Gemeenteblad van Aa en Hunze

Datum publicatieOrganisatieJaargang en nummerRubriek
Aa en HunzeGemeenteblad 2019, 286246Verordeningen



Verordening van de gemeenteraad van de gemeente Aa en Hunze houdende regels omtrent de heffing en invordering van rioolheffing (Verordening Rioolheffing 2020)

De raad van de gemeente Aa en Hunze;

 

gelezen het voorstel van burgemeester en wethouders van de gemeente Aa en Hunze van

8 oktober 2019;

 

gelet op artikel 228 a van de Gemeentewet;

 

besluit:

 

vast te stellen de:

 

“Verordening op de heffing en de invordering van rioolheffing 2020”

(Verordening Rioolheffing 2020)

Artikel 1 Definities

In deze verordening wordt verstaan onder:

  • -

    gemeentelijke riolering: een voorziening of combinatie van voorzieningen voor inzameling, verwerking, zuivering of transport van afvalwater, hemelwater of grondwater, in eigendom, in beheer of in onderhoud bij de gemeente;

  • -

    perceel: een roerende of onroerende zaak of een zelfstandig gedeelte daarvan;

  • -

    water: huishoudelijk afvalwater, bedrijfsafvalwater, hemelwater, grondwater of oppervlaktewater.

Artikel 2 Aard van de belasting

Onder de naam rioolheffing wordt een directe belasting geheven ter bestrijding van de kosten die voor de gemeente verbonden zijn aan:

  • a.

    de inzameling en het transport van huishoudelijk afvalwater en bedrijfsafvalwater, alsmede de zuivering van huishoudelijk afvalwater;

  • en

  • b.

    de inzameling van afvloeiend hemelwater en de verwerking van het ingezamelde hemelwater, alsmede het treffen van maatregelen teneinde structureel nadelige gevolgen van de grondwaterstand voor de aan de grond gegeven bestemming zoveel mogelijk te voorkomen of te beperken.

Artikel 3 Belastbaar feit en belastingplicht

  • 1.

    De belasting wordt geheven van degene die bij het begin van het belastingjaar het genot heeft krachtens eigendom, bezit of beperkt recht van een perceel dat direct of indirect is aangesloten op de gemeentelijke riolering.

  • 2.

    Voor het eigenarendeel wordt, als het perceel een onroerende zaak is, als genothebbende krachtens eigendom, bezit of beperkt recht aangemerkt degene die bij het begin van het belastingjaar als zodanig in de basisregistratie kadaster is vermeld, tenzij blijkt dat hij op dat tijdstip geen genothebbende krachtens eigendom, bezit of beperkt recht is.

Artikel 4 Zelfstandige gedeelten

Als gedeelten van een in artikel 3 bedoeld perceel blijkens hun indeling bestemd zijn om als afzonderlijk geheel te worden gebruikt, wordt de belasting geheven ter zake van elk als zodanig bestemd gedeelte, met dien verstande dat als twee of meer van die gedeelten tezamen als één geheel worden gebruikt, deze als één perceel worden aangemerkt.

Artikel 5 Maatstaf van heffing

  • 1.

    De belasting wordt geheven naar de waarde in het economisch verkeer van het perceel.

  • 2.

    Als het perceel een onroerende zaak is, is de waarde in het economisch verkeer de op de voet van hoofdstuk IV van de Wet waardering onroerende zaken voor de onroerende zaak vastgestelde waarde zoals deze voor het in artikel 7 bedoelde kalenderjaar geldt.

  • 3.

    Als voor het perceel geen waarde op de voet van hoofdstuk IV van de Wet waardering onroerende zaken is vastgesteld, wordt de heffingsmaatstaf van het perceel bepaald met overeenkomstige toepassing van het bepaalde bij of krachtens de artikelen 17, 18 en 20, tweede lid, van de Wet waardering onroerende zaken.

  • 4.

    Als voor het perceel geen waarde kan worden vastgesteld met toepassing van het bepaalde in het tweede en derde lid en sprake is van een onroerende zaak als bedoeld in artikel 2 van de Uitvoeringsregeling uitgezonderde objecten Wet waardering onroerende zaken bedraagt de belasting een vast bedrag per perceel.

Artikel 6 Belastingtarieven

  • 1.

    De belasting bedraagt per perceel bij een waarde van:

  •  

    Waarde

     

    Tarief

     

    1.

    tot € 15.000,--

    0,00

    2.

    van € 15.000,-- tot € 50.000,--

    53,00

    3.

    van € 50.000,-- tot € 100.000,--

    118,00

    4.

    van € 100.000,-- tot € 150.000,--

    149,00

    5.

    van € 150.000,-- tot € 250.000,--

    159,00

    6.

    van € 250.000,-- tot € 400.000,--

    168,00

    7.

    van € 400.000,-- tot € 600.000,--

    193,00

    8.

    van € 600.000,-- tot € 800.000,--

    213,00

    9.

    van € 800.000,-- tot € 1.000.000,--

    256,00

    10.

    van € 1.000.000,-- tot € 2.000.000,--

    432,00

    11.

    van € 2.000.000,-- tot € 3.000.000,--

    2.651,00

    12.

    van € 3.000.000,-- tot € 5.000.000,--

    5.304,00

    13.

    van € 5.000.000,-- tot € 10.000.000,--

    6.585,00

    14.

    van € 10.000.000,-- tot € 25.000.000,--

    8.795,00

    15.

    van € 25.000.000,-- tot € 50.000.000,--

    13.038,00

    16.

    € 50.000.000,-- of meer

    26.521,00

  •  

  • 2.

    De belasting bedraagt per perceel met toepassing van artikel 5.4: € 125,00

Artikel 7 Belastingjaar

Het belastingjaar is gelijk aan het kalenderjaar.

Artikel 8 Wijze van heffing

De belasting wordt geheven door middel van aanslag

Artikel 9 Ontstaan van de belastingschuld

De belasting is verschuldigd bij het begin van het belastingjaar.

Artikel 10 Termijnen van betaling

  • 1.

    In afwijking van artikel 9, eerste lid, van de Invorderingswet 1990 moeten de aanslagen worden betaald in twee gelijke termijnen. De eerste termijn vervalt één maand na de dagtekening van het aanslagbiljet en de volgende twee maanden na de eerste termijn.

  • 2.

    In afwijking van het eerste lid geldt, in geval het totaalbedrag van de op één aanslagbiljet verenigde aanslagen, of als het aanslagbiljet maar één aanslag bevat het bedrag daarvan, meer is dan € 50,00 en zolang de verschuldigde bedragen door middel van automatische betalingsincasso kunnen worden afgeschreven, dat de aanslagen moeten worden betaald in tien gelijke termijnen. De eerste termijn vervalt één maand na de dagtekening van het aanslagbiljet en elk van de volgende termijnen telkens één maand later.

  • 3.

    De Algemene Termijnenwet is niet van toepassing op de in het eerste lid gestelde termijnen.

Artikel 11 Overgangsrecht

De ‘Verordening Rioolheffing 2019”, vastgesteld bij raadsbesluit van 8 november 2018, wordt ingetrokken met ingang van de in artikel 12, tweede lid genoemde datum van ingang van de heffing, met dien verstande dat zij van toepassing blijft op de belastbare feiten die zich voor die datum hebben voorgedaan.

Artikel 12 Inwerkingtreding

  • 1.

    Deze verordening treedt in werking met ingang van de achtste dag na die van de bekendmaking.

  • 2.

    De datum van ingang van de heffing is 1 januari 2020.

Artikel 13 Citeertitel

Deze verordening wordt aangehaald als “Verordening Rioolheffing 2020”.

Aldus vastgesteld in de openbare vergadering van de raad van de gemeente Aa en Hunze, gehouden op 7 november 2019.

De griffier,

Mr. E. P. van Corbach.

De voorzitter,

A.W. Hiemstra.