Gemeenteblad van Stadskanaal

Datum publicatieOrganisatieJaargang en nummerRubriek
StadskanaalGemeenteblad 2019, 236502Beleidsregels



Vast te stellen de navolgende “Beleidsregels vrijlating van inkomen uit arbeid Participatiewet, IOAW en IOAZ Stadskanaal 2019”.

Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Stadskanaal;

 

Gelet op:

 

artikel 31 lid 2 sub n, r en y van de Participatiewet;

artikel 31 lid 5 van de Participatiewet;

artikel 8 lid 2, 5 en 7 van de Wet Inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers (IOAW); en

artikel 8 lid 3, 9 en 11 van de Wet Inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen (IOAZ)

 

b e s l u i t :

Artikel 1 Begripsomschrijvingen

  • 1.

    Alle begrippen die in deze beleidsregels worden gebruikt en die niet nader worden omschreven hebben dezelfde betekenis als in de Participatiewet, de IOAW, de IOAZ en de Algemene wet bestuursrecht.

  • 2.

    In deze beleidsregels wordt verstaan onder:

  • a.

    college: het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Stadskanaal;

  • b.

    wet(ten): Participatiewet, IOAW en IOAZ;

  • c.

    doelgroep: personen als bedoeld in artikel 7, eerste lid, onder b, van de Participatiewet die tevens parttime arbeid verrichten;

  • d.

    belanghebbende(n): de gezinssamenstelling, zoals bedoeld in artikel 4, lid 1 onder a, b of c, met in acht neming van artikel 3, van de Participatiewet, die gebruik maakt van de vrijlating van inkomen;

  • e.

    bijstand: algemene bijstand op grond van de Participatiewet, een uitkering op grond van de Wet Inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers of de Wet Inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen;

  • f.

    uitkeringsperiode: de periode waarin een uitkering aaneengesloten of na een onderbreking die korter dan dertig dagen is wordt voortgezet; de situatie waarin de uitkering wordt hersteld, na een onderbreking wegens een verblijf in detentie, verblijf in het buitenland of verblijf in een inrichting, ongeacht de duur van die onderbreking; de situatie waarin sprake is van aaneengesloten voortzetting van een uitkering die al in een andere gemeente werd verstrekt en/of de situatie waarin na wijziging van bijvoorbeeld de woon- of gezinssituatie de uitkering naar een andere norm wordt voortgezet;

  • g.

    vrijlating van inkomen: de inkomstenvrijlating als bedoeld in artikel 31, lid 2 onder n en r van de Participatiewet, artikel 8, lid 2 en 5 van de IOAW en artikel 8, lid 3 en 9 van de IOAZ;

  • h.

    middelen: alle vermogens- en inkomensbestanddelen waarover het gezin beschikt of redelijkerwijs kan beschikken.

 

Artikel 2 Inkomensvrijlating algemeen

  • 1.

    De belanghebbende kan aanspraak maken op de vrijlating van inkomen indien:

  • a.

    Belanghebbende algemene bijstand of een uitkering uit de IOAW of IOAZ ontvangt;

  • b.

    Belanghebbende inkomsten uit (parttime) arbeid ontvangt;

  • c.

    De inkomsten uit (parttime) arbeid een duurzaam karakter hebben, of uitzicht op een duurzaam inkomen uit (parttime) arbeid bieden;

  • d.

    Belanghebbende ouder is dan 27 jaar;

  • e.

    Belanghebbende de pensioengerechtigde leeftijd nog niet heeft bereikt.

  • 2.

    25 procent van het inkomen uit (parttime) arbeid wordt niet tot de middelen van de belanghebbende gerekend.

  • 3.

    De inkomsten uit (parttime) arbeid worden ten hoogste zes maanden niet tot de middelen gerekend.

  • 4.

    Het maximaal vrij te laten inkomen per maand bedraagt het bedrag zoals genoemd in artikel 31, eerste lid, onder n van de Participatiewet, of artikel 8, tweede lid van de IOAW, of artikel 8, derde lid van de IOAZ.

  • 5.

    De vrijlating van inkomen wordt slechts éénmaal per uitkeringsperiode toegekend.

  • 6.

    De zes maanden waarin vrijlating van inkomen wordt toegepast vallen binnen een aaneengesloten periode van 24 maanden.

  • 7.

    De belanghebbende dient een schriftelijk verzoek tot vrijlating van inkomen in bij het college.

 

Artikel 3 Inkomensvrijlating alleenstaande ouder

  • 1.

    De belanghebbende kan aanspraak maken op de vrijlating van inkomen alleenstaande ouder indien:

  • a.

    Belanghebbende algemene bijstand of een uitkering uit de IOAW of IOAZ ontvangt;

  • b.

    Belanghebbende inkomsten uit (parttime) arbeid ontvangt;

  • c.

    De inkomsten uit (parttime) arbeid een duurzaam karakter hebben, of uitzicht op een duurzaam inkomen uit (parttime) arbeid bieden;

  • d.

    Belanghebbende ouder is dan 27 jaar;

  • e.

    Belanghebbende de pensioengerechtigde leeftijd nog niet heeft bereikt;

  • f.

    Belanghebbende alleenstaande ouder is;

  • g.

    Belanghebbende de zorg heeft voor een tot zijn lasten komend kind tot twaalf jaar;

  • h.

    De periode zoals benoemd onder artikel 2, derde lid verstreken is.

  • 2.

    12,5 procent van het inkomen uit (parttime) arbeid wordt niet tot de middelen van de belanghebbende gerekend.

  • 3.

    De inkomsten uit (parttime) arbeid worden ten hoogste dertig maanden niet tot de middelen gerekend.

  • 4.

    Het maximaal vrij te laten inkomen per maand bedraagt het bedrag zoals genoemd in artikel 31, eerste lid, onder n van de Participatiewet, of artikel 8, tweede lid van de IOAW, of artikel 8, derde lid van de IOAZ.

  • 5.

    De vrijlating van inkomen wordt slechts éénmaal per uitkeringsperiode toegekend.

  • 6.

    De belanghebbende dient een schriftelijk verzoek tot vrijlating van inkomen in bij het college.

 

Artikel 4 Overige bepalingen

  • 1.

    Er bestaat geen recht op vrijlating van inkomen indien een nieuwe uitkeringsperiode minder dan zes (artikel twee) of dertig (artikel drie) maanden na de ingangsdatum van de voorgaande vrijlating van inkomen aanvangt.

  • 2.

    De vrijlating van inkomen is alleen van toepassing op inkomen uit (parttime) arbeid die na de ingangsdatum van de algemene bijstand of uitkering is aangevangen.

  • 3.

    De vrijlating van inkomen vangt aan op de in de toekenningsbeschikking genoemde datum.

  • 4.

    Vrijlating van inkomen bestaat bij gehuwden voor ieder van de partners afzonderlijk, doch gezamenlijk maximaal tot het bedrag zoals genoemd in Artikel 2 lid 4 van deze beleidsregels.

  • 5.

    Vrijlating van inkomen geldt ook voor de volgende inkomsten:

  • a.

    Doorbetaling van loon tijdens ziekte, ongeacht wie dit betaalt;

  • b.

    Een uitkering in verband met zwangerschap en bevalling;

  • c.

    Werkzaamheden als (marginale) zelfstandige;

  • 6.

    Vrijlating van inkomen geldt ook naast één- of tweemalige premies zoals beschreven in artikel 31, lid 2, onderdeel j van de Participatiewet, en zoals uitgewerkt in artikel 4, lid 5 van de Beleidsregels Activeringspremies Participatiewet Stadskanaal 2018.

  • 7.

    Belanghebbende dient bij aanvraag van vrijlating van inkomen een bewijs van inkomsten te overleggen.

 

Artikel 5 Onvoorziene omstandigheden en hardheidsclausule

  • 1.

    Het college kan, indien de toepassing van bepalingen in deze beleidsregels in de individuele situatie tot onbillijkheden van overwegende aard leidt afwijken van deze beleidsregels.

  • 2.

    In alle gevallen waarin deze beleidsregels niet voorzien beslist het college.

 

Artikel 6 Citeertitel, inwerkingtreding en overgangsbepaling

  • 1.

    Deze beleidsregels kunnen worden aangehaald als ‘Beleidsregels vrijlating van inkomen uit arbeid Participatiewet, IOAW en IOAZ Stadskanaal 2019’.

  • 2.

    De beleidsregels treden in werking met ingang van de achtste dag na bekendmaking.

  • 3.

    Er is geen overgangsbepaling, de mogelijkheid tot aanvraag van Vrijlating van Inkomen geldt vanaf de datum van inwerkingtreding.

 

Aldus vastgesteld in de vergadering van 24 september 2019

 

Burgemeester en wethouders

 

 

 

 

de heer G.J. van der Zanden

secretaris mevrouw F.T. de Jonge

burgemeester

 

Toelichting op Beleidsregels vrijlating van inkomen uit arbeid Participatiewet, IOAZ en IOAW Stadskanaal 2019

 

Algemeen

In de Participatiewet (2015) is opgenomen dat het college dient te oordelen over de vrijlating van inkomen van ontvangers van algemene bijstand, of een uitkering vanuit de IOAW en IOAZ. Met dit doel en ter invulling van deze verplichting zijn de bijgaande beleidsregels opgesteld.

 

Om integratie op de arbeidsmarkt te bevorderen, is via de Participatiewet bepaald dat een deel van het inkomen vrijgelaten mag worden van aftrek van de uitkering of algemene bijstand. Dit ter voorkoming dat ontvangers van eerdergenoemde besluiten geen arbeid te verrichten, omdat dit een al dan niet grote negatieve invloed heeft op de hoogte van de door hen te ontvangen uitkering of algemene bijstand.

Het kan voorkomen dat het toepassen van vrijlating van inkomen lichte gevolgen heeft voor de te ontvangen huursubsidie of kwijtschelding van gemeentelijke belasting. Het is aan de consulent of klantmanager om dit met de cliënt te bespreken.

 

Artikel 1 Definities

 

Artikel 1.2.d

Onder de doelgroep van deze regeling worden personen verstaan die niet over genoeg middelen beschikken om in de noodzakelijke kosten van levensonderhoud te voorzien. Zij krijgen daarom algemene bijstand, of een uitkering vanuit IOAW of IOAZ.

 

Artikel 1.2.e

Belanghebbende(n) van deze regeling zijn de volgende gezinssamenstellingen:

  • a.

    Alleenstaande: persoon die een huishouden voert zonder kind(eren) jonger dan achttien jaar, en zonder personen waarmee hij een bloedband in de eerste graad heeft;

  • b.

    Alleenstaande ouder: persoon die een huishouden voert met kind(eren) jonger dan achttien jaar, en zonder personen ouder dan 18 jaar waarmee hij een bloedband in de eerste lijn heeft; en

  • c.

    Een gezin: twee gehuwden samen; of twee gehuwden die samen een huishouden voeren met kind(eren) jonger dan achttien jaar.

 

Gehuwden worden in dezen gelijkgesteld aan geregistreerde partners.

 

Artikel 2 Inkomensvrijlating algemeen

 

Artikel 2.1

Er zijn diverse voorwaarden waaraan een persoon dient te voldoen, voordat er sprake kan zijn van vrijlating van inkomen. Deze voorwaarden zijn opgenomen in dit artikel. Het betreft in dit artikel algemene inkomensvrijlating, dus voor alleenstaanden en gezinnen. De vrijlating van inkomen voor alleenstaande ouders is opgenomen als artikel 3.

 

Het spreekt voor zich dat de vrijlating van inkomen, in relatie tot een vermindering van de uitkering of algemene bijstand, alleen geldt voor personen die daadwerkelijk deze uitkering of algemene bijstand ontvangen. Daarnaast is het van belang dat de belanghebbende aan het werk is gegaan en dat deze werkzaamheden een duurzaam karakter hebben. Duurzaam betekent in dezen een bijdrage aan de ontwikkeling van een persoon, die er aan bijdraagt dat men verder uit zou kunnen stromen naar (parttime) arbeid. Het aanleren van een werkritme, samenwerken, het uitvoeren van opdrachten en dergelijke zijn hier ook voorbeelden van.

Artikel 2.2

De maximale Vrijlating van 25 procent betekent niet dat er ook een lager percentage gehanteerd mag worden. Hierin bestaat geen gemeentelijke beleidsvrijheid.

 

Artikel 2.4

In dit artikel is geen vast bedrag opgenomen, omdat wijzigingen en correcties van de wet dan zouden leiden tot continue aanpassing van de beleidsregels. Het daadwerkelijke bedrag wordt regelmatig geïndexeerd.

 

Artikel 2.7

Vrijlating van inkomen wordt niet ambtelijk toegekend. Dit om te voorkomen dat cliënten mogelijk financieel nadeel ondervinden van de toekenning. Wel worden alle ontvangers van bijstand die aan het werk gaan per brief geïnformeerd over het bestaan van de mogelijkheid van het aanvragen van vrijlating van inkomen.

 

Artikel 3 Inkomensvrijlating alleenstaande ouder

 

Artikel 3.1

Er zijn diverse voorwaarden waaraan een persoon dient te voldoen, voordat er sprake kan zijn van vrijlating van inkomen. Deze voorwaarden zijn opgenomen in dit artikel. Dit artikel is alleen van toepassing op alleenstaande ouders. Voor andere personen zijn de voorwaarden opgenomen in artikel 2.

 

Het spreekt voor zich dat de vrijlating van inkomen, in relatie tot een vermindering van de uitkering of algemene bijstand, alleen geldt voor personen die daadwerkelijk deze uitkering of algemene bijstand ontvangen. Ook moet deze persoon de zorg dragen voor een hem ten laste komend kind. Een ten laste komend kind is een in Nederland wonend eigen kind, stiefkind of pleegkind, waarvoor kinderbijslag of pleeggeldvergoeding wordt ontvangen.

 

Daarnaast is het van belang dat de belanghebbende aan het werk is gegaan, en dat deze werkzaamheden een duurzaam karakter hebben. Duurzaam betekent in dezen een bijdrage aan de ontwikkeling van een persoon, die er aan bijdraagt dat men verder uit zou kunnen stromen naar (parttime) arbeid. Het aanleren van een werkritme, samenwerken, het uitvoeren van opdrachten en dergelijke zijn hier ook voorbeelden van.

 

De periode waarbinnen een belanghebbende alleenstaande de inkomensvrijlating uit artikel 3 kan ontvangen, volgt altijd nadat diezelfde belanghebbende inkomensvrijlating heeft genoten onder artikel 2. In totaal kan een alleenstaande dus 36 maanden inkomensvrijlating ontvangen.

 

Artikel 3.2

De maximale Vrijlating van 12,5 procent betekent niet dat er ook een lager percentage gehanteerd mag worden. Hierin bestaat geen gemeentelijke beleidsvrijheid.

 

Artikel 3.4

In dit artikel is geen vast bedrag opgenomen, omdat wijzigingen en correcties van de wet dan zouden leiden tot continue aanpassing van de beleidsregels. Het daadwerkelijke bedrag wordt regelmatig geïndexeerd.

 

Artikel 3.7

Vrijlating van inkomen wordt niet ambtelijk toegekend. Dit om te voorkomen dat cliënten mogelijk financieel nadeel ondervinden van de toekenning. Wel worden alle ontvangers van bijstand die aan het werk gaan per brief geïnformeerd over het bestaan van de mogelijkheid van het aanvragen van vrijlating van inkomen.

Artikel 4 Overige bepalingen

 

Artikel 4.2

Dat de vrijlating van inkomen alleen wordt toegepast in situaties waarbij de belanghebbende begonnen is met werken nadat hij in de algemene bijstand is gekomen, heeft als achterliggende reden dat mensen in de algemene bijstand zo gestimuleerd kunnen worden om een (parttime) baan te zoeken.

 

Artikel 4.3

Dit artikel voorkomt dat mensen met onbeperkte terugwerkende kracht vrijlating van inkomen kunnen aanvragen en daar recht op hebben. Omdat er niet ambtshalve wordt toegekend, moet eerst worden aangevraagd en toegekend voordat men van deze regeling gebruik kan maken. De in de toekenningsbeschikking genoemde datum zal veelal de datum van aanvraag zijn.

 

Artikel 4.4

De vrijlating geldt wettelijk voor beide partners. In het geval dat beide partners algemene bijstand of een uitkering IOAZ of IOAW ontvangen en beide aan de voorwaarden zoals gesteld de artikelen 2 en 3 voldoen, hebben ze beide recht op de vrijlating van inkomen. Voor hen gezamenlijk geldt dan wel het maximaal vrij te laten bedrag zoals genoemd in de artikelen 2.4. en 3.4.

 

Artikel 4.6

De vrijlating wordt ook toegepast voor premies zoals die door de gemeente worden gegeven aan personen die vanuit de algemene bijstand of een uitkering uit IOAZ of IOAW naar werk uitstromen. Deze premies worden niet tot het inkomen gerekend en worden daarom niet ingehouden op de uitkering of algemene bijstand. Dit ter voorkoming dat personen die een premie zouden kunnen ontvangen huiverig zijn om deze aan te vragen, omdat hun uitkering of algemene bijstand vervolgens gekort zou worden.

 

Artikel 4.7

Om te kunnen controleren of de cliënt daadwerkelijk aan het werk is gegaan, dient een bewijs van inkomsten meegestuurd te worden met de aanvraag van vrijlating van inkomen. Dit mag ook een bewijs van toekomstig inkomen in de vorm van een contract of schriftelijke afspraak met een werkgever zijn, omdat tussen de periode van aan het werk gaan en het daadwerkelijk inkomsten ontvangen een overbruggingsperiode zit waarover belanghebbende misschien wel vrijlating wil ontvangen.

 

Artikel 5 Onvoorziene omstandigheden en hardheidsclausule

Dit artikel behoeft geen toelichting.

 

Artikel 6 Citeertitel, inwerkingtreding en overgangsbepaling

 

Artikel 6.3.

Er is geen overgangsbepaling, omdat de gemeente tot op heden geen regeling kent die als voorganger van de huidige genoemd zou kunnen worden. Wel wordt vrijlating van inkomen toegepast in voorkomende gevallen van aanvraag. Na de inwerkingtreding van de regeling heeft ieder die aan de voorwaarden voldoet vanaf dan recht op de vrijlating van inkomen.