Gemeenteblad van Oosterhout

Datum publicatieOrganisatieJaargang en nummerRubriek
OosterhoutGemeenteblad 2019, 187585Overige besluiten van algemene strekking



Besluit van het college van Oosterhout van 20 mei 2019 inzake regels t.a.v. het toegangsproces Jeugdwet en daaraan gerelateerde zaken

Het college van burgemeester en wethouders van de Gemeente Oosterhout; gelezen het daartoe strekkend voorstel behandeld in zijn vergadering van 20 mei 2019 ;

gelet op artikel 149 van de Gemeentewet, titel 4.2 van de Algemene wet bestuursrecht, artikel 5 en artikel 22 van de Verordening Jeugdhulp gemeente Oosterhout 2019;

overwegende dat het noodzakelijk is het toegangsproces Jeugdhulp en daaraan gerelateerde zaken bij uitvoeringsbesluit te regelen;

besluit

vast te stellen: “het uitvoeringsbesluit Jeugdhulp gemeente Oosterhout”.

 

Algemene inleiding

De Gemeente Oosterhout gaat uit van de eigen kracht van haar bewoners. Ouders zijn in eerste instantie zelf verantwoordelijk voor de opvoeding van hun kind(eren). De meeste ouders vragen advies of hulp bij de opvoeding of ontwikkeling van hun kind in hun directe omgeving. Bijvoorbeeld bij familie, vrienden, buren, school, geloofsgemeenschap of sportclub. Wanneer een eigen sociale netwerk onvoldoende ondersteuning biedt, zal de gemeente ondersteuning bieden. Dit wil de gemeente doen door te investeren in laagdrempelige preventie, waardoor jeugdigen en ouders in een vroegtijdig stadium worden ondersteund. Met als doel om (duurdere) langdurige zorg te voorkomen.

Als meer ondersteuning nodig is, dan kunnen jeugdigen en ouders rechtstreeks of via partners in de wijk zoals school, jongerenwerk of politie, terecht bij het sociale wijkteam. Dit wijkteam werkt volgens het principe één gezin, één plan, één regisseur.

Jeugdigen en ouders kunnen straks als ze hulp nodig hebben terugvallen op het wijkteam.

Binnen het sociale wijkteam werken verschillende professionals. Zij werken vraaggericht, integraal en gezinsgericht. Jeugdhulp wordt hiermee dichtbij gezinnen en met gezinnen georganiseerd. Deze aanpak is gericht op het versterken van de eigen kracht van jeugdigen, ouders en het sociale netwerk.

Als er verschillende vormen van ondersteuning nodig zijn in een gezin zorgt het sociale wijkteam dat dit goed is afgestemd. Deze afstemming wordt uitgevoerd door een gezinswerker die de regie in het ondersteuningsproces op zich neemt.

Voor sommige gezinnen is specialistische hulp nodig, zoals pleegzorg, dagbehandeling of specialistische geestelijke gezondheidszorg. Het sociale wijkteam kan de specialistische hulp inschakelen. Een team van experts, bijvoorbeeld op het gebied van opvoeden, psychische problematiek of verslaving, kan de medewerker van het wijkteam daarbij adviseren. Het sociale wijkteam zal, indien nodig, procesbegeleiding bieden en blijft hiermee betrokken bij het gezin.

De Verordening Jeugdhulp gemeente Oosterhout 2019 (verder: verordening) bevat regels ten aanzien van te verlenen individuele of overige voorzieningen. In dit uitvoeringsbesluit worden de regels rondom het toegangsproces bij jeugdhulp nader uitgewerkt. Daarmee vormt het een toetsingskader teneinde in de uitvoering van de verordening eenzelfde lijn aan te brengen.

Hoofdstuk 1: Algemene bepalingen

Begripsbepalingen

Alle begrippen die in dit uitvoeringsbesluit worden gebruikt en die niet nader worden omschreven hebben dezelfde betekenis als in de verordening Jeugdhulp Oosterhout, de Jeugdwet, het Besluit Jeugdwet en de Algemene wet bestuursrecht. In dit uitvoeringsbesluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

  • a.

    crisis: een levensbedreigende situatie of direct gevaar voor de jeugdige en/of gezin door b.v. ernstige verwaarlozing, fysiek geweld of seksueel misbruik, dreiging met zelfdoding of ernstige psychiatrische problematiek.

  • b.

    verordening: de Verordening Jeugdhulp gemeente Oosterhout 2019;

  • c.

    de jeugdige of zijn ouders: Gebruik van ‘of’ impliceert ook de betekenis ‘en’. Met de aanduiding ‘de jeugdige of zijn ouders’ bedoelen we: de jeugdige (van bijvoorbeeld 16 jaar of ouder) zelfstandig, de jeugdige met een of beide ouders (in de definitie van artikel 1 van de wet: de gezaghebbend ouder, adoptiefouder, stiefouder of een ander die een jeugdige als behorend tot zijn gezin verzorgt en opvoedt, niet zijnde een pleegouder) (bij een jeugdige tussen de 12 en de 16 jaar), of de ouders namens de jeugdige (bij een jeugdige jonger dan 12 jaar);

  • d.

    familiegroepsplan: in artikel 1.1 van de Jeugdwet gedefinieerd als: hulpverleningsplan of plan van aanpak opgesteld door de ouders, samen met bloedverwanten, aanverwanten of anderen die tot de sociale omgeving van de jeugdige behoren;

  • e.

    melding: kenbaar maken van een hulpvraag en/of een vraag om informatie en advies

Hoofdstuk 2: Toegangsproces bij jeugdhulp

Op grond van artikel 5 van de verordening Jeugdhulp gemeente Oosterhout dient er bij nadere regeling vastgelegd te worden op welke procedurele wijze, in samenspraak met de cliënt, wordt vastgesteld of de cliënt voor een individuele of overige jeugdhulpvoorziening in aanmerking komt. Dit uitvoeringsbesluit geeft invulling aan die nader te beschrijven regels.

2.1 Melding / hulpvraag

  • 1.

    Meldingen en hulpvragen worden in eerste instantie beoordeeld op mogelijke oplossingen in het vrij-toegankelijke, voorliggende veld, zoals beschreven in artikel 2, lid 1 van de verordening Jeugdhulp gemeente Oosterhout 2019.

  • 2.

    Het college heeft de ambulante generalistische begeleiding voor ouders en jeugdigen, gericht op vraagverheldering en toeleiding naar zorg, ondersteunen en regisseren van zorg op het gebied van opvoeden en opgroeien volgens het principe één gezin/huishouden, één plan, één regisseur en toeleiding tot specialistische zorg neergelegd bij de stichting Sociale Wijkteams Oosterhout (zie artikel 2 lid 2 van de Verordening Jeugdhulp gemeente Oosterhout 2019).

  • 3.

    Een melding / hulpvraag kan door de jeugdige of zijn ouders vormvrij bij het college worden gemeld.

  • 4.

    Het college maakt, in overleg met de jeugdige en ouders een inschatting van de urgentie van de melding / hulpvraag en of er sprake is van crisis.

2.3 Vooronderzoek en identificatie

  • 1.

    De jeugdige of zijn ouders verstrekken het college alle benodigde gegevens en bescheiden die naar het oordeel van het college nodig zijn voor het onderzoek, bedoeld in artikel 4 van dit Uitvoeringsbesluit en waarover zij redelijkerwijs de beschikking kunnen krijgen.

  • 2.

    Het college maakt vervolgens zo spoedig mogelijk met de jeugdige of zijn ouders een afspraak voor een gesprek. Hierbij brengt het college de jeugdige en zijn ouders op de hoogte van de mogelijkheid om binnen een redelijke termijn een familiegroepsplan als bedoeld in artikel 1.1 van de wet op te stellen. Als de jeugdige en zijn ouders daarom verzoeken, draagt het college zorg voor ondersteuning bij het opstellen van een familiegroepsplan.

  • 3.

    Het college verzoekt toestemming van de cliënt om persoonsgegevens en informatie aangaande de cliënt te registeren en uit te wisselen met andere instanties betrokken bij de uitwerking van het plan. De registratie en uitwisseling vindt plaats met inachtneming van de bij of krachtens de Jeugdwet of de Wet bescherming persoonsgegevens gestelde voorschriften.

  • 4.

    Bij het vooronderzoek stelt het college de identiteit van de jeugdige of zijn ouders vast aan de hand van een document als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht.

  • 5.

    Het college kan in overleg met de jeugdige of zijn ouders afzien van een vooronderzoek als bedoeld in het eerste lid.

2.4 Gesprek

  • 1.

    Een gesprek maakt deel uit van het vooronderzoek en vindt, in niet spoedeisende gevallen, zo snel als mogelijk plaats na de melding van een hulpvraag.

  • 2.

    Het college voert het gesprek met jeugd of ouders, dan wel zijn vertegenwoordiger, voor zover zijn mantelzorger en voor zover nodig zijn familie, netwerk of de onafhankelijke cliëntondersteuner.

  • 3.

    Het college onderzoekt in een gesprek tussen deskundigen en de jeugdige en ouders, zo spoedig mogelijk en voor zover nodig:

    • a.

      de behoeften, persoonskenmerken, voorkeuren, veiligheid, ontwikkeling en gezinssituatie van de jeugdige en het probleem of de hulpvraag;

    • b.

      het gewenste resultaat van het verzoek om jeugdhulp;

    • c.

      het vermogen van de jeugdige of zijn ouders om zelf of met ondersteuning van de naaste omgeving een oplossing voor de hulpvraag te vinden;

    • d.

      de mogelijkheden om gebruik te maken van een andere voorziening;

    • e.

      de mogelijkheden om jeugdhulp te verlenen met gebruikmaking van een overige voorziening;

    • f.

      de mogelijkheden om een individuele voorziening te verstrekken;

    • g.

      de wijze waarop een mogelijk toe te kennen individuele voorziening wordt afgestemd met andere voorzieningen op het gebied van zorg, onderwijs, maatschappelijke ondersteuning, of werk en inkomen;

    • h.

      hoe rekening zal worden gehouden met de godsdienstige gezindheid, de levensovertuiging en de culturele achtergrond van de jeugdige en zijn ouders, en

    • i.

      de mogelijkheden om te kiezen voor de verstrekking van een PGB, waarbij de jeugdige of zijn ouders in begrijpelijke bewoordingen worden ingelicht over de gevolgen van die keuze.

    De in lid 3 genoemde factoren maken in ieder geval deel uit van het onderzoek en vormende basis van het gesprek als bedoeld in het eerste lid.

  • 4.

    Als de jeugdige en zijn ouders een familiegroepsplan hebben opgesteld, betrekt het college dat als eerste bij het onderzoek, bedoeld in het eerst lid.

  • 5.

    Het college informeert de jeugdige of zijn ouders over de gang van zaken bij het gesprek, hun rechten en plichten en vraagt hen schriftelijk toestemming om hun persoonsgegevens te verwerken.

  • 6.

    Het college kan in overleg met de jeugdige of zijn ouders afzien van een gesprek en direct een aanvraag indienen.

  • 7.

    Het college wijst de jeugdige of zijn ouders op de mogelijkheid om een aanvraag voor een individuele voorziening in te dienen.

2.5 Verslag en plan van aanpak

  • 1.

    Van het gesprek wordt een verslag gemaakt, waarin het oordeel van het college over de wenselijkheid van een individuele of overige voorziening wordt vastgelegd onder vermelding van de aan de jeugdige of zijn ouders kenbaar gemaakte gevolgen.

  • 2.

    Indien het gesprek naar het oordeel van het college leidt tot de wenselijkheid van een individuele voorziening of overige voorziening, wordt hierover een plan van aanpak opgesteld, tenzij dit gelet op de aard van de te leveren hulp niet noodzakelijk is.

  • 3.

    In het plan van aanpak dat onderdeel uitmaakt van het gespreksverslag, wordt na inventarisatie met de jeugdige of diens ouders tenminste aangegeven:

    • a.

      welke acties ondernomen moeten worden en met welke beoogde resultaten;

    • b.

      wanneer deze acties worden opgestart;

    • c.

      wat de verwachte doorlooptijden zijn;

  • 4.

    Zo spoedig mogelijk na het gesprek verstrekt het college aan de jeugdige of zijn ouders, de uitkomsten van het onderzoek, waaronder een verslag van het gesprek en, in voorkomend geval, het plan van aanpak.

  • 5.

    Opmerkingen of latere aanvullingen van de jeugdige of zijn ouders worden aan het verslag of ondersteuningsplan toegevoegd.

2.6 Aanvraag

  • 1.

    Jeugdigen en ouders dienen een aanvraag om een individuele voorziening schriftelijk indienen bij het college.

  • 2.

    De jeugdige of ouder die een aanvraag doet voor een individuele voorziening, toont het college desgevraagd een document als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht.

  • 3.

    De cliënt geeft toestemming aan de gemeente en haar partners betrokken bij de levering van de maatwerkvoorziening om persoonsgegevens en informatie aangaande de cliënt te registeren en uit te wisselen. De registratie en uitwisseling vinden plaats met inachtneming van de bij of krachtens de Jeugdwet of de AVG gestelde voorschriften.

  • 4.

    Een door de jeugdige of ouders ondertekend verslag van het gesprek en/of plan van aanpak wordt, indien de jeugdige of ouders dit wensen, beschouwd als aanvraag.

2.7 Inhoud beschikking

  • 1.

    In de beschikking tot verstrekking van een individuele voorziening wordt in ieder geval aangegeven of de voorziening in natura of als PGB wordt verstrekt en wordt tevens aangegeven hoe bezwaar tegen de beschikking kan worden gemaakt.

  • 2.

    Bij het toekennen van een individuele voorziening worden in de beschikking tevens de met de jeugdige of zijn ouders gemaakte afspraken vastgelegd en welke individuele voorziening het, zoals genoemd in artikel 2 lid 2 van de verordening Jeugdhulp gemeente Oosterhout 2015 betreft.

  • 3.

    Wanneer er wordt gekozen voor een voorziening in natura wordt in de beschikking bovendien benoemd:

    • a.

      welke de te verstrekken voorziening is en wat het beoogde resultaat daarvan is;

    • b.

      wat de ingangsdatum en duur van de verstrekking is;

    • c.

      hoe de voorziening wordt verstrekt, en indien van toepassing, en

    • d.

      welke andere overige voorzieningen relevant zijn of kunnen zijn.

  • 4.

    Wanneer er wordt gekozen voor een PGB wordt in de beschikking bovendien benoemd:

    • a.

      wat de te verstrekken voorziening is en wat het beoogde resultaat daarvan is;

    • b.

      hoe de voorziening wordt verstrekt, en indien van toepassing, en

    • c.

      welke andere overige voorzieningen relevant zijn of kunnen zijn;

    • d.

      welke kwaliteitseisen gelden voor de besteding van het PGB;

    • e.

      wat de hoogte van het PGB is en hoe hiertoe gekomen is (omvang van de voorziening)

    • f.

      wat de ingangsdatum en duur van de verstrekking is;

  • 5.

    Als sprake is van een te betalen ouderbijdrage worden de jeugdige of zijn ouders daarover in de beschikking geïnformeerd.

2.8 Andere verwijzers

1. Algemeen

Ingevolge het vierde lid, van artikel 2.7 van de Jeugdwet, moet het college afspraken maken met huisartsen, medisch specialisten en jeugdartsen over de doorverwijzing naar de jeugdhulp. Deze artsen hebben een directe verwijsmogelijkheid. Bij die verwijzing zal de arts rekening moeten houden met de zorg die de gemeente heeft ingekocht. Het college maakt afspraken met de artsen over de invulling van het verwijsrecht en de voorwaarden die hieraan kunnen worden gesteld. Gemeenten kunnen, net als verzekeraars, spiegelinformatie leveren aan huisartsen, medisch specialisten en jeugdartsen. Dit houdt in dat zij worden geïnformeerd over hun cliëntenbestand, de aandoeningen en de doorverwijzingen en dat dit in relatie wordt gebracht met de gegevens van andere huisartsen, medisch specialisten en jeugdartsen.

 

Het doel hiervan is dat zij zich bewust worden van hun handelen en eventueel hun handelen hierop aanpassen in een door de verzekeraar en de gemeente gewenste richting. Om psychische problematiek bij jeugdigen adequaat te herkennen, te behandelen en/of – indien nodig – naar de juiste zorgverlener te verwijzen kan de huisarts gebruik maken van ondersteuning in zijn praktijk door een Praktijk Ondersteuner Huisartsen GGZ (POH-GGZ). Als binnen de huisartsenfunctie de patiënt niet kan worden geholpen (bijvoorbeeld omdat een intensievere behandeling noodzakelijk geacht wordt), dan kan de jeugdige worden doorverwezen naar een GGZ- aanbieder. In sommige gevallen is een medisch specialist de aangewezen persoon om een jeugdige van de juiste zorg te voorzien. Denk bijvoorbeeld aan een kinderarts die in samenwerking met een psychiater lichamelijke en psychische ontwikkeling van kinderen integreert in zijn behandeling. In andere gevallen kan de medisch specialist, afhankelijk van de specifieke zorgbehoefte, van oordeel zijn dat psychische zorg nodig is. In de praktijk zullen vooral de kinderarts en de psychiater doorverwijzen naar jeugdhulp. In de praktijk gaat het om een diversiteit aan zorgvragen waarbij verschillende vormen van jeugdhulp aangewezen kunnen zijn. De huisarts en de medisch specialist waren op grond van de Zvw en de AWBZ al bevoegd om te verwijzen naar de jeugd-ggz.

 

Op grond van artikel 2.5, eerste lid, onder g, van de Jeugdwet krijgen zij de bevoegdheid om naar alle vormen van jeugdhulp verwijzen. Met deze verwijzing wordt een goede integrale hulpverlening aan de jeugdige (en gezin) beoogd, die tijdig en op de juiste plek door de juiste behandelaar verleend wordt, waardoor de continuïteit van zorg in een individueel geval geborgd kan worden en waarbij de eventuele samenhang met de somatische zorg geborgd blijft.

 

De jeugdarts is de sociaal geneeskundig specialist van kinderen, ziet (bijna) alle kinderen periodiek en is op de hoogte van de gezinssituatie. De jeugdarts voert preventieve taken uit in opdracht van gemeenten, gericht op het bevorderen van gezondheid, het voorkomen van lichamelijke, psychische en sociale problemen en het signaleren van dergelijke problemen. Zo mogelijk biedt de jeugdarts zelf ondersteuning of verwijst gericht door naar medische of andere hulpverlening. Gezien deze wettelijke taken die zijn vastgelegd in de Wpg ligt het voor de hand de rol van verwijzer voor de jeugdarts ook vast te leggen in de nieuwe jeugdwet. Een goede samenwerking tussen de huisartsen, de medisch specialisten, de jeugdartsen en de gemeenten is essentieel.

 

De gemeenten hebben immers in geval van multiproblematiek een breed zicht op de totale situatie rondom de jeugdige en het gezin die van belang kan zijn voor de juiste hulpverlening aan de jeugdige en het gezin.

 

Voor de gemeente betekent de wettelijke verwijsbevoegdheid dat zij een verwijzing door de huisarts, de medisch specialist en de jeugdarts zullen moeten accepteren als toegang tot jeugdhulp. In de praktijk zullen de huisarts, de medisch specialist en de jeugdarts vaak niet bepalen welke specifieke vorm van jeugdhulp een jeugdige nodig heeft, doch slechts een verwijzing geven voor bijvoorbeeld psychiatrische hulp of een andere vorm van jeugdhulp.

 

Om de regierol van de gemeenten in het stelsel te borgen is het noodzakelijk dat over de invulling van de verwijzingsmogelijkheid van de huisarts, de medisch specialist en de jeugdarts en de voorwaarden die hieraan kunnen worden gesteld goede afspraken tussen de partijen (onder andere gemeenten, huisartsen, medisch specialisten, zorgverzekeraars) worden gemaakt. De partijen worden hiertoe verplicht op grond van artikel 2.6, derde lid. Zie de toelichting bij die bepaling: Tweede Kamer, vergaderjaar 2012–2013, 33 684, nr. 3 148.

2 Verwijsbrief huisartsen.

Met de huisartsen in de gemeente Oosterhout is afgesproken gebruik te maken van een verwijsbrief jeugdhulp GGZ (zie bijlage 1)

De huisarts kan hier op aangeven of het om generalistische, specialistische, hoog specialistische (met of zonder verblijf) GGZ gaat, of om diagnostiek.

Voor jeugdhulp (niet zijnde GGZ) wordt door de huisarts het advies gegeven contact op te nemen (eventueel via de POH Jeugd) met het Sociaal Wijkteam van de Gemeente Oosterhout. Zij zullen dan zorgdragen voor vraagverheldering, advies en doorverwijzing.

Hoofdstuk 3 Beschikbare jeugdhulpvoorzieningen en vormen van jeugdhulp

3.1 Nadere omschrijving vormen van Jeugdhulp

  • 1.

    De vormen van Jeugdhulp zoals omschreven in artikel 2 van de verordening jeugdhulp gemeente Oosterhout zijn nader omschreven in de “Handleiding Ambulant” en de “Handleiding Verblijf” van de regio WBO Jeugd, behorend bij dit Uitvoeringsbesluit (zie bijlage 2 en 3).

  • 2.

    Deze omschrijvingen worden tevens gebruikt om de voorzieningen in te kopen bij zorgaanbieders.

  • 3.

    Het “Overzicht normering hoogte en duur inzet Ambulante Jeugdhulp gemeente Oosterhout 2019” (zie bijlage 4 van dit Uitvoeringsbesluit) geldt als richtlijn en uitgangspunt voor de omvang en duur van de in te zetten Jeugdhulp.

    Dit overzicht is de basis voor de afspraken met verwijzers en jeugdhulpaanbieders, zoals bedoeld in paragraaf 2.8.

Hoofdstuk 4 Nadere omschrijving persoonsgebonden budget

In de Jeugdwet is opgenomen dat indien de cliënt dit wenst, hij de jeugdhulp kan ontvangen in de vorm van een pgb. Het pgb is een bedrag waaruit namens het college betalingen gedaan worden zodat de cliënt in staat wordt gesteld jeugdhulp van derden te betrekken.

 

Met een pgb voert de cliënt dus zelf de regie. Zo kan hij kiezen voor een professionele (formele) aanbieder, waarmee de gemeente geen overeenkomst heeft gesloten, maar ook voor het financieren van ondersteuning die wordt verleend door zijn eigen sociale netwerk (informeel). Tot het sociale netwerk behoren personen uit de huiselijke kring of andere personen met wie de cliënt een sociale relatie onderhoudt. Tot de huiselijke kring worden gerekend familieleden, huisgenoten, echtgenoot of mantelzorger. Andere personen met wie de cliënt een sociale relatie onderhoudt zijn personen met wie de cliënt regelmatig contacten onderhoudt, zoals bijvoorbeeld buren en medeleden van een vereniging.

 

In het gesprek met de medewerker kan de cliënt de wens uitspreken om het sociale netwerk of mantelzorgers in te willen zetten voor de in te zetten jeugdhulp.

 

Om oneigenlijk gebruik en fraude met pgb te beperken is onder meer het trekkingsrecht ingevoerd. Dat houdt in dat de gemeente op grond van de Jeugdwet wettelijk verplicht is het beheer, de uitbetaling en de administratieve uitvoering van het pgb te laten uitvoeren door de Sociale Verzekeringsbank (SVB).

 

Dit betekent dat, nadat de cliënt heeft gekozen voor een pgb, het in het toekenningsbesluit opgenomen budget en zorgovereenkomst aangemeld wordt bij de SVB. De SVB neemt contact op met de cliënt en verzorgt de uitbetaling rechtstreeks aan de aanbieder.

 

De cliënt die een maatwerkvoorziening via een pgb wil, moet voldoen aan de volgende wettelijke criteria:

  • 1.

    De cliënt moet zelf of met behulp van zijn netwerk in staat zijn tot een redelijke waardering van zijn belangen en in staat zijn om de aan een pgb verbonden taken op verantwoorde wijze uit te voeren. Dit betekent dat de cliënt (of iemand die hij daarvoor inschakelt, niet zijnde de zorgverlener) moet kunnen inzien wat er aan ondersteuning moet worden ingekocht in het kader van het ondersteuningsplan, hij moet offertes kunnen opvragen, hulpverleners kunnen aansturen, de administratieve verplichtingen richting gemeente en Sociale Verzekeringsbank (SVB) kunnen uitvoeren etc.;

  • 2.

    De cliënt moet kunnen motiveren waarom hij de maatwerkvoorziening als pgb geleverd wil krijgen;

  • 3.

    Er is gewaarborgd dat wat de cliënt met het pgb inkoopt veilig, doeltreffend en cliëntgericht wordt verstrekt. Hierbij wordt meegewogen dat hetgeen de cliënt wenst in te kopen in redelijkheid geschikt is voor het doel waarvoor het pgb wordt verstrekt en ook van voldoende kwaliteit is.

Hieronder worden deze drie wettelijke criteria verder uitgewerkt.

4.1 Aanvullende / uitgewerkte eisen aan de verstrekking van een pgb

Gemeenten moeten zelf aanvullende regels stellen voor het tegengaan van oneigenlijk gebruik en fraude. Als het college van mening is dat er niet aan één of meer van de wettelijke criteria en/of aan één of meer van de onderstaande aanvullende voorwaarden wordt voldaan, kan een pgb geweigerd worden. Ook als tijdens de looptijd van een pgb blijkt dat er niet (meer) aan één of meer van de voorwaarden wordt voldaan, kan het college het pgb intrekken.

a. Eerdere negatieve ervaring met pgb

Een pgb mag niet eerder herzien of ingetrokken zijn, omdat de cliënt onjuiste of onvolledige gegevens heeft verstrekt en de verstrekking van juiste of volledige gegevens tot een andere beslissing zou hebben geleid en/of omdat de cliënt eerder niet heeft voldaan aan de aan het pgb verbonden voorwaarden, en/of het pgb eerder voor een ander doel heeft gebruikt.

b. Pgb-plan

De cliënt is verplicht om voor een pgb te overleggen. Op grond van dit plan moet de medewerker kunnen vaststellen of de cliënt (of degene die het pgb-budget gaat beheren voor de cliënt) in aanmerking kan komen voor een pgb.

c. Hogere kosten pgb

Indien de aanvrager een voorstel doet dat zou leiden tot een hoger pgb dan het vergelijkbare zorg in natura aanbod, bieden we de aanvrager de mogelijkheid het verschil in budget zelf te financieren. Daarmee wordt een pgb alleen geweigerd voor dat deel van het budget dat hoger is dan zorg in natura voor een vergelijkbare hulpvraag. Het hele pgb wordt geweigerd als de pgb-houder niet bereid is het verschil in budget zelf te financieren.

d. Formele of informele ondersteuning

De hoogte van het pgb is afhankelijk van de vraag of er sprake is van formele of informele ondersteuning.

 

Er is sprake van formele ondersteuning voor Jeugdhulp bij:

  • 1.

    een aanbieder die BIG-geregistreerd1 en SKJ geregistreerd is; of

  • 2.

    een aanbieder die ingeschreven is bij de Kamer van Koophandel als zorg gerelateerde instelling; of

  • 3.

    een zelfstandige zonder personeel (zzp) die ingeschreven is bij de Kamer van Koophandel als zorgverlener en geen eerste- of tweedegraads familie is van degene aan wie zorg wordt verleend.

Er is sprake van informele ondersteuning bij de inzet van personen, al dan niet uit het sociaal netwerk, die niet voldoen aan de criteria van de formele ondersteuning.

4.2 Administratieve taken gemeente

De taken van de gemeente bij de toekenning van een pgb zijn de volgende:

  • 1.

    verwerking individuele budget in backoffice-systeem;

  • 2.

    aanmelden individuele budget bij SVB;

  • 3.

    beoordelen en accorderen zorgovereenkomst;

  • 4.

    controle individuele budgetten bij jaarafrekening;

  • 5.

    jaarlijks invoeren en aanmelden nieuw individueel jaarbudget bij SVB;

  • 6.

    betaling voorschot aan de SVB op basis totaalbedrag toegekende budgetten.

Hoofdstuk 5 Algemene bepalingen

5.1 Evaluatie

  • 1.

    Het college evalueert de geboden jeugdhulp aan de hand van de gemaakte afspraken hierover in het plan van aanpak.

  • 2.

    Tijdens deze evaluatie wordt, in samenspraak met jeugd en ouders, besproken of vervolghulp noodzakelijk is en welke hulp hier passend is.

  • 3.

    Als beide partijen vaststellen dat vervolghulp noodzakelijk is, wordt een nieuw plan van aanpak opgesteld.

5.2 Inwerkingtreding

Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 juli 2019.

5.3 Citeertitel

Dit besluit wordt aangehaald als: Uitvoeringsbesluit Jeugdhulp gemeente Oosterhout 2019.

Aldus vastgesteld op 20 mei 2019

de burgemeester

de secretaris