in het kader van enige wettelijke bepaling of regeling is verstrekt en de normale afschrijvingstermijn van de voorziening nog niet verstreken is, tenzij de eerder vergoede of verstrekte voorziening verloren is gegaan als gevolg van omstandigheden die niet aan de cliënt zijn toe te rekenen, of tenzij de cliënt geheel of gedeeltelijk tegemoetkomt in de veroorzaakte kosten.

  • 2.

    Het college verstrekt geen woonvoorziening:

    • a.

      voor zover de beperkingen voortvloeien uit de aard van de in de woning gebruikte materialen;

    • b.

      ten behoeve van hotels/pensions, trekkerswoonwagens, kloosters, tweede woningen, vakantie- en recreatiewoningen, ADL-clusterwoningen en gehuurde kamers, met uitzondering van een voorziening voor verhuizing en inrichting;

    • c.

      voor zover het voorzieningen in gemeenschappelijke ruimten betreft, anders dan automatische deuropeners, hellingbanen, het verbreden van gemeenschappelijke toegangsdeuren, het aanbrengen van drempelhulpen of vlonders of het aanbrengen van een opstelplaats bij de toegangsdeur van de gemeenschappelijke ruimte, met uitzondering van een voorziening voor verhuizing en inrichting;

    • d.

      indien de noodzaak het gevolg is van een verhuizing waarvoor geen aanleiding bestaat op grond van beperkingen bij de zelfredzaamheid of participatie en er geen belangrijke reden voor verhuizing aanwezig is;

    • e.

      indien de cliënt niet is verhuisd naar de voor zijn beperkingen op dat moment meest geschikte woning, tenzij daarvoor vooraf toestemming is verleend door het college.

Artikel 10. Kwaliteitseisen maatschappelijke ondersteuning

  • 1.

    Aanbieders zorgen voor een goede kwaliteit van voorzieningen, eisen met betrekking tot de deskundigheid van beroepskrachten daaronder begrepen, door:

    • a.

      het afstemmen van voorzieningen op de persoonlijke situatie en de eigen mogelijkheden van de cliënt;

    • b.

      het afstemmen van voorzieningen op andere vormen van ondersteuning en zorg, specifiek de inzet van mantelzorg en het sociaal netwerk van de cliënt;

    • c.

      erop toe te zien dat beroepskrachten tijdens hun werkzaamheden in het kader van het leveren van voorzieningen handelen in overeenstemming met de professionele standaard;

    • d.

      voor zover van toepassing, erop toe te zien dat de kwaliteit van de voorzieningen en de deskundigheid van beroepskrachten tenminste voldoen aan de voorwaarden om in aanmerking te komen voor de in de toepasselijke sector erkende keurmerken.

  • 2.

    Onverminderd andere handhavingsbevoegdheden ziet het college toe op de naleving van deze eisen door periodieke overleggen met de aanbieders, een jaarlijks cliëntervaringsonderzoek, en het zo nodig in overleg met de cliënt ter plaatse controleren van de geleverde voorzieningen.

Artikel 11. Voorkoming en bestrijding ten onrechte ontvangen maatwerkvoorzieningen en persoonsgebonden budgetten en misbruik of oneigenlijk gebruik van de wet

  • 1.

    Het college informeert cliënten of hun vertegenwoordiger in begrijpelijke bewoordingen over de rechten en plichten die aan het ontvangen een maatwerkvoorziening of persoonsgebonden budget zijn verbonden en over de mogelijke gevolgen van misbruik en oneigenlijk gebruik van de wet.

  • 2.

    De cliënt dient te voldoen aan de verplichtingen zoals opgenomen in artikel 2.3.8 van de wet.

  • 3.

    In aanvulling op artikel 2.3.10 van de wet kan het college een beslissing als bedoeld in artikel 2.3.5 of 2.3.6 van de wet herzien dan wel intrekken als het college vaststelt dat een persoonsgebonden budget binnen 3 maanden na uitbetaling niet is aangewend voor de bekostiging van de voorziening waarvoor de verlening heeft plaatsgevonden.

  • 4.

    In aanvulling op artikel 2.3.10 van de wet kan het college de Sociale Verzekeringsbank gemotiveerd verzoeken te beslissen tot een gehele of gedeeltelijke opschorting van betalingen uit het persoonsgebonden budget voor ten hoogste dertien weken als er ten aanzien van een client een ernstig vermoeden is gerezen dat er sprake is van een omstandigheid als bedoeld in artikel 2.3.10, eerste lid, onder a, d of e van de wet, dan wel voor de duur van de opname als de cliënt langer dan vier weken verblijft in een instelling als bedoel in de Wet langdurige zorg of de Zorgverzekeringswet.

  • 5.

    Als het college een beslissing heeft ingetrokken omdat de cliënt onjuiste of onvolledige gegevens heeft verstrekt en de verstrekking van juiste of volledige gegevens tot een andere beslissing zou hebben geleid en de verstrekking van de onjuiste of onvolledige gegevens door de cliënt opzettelijk heeft plaatsgevonden, kan het college van de cliënt en degene die daaraan opzettelijk zijn medewerking heeft verleend, geheel of gedeeltelijk de geldswaarde vorderen van de ten onechte genoten maatwerkvoorziening of het ten onrechte genoten persoonsgebonden budget.

  • 6.

    Als het recht op een in eigendom of in bruikleen verstrekte voorziening is ingetrokken, kan deze voorziening worden teruggevorderd.

Artikel 12. Jaarlijkse waardering mantelzorgers

Het college bepaalt waaruit de jaarlijkse blijk van waardering voor mantelzorgers van cliënten in de gemeente bestaat.

Artikel 13. Tegemoetkoming meerkosten personen met een beperking of chronische problemen

Het college stelt bij nadere regels vast welke personen met een beperking of chronische psychische of psychosociale problemen, die daarmee verband houdende aannemelijke meerkosten hebben, een tegemoetkoming kan worden verstrekt ter ondersteuning van de zelfredzaamheid en de participatie.

Artikel 14. Verhouding prijs en kwaliteit levering dienst door derden

  • 1.

    Ter waarborging van een goede verhouding tussen de prijs voor de levering van een dienst door een derde als bedoeld in artikel 2.6.4 van de wet en de eisen die gesteld worden aan de kwaliteit van de dienst stelt het college vast:

    • a.

      een vaste prijs, die geldt voor een inschrijving als bedoeld in de Aanbestedingswet 2012 en het aangaan van een overeenkomst met de derde; of

    • b.

      een reële prijs die geldt als ondergrens voor:

      • 1°.

        een inschrijving en het aangaan van een overeenkomst met de derde, en

      • 2°.

        de vaste prijs, bedoeld in onderdeel a.

  • 2.

    Het college stelt de prijzen, bedoeld in het eerste lid, vast:

    • a.

      overeenkomstig de eisen aan de kwaliteit van die dienst, waaronder de eisen aan de deskundigheid van de beroepskracht, bedoeld in artikel 2.1.3, tweede lid, onderdeel c, van de wet, en

    • b.

      rekening houdend met de continuïteit in de hulpverlening, bedoeld in artikel 2.6.5, tweede lid, van de wet, tussen degenen aan wie de dienst wordt verstrekt en de betrokken hulpverleners.

  • 3.

    Het college baseert de vaste prijs of de reële prijs op de volgende kostprijselementen:

    • a.

      de kosten van de beroepskracht;

    • b.

      redelijke overheadkosten;

    • c.

      kosten voor niet productieve uren van de beroepskrachten als gevolg van verlof, ziekte, scholing, werkoverleg;

    • d.

      reis en opleidingskosten;

    • e.

      indexatie van de reële prijs voor het leveren van een dienst en

    • f.

      overige kosten als gevolg van door de gemeente gestelde verplichtingen voor aanbieders waaronder rapportageverplichtingen en administratieve verplichtingen.

Artikel 15. Klachtregeling

Aanbieders die maatschappelijke ondersteuning verlenen, beschikken over een regeling voor de afhandeling van klachten van cliënten ten aanzien van maatwerkvoorzieningen.

Artikel 16. Medezeggenschap bij aanbieders van maatschappelijke ondersteuning

Aanbieders die maatschappelijke ondersteuning verlenen beschikken over een regeling voor medezeggenschap van cliënten over voorgenomen besluiten die voor de gebruikers van belang zijn ten aanzien van maatwerkvoorzieningen.

Artikel 17. Intrekking oude verordening en overgangsrecht

  • 1.

    De Verordening maatschappelijke ondersteuning Bodegraven-Reeuwijk 2017 wordt ingetrokken.

  • 2.

    Een cliënt houdt recht op een lopende voorziening verstrekt op grond van de Verordening maatschappelijke ondersteuning Bodegraven-Reeuwijk 2017 totdat het college een nieuw besluit heeft genomen.

  • 3.

    Aanvragen die zijn ingediend onder de Verordening maatschappelijke ondersteuning Bodegraven-Reeuwijk 2017 en waarop nog niet is beslist bij het in werking treden van deze verordening, worden afgehandeld krachtens deze verordening.

  • 4.

    Op bezwaarschriften tegen een besluit op grond van de Verordening maatschappelijke ondersteuning Bodegraven-Reeuwijk 2017 wordt beslist met in achtneming van die verordening.

Artikel 18. Inwerkingtreding

Deze verordening treedt in werking op 1 januari 2020.

Artikel 19. Citeertitel

Deze verordening wordt aangehaald als: Verordening maatschappelijke ondersteuning Bodegraven-Reeuwijk 2020.

 

Aldus besloten in de openbare vergadering van de raad van de gemeente Bodegraven-Reeuwijk, gehouden op 27 november 2019.

 

De griffier,

drs. J.H. Rijs MMC

Naar boven