Gemeenteblad van Oss

Datum publicatieOrganisatieJaargang en nummerRubriek
OssGemeenteblad 2019, 182844Verordeningen



Reglement van orde voor de raad van de gemeente Oss 2019

 

De raad van de gemeente Oss;

 

gezien het voorstel van de raadsgriffier van 3 april 2019;

 

gelet op het advies van de Adviescommissie Sociaal Bestuurlijk van 9 mei 2019;

 

besluit

vast te stellen het:

 

Reglement van orde voor de raad van de gemeente Oss 2019

 

Hoofdstuk 1 Algemene bepalingen

 

Inhoudsopgave

Hoofdstuk 1 Algemene bepalingen

Artikel 1 Begripsomschrijvingen

Artikel 2 De voorzitter

Artikel 3 De raadsgriffier

Artikel 4 De gemeentesecretaris

Artikel 5 Fractievoorzittersoverleg

Artikel 6 Agendacommissie

Hoofdstuk 2 Toelating van nieuwe leden; benoeming wethouders; fracties

Artikel 7 Onderzoek geloofsbrieven; beëdiging; benoeming wethouders

Artikel 8 Raadsfractie

Hoofdstuk 3 Vergaderingen

Paragraaf 1 Tijdstip van vergaderen; voorbereidingen

Artikel 9 Vergaderfrequentie

Artikel 10 Oproep

Artikel 11 Agenda

Artikel 12 De wethouder

Artikel 13 Ter inzage leggen van stukken

Artikel 14 Openbare kennisgeving

Paragraaf 2 Orde der vergadering

Artikel 15 Presentielijst

Artikel 16 Zitplaatsen

Artikel 17 Opening vergadering; quorum

Artikel 18 Spreekrecht burgers

Artikel 19 Primus bij hoofdelijke stemming

Artikel 20 Verslag en besluitenlijst

Artikel 21 Ingekomen stukken; mededelingen

Artikel 22 Aantal spreektermijnen

Artikel 23 Spreektijd

Artikel 24 Handhaving orde; schorsing

Artikel 25 Beraadslaging

Artikel 26 Deelname aan de beraadslaging door anderen

Artikel 27 Stemverklaring

Artikel 28 Beslissing

Paragraaf 3 Procedures bij stemmingen

Artikel 29 Algemene bepalingen over stemming

Artikel 30 Stemming over amendementen en moties

Artikel 31 Stemming over personen

Artikel 32 Herstemming over personen

Artikel 33 Beslissing door het lot

Hoofdstuk 4 Rechten van de leden

Artikel 34 Amendementen

Artikel 35 Moties

Artikel 36 Voorstellen van de orde

Artikel 37 Initiatiefvoorstel

Artikel 38 Collegevoorstel

Artikel 39 Interpellatie

Artikel 40 Vragenhalfuur

Artikel 41 Schriftelijke vragen

Artikel 42 Inlichtingen

Hoofdstuk 5 Begroting en rekening

Artikel 43 Procedure begroting

Artikel 44 Procedure jaarrekening

Hoofdstuk 6 Lidmaatschap van andere organisaties

Artikel 45 Verslag; verantwoording

Hoofdstuk 7 Besloten vergadering

Artikel 46 Algemeen

Artikel 47 Verslag

Artikel 48 Geheimhouding

Artikel 49 Opheffing geheimhouding

Hoofdstuk 8 Toehoorders en pers

Artikel 50 Toehoorders en pers

Artikel 51 Geluid- en beeldregistratie

Artikel 52 Verbod gebruik mobiele apparatuur

Hoofdstuk 9 Slotbepalingen

Artikel 53 Uitleg reglement

Artikel 54 Citeertitel

Artikel 55 Inwerkingtreding

 

Artikel 1 Begripsomschrijvingen.

In dit reglement wordt verstaan onder:

  • a.

    voorzitter: de voorzitter van de raad of diens vervanger;

  • b.

    amendement: voorstel tot wijziging van een aanhangig ontwerpverordening of ontwerpbeslissing, naar de vorm geschikt om daarin direct te worden opgenomen;

  • c.

    subamendement: voorstel tot wijziging van een aanhangig amendement, naar de vorm geschikt om direct te worden opgenomen in het amendement waarop het betrekking heeft;

  • d.

    motie: een korte en gemotiveerde verklaring over een onderwerp waardoor een oordeel, opdracht, wens of verzoek wordt uitgesproken;

  • e.

    voorstel van orde: voorstel betreffende de orde van de vergadering;

  • f.

    initiatiefvoorstel: een door een lid van de raad ingediend voorstel voor een verordening of ander voorstel.

  • g.

    interpellatie: het vragen van inlichtingen aan het college of de burgemeester op grond van artikel 155, lid 2 van de Gemeentewet over een onderwerp dat niet op de raadsagenda staat;

  • h.

    interruptie: een korte onderbreking van een aan het woord zijnde spreker voor het leveren van een kort commentaar of het stellen van een korte vraag;

  • i.

    vergadering: vergadering van de raad;

  • j.

    raadsgriffier: de griffier van de raad of diens vervanger;

  • k.

    burgerlid: een lid van een raadscommissie, niet zijnde een raadslid;

  • l.

    Podiumbijeenkomst: bijeenkomst met als doel informatieoverdracht en informatie-uitwisseling tussen raadsleden, burgerleden, college, ambtenaren, burgers, instellingen en/of organisaties over een specifiek thema.

Artikel 2 De voorzitter.

  • De voorzitter is belast met:

  • a.

    het leiden van de vergadering;

  • b.

    het handhaven van de orde in de raadsvergadering;

  • c.

    het doen naleven van het reglement van orde van de raad;

  • d.

    hetgeen de Gemeentewet of dit reglement hem verder opdraagt;

  • e.

    het nemen van verdagingsbesluiten namens de raad (mandaat) indien een beslistermijn op een bezwaarschrift overschreden dreigt te worden voordat de raad weer in vergadering bijeen komt.

Artikel 3 De raadsgriffier.

  • 1.

    De raadsgriffier is in elke vergadering van de raad aanwezig.

  • 2.

    Bij zijn verhindering of afwezigheid wordt de raadsgriffier vervangen door een door de raad daartoe aangewezen plaatsvervangend raadsgriffier.

  • 3.

    De raadsgriffier kan, indien daartoe door de voorzitter uitgenodigd, aan de beraadslagingen als bedoeld in dit reglement deelnemen.

Artikel 4 De gemeentesecretaris.

De raad kan het college verzoeken de gemeentesecretaris in de vergadering aanwezig te laten zijn en deel te laten nemen aan de beraadslagingen als bedoeld in dit reglement.

Artikel 5 Fractievoorzittersoverleg.

  • 1.

    Er is een fractievoorzittersoverleg.

  • 2.

    Het fractievoorzittersoverleg bestaat uit de voorzitter van de raad en de fractievoorzitters. De raadsgriffier is in elke vergadering van het fractievoorzittersoverleg aanwezig.

  • 3.

    De voorzitter van de raad of diens vervanger is voorzitter van het fractievoorzittersoverleg.

  • 4.

    De raadsgriffier draagt zorg voor de verslaglegging van het fractievoorzittersoverleg en de verspreiding daarvan onder de leden.

  • 5.

    De vergaderingen van het fractievoorzittersoverleg zijn niet openbaar.

  • 6.

    De vergaderingen van het fractievoorzittersoverleg vinden tenminste vier maal per jaar plaats.

  • 7.

    Het fractievoorzittersoverleg wordt bijeengeroepen op verzoek van de voorzitter of van een of meer fractievoorzitters of van de raadsgriffier.

  • 8.

    In het fractievoorzittersoverleg wordt overlegd over algemene aspecten van het functioneren van de raad, de raadscommissies, de Raadsgriffie en de voorzitter van de raad.

  • 9.

    De voorzitter kan voorstellen derden uit te nodigen voor het fractievoorzittersoverleg.

  • 10.

    Elke fractievoorzitter kan zich bij zijn afwezigheid laten vervangen door een raadslid dan wel burgerlid van zijn fractie en maakt dat bij de raadsgriffier bekend.

  • 11.

    Elke fractievoorzitter heeft één stem in het fractievoorzittersoverleg.

Artikel 6 Agendacommissie.

  • 1.

    De raad heeft een Agendacommissie.

  • 2.

    De Agendacommissie bestaat uit de voorzitter van de raad als voorzitter en de voorzitters van de raadscommissies alsmede een vaste vertegenwoordiger van de fracties, zijnde een raadslid, die daarmee nog niet vertegenwoordigd zijn. De raadsgriffier of diens plaatsvervanger is in elke vergadering van de Agendacommissie aanwezig.

  • 3.

    De leden van de Agendacommissie kunnen zich bij afwezigheid laten vervangen door een raadslid of burgerlid van hun fractie.

  • 4.

    De Agendacommissie stelt de vergaderfrequentie van de raad, de raadscommissies en de Podiumbijeenkomsten vast. De Agendacommissie stelt de concept-agenda’s van de raad, raadscommissies en Podiumbijeenkomsten vast.

  • 5.

    De Agendacommissie stelt vast of een adviesstuk voor de Adviescommissie een A-stuk of B-stuk is. De Agendacommissie stelt tevens vast of een ingekomen stuk voor de Adviescommissie een A- stuk of B-stuk is.

  • 6.

    De Agendacommissie kan voorstellen portefeuillehouders, de gemeentesecretaris alsmede raads- en/of burgerleden alsook griffiemedewerkers, anders dan genoemd in lid 2 van dit artikel, voor de vergadering uit te nodigen.

  • 7.

    Elke fractie heeft één stem in de vergadering van de Agendacommissie.

  • 8.

    De vergaderingen van de Agendacommissie zijn openbaar.

  • 9.

    De Agendacommissie kan een voorstel tot toepassing van spreektijd doen.

  • 10.

    De Agendacommissie toetst voorstellen op raadsrijpheid.

  •  

Hoofdstuk 2 Toelating van nieuwe leden; benoeming wethouders; fracties

Artikel 7 Onderzoek geloofsbrieven; beëdiging; benoeming wethouders.

  • 1.

    Bij elke benoeming van nieuwe leden van de raad stelt de raad een commissie in bestaande uit drie leden van de raad. De commissie onderzoekt de geloofsbrieven en de daarop betrekking hebbende stukken van nieuw benoemde leden.

  • 2.

    De commissie brengt na haar onderzoek van geloofsbrieven verslag uit aan de raad en doet daarbij een voorstel voor een besluit. In het verslag wordt ook melding gemaakt van een minderheidsstandpunt.

  • 3.

    Het onderzoek van het proces-verbaal van het centraal stembureau gebeurt in de laatste samenkomst van de raad in oude samenstelling na de verkiezingen.

  • 4.

    Na een raadsverkiezing roept de voorzitter de toegelaten leden van de raad op om in de eerste vergadering van de raad in nieuwe samenstelling, bedoeld in artikel 18 van de Gemeentewet, de voorgeschreven eed of verklaring en belofte af te leggen.

  • 5.

    In geval van een tussentijdse vacaturevervulling roept de voorzitter een nieuw benoemd lid van de raad op voor de vergadering van de raad waarin over diens toelating wordt beslist om de voorgeschreven eed of verklaring en belofte af te leggen.

  • 6.

    Bij de benoeming van een wethouder wordt overeenkomstig het eerste lid een commissie ingesteld welke onderzoekt of de kandidaat voldoet aan de eisen van de Gemeentewet. Op de werkwijze van deze commissie is het tweede lid van overeenkomstige toepassing.

Artikel 8 Raadsfractie.

  • 1.

    De leden van de raad, die door het centraal stembureau op dezelfde kandidatenlijst verkozen zijn verklaard, worden bij de aanvang van de zittingsperiode van de raad als één raadsfractie beschouwd. Is onder een lijstnummer slechts één lid verkozen, dan wordt dit lid als een afzonderlijke raadsfractie beschouwd.

  • 2.

    Indien boven de kandidatenlijst een aanduiding was geplaatst, voert de raadsfractie in de raad deze aanduiding als naam. Indien geen aanduiding boven de kandidatenlijst was geplaatst, deelt de fractie in de eerste vergadering van de raad aan de voorzitter mee welke naam deze raadsfractie in de raad wil voeren.

  • 3.

    De namen van degenen die als voorzitter van de raadsfractie en als diens plaatsvervanger optreden, worden zo spoedig mogelijk doorgegeven aan de raadsgriffier en de voorzitter.

  • 4.

    Indien één of meer leden van de raadsfractie als zelfstandige raadsfractie gaan optreden, twee of meer raadsfracties als één raadsfractie gaan optreden, één of meer leden van een raadsfractie zich aansluiten bij een andere raadsfractie of een raadsfractie een andere naam gaat voeren, doet de betreffende raadsfractie hiervan zo spoedig mogelijk schriftelijk mededeling aan de voorzitter.

  • 5.

    Met de in het vorige lid beschreven veranderde situatie wordt rekening gehouden met ingang van de eerstvolgende vergadering van de raad, na mededeling daarvan.

Hoofdstuk 3 Vergaderingen

Paragraaf 1 Tijdstip van vergaderen; voorbereidingen

Artikel 9 Vergaderfrequentie

  • 1.

    De vergaderingen van de raad vinden in de regel plaats op een donderdagavond en vangen aan om 19.30 uur en worden gehouden in het gemeentehuis. De Agendacommissie stelt het vergaderschema vast.

  • 2.

    De voorzitter kan in bijzondere gevallen een andere dag en/of aanvangsuur bepalen en/of een andere vergaderplaats aanwijzen. Hij voert hierover, tenzij er sprake is van een spoedeisende situatie, overleg in de Agendacommissie.

  • 3.

    Indien de voorzitter tijdens een reguliere vergadering besluit de vergadering op een ander tijdstip voort te zetten, roept hij de raadsleden hiertoe in de vergadering op. Hij geeft per direct aan wat de voorlopige agenda van deze vergadering is. Deze oproeping met de bijbehorende voorlopige agenda wordt binnen 24 uur bevestigd en openbaar gemaakt.

  • 4.

    De vervolgvergadering uit het voorgaande lid vindt plaats binnen 6 werkdagen na de reguliere vergadering.

  • 5.

    Op een vervolgvergadering is paragraaf 1 van dit hoofdstuk met uitzondering van de artikelen 10, lid 1 en 2, 11, lid 1 en 13, lid 1 van toepassing. Paragraaf 2 van dit hoofdstuk is met uitzondering van artikel 18 van toepassing. Hoofdstuk 4 is met uitzondering van artikel 40 van toepassing.

Artikel 10 Oproep

  • 1.

    De voorzitter zendt ten minste tien dagen voor een vergadering de leden een elektronische oproep onder vermelding van de dag, het tijdstip en de plaats van de vergadering.

  • 2.

    De voorlopige agenda en de daarbij behorende stukken, met uitzondering van de in artikel 25, eerste en tweede lid, van de Gemeentewet bedoelde stukken, worden tegelijkertijd met de elektronische oproep beschikbaar gesteld.

  • 3.

    Indien een aanvullende agenda wordt vastgesteld als bedoeld in artikel 11, eerste lid, worden deze agenda en de daarop vermelde voorstellen zo spoedig mogelijk, doch uiterlijk 48 uur voor aanvang van de vergadering aan de leden van de raad kenbaar gemaakt.

Artikel 11 Agenda

  • 1.

    In spoedeisende gevallen kan de Agendacommissie na het verzenden van de elektronische oproep tot uiterlijk 48 uur voor de aanvang van een vergadering een aanvullende agenda opstellen. De aanvullende agenda wordt aan de leden kenbaar gemaakt.

  • 2.

    Bij aanvang van de vergadering stelt de raad de agenda vast. Op voorstel van een lid of de voorzitter kan de raad bij de vaststelling van de agenda onderwerpen aan de agenda toevoegen of van de agenda afvoeren.

  • 3.

    Wanneer de raad een onderwerp of voorstel onvoldoende voor de beraadslaging voorbereid acht, kan hij het onderwerp verwijzen naar een raadscommissie of aan het college nadere inlichtingen of advies vragen.

  • 4.

    Op voorstel van een lid of de voorzitter kan de raad de volgorde van behandeling van de agendapunten wijzigen.

Artikel 12 De wethouder

  • 1.

    De wethouders zijn standaard uitgenodigd om in de vergadering aanwezig te zijn.

  • 2.

    Een wethouder kan op verzoek van de raad aan de beraadslagingen deelnemen.

Artikel 13 Ter inzage leggen stukken

  • 1.

    Stukken, die ter toelichting van de onderwerpen of voorstellen op de agenda dienen, worden gelijktijdig met de digitale oproep via de website van de gemeente beschikbaar gesteld. De voorzitter maakt van de ter beschikkingstelling melding in de openbare kennisgeving, bedoeld in artikel 14. Indien na de oproep stukken ter beschikking worden gesteld wordt hiervan mededeling gedaan aan de leden van de raad en zo mogelijk in een openbare kennisgeving.

  • 2.

    Onverminderd het bepaalde in het eerste lid kunnen stukken ook op een andere, elektronische wijze aan een ieder ter beschikking worden gesteld.

  • 3.

    Indien voor stukken op grond van artikel 25, eerste en tweede lid, van de Gemeentewet geheimhouding is opgelegd, blijven deze stukken in afwijking van het eerste lid, bij de raadsgriffier en verleent de raadsgriffier de leden van de raad inzage.

Artikel 14 Openbare kennisgeving

  • 1.

    De vergadering wordt door aankondiging in het gemeentelijk informatieblad of op de voor afkondigingen in de gemeente gebruikelijke wijze en digitaal door plaatsing op de gemeentelijke website openbaar gemaakt.

  • 2.

    De openbare kennisgeving vermeldt:

    • a.

      de datum, aanvangstijd en plaats, alsmede de voorlopige agenda van de vergadering;

    • b.

      de wijze waarop en de plaats waar een ieder de agenda en de daarbij behorende stukken kan inzien;

    • c.

      de mogelijkheid tot het uitoefenen van het spreekrecht als bedoeld in artikel 18 van dit reglement.

  • 3.

    Daarnaast worden de bij de voorlopige agenda behorende stukken op de website van de gemeente geplaatst.

Paragraaf 2 Orde der vergadering

Artikel 15 Presentielijst

Bij binnenkomst in de vergaderzaal tekent ieder lid van de raad een presentielijst. Aan het einde van elke vergadering wordt die lijst door de voorzitter en de raadsgriffier ter ondertekening vastgesteld.

Artikel 16 Zitplaatsen

  • 1.

    De voorzitter, de leden van de raad en de raadsgriffier hebben een vaste zitplaats, door de voorzitter na overleg met de fracties en de raadsgriffier bij aanvang van iedere nieuwe zittingsperiode van de raad aangewezen.

  • 2.

    Indien daartoe aanleiding bestaat, kan de voorzitter de indeling herzien na overleg met de fracties.

  • 3.

    De voorzitter draagt zorg voor een zitplaats voor de wethouders, gemeentesecretaris en overige personen, die voor de vergadering zijn uitgenodigd.

Artikel 17 Opening vergadering; quorum

  • 1.

    De voorzitter opent de vergadering op het vastgestelde uur, indien het daarvoor door de wet vereiste aantal leden van de raad blijkens de presentielijst aanwezig is.

  • 2.

    Wanneer een kwartier na het vastgestelde tijdstip niet het vereiste aantal leden aanwezig is, bepaalt de voorzitter, na voorlezing van de namen der afwezige leden, dag en uur van de volgende vergadering, met inachtneming van artikel 20 van de Gemeentewet.

Artikel 18 Spreekrecht burgers

  • 1.

    Na de opening van de vergadering kunnen ingezetenen of belanghebbenden het woord voeren over geagendeerde en niet geagendeerde onderwerpen.

  • 2.

    Het woord kan niet gevoerd worden:

    • i.

      over een besluit van het gemeentebestuur waartegen bezwaar of beroep op de rechter openstaat of heeft opengestaan;

    • ii.

      over benoemingen, keuzen, voordrachten of aanbevelingen van personen;

    • iii.

      indien een klacht ex artikel 9:1 van de Algemene wet bestuursrecht kan of kon worden ingediend;

    • iv.

      indien reeds over hetzelfde onderwerp het woord is gevoerd in de betreffende raadscommissie;

    • v.

      het voorgaande (sub iv) geldt niet indien er sprake is van nieuwe feiten. Of werkelijk sprake is van nieuwe feiten wordt besloten door de voorzitter van de raad of diens plaatsvervanger.

    • vi.

      Vervallen

  • 3.

    Degene, die van het spreekrecht gebruik wil maken, meldt dit tenminste vijf minuten voor de vergadering aan de griffier. Hij vermeldt daarbij zijn naam, adres, het telefoonnummer en het onderwerp waarover hij het woord wil voeren.

  • 4.

    De voorzitter geeft het woord op volgorde van aanmelding. De voorzitter kan van de volgorde afwijken, indien dit in belang is van de orde van de vergadering.

  • 5.

    Elke spreker krijgt maximaal vijf minuten het woord. De voorzitter kan in bijzondere gevallen afwijken van de maximale lengte van de spreektijd.

  • 6.

    De spreker voert het woord, nadat de voorzitter hem dit heeft verleend. De voorzitter kan de leden van de raad toestaan een korte verhelderende vraag te stellen. Er vindt geen discussie plaats tussen een inspreker en de leden van de raad. De voorzitter of een lid van de raad doet een voorstel voor de behandeling van de inbreng van de burger.

Artikel 19 Primus bij hoofdelijke stemming

Alvorens de aangekondigde onderwerpen aan de orde te stellen deelt de voorzitter mede bij welk aanwezig lid van de raad de hoofdelijke stemming zal beginnen. Daartoe wordt bij loting een volgnummer (stemcijfer) van de presentielijst aangewezen. Bij het daar genoemde lid begint de hoofdelijke stemming.

Artikel 20 Verslag en Besluitenlijst

  • 1.

    De vergadering wordt op een beeld- en/of geluidsdrager geregistreerd. Daarnaast wordt een besluitenlijst van de vergadering opgesteld. Beeld- en/of geluidsopname en de besluitenlijst zijn, behoudens het bepaalde in hoofdstuk 7 van dit reglement, openbaar. De beeld- en/of geluidsopname van openbare vergaderingen is via de gemeentelijke website te zien en/of beluisteren. De besluitenlijst wordt zo spoedig mogelijk na de vergadering openbaar gemaakt door plaatsing in het gemeentelijk informatieblad en door plaatsing op de gemeentelijke website.

  • 2.

    De beeld- en/of geluidsopname wordt gemaakt onder de verantwoordelijkheid van de raadsgriffier.

  • 3.

    Het opstellen van de besluitenlijst geschiedt onder de verantwoordelijkheid van de raadsgriffier.

  • 4.

    De besluitenlijst bevat in elk geval:

    • a.

      een vermelding van de raadsbesluiten, inclusief ingediende moties, amendementen, subamendementen, initiatiefvoorstellen, burgerinitiatieven en de naar de raadscommissie doorverwezen ingekomen stukken;

    • b.

      een overzicht van het verloop van elke stemming, met vermelding bij hoofdelijke stemming van de namen van de leden die voor of tegen stemden, onder aantekening van de namen van de leden die zich overeenkomstig de Gemeentewet van stemming hebben onthouden of zich bij het uitbrengen van hun stem hebben vergist;

    • c.

      bij het desbetreffende agendapunt een weergave van de stemverklaringen.

  • 5.

    De besluitenlijst wordt door de raadsgriffier – dan wel diens vervanger binnen de Raadsgriffie, ondertekend.

Artikel 21 Ingekomen stukken; mededelingen

  • 1.

    Bij de raad ingekomen stukken worden op een lijst geplaatst. De lijst wordt digitaal aan de leden van de raad ter beschikking gesteld.

  • 2.

    In de raadsvergadering vindt geen inhoudelijke discussie plaats over de ingekomen stukken, met uitzondering van schriftelijke vragen als bedoeld in artikel 41 van dit reglement.

  • 3.

    De lijst van ingekomen stukken bevat per ingekomen stuk een voorstel voor de wijze van afhandeling. Er wordt een indeling gemaakt naar de volgende categorieën:

    • a.

      voor kennisgeving aannemen;

    • b.

      beantwoording van schriftelijke vragen ex artikel 41 van dit reglement;

    • c.

      ter afdoening doorgeleiden naar het college;

    • d.

      ter afdoening doorgeleiden naar de raadsgriffier;

    • e.

      ter afdoening doorgeleiden naar de Commissie Bezwaarschriften/Gemeentelijke Ombudscommissie;

    • f.

      interpellatieverzoeken.

  • 4.

    De raad stelt op voorstel van de raadsgriffier de wijze van afdoening van de ingekomen stukken vast.

Artikel 22 Aantal spreektermijnen

  • 1.

    De beraadslaging over een onderwerp of voorstel geschiedt in ten hoogste twee termijnen, tenzij de raad anders beslist.

  • 2.

    Elke spreektermijn wordt door de voorzitter afgesloten.

  • 3.

    Een lid mag in een termijn niet meer dan één maal het woord voeren over hetzelfde onderwerp of voorstel.

  • 4.

    Het derde lid is niet van toepassing op:

    • a.

      de rapporteur van een raadscommissie;

    • b.

      het lid dat een (sub)amendement, een motie of een initiatiefvoorstel heeft ingediend, voor wat betreft dat amendement, die motie of dat voorstel.

  • 5.

    Bij de bepaling hoeveel malen een lid over hetzelfde onderwerp of voorstel het woord heeft gevoerd, wordt niet meegerekend het spreken over een voorstel van orde.

Artikel 23 Spreektijd

  • 1.

    De voorzitter kan op voorstel van de Agendacommissie een voorstel doen over de spreektijd van de leden en de overige aanwezigen.

  • 2.

    Een lid van de raad kan een voorstel doen over spreektijden.

Artikel 24 Handhaving orde; schorsing

  • 1.

    Een spreker mag in zijn eerste termijn niet worden gestoord, tenzij:

    • a.

      de spreker een portefeuillehouder betreft;

    • b.

      de voorzitter het nodig oordeelt hem aan het opvolgen van dit reglement te herinneren.

  • 2.

    Een spreker mag in zijn tweede termijn niet worden gestoord, tenzij:

    • a.

      de voorzitter het nodig oordeelt hem aan het opvolgen van dit reglement te herinneren;

    • b.

      een lid hem interrumpeert. De voorzitter kan bepalen dat de spreker zonder verdere interrupties zijn betoog zal afronden.

  • 3.

    Indien een spreker zich beledigende of onbetamelijke uitdrukkingen veroorlooft, afwijkt van het in behandeling zijnde onderwerp, een andere spreker herhaaldelijk interrumpeert, dan wel anderszins de orde verstoort, wordt hij door de voorzitter tot de orde geroepen. Indien de betreffende spreker, hieraan geen gevolg geeft, kan de voorzitter hem gedurende de vergadering waarin zulks plaats heeft over het aanhangige onderwerp het woord ontzeggen.

  • 4.

    De voorzitter kan ter handhaving van de orde de vergadering voor een door hem te bepalen tijd schorsen en - indien na de heropening de orde opnieuw wordt verstoord - de vergadering sluiten.

Artikel 25 Beraadslaging

  • 1.

    De raad kan op voorstel van de voorzitter of een lid van de raad beslissen over één of meer onderdelen van een onderwerp of voorstel afzonderlijk te beraadslagen.

  • 2.

    Op verzoek van een lid van de raad of op voorstel van de voorzitter kan de raad besluiten de beraadslaging voor een door hem te bepalen tijd te schorsen teneinde het college of de leden de gelegenheid te geven tot onderling nader beraad. De beraadslagingen worden hervat nadat de schorsingsperiode verstreken is.

Artikel 26 Deelname aan de beraadslaging door anderen

  • 1.

    De raad kan bepalen dat anderen dan de in de vergadering aanwezige leden van de raad, de wethouder, de gemeentesecretaris, de raadsgriffier en de voorzitter deelnemen aan de beraadslaging.

  • 2.

    Een beslissing daartoe wordt op voorstel van de voorzitter of één der leden van de raad genomen alvorens met de beraadslaging ten aanzien van het aan de orde zijnde agendapunt een aanvang wordt genomen.

Artikel 27 Stemverklaring

Na het sluiten van de beraadslaging en voordat de raad tot stemming overgaat, heeft ieder lid het recht zijn uit te brengen stem kort te motiveren.

Artikel 28 Beslissing

  • 1.

    Wanneer de voorzitter vaststelt dat een onderwerp of voorstel voldoende is toegelicht, sluit hij de beraadslaging, tenzij de raad anders beslist.

  • 2.

    Nadat de beraadslaging is gesloten, vindt na een stemming over eventuele amendementen, de stemming plaats over het voorstel, zoals het dan luidt, in zijn geheel tenzij geen stemming wordt gevraagd.

  • 3.

    Voordat de stemming over het voorstel in zijn geheel plaatsvindt, formuleert de voorzitter het voorstel over de te nemen eindbeslissing.

Paragraaf 3 Procedures bij stemmingen

Artikel 29 Algemene bepalingen over stemming

  • 1.

    De voorzitter vraagt, of stemming wordt verlangd. Indien stemming wordt verlangd, vindt deze plaats bij handopsteken, tenzij de voorzitter of een van de leden hoofdelijke stemming verlangt. Indien geen stemming wordt gevraagd en ook de voorzitter dit niet verlangt, stelt de voorzitter vast dat het voorstel is aangenomen.

  • 2.

    Indien door een of meer leden hoofdelijke stemming wordt gevraagd, doet de voorzitter daarvan mededeling.

  • 3.

    De raadsgriffier roept de leden van de raad bij naam op hun stem uit te brengen. De stemming begint bij het lid dat daarvoor overeenkomstig artikel 19 is aangewezen. Vervolgens geschiedt de oproeping naar volgorde van de presentielijst. De voorzitter houdt het aantal stemmen voor en tegen bij.

  • 4.

    Bij hoofdelijke stemming is ieder ter vergadering aanwezig lid dat zich niet op grond van artikel 28 Gemeentewet van deelneming aan de stemming moet onthouden verplicht zijn stem uit te brengen.

  • 5.

    De leden brengen hun stem uit door het woord ‘voor’ of ‘tegen’ uit te spreken, zonder enige toevoeging.

  • 6.

    Heeft een lid zich bij het uitbrengen van zijn stem vergist, dan kan hij deze vergissing nog herstellen voordat het volgende lid heeft gestemd. Bemerkt het lid zijn vergissing pas later, dan kan hij nadat de voorzitter de uitslag van de stemming bekend heeft gemaakt wel aantekening vragen dat hij zich heeft vergist; in de uitslag van de stemming brengt dit echter geen verandering.

  • 7.

    De voorzitter deelt de uitslag na afloop van de stemming mede, met vermelding van het aantal voor en tegen uitgebrachte stemmen. Hij doet daarbij tevens mededeling van het genomen besluit.

Artikel 30 Stemming over amendementen en moties

  • 1.

    Indien een amendement op een aanhangig voorstel is ingediend, wordt eerst over dat amendement gestemd.

  • 2.

    Indien op een amendement een subamendement is ingediend, wordt eerst over het subamendement gestemd en vervolgens over het amendement.

  • 3.

    Indien twee of meer amendementen of subamendementen op een aanhangig voorstel zijn ingediend, bepaalt de voorzitter de volgorde waarin hierover zal worden gestemd. Daarbij geldt de regel, dat het meest verstrekkende amendement of subamendement het eerst in stemming wordt gebracht.

  • 4.

    Indien in het kader van de bespreking van een voorstel een motie is ingediend, wordt als eerste over de motie gestemd en vervolgens over het voorstel.

  • 5.

    Indien in het kader van de bespreking van een aanhangig voorstel behalve één of meer amendementen één of meer moties zijn ingediend, wordt als eerste over de moties gestemd.

  • 6.

    De raad kan besluiten van deze volgorde af te wijken.

Artikel 31 Stemming over personen

  • 1.

    Wanneer een stemming over personen voor het doen van een voordracht of het opstellen van een voordracht of aanbeveling moet plaatshebben, benoemt de voorzitter drie leden tot stembureau.

  • 2.

    Ieder ter vergadering aanwezig lid dat zich niet op grond van de Gemeentewet van stemming moet onthouden is verplicht een stembriefje in te leveren. De stembriefjes dienen identiek te zijn.

  • 3.

    Er hebben zoveel stemmingen plaats als er personen zijn te benoemen, voor te dragen of aan te bevelen. De raad kan op voorstel van de voorzitter beslissen dat bepaalde stemmingen worden samengevat op één briefje.

  • 4.

    Het stembureau onderzoekt of het aantal ingeleverde stembriefjes gelijk is aan het aantal leden dat ingevolge het tweede lid verplicht is een stembriefje in te leveren. Wanneer de aantallen niet gelijk zijn worden de stembriefjes vernietigd zonder deze te openen en wordt een nieuwe stemming gehouden.

  • 5.

    Voor het bepalen van de volstrekte meerderheid als bedoeld in artikel 30 van de Gemeentewet worden geacht geen stem te hebben uitgebracht die leden die geen behoorlijk stembriefje hebben ingeleverd.

  • 6.

    In geval van twijfel over de inhoud van een stembriefje beslist de raad, op voorstel van de voorzitter.

  • 7.

    Onder de zorg van de raadsgriffier worden de stembriefjes onmiddellijk na vaststelling van de uitslag vernietigd.

Artikel 32 Herstemming over personen

  • 1.

    Wanneer bij de eerste stemming niemand de volstrekte meerderheid heeft verkregen, wordt tot een tweede stemming overgegaan.

  • 2.

    Wanneer ook bij deze tweede stemming door niemand de volstrekte meerderheid is verkregen, heeft een derde stemming plaats tussen twee personen, die bij de tweede stemming de meeste stemmen op zich hebben verenigd. Zijn bij de tweede stemming de meeste stemmen over meer dan twee personen verdeeld, dan wordt bij een tussenstemming uitgemaakt tussen welke twee personen de derde stemming zal plaatshebben.

  • 3.

    Indien bij tussenstemming of bij de derde stemming de stemmen staken, beslist terstond het lot.

Artikel 33 Beslissing door het lot

  • 1.

    Wanneer het lot moet beslissen, worden de namen van hen tussen wie de beslissing moet plaatshebben, door de voorzitter op afzonderlijke, geheel gelijke, briefjes geschreven.

  • 2.

    Deze briefjes worden, nadat zij door het stembureau zijn gecontroleerd, op gelijke wijze gevouwen, in een stembokaal gedeponeerd en omgeschud.

  • 3.

    Vervolgens neemt de voorzitter een van de briefjes uit de stembokaal. Degene wiens naam op dit briefje voorkomt, is gekozen.

Hoofdstuk 4 Rechten van leden

Artikel 34 Amendementen

  • 1.

    Ieder lid van de raad kan tot het sluiten van de beraadslagingen over voorstellen die ter bespreking zijn geagendeerd schriftelijk bij de voorzitter amendementen indienen. Een amendement kan het voorstel inhouden om een geagendeerd voorstel in één of meer onderdelen te splitsen, waarover afzonderlijke besluitvorming zal plaatsvinden. Alleen beraadslaagd kan worden over amendementen die ingediend zijn door leden van de raad, die de presentielijst getekend hebben en in de vergadering aanwezig zijn.

  • 2.

    Ieder lid dat in de vergadering aanwezig is, is bevoegd op het amendement dat door een lid is ingediend, een wijziging voor te stellen (subamendement).

  • 3.

    Elk (sub)amendement en elk voorstel moet om in behandeling genomen te kunnen worden schriftelijk bij de voorzitter worden ingediend, tenzij de voorzitter - met het oog op het eenvoudige karakter van het voorgestelde - oordeelt, dat met een mondelinge indiening kan worden volstaan.

  • 4.

    Intrekking, door de indiener(s), van het (sub)amendement is mogelijk, totdat de besluitvorming door de raad heeft plaatsgevonden.

Artikel 35 Moties

  • 1.

    Ieder lid van de raad kan ter vergadering een motie indienen.

  • 2.

    Een motie moet om in behandeling genomen te kunnen worden schriftelijk bij de voorzitter worden ingediend.

  • 3.

    De behandeling van een motie over een aanhangig onderwerp of voorstel vindt tegelijk met de beraadslaging over dat onderwerp of voorstel plaats.

  • 4.

    De behandeling van een motie over een niet op de agenda opgenomen onderwerp vindt plaats nadat alle op de agenda voorkomende onderwerpen zijn behandeld.

  • 5.

    Intrekking, door de indiener(s), van de motie is mogelijk, totdat de besluitvorming door de raad heeft plaatsgevonden.

Artikel 36 Voorstellen van de orde

  • 1.

    De voorzitter en ieder lid van de raad kunnen tijdens de vergadering mondeling een voorstel van orde doen, dat kort kan worden toegelicht.

  • 2.

    Een voorstel van orde kan uitsluitend de orde van de vergadering betreffen.

  • 3.

    Over een voorstel van orde beslist de raad terstond.

Artikel 37 Initiatiefvoorstel

  • 1.

    Een initiatiefvoorstel moet om in behandeling genomen te kunnen worden schriftelijk bij de voorzitter worden ingediend. Deze brengt een ingediend voorstel zo spoedig mogelijk ter kennis van het college.

  • 2.

    Het college kan binnen 2 weken nadat het ter kennis is gesteld van een voorstel schriftelijk wensen en bedenkingen met betrekking tot het voorstel ter kennis van de raad brengen.

  • 3.

    Een voorstel wordt nadat het college schriftelijk wensen of bedenkingen ter kennis van de raad heeft gebracht of kenbaar heeft gemaakt hiertoe niet te zullen overgaan, dan wel de in het tweede lid genoemde termijn is verlopen op de agenda van de eerstvolgende vergadering geplaatst, tenzij de oproep hiervoor reeds verzonden is. In dit laatste geval wordt het voorstel op de agenda van de daaropvolgende raadsvergadering geplaatst.

  • 4.

    De behandeling van het initiatiefvoorstel vindt plaats in twee termijnen, nadat alle op de agenda voorkomende voorstellen en onderwerpen zijn behandeld, tenzij de raad oordeelt dat het voorstel met het oog op de orde van de vergadering tezamen met een ander geagendeerd voorstel of onderwerp dient te worden behandeld, het initiatiefvoorstel eerst dient te worden behandeld in een raadscommissie of voor advies naar het college dient te worden gezonden. In het laatste geval bepaalt de raad in welke vergadering het voorstel opnieuw geagendeerd wordt.

  • 5.

    De raad kan voorwaarden stellen aan de indiening en behandeling van een initiatiefvoorstel, niet zijnde een voorstel voor een verordening.

  • 6.

    Intrekking door de indiener(s) van het initiatiefvoorstel is mogelijk totdat de besluitvorming door de raad heeft plaatsgevonden.

  • 7.

    Op een spoedeisend initiatiefvoorstel inhoudende het ontslag van een wethouder, zijn de bepalingen in dit artikel niet van toepassing. Een dergelijk voorstel kan na instemming van de raad terstond aan de agenda toegevoegd worden.

Artikel 38 Collegevoorstel

  • 1.

    Een voorstel van het college aan de raad, dat vermeld staat op de agenda van de raadsvergadering, kan niet worden ingetrokken zonder toestemming van de raad.

  • 2.

    Indien de raad van oordeel is dat een voorstel als bedoeld in het eerste lid voor nader advies aan het college moet worden teruggezonden, bepaalt de raad in welke vergadering het voorstel opnieuw geagendeerd wordt.

Artikel 39 Interpellatie

  • 1.

    Het verzoek tot het houden van een interpellatie wordt, behoudens in naar het oordeel van de voorzitter spoedeisende gevallen, ten minste 48 uur voor de aanvang van de

  • vergadering schriftelijk bij de voorzitter ingediend. Het verzoek bevat een duidelijke omschrijving van het onderwerp waarover inlichtingen worden verlangd alsmede de te stellen vragen.

  • 2.

    De voorzitter brengt de inhoud van het verzoek zo spoedig mogelijk ter kennis van de overige leden van de raad en de wethouders. Bij de behandeling van de ingekomen stukken van de eerstvolgende vergadering na indiening van het verzoek wordt het verzoek in stemming gebracht. Indien het verzoek is gehonoreerd, bepaalt de raad op welk tijdstip tijdens de vergadering de interpellatie zal worden gehouden.

  • 3.

    De interpellant voert niet meer dan tweemaal het woord. De overige leden van de raad, de burgemeester en de wethouders niet meer dan eenmaal, tenzij de raad hen hiertoe verlof geeft.

Artikel 40 Vragenhalfuur

  • 1.

    Tijdens de raadsvergadering is er een openbaar vragenhalfuur. De voorzitter bepaalt op welk tijdstip het vragenhalfuur eindigt.

  • 2.

    Het lid van de raad dat tijdens het vragenhalfuur vragen aan college of burgemeester wil stellen, meldt dit onder aanduiding van het onderwerp en de vragen op zijn laatst om 12:00 uur op de dag van de vergadering aan de voorzitter. De voorzitter kan voorstellen een onderwerp tijdens het vragenhalfuur niet aan de orde te stellen indien hij het onderwerp niet voldoende nauwkeurig acht aangegeven of indien het onderwerp in de raadsvergadering diezelfde dag aan de orde komt.

  • 3.

    De voorzitter bepaalt de volgorde, waarin de aangemelde onderwerpen tijdens het vragenhalfuur aan de orde worden gesteld.

  • 4.

    De voorzitter bepaalt per onderwerp de spreektijd voor de vragensteller, voor het college, voor de burgemeester en voor de overige leden van de raad.

  • 5.

    Per onderwerp wordt aan de vragensteller het woord verleend om één of meer vragen aan het college of de burgemeester te stellen en een toelichting daarop te geven.

  • 6.

    Na de beantwoording door het college of de burgemeester krijgt de vragensteller desgewenst het woord om aanvullende vragen te stellen.

  • 7.

    Vervolgens kan de voorzitter aan andere leden van de raad het woord verlenen om hetzij aan de vragensteller, hetzij aan het college of de burgemeester vragen te stellen over hetzelfde onderwerp.

  • 8.

    Tijdens het vragenhalfuur kunnen geen moties worden ingediend en worden geen interrupties toegelaten.

Artikel 41 Schriftelijke vragen

  • 1.

    Schriftelijke vragen worden kort en duidelijk geformuleerd. De vragen kunnen van een toelichting worden voorzien. De vragen worden in principe schriftelijk beantwoord tenzij aan wordt gegeven dat mondelinge beantwoording wordt verlangd.

  • 2.

    De vragen worden bij de raadsgriffier ingediend. Deze draagt er zorg voor dat de vragen zo spoedig mogelijk ter kennis van de overige leden van de raad en het college of de burgemeester worden gebracht.

  • 3.

    Schriftelijke beantwoording vindt zo spoedig mogelijk plaats, in ieder geval binnen dertig dagen, nadat de vragen zijn binnengekomen. Mondelinge beantwoording vindt plaats in de eerstvolgende raadsvergadering. Indien beantwoording niet binnen deze termijnen kan plaatsvinden, stelt het verantwoordelijk lid van het college of de burgemeester de vragensteller hiervan gemotiveerd in kennis, waarbij de termijn aangegeven wordt, waarbinnen beantwoording zal plaatsvinden. Dit bericht wordt behandeld als een antwoord.

  • 4.

    De antwoorden worden door het verantwoordelijk lid van het college of de burgemeester aan de vragensteller en de raadsgriffier medegedeeld.

  • 5.

    De vragen en antwoorden worden gelijktijdig met de stukken als bedoeld in artikel 21 aan de leden van de raad toegezonden.

  • 6.

    De vragensteller kan, bij schriftelijke beantwoording in de eerstvolgende raadsvergadering en bij mondelinge beantwoording in dezelfde raadsvergadering nadere inlichtingen vragen omtrent het door de burgemeester of door het college gegeven antwoord, tenzij de raad anders beslist.

Artikel 42 Inlichtingen

  • 1.

    Indien een lid van de raad over een onderwerp inlichtingen als bedoeld in de artikelen 169, derde lid, en 180, derde lid, van de Gemeentewet verlangt, wordt een verzoek daartoe door tussenkomst van de raadsgriffier schriftelijk ingediend bij het college of de burgemeester.

  • 2.

    De raadsgriffier draagt er zorg voor dat de overige leden van de raad een afschrift van dit verzoek krijgen.

  • 3.

    De verlangde inlichtingen worden mondeling of schriftelijk in de eerstvolgende of in de daarop volgende vergadering gegeven.

  • 4.

    De gestelde vragen en het antwoord vormen een agendapunt voor de vergadering, waarin de antwoorden zullen worden gegeven.

 

Hoofdstuk 5 Begroting en rekening

Artikel 43 Procedure begroting

Onverminderd het bepaalde in de Gemeentewet geschiedt de voorbereiding, het onderzoek, de behandeling en de vaststelling van de begroting volgens een procedure die de raad, op voorstel van de Agendacommissie, vaststelt.

Artikel 44 Procedure jaarrekening

Onverminderd het bepaalde in de Gemeentewet geschiedt de voorbereiding en het onderzoek van de jaarrekening en het jaarverslag, alsmede de vaststelling van de jaarrekening en van een eventueel indemniteitsbesluit volgens een procedure die de raad, op voorstel van de Agendacommissie, vaststelt.

Hoofdstuk 6 Lidmaatschap van andere organisaties

Artikel 45 Verslag; verantwoording

  • 1.

    Een lid van de raad, een wethouder, de burgemeester of de gemeentesecretaris, die door de gemeenteraad is aangewezen tot lid van het algemeen bestuur van een openbaar lichaam

  • of van een ander gemeenschappelijk orgaan, ingesteld op grond van de Wet gemeenschappelijke regelingen, heeft het recht verslag te doen over zaken die in het algemeen bestuur als bedoeld aan de orde zijn. Door de raad gewenste bespreking van dit verslag kan de voorzitter verwijzen naar de desbetreffende raadscommissie.

  • 2.

    Ieder lid van de raad kan aan een persoon als bedoeld in het eerste lid, schriftelijke vragen stellen. De regels voor het stellen van schriftelijke vragen, vastgesteld in artikel 41, zijn van

  • overeenkomstige toepassing.

  • 3.

    Wanneer een lid van de raad een persoon als bedoeld in het eerste lid ter verantwoording wenst te roepen over zijn wijze van functioneren als zodanig, besluit de raad over het

  • toestaan daarvan. De regels voor het vragen van inlichtingen, vastgesteld in artikel 42, zijn van overeenkomstige toepassing.

  • 4.

    Dit artikel is van overeenkomstige toepassing op andere organisaties of instituties, waarin de raad één van zijn leden heeft benoemd.

Hoofdstuk 7 Besloten vergadering

Artikel 46 Algemeen

Op een besloten vergadering zijn de bepalingen van dit reglement van overeenkomstige toepassing voor zover deze bepalingen niet strijdig zijn met het besloten karakter van de vergadering.

Artikel 47 Verslag

  • 1.

    De beeld- en/of geluidsopname van een besloten vergadering is uitsluitend voor de leden bij de raadsgriffier terug te luisteren. De besluitenlijst ligt uitsluitend voor de leden bij de raadsgriffier ter inzage.

  • 2.

    In de eerstvolgende besloten vergadering van de raad neemt de raad een beslissing over het al dan niet openbaar maken van deze beeld- en/of geluidsopname en van de besluitenlijst.

Artikel 48 Geheimhouding

  • 1.

    Voor de afloop van de besloten vergadering beslist de raad overeenkomstig artikel 25, eerste lid, van de Gemeentewet of omtrent de inhoud van de stukken en het verhandelde geheimhouding zal gelden.

  • 2.

    De geheimhouding dient in acht te worden genomen door een ieder die bij de vergadering aanwezig is en door een ieder die op andere wijze kennis heeft van de stukken.

  • 3.

    De raad kan besluiten de geheimhouding op te heffen.

Artikel 49 Opheffing geheimhouding

Indien de raad op grond van artikel 25, derde en vierde lid, artikel 55, tweede en derde lid, of artikel 86, tweede en derde lid, van de Gemeentewet voornemens is de geheimhouding op te heffen wordt, indien daarom wordt verzocht door het orgaan dat geheimhouding heeft opgelegd, in een besloten vergadering met het desbetreffende orgaan overleg gevoerd.

Hoofdstuk 8 Toehoorders en pers

Artikel 50 Toehoorders en pers

  • 1.

    De toehoorders en vertegenwoordigers van de pers kunnen uitsluitend op de voor hen bestemde plaatsen openbare vergaderingen bijwonen.

  • 2.

    Het geven van tekenen van goed- of afkeuring of het op andere wijze verstoren van de orde is verboden.

Artikel 51 Geluid- en beeldregistraties

Degenen die in de vergaderzaal tijdens de raadsvergadering geluid- dan wel beeldregistraties willen maken gedragen zich naar de aanwijzingen van de voorzitter of van de raadsgriffier. Deze aanwijzingen kunnen niet zover gaan dat zij de vrijheid van pers aantasten.

Artikel 52 Verbod gebruik mobiele apparatuur

In de vergaderzaal, met inbegrip van de publieke tribune, kan de voorzitter tijdens de vergadering het gebruik, alsmede het stand-by houden van mobiele telefoons of andere communicatiemiddelen verbieden indien die apparatuur inbreuk maakt op de orde van de vergadering.

Hoofdstuk 9 Slotbepalingen

Artikel 53 Uitleg reglement

In de gevallen waarin dit reglement niet voorziet of bij twijfel omtrent de toepassing van het reglement, beslist de raad op voorstel van de voorzitter.

Artikel 54 Citeertitel

Dit reglement wordt aangehaald als “Reglement van orde voor de raad van de gemeente Oss 2019”.

Artikel 55 Inwerkingtreding

  • 1.

    Het Reglement van orde voor de raad van de gemeente Oss 2014, vastgesteld bij raadsbesluit van 10-07-2014, wordt ingetrokken.

  • 2.

    Dit Reglement treedt in werking op de dag na publicatie.

 

Aldus besloten in de openbare raadsvergadering van 23 mei 2019

De griffier,

drs. P.H.A. van den Akker

Toelichting

Toelichting op het modelreglement van orde voor de vergaderingen en andere werkzaamheden van de VNG en de uitwerking voor de gemeenteraad van Oss.

Algemene toelichting het reglement van orde voor de raad van de gemeente Oss in overeenstemming gebracht met de gewijzigde gemeentewet van 1 februari 2016 en de nieuwe afspraken over de werkwijze in Oss.

Artikelsgewijze toelichting

 

Hoofdstuk 1 Algemene bepalingen

 

Artikel 1 Begripsomschrijvingen

Onder 'aanhangig' in sub b. en c. wordt verstaan aan de orde/in behandeling zijnde. De omschrijving van de termen initiatiefvoorstel en amendement luiden hetzelfde als in de artikelen 147a en 147b van de Gemeentewet. De Podiumbijeenkomst is gedefinieerd. De Podiumbijeenkomst is de eerste fase in het besluitvormingstraject in de vergaderstructuur van de raad.

 

Artikel 2 De voorzitter

De burgemeester is voorzitter van de raad. Artikel 125, derde lid, van de Grondwet en artikel 9 van de Gemeentewet schrijven dit dwingend voor. In artikel 77, eerste lid, van de Gemeentewet is bepaald dat het langstzittende raadslid het raadsvoorzitterschap waarneemt bij verhindering of ontstentenis van de burgemeester. Als twee raadsleden even lang zitting hebben, is de oudste in jaren degene die het raadsvoorzitterschap waarneemt. Daarnaast heeft de raad altijd de mogelijkheid zelf te kiezen voor een andere waarnemer. De burgemeester heeft het recht op grond van artikel 21 van de Gemeentewet in de vergadering aan de beraadslaging deel te nemen. Als voorzitter zorgt hij onder andere voor de handhaving van de orde in de vergadering.

 

Artikel 3 De raadsgriffier

De raad is verplicht een griffier te benoemen (artikel 100 van de Gemeentewet). De raadsgriffier is in eerste instantie verantwoordelijk voor de bijstand aan de raad. Hij is in principe in elke vergadering van de raad aanwezig. De Gemeentewet eist dat de raad de vervanging van de griffier regelt (artikel 107d, eerste lid). In het tweede lid is daarover een bepaling opgenomen. In verband met artikel 22 van de Gemeentewet (verschoningsrecht) is in het derde lid een bepaling opgenomen met betrekking tot het deelnemen van de griffier aan de beraadslaging. Rechtspositionele bepalingen omtrent de beëdiging, woonplaats etc. zijn niet in dit reglement opgenomen, aangezien dat beter geregeld kan worden in de ambtsinstructie voor de raadsgriffier, die de raad vaststelt. In de instructie voor de griffier zijn de taken van de raadsgriffier uitgewerkt. De werkgeverscommissie dient te bestaan uit raadsleden. Dat kan niet het fractievoorzittersoverleg zijn. Daar heeft de voorzitter van de raad namelijk ook zitting in.

 

Artikel 4 De gemeentesecretaris

De gemeentesecretaris houdt zich voornamelijk bezig met de ondersteuning van het college en het leiden van de ambtelijke organisatie. In het kader van die twee taken kan het tevens wenselijk zijn dat de gemeentesecretaris deelneemt aan de beraadslagingen van de raad. De gemeentesecretaris wordt echter benoemd en ontslagen door het college. Dit houdt in dat de raad de gemeentesecretaris niet kan dwingen om in de raad aanwezig te zijn. De raad zal het college moeten verzoeken of het college de gemeentesecretaris opdraagt in de vergadering aanwezig te zijn om aan de beraadslagingen deel te nemen. Op deze wijze kan de raad onder meer een beroep doen op kennis en informatie, die de gemeentesecretaris bezit of kan de gemeentesecretaris bijvoorbeeld deelnemen aan een discussie over het functioneren van de ambtelijke organisatie.

 

Artikel 5 Fractievoorzittersoverleg

Oss kent geen presidium, maar een fractievoorzittersoverleg. Het fractievoorzittersoverleg bestaat uit de voorzitter van de raad, fractievoorzitters en de raadsgriffier. Vervanging van voorzitter en raadsgriffier geschiedt door plaatsvervangend voorzitter, respectievelijk (plaatsvervangend) raadsgriffier. Vervanging van een fractievoorzitter geschiedt door een raadslid dan wel burgerlid van zijn fractie.

De vergaderfrequentie is circa 4 keer per jaar of zoveel vaker of zoveel minder als nodig is. Het overleg is niet openbaar.

De belangrijkste taken zijn:

– Bespreken van huishoudelijke/procedurele zaken van de raad die geen openbare behandeling behoeven.

– Kunnen kennisnemen en bespreken van het werkplan raadsgriffie, jaarverslag raadsgriffie e.d.

– Evalueren van raads- en raadscommissievergaderingen.

– Maken van werkafspraken (verlenen van opdrachten, stellen van prioriteiten, verlenen van mandaten e.d.) tussen raad en raadsgriffier.

– Maken van werkafspraken (verlenen van mandaten) tussen raad en raadscommissie.

– Maken van werkafspraken tussen raad en voorzitter van de raad.

– Maken van werkafspraken tussen raad en college.

– Op verzoek van de raadsgriffier voorstellen vanuit de raadsgriffie bespreken alvorens deze naar de raadscommissie Sociaal Bestuurlijk worden verzonden om bij de vertegenwoordigers vanuit de raad eerst te kunnen peilen welke mening zij op hoofdlijnen over die voorstellen hebben.

– Op verzoek van college (leden) geïnformeerd worden over zaken die vooralsnog vertrouwelijk zijn.

Het fractievoorzittersoverleg dient volgens de VNG voor wat betreft inhoudelijke aspecten een ondergeschikte rol aan de raad. Er dient geen nieuw bestuursorgaan binnen de raad te worden gecreëerd. Dat zou niet stroken met de Grondwet.

 

Artikel 6 De Agen dacommissie

De Agendacommissie vervult een procedurele rol bij de voorbereiding van de raads-, raadscommissievergaderingen en Podiumbijeenkomsten. Het instellen van een Agendacommissie is overigens niet verplicht, maar verdient wel aanbeveling, aangezien zij een waardevolle bijdrage kan leveren aan de dualisering van verhoudingen tussen raad en college.

De Agendacommissie bestaat uit de voorzitter van de raad, alle voorzitters van de raadscommissies aangevuld met afgevaardigden, zijnde raadsleden, van de fracties die dan nog niet vertegenwoordigd zijn. De leden van de Agendacommissie kunnen zich bij afwezigheid laten vervangen door een raadslid of burgerlid van hun fractie. Elke fractie heeft één stem in de vergadering van de Agendacommissie. De vergaderingen zijn openbaar. De raadsgriffier is bij elke vergadering van de Agendacommissie aanwezig hetgeen efficiënt en effectief werkt mede vanwege diens procedurele en faciliterende verantwoordelijkheid. De aanwezigheid van derden, zoals portefeuillehouders, de gemeentesecretaris, raads- en/of burgerleden of raadsgriffiemedewerkers kan gewenst zijn.

De Agendacommissie is belast met de volgende taken:

– vaststellen van de vergaderfrequentie van de raad, de raadscommissies en de Podiumbijeenkomsten;

– vaststellen van de planning van raads-, raadscommissievergaderingen en Podiumbijeenkomsten;

– vaststellen van de wijze van agendering van vergaderstukken als A-stuk of B-stuk, Zie voor verdere uitleg over A- en B-stukken het Reglement van orde voor de raadscommissies;

– voorstellen doen met betrekking tot toepassing van spreektijden;

– voorlopige vaststelling van de raadsagenda en de, raadscommissieagenda;

– bepalen van de inhoud van de Podiumbijeenkomsten;

– uitnodigen van één of meer derden om in de raadsvergadering aanwezig te zijn en aan de beraadslaging deel te nemen;

– toetsing van de raadsrijpheid van voorstellen aan de hand van de volgende punten:

· Het advies is duidelijk, kernachtig en puntsgewijs vermeld;

· De aanleiding voor dit advies is helder;

· Het beoogde effect is concreet verwoord;

· Argumenten zijn duidelijk weergegeven;

· Kanttekeningen bij het advies zijn duidelijk weergegeven;

· Er is stil gestaan bij de volgende randvoorwaarden: Financiën, Communicatie, Uitvoering en Overleg;

· Achtergrondinformatie is in de bijlage(n) te raadplegen.

 

Hoofdstuk 2 Toelating van nieuwe leden; benoeming wethouders; fracties

 

Artikel 7 Onderzoek geloofsbrieven; beëdiging

Met de geloofsbrief geeft de voorzitter van het centraal stembureau aan de benoemde kennis van zijn benoeming (artikel V1 Kieswet). Voor dit benoemingsbesluit is bij ministeriële regeling een model vastgesteld. De benoemde geeft schriftelijk aan of hij de benoeming aanneemt (artikel V2 Kieswet). Tegelijk met de mededeling dat hij zijn benoeming aanneemt worden aan de raad stukken overlegd waaruit blijkt dat de benoemde voldoet aan de eisen om als lid van de raad toegelaten te worden. Dit omvat de volgende stukken: een ondertekende verklaring met de openbare betrekkingen die hij bekleedt, een opgave van nevenfuncties, een uittrekstel uit de GBA met zijn woonplaats, geboorteplaats en -datum, en (indien niet-Nederlander) stukken waaruit blijkt dat hij voldoet aan de vereisten van artikel 10, lid 2 Gemeentewet (artikel V3 Kieswet). Het verslag van onderzoek van de geloofsbrieven moet in een openbare vergadering worden gedaan. Bij het onderzoek zal ook de gedragscode (artikel 15, derde lid Gemeentewet) betrokken worden. In deze code zijn onder meer bepalingen opgenomen over al dan niet toegestane nevenfuncties en belangenverstrengeling. De commissie welke de geloofsbrieven onderzoekt brengt verslag uit. Dit kan zowel mondeling als schriftelijk. De formulering van het eerste lid benadrukt dat de raad en niet de voorzitter een commissie instelt, die het zogenaamde geloofsbrievenonderzoek verricht nadat de voorzitter van het centraal stembureau nieuwe leden heeft benoemd. Het onderzoek van het proces verbaal (onderzoek naar het verloop van de verkiezing of de vaststelling van de uitslag) gebeurt in de laatste samenkomst van de raad in oude samenstelling na de verkiezingen.

Het onderzoek van de geloofsbrief strekt zich niet uit tot de geldigheid van de kandidatenlijsten en van de lijstverbindingen. Ingevolge artikel V4 van de Kieswet beslist de raad over de toelating van zijn leden. Daarbij is er een verschil in de procedure bij de samenstelling van een nieuwe raad of bij de vervulling van een tussentijdse vacature. Na een raadsverkiezing kunnen de raadsleden op de eerste vergadering van de raad in nieuwe samenstelling de eed of verklaring en belofte afleggen. De voorzitter zal hen hiervoor oproepen. Bij tussentijdse vacaturevervulling kan de eed of verklaring en belofte aansluitend aan de beslissing van de raad over de toelating van het betrokken raadslid plaatsvinden. De tekst van de eed of verklaring en belofte die een raadslid bij

het aanvaarden van het raadslidmaatschap moet afleggen, is in artikel 14 van de Gemeentewet vastgelegd. De mogelijkheid van beroep bij de Raad van State tegen de beslissing tot toelating als lid van de raad is vervallen door inwerkingtreding van de Wet dualisering gemeentebestuur in 2002. Het zesde lid geeft invulling aan een leemte in de Gemeentewet. Uit de Kieswet vloeit het onderzoek geloofsbrieven van raadsleden voort. Aangezien de wethouder geen gekozen volksvertegenwoordiger is, is hierover niets in de Kieswet geregeld. De Gemeentewet geeft wel aan welke formele eisen gesteld worden aan een wethouder maar niet op welk moment deze getoetst worden. De formele eisen voor het wethouderschap zijn grotendeels vergelijkbaar met de vereisten voor het raadlidmaatschap (Gemeentewet artikel 36a, 36b, 41b en 41c). Het ligt voor de hand om voor het benoemen van wethouders ook een commissie voor het onderzoek naar de geloofsbrieven in te stellen. Vandaar dat er een zesde lid aan dit artikel is toegevoegd. Dit artikel is ook van toepassing als er geen wethouder van buiten maar uit de raad wordt benoemd, de incompatibiliteiten en nevenfuncties dienen immers opnieuw beoordeeld te worden. Een raadslid dat benoemd wordt tot wethouder mag raadslid blijven totdat de geloofsbrieven van zijn opvolger zijn goedgekeurd (artikel 36b, lid 2 Gemeentewet). In het geval de coalitie in de raad een meerderheid heeft van één stem kan het verstandig zijn eerst als raadslid ontslag te nemen en een nieuw raadslid te benoemen. De beoogde wethouder mag meestemmen over zijn eigen benoeming. Het vooraf ontslag nemen als raadslid is wel een risico. Het kan immers gebeuren dat deze persoon of niet tot wethouder wordt benoemd of dat de geloofsbrieven niet worden goedgekeurd.

 

Artikel 8 Raadsfracties

In een aantal gevallen blijkt behoefte te bestaan aan een regeling van wat onder een raadsfractie moet worden verstaan. De Kieswet en de Gemeentewet kennen een dergelijk begrip niet maar de Gemeentewet gaat onder andere in artikel 33, tweede lid (recht op fractie-ondersteuning), wel uit van het bestaan van in de raad vertegenwoordigde groeperingen. In veel gemeenten bestaan regelingen ten aanzien van vergoedingen aan fracties, faciliteiten voor fracties, fractie-assistentie, etc. In deze nadere regelingen kan worden aangesloten bij het in dit reglement opgenomen fractiebegrip. Bij de aanvang van de eerste zitting van de nieuwe raad na de verkiezingen, worden de leden die op dezelfde lijst hebben gestaan, als één fractie beschouwd. De fractie gebruikt in de vergadering van de raad de aanduiding die zij boven de kandidatenlijst heeft staan. Op deze wijze is de relatie tussen de fractie in de raad en de fractie op de kandidatenlijst voor de burger duidelijk. Het kan echter voorkomen dat een fractie geen aanduiding boven de kandidatenlijst heeft staan. In een dergelijk geval deelt de fractie in de eerste vergadering de aanduiding mee. In de loop van een zittingsperiode kan het voorkomen dat leden de raad verlaten. Het beëindigen van de zitting in de raad kan verschillende oorzaken hebben. Raadsleden kunnen ongeneeslijk ziek zijn, een conflict met hun fractie hebben, te weinig tijd hebben voor het raadswerk en zo zijn er nog vele redenen denkbaar. In een dergelijk geval vindt er een verandering in de samenstelling van de fractie plaats. Als dit het geval is, deelt de fractie dit aan de voorzitter mede. Het is ook mogelijk dat een raadslid zijn lidmaatschap niet opzegt maar uit een fractie stapt. Hij kan als zelfstandige fractie verdergaan of zich aansluiten bij een bestaande fractie. Uitgangspunt van ons kiesstelsel is dat volksvertegenwoordigers op persoonlijke titel worden verkozen (een kandidaat wordt door de voorzitter van het stembureau benoemd). De Kieswet gaat niet uit van politieke partijen, een zetel 'hoort' dan ook niet bij een partij maar is verbonden aan de volksvertegenwoordiger die daardoor ook de mogelijkheid heeft om tussentijds van fractie te veranderen of zelfstandig verder te gaan. Ook kan een fractie besluiten om haar naam te veranderen. Dit staat de fractie vrij om te doen. Op grond van deze bepalingen heeft de raad geen zeggenschap over wijzigingen in de samenstelling, fusies en splitsingen van fracties en de naamvoering. De raad kan hier dus geen besluit over nemen. Een mededeling aan de voorzitter van de raad is voldoende. De raad is gehouden met ingang van de eerstvolgende vergadering nadat hiervan mededeling is gedaan rekening te houden met de nieuwe situatie. Gevolg van een fractieafsplitsing en het ontstaan van een nieuwe fractie is ook dat de fractievoorzitter van de nieuwe fractie lid wordt van het fractievoorzittersoverleg en recht heeft op fractieondersteuning en dergelijke.

 

Hoofdstuk 3 Vergaderingen

 

Paragraaf 1 Tijdstip van vergaderen; voorbereidingen

 

Artikel 9 Vergaderfrequentie

Ingevolge artikel 17 van de Gemeentewet vergadert de raad zo vaak hij daartoe heeft besloten en voorts indien de burgemeester het nodig oordeelt of indien ten minste een vijfde van het aantal leden van de raad schriftelijk met opgave van redenen daarom vraagt. Het tweede lid brengt tot uitdrukking dat de voorzitter in het bepalen van een andere dag en ander aanvangsuur zoveel mogelijk overleg pleegt met de Agendacommissie. Op deze wijze houdt de Agendacommissie ook bij vergaderingen, die niet op het gebruikelijke tijdstip plaatsvinden, invloed op de datum, het tijdstip en de plaats van de vergadering. Het wijzigen van het aanvangsuur is van gemeenschappelijk belang, omdat het merendeel van de raadsleden het raadslidmaatschap combineert met een andere (on)betaalde functie. Indien nodig kan binnen 6 werkdagen een vervolgvergadering worden gepland. Op een vervolgvergadering zijn niet alle artikelen van toepassing.

 

Artikel 10 Oproep

In artikel 19, eerste lid van de Gemeentewet is bepaald dat de burgemeester de leden van de raad schriftelijk uitnodigt voor de vergadering. Uiteraard is het mogelijk, indien de raad dit wenst, dat de oproep en stukken niet per post maar per e-mail worden verzonden. In Oss is dit inmiddels gebruik. Vandaar dat het artikel spreekt over een elektronische oproep. Het eerste lid bepaalt dat de voorzitter tenminste tien dagen vóór een vergadering de leden een elektronische oproep stuurt, waarin de vergadering wordt aangekondigd. De oproep vermeldt de dag, tijdstip en plaats van de vergadering. Het tweede lid stelt verplicht dat de voorlopige agenda en de daarbij behorende stukken, met uitzondering van de in artikel 25, eerste en tweede lid, van de Gemeentewet bedoelde stukken, tegelijkertijd met de oproep beschikbaar worden gesteld. De in artikel 25, eerste en tweede lid, bedoelde stukken zijn stukken ten aanzien waarvan geheimhouding is opgelegd. Hier wordt melding van gemaakt op de stukken.

 

Artikel 11 Agenda

Op basis van de behandeling in de raadscommissies wordt bepaald hoe de agenda eruit komt te zien. Het versturen van de agenda en stukken is geregeld in artikel 11. Dit is echter een voorlopige agenda. In de dagelijkse praktijk van de gemeente zal het niet altijd mogelijk zijn om een week voor de vergadering een agenda op te stellen, die ook zicht heeft op de 'waan' van de dag. In een dergelijke situatie kan de Agendacommissie na het verzenden van de elektronische oproep zo nodig een aanvullende agenda opstellen. Het gaat dan om nieuw te bespreken onderwerpen. De voorzitter stuurt deze agenda en de daarbij behorende stukken rond. Dit kan echter niet tot op het laatste moment, maar tot uiterlijk twee dagen voor de aanvang van de vergadering. Het tweede lid heeft tot doel om de raadsleden een actievere rol te geven in de opstelling van de raadsagenda. Zij kunnen echter ook bij aanvang van de raadsvergadering een voorstel doen om onderwerpen aan de agenda toe te voegen of van de agenda af te voeren. Daarmee kan het individuele raadslid in ieder geval op twee momenten invloed uitoefenen op de vaststelling van de agenda. De raad moet echter in meerderheid akkoord zijn om het onderwerp te behandelen of niet te behandelen. Het advies van de Adviescommissie kan luiden: ter bespreking, niet ter bespreking of niet behandelen in de raad. Ter bespreking plaatsen op de agenda kan in twee gevallen:

1. als een fractie aankondigt een motie of amendement te gaan indienen;

2. als door een bijzondere situatie nadere discussie wordt verlangd c.q. nodig is.

Voor het advies ‘niet behandelen in de raad’ is unanimiteit van de aanwezige fracties in de Adviescommissie vereist. De voorlopige agenda van de raad wordt gelijktijdig met de voorlopige agenda van de raadscommissies door de Agendacommissie vastgesteld. Indien de Adviescommissie adviseert om het voorstel niet te behandelen in de raad zal dit advies worden besproken bij het agendapunt ‘vaststelling van de agenda van de raad’.

Het derde lid vloeit voort uit de verplichting van het college om de raad van voldoende informatie te voorzien (artikel 169 Gemeentewet actieve informatieplicht). Als de raad niet voldoende op de hoogte is van de inhoud en strekking van een onderwerp, is het niet gewenst dat de raad zich over dit onderwerp uitspreekt. In een dergelijk geval heeft de raad de mogelijkheid het onderwerp naar

een raadscommissie te verwijzen of aan het college nadere inlichtingen of advies te vragen. Het laatste lid regelt dat de raad op verzoek van een lid of op voorstel van de voorzitter de volgorde van behandeling van de agendapunten kan wijzigen. Voorstellen aan de raad kunnen van diverse actoren afkomstig zijn. In de eerste plaats zijn dit het college en de burgemeester. Daarnaast kunnen raadsleden initiatiefvoorstellen indienen. Ook kan de raadsgriffie voorstellen indienen. Tenslotte kunnen burgers burgerinitiatiefvoorstellen indienen.

 

Artikel 12 De wethouder

Artikel 12 is een nadere uitwerking van artikel 21, tweede lid, van de Gemeentewet. Dit artikel voorziet in de mogelijkheid dat wethouders door de raad worden uitgenodigd om ter vergadering aanwezig te zijn. In Oss is het gebruik dat de wethouders aan het begin van de zittingsperiode van de raad worden uitgenodigd om in de vergaderingen van de raad aanwezig te zijn. Het gebruik van het werkwoord 'uitnodigen' geeft aan dat een wethouder kan weigeren te verschijnen in de raad. In de praktijk zal dat echter niet waarschijnlijk zijn, omdat een dergelijke weigering door de raad kan worden uitgelegd als een weigering inlichtingen te verschaffen of verantwoording af te leggen, met alle mogelijke onaangename politieke gevolgen van dien voor de betrokken wethouder. Gelet op de frequentie van de raadsvergadering zullen veelal zaken uit alle portefeuilles aan de orde komen, zodat in de praktijk alle wethouders worden uitgenodigd. Als de wethouders in de vergadering aanwezig zijn, zullen ze op verzoek van de raad deelnemen aan de beraadslagingen. Het kan echter wenselijk zijn dat een wethouder niet bij een vergadering aanwezig is als de raad een zelfstandige afweging over een onderwerp of voorstel wil maken, de raad bijvoorbeeld over het eigen functioneren van gedachten wil wisselen of bij de voorbereiding van een besluit tot het houden van een onderzoek naar het door het college gevoerde bestuur.

 

Artikel 13 Ter inzage leggen van stukken

In dit artikel gaat het, naast de geheime stukken, om de zogenaamde 'achterliggende' stukken waarvan vaak in de raadsvoorstellen melding wordt gemaakt (ambtelijke adviezen, toelichtende nota's, etc.). Een agendapunt kan betrekking hebben op een grote hoeveelheid verschillende stukken, die bijvoorbeeld het voorstel tot het bouwen van een nieuwe openbare bibliotheek onderbouwen. Omdat raadsleden zich bezighouden met een groot aantal verschillende onderwerpen en voorstellen, is het in de meeste gevallen niet wenselijk dat raadsleden alle onderliggende stukken krijgen toegezonden. Uiteraard dienen ze wel de mogelijkheid te hebben om alle stukken desgewenst in te zien. Dit gebeurt via de gemeentelijke website. Een stuk is een 'document' in de zin van de Wet Openbaarheid van bestuur (Wob). Een document houdt in: een bij een bestuursorgaan berustend schriftelijk stuk of ander materiaal dat gegevens bevat. Onder documenten vallen niet alleen de door de overheidsorganen gecreëerde stukken of ander materiaal. Ook alle van buiten komende stukken en ander voor overheidsorganen bestemd materiaal zoals agenda's, notulen, (concept)adviezen en magneetbanden verkrijgen de status van document in de zin van de Wob. De raadsgriffier vervult mede de secretariaatsfunctie ten dienste van de raad. Het ligt dan ook in de rede dat stukken, die betrekking hebben op de agenda en de voorstellen van de raadsvergadering en die geheim moeten blijven bij hem ter inzage worden gelegd. Op verzoek van de leden van de raad kan de raadsgriffier inzage aan hen verlenen.

 

Artikel 14 Openbare kennisgeving

Met dit artikel wordt invulling gegeven aan het voorschrift van artikel 19, tweede lid, van de Gemeentewet. Voor wat betreft de wijze van publicatie is aangesloten bij artikel 3:12 van de Algemene wet bestuursrecht. Tevens is de verplichting opgenomen de agenda ook op het internet te plaatsen. Vanuit het oogpunt van service aan de burger is het plaatsen van de bijbehorende stukken op internet gewenst. Elke gemeente beschikt over een website. Dit is echter niet verplicht op grond van de Gemeentewet. In Oss is dit gebruik omdat de stukken digitaal worden verstrekt. In het reglement van orde wordt niet expliciet vastgelegd in welke dag-, nieuws- of huis-aan-huisbladen de aankondiging van de vergadering van de raad wordt geplaatst. Indien de gemeente echter vaak wisselende media benut, is het niet verstandig om de naam van een blad op te nemen, aangezien het reglement dan steeds opnieuw moet worden aangepast. Vandaar dat de bepaling ‘of op voor afkondigingen in de gemeente gebruikelijke wijze’ is opgenomen.

 

Paragraaf 2 Orde der vergadering

 

Artikel 15 Presentielijst

De verplichting tot het hebben van een presentielijst vloeit voort uit artikel 20 van de Gemeentewet. In dit artikel wordt de procedure vastgelegd. De handtekeningen op de presentielijst zijn bedoeld om formeel vast te stellen, dat het vergaderquorum aanwezig is. De lijst kan niet dienen om het stemquorum vast te stellen; daarvoor geldt artikel 29 van de Gemeentewet. De raadsgriffier geeft de ambtelijke ondersteuning die de raad nodig heeft. Daarom stelt hij samen met de voorzitter de presentielijst vast en ondertekent deze. Deze ondertekening dient te waarborgen dat de lijst volledig is en het quorum aanwezig was.

 

Artikel 16 Zitplaatsen

De raadsgriffier is overeenkomstig artikel 3 van het reglement in elke vergadering aanwezig en heeft daarom een eigen zitplaats. De zitplaatsen worden aan het begin van de zittingsperiode van de raad in het fractievoorzittersoverleg vastgesteld. De voorzitter kan na overleg in het fractievoorzittersoverleg de indeling herzien, indien daartoe aanleiding bestaat. Op grond van artikel 12 van het reglement zijn de wethouders uitgenodigd om in de vergadering aanwezig te zijn. Ook andere personen kunnen uitgenodigd worden om ter vergadering aanwezig te zijn. De voorzitter is de aangewezen persoon om voor een zitplaats voor hen te zorgen.

 

Artikel 17 Opening vergadering; quorum

De vergadering kan beginnen, indien meer dan de helft van het aanwezige aantal zitting hebbende raadsleden blijkens de presentielijst tegenwoordig is. Artikel 20 van de Gemeentewet voorziet in een procedure voor een tweede vergadering indien het vereiste aantal leden niet op komt dagen.

 

Artikel 18 Spreekrecht burgers

Bij de herziening van het model reglement van orde voor de raad door de VNG is het spreekrecht burgers komen te vervallen omdat uit de praktijk signalen kwamen dat het spreekrecht niet de goede manier zou zijn om burgers te betrekken bij de besluitvorming.

Het zou gaan om schijninspraak. De raadsvergadering is immers het sluitstuk van het besluitvormingsproces dat lang daarvoor al is begonnen, waardoor de kans klein is dat de raad op dat moment – als reactie op het inspreken van een burger – nog van richting verandert. De mogelijkheden van burgers om tijdens de commissievergaderingen in te spreken zouden daarentegen vaker benut kunnen worden.

In Oss is het spreekrecht bij de raad wel gehandhaafd. Ook het spreekrecht van burgers tijdens een raadsvergadering kan bijdragen aan het vergroten van de betrokkenheid van de burgers bij het bestuur; één van de doelstellingen van de vernieuwing van het lokaal bestuur.

Het spreekrecht was eerst beperkt gehouden tot geagendeerde onderwerpen, zoals die zijn opgenomen in de door de Agendacommissie vastgestelde concept-agenda, omdat burgers op deze wijze een doelgerichte bijdrage kunnen leveren aan de beraadslaging van de raad. Op grond van nieuwe afspraken heeft de Agendacommissie op 14 juni 2016 besloten meer ruimte te bieden aan insprekers. Sindsdien kan inspreken tijdens gemeenteraadsvergaderingen en commissievergaderingen ook over onderwerpen die niet op de agenda staan. Ook nieuw is dat insprekers over wel geagendeerde onderwerpen hun inspreekruimte direct voorafgaand aan het betreffende onderwerp krijgen.

Het spreekrecht is eveneens beperkt gehouden tot de mogelijkheid óf in de raad óf in de raadscommissie in te spreken over het zelfde onderwerp. Hiermee wordt voldoende tegemoet gekomen aan de genoemde doelstelling van het inspreekrecht van de burger waarbij de vergadering niet onnodig wordt belast. Indien er echter sprake is van nieuwe feiten die de besluitvorming in de raad zouden kunnen beïnvloeden, kan van een extra spreekrecht over hetzelfde onderwerp in de raad worden gebruik gemaakt.

In het artikel zijn vier onderwerpen opgenomen, waar het spreekrecht niet voor geldt. Als een besluit van de raad of het college vatbaar is voor bezwaar en de burger belanghebbende is, kan de burger een bezwaarschrift indienen. Ook kan een burger beroep instellen bij de rechtbank. De reikwijdte van deze procedures houdt niet in dat alle burgers zich hierover kunnen uitspreken. Verder zijn de benoemingen, keuzen, voordrachten en aanbevelingen van personen uitgesloten van het spreekrecht van burgers. Omdat inspraak over de benoemingen, keuzen, voordrachten of

aanbevelingen van personen de belangen van kandidaten al dan niet in de uitoefening van hun ambt of functie kan schaden, kunnen burgers hierover geen uitlatingen doen. Als laatste kunnen burgers zich ook niet uitlaten over onderwerpen, waar zij op grond van artikel 9:2 Algemene wet bestuursrecht een klacht over kunnen indienen. Deze procedure gaat voor het spreekrecht van burgers. De uitzonderingen op het spreekrecht van burgers is in dit reglement aangevuld met de bepaling dat niet kan worden ingesproken op ingekomen stukken.

Er is geen maximum totaaltijd voor het spreekrecht van de burgers in dit reglement opgenomen. In principe krijgt elke spreker maximaal vijf minuten het woord, ongeacht het aantal insprekers. De achtergrond van het beperken van tijd is dat na de inspreekronde nog een hele vergadering plaatsvindt, die ook ettelijke uren in beslag kan nemen. De voorzitter kan echter in bijzondere gevallen van de maximale lengte van de spreektijd afwijken. Een voorbeeld van zo’n bijzonder geval is bijvoorbeeld het feit dat de spreker een grotere groep van burgers vertegenwoordigt. In een dergelijke situatie kan ook voor andere praktische oplossingen gekozen worden zoals het beleggen van een aparte hoorzitting. Het is de bedoeling dat de bijdrage van de burger niet op zichzelf staat. Daarom kan de voorzitter of het raadslid een voorstel doen voor een verdere behandeling van de inbreng van de burger. Het is onder andere mogelijk dat de raad direct een antwoord geeft of dat een onderdeel van de ambtelijke organisatie met het onderwerp aan de slag gaat of dat raadsleden actie ondernemen om de burger tegemoet te komen.

 

Artikel 19 Primus bij hoofdelijke stemming

Praktisch gezien verdient het aanbeveling de volgorde van stemmen te bepalen aan het begin van de vergadering. Deze volgorde geldt dan voor de gehele vergadering, ook na een eventuele schorsing.

 

Artikel 20 Verslag en besluitenlijst

Dit artikel regelt de verslagleggende taak van de raadsgriffier en de wijze waarop de besluitenlijst wordt gemaakt. Het maken van een (schriftelijk) verslag is niet verplicht. In de Gemeentewet wordt alleen gesproken over de verplichting om een besluitenlijst openbaar te maken (artikel 23, vijfde lid van de Gemeentewet). Een schriftelijke verslaglegging is dus niet nodig. Andere vormen van verslaglegging bijvoorbeeld een geluidsopname op CD is ook mogelijk. In Oss wordt, evenals bij de raadscommissies, ook de raadsvergadering op een beeld- en/of geluidsdrager geregistreerd. Daarnaast wordt een besluitenlijst gemaakt. De geluidsopname is, indien het een openbare vergadering betreft, terug te luisteren via de gemeentelijke website. De raadsgriffier verleent ondersteuning aan de raad. Daarom worden de beeld- en/of geluidsopnames worden gemaakt onder verantwoordelijkheid van de raadsgriffier. De raadsgriffier is aangewezen om de besluitenlijst op te stellen. Door een wijziging in de Gemeentewet in 2016 (artikel 32a, 2e lid) is het mogelijk het ondertekenen van raadsstukken aan de griffier (of diens plaatsvervanger) te mandateren. De voorzitter tekent dan niet meer mee. Dit mandaat is door de Raad in 2017 gegeven (raadsbesluit). De besluitenlijst bevat de raadsbesluiten, inclusief ingediende moties, (sub) amendementen, initiatiefvoorstellen, burgerinitiatieven en de naar de raadscommissies doorverwezen ingekomen stukken. De verplichting tot openbaar maken van de besluitenlijst is geregeld in artikel 23, vijfde lid, Gemeentewet. De besluitenlijst moet op zo kort mogelijke termijn worden gepubliceerd.

 

Artikel 21 Ingekomen stukken; mededelingen

De lijst van de ingekomen stukken wordt aan het begin van de raadsvergadering behandeld. De lijst ingekomen stukken bevat geen stukken ter informatie. Daarvan wordt een aparte nieuwsbrief ter informatie opgemaakt en per e-mail verspreid. (weggehaald: Ook deze stukken liggen ter inzage) Omtrent de (aan de raad gerichte) ingekomen stukken, waaronder ook de schriftelijke mededelingen van het college aan de raad, worden alleen voorstellen gedaan en besluiten genomen van procedurele aard, bijvoorbeeld ter kennisneming, ter afdoening door het college, de raadsgriffie of een speciale commissie of doorsturen naar een raadscommissie of Podiumbijeenkomst etc. Verder kan worden aangegeven dat een ingekomen stuk bij een bepaald agendapunt kan worden betrokken. Indien een raadslid een toelichting wil op artikel 41 vragen dient hij dit aan te geven en wordt dit aan het einde van de vergadering behandeld. Inhoudelijke discussie over de stukken kan de voorzitter buiten de orde verklaren. Wanneer een ingekomen stuk

leidt tot inhoudelijke discussie en besluitvorming, dient dit op de gebruikelijke wijze te worden voorbereid. De raad stelt op voorstel van de raadsgriffier de wijze van afdoening van de ingekomen stukken vast. De categorieën zijn opgenomen in dit artikel. Ingekomen stukken worden alleen procedureel beantwoord. Omtrent artikel 41 vragen kunnen wel nadere inlichtingen worden gevraagd. Als de raad of een raadslid wil dat het college iets doet met signalen uit de samenleving dan moet de raad aangeven dat het ingekomen stuk in de raadscommissie wordt geagendeerd. Ook dient de raad aan te geven wat de reden is van agendering in de raadscommissie.

 

Artikel 22 Aantal spreektermijnen

Indien de raad van mening is, dat na de tweede termijn verdere beraadslaging nodig is, kan hij daartoe uitdrukkelijk besluiten. Het tweede lid benadrukt dat de voorzitter elke spreektermijn afsluit. Dit behoeft overigens niets te veranderen aan de praktijk dat een portefeuillehouder antwoordt na de inbreng van de raadsleden in de eerste en/of tweede termijn. Het stellen van vragen dient ook als een spreektermijn beschouwd te worden. Een verzoek van een raadslid na afloop van de tweede termijn om nog een korte reactie te geven, dient de voorzitter niet te honoreren. De beraadslaging over een motie vindt niet plaats in afzonderlijke termijnen, maar gelijktijdig met de beraadslaging over het geagendeerde, aan de orde zijnde onderwerp, tenzij het een niet geagendeerd onderwerp betreft.

 

Artikel 23 Spreektijd

De voorzitter kan na overleg met de Agendacommissie een voorstel doen spreektijden toe te passen. Bij de begrotingsbehandeling, voorjaarsnota en politieke beschouwingen worden spreektijden gehanteerd, waarbij spreektijden naar rato van de grootte van de fractie worden toegekend. De voorzitter kan in het kader van zijn taak tot het handhaven van de orde tijdens de vergadering ook wijzigingen voorstellen in de omvang van de spreektijd.

 

Artikel 24 Handhaving orde; schorsing

Het eerste lid verzekert dat raadsleden in hun eerste termijn vrijelijk kunnen spreken. Een portefeuillehouder kan wel worden geïnterrumpeerd. In de tweede termijn zijn interrupties toegestaan. De voorzitter kan bij een overvloed aan interrupties of in het belang van de voortgang van de beraadslagingen bepalen dat een spreker zijn betoog zonder verdere interrupties afrondt. Om te bevorderen dat leden van de raad zich niet belemmerd voelen om hun mening te uiten, is in artikel 22 van de Gemeentewet bepaald dat zij niet in rechte vervolgd kunnen worden, aan te spreken zijn of verplicht zijn getuigenis af te leggen over hetgeen zij in de vergadering zeggen of schriftelijk overleggen. De voorzitter kan naast de leden die het woord voeren ook wethouders, de gemeentesecretaris, de raadsgriffier of andere personen die het woord voeren tot de orde roepen.

Indien zij hieraan geen gehoor geven, kan hen het woord worden ontzegd. De bevoegdheid die in het derde lid aan de voorzitter wordt gegeven om een spreker over een aanhangig onderwerp het woord te ontzeggen, gaat minder ver dan de mogelijkheid die artikel 26, derde lid, van de Gemeentewet biedt om aan dat lid, dat door zijn gedragingen de geregelde gang van zaken belemmert, de toegang tot de vergadering te ontzeggen. De laatstgenoemde bevoegdheid van de voorzitter blijft echter onverlet. Artikel 24 is slechts een aanvulling op de Gemeentewet. Een besluit van de voorzitter om iemand het woord te ontnemen is een op feitelijk handelen gerichte beslissing met een intern karakter. Dit is geen besluit in de zin van artikel 1:3 Awb. (JB 9 (2002) 138). Onder interruptie is overigens niet te verstaan het geven van tekenen van goed- of afkeuring. Deze uitingen worden beschouwd als verstoringen van de orde. Voor wat betreft de handhaving van de orde op de publieke tribune wordt verwezen naar het artikel 50 van dit reglement.

 

Artikel 25 Beraadslaging

Teneinde de vergadertijd te beperken wordt over een voorstel dat in onderdelen of artikelen is verdeeld, in principe in zijn geheel beraadslaagd. In het eerste lid is een uitzonderingsmogelijkheid opgenomen. Door de toevoeging 'of een lid van de raad' wordt ook aan raadsleden het recht toegekend om voor te stellen een voorstel gesplitst te behandelen. Dit brengt tot uitdrukking dat de raad zijn eigen werkwijze bepaalt. Het recht is aan ieder individueel raadslid toegekend. Dit past in het streven naar dualisering, aangezien dualisering versterking van de vertegenwoordigende en

daarmee agenderende rol van de raad veronderstelt. Hiervoor dienen ook individuele raadsleden en kleine fracties over adequate instrumenten te beschikken. Indien de schorsing als bedoeld in het tweede lid aan het einde van de tweede termijn plaatsvindt, zijn er vervolgens twee mogelijkheden: er wordt direct tot stemming overgegaan of aan de beraadslagingen wordt een derde termijn toegevoegd. In het tweede lid wordt onder meer gesproken over het college dat de mogelijkheid krijgt tot nader beraad. Dit is uiteraard alleen het geval indien het college bij de bespreking van het betreffende onderwerp vertegenwoordigd is.

 

Artikel 26 Deelname aan de beraadslaging door anderen

Deze bepaling is noodzakelijk in verband met het in artikel 22 van de Gemeentewet geregelde verschoningsrecht. Het is uiteraard ook mogelijk dat de raad bepaalt dat een bepaalde functionaris in bepaalde gevallen altijd aan de beraadslaging mag deelnemen (bijvoorbeeld de voorzitter van de deelgemeenteraad aan de beraadslaging over deelgemeente-aangelegenheden). De raad kan op grond van artikel 3, 4 respectievelijk 12 van het Reglement van Orde bepalen dat de raadsgriffier, de gemeentesecretaris en de wethouder(s) deelnemen aan de beraadslagingen. De burgemeester heeft het recht (het woord te voeren en) deel te nemen aan de beraadslagingen op grond van artikel 21, eerste lid van de Gemeentewet. De strekking van dit artikel 26 blijft alleen onveranderd wanneer aan het eerste lid de raadsgriffier, de wethouder en de gemeentesecretaris worden toegevoegd. Daarmee blijft het artikel uitdrukken dat de raad kan beslissen dat anderen kunnen deelnemen aan de beraadslagingen. Deelname van de raadsgriffier, de wethouder en gemeentesecretaris is immers al elders in dit reglement geregeld. In het tweede lid wordt het begrip 'beslissing' gebruikt. Het gaat hier namelijk niet om het besluitbegrip in de zin van de Algemene wet bestuursrecht.

 

Artikel 27 Stemverklaring

Stemverklaringen zullen kort moeten zijn en mogen niet het karakter krijgen van een derde termijn, als laatste reactie op de vorige spreker. De stemverklaringen worden gegeven vóór de hoofdelijke oproep van de leden tot de stemming begint. Ook bij de hamerstukken kan een stemverklaring worden gegeven.

 

Artikel 28 Beslissing

De voorzitter kan de beraadslaging sluiten, als hij vaststelt dat een onderwerp voldoende is toegelicht, tenzij de raad anders beslist. De voorzitter formuleert daarna de te nemen eindbeslissing. Indien geen stemming wordt gevraagd, is het voorstel aangenomen op grond van artikel 32, derde lid, van de Gemeentewet.

 

Paragraaf 3 Procedures bij stemmingen

 

Artikel 29 Algemene bepalingen over stemming

Indien een lid te kennen geeft een hoofdelijke stemming te wensen, moet de stemming plaatsvinden. De raad heeft niet de bevoegdheid om van deze bepaling van artikel 32 van de Gemeentewet af te wijken. Vraagt niemand stemming, dan wordt het voorstel geacht te zijn aangenomen. Wellicht ten overvloede wordt hierbij nog verwezen naar artikel 209, tweede lid van de Gemeentewet, welke een hoofdelijke stemming verplicht. De regeling in het eerste deel van het tweede lid kan toepassing krijgen, indien de uitkomst van de stemming tevoren duidelijk is en slechts enkele leden zouden tegenstemmen. Een raadslid kan zich alleen onthouden van stemming op grond van artikel 28 van de Gemeentewet. In alle andere gevallen is een raadslid verplicht stelling te nemen en te stemmen. Stemmingen zijn in principe ook openbaar. Een volksvertegenwoordiger dient duidelijk te zijn in zijn rol. Door de openbaarheid is het voor de achterban (kiezers) duidelijk hoe ze vertegenwoordigd worden. Bij wie de stemming begint, is geregeld in artikel 19 van het Reglement van Orde. In de Winsumuitspraak (Raad van State, 7 augustus 2002) is het hoger beroep op artikel 28 van de Gemeentewet afgewezen, maar heeft de Afdeling wel geconcludeerd dat het genomen besluit in strijd is met artikel 2:4 van de Algemene wet bestuursrecht omdat de schijn van belangenverstrengeling onvoldoende was vermeden. Naar aanleiding van deze uitspraak zijn er vragen gerezen over de mogelijke gevolgen voor

stemprocedures en de verantwoordelijkheden in gemeenteraden. In deze uitspraak geeft de Afdeling het rechtsbeginsel, neergelegd in artikel 2:4 van de Awb, voorrang boven hetgeen in artikel 28 van de Gemeentewet is bepaald. Over de mogelijke gevolgen van de uitspraak adviseert voormalig minister Remkes in zijn beschouwing van 19 mei 2003: "de beslissing over stemonthouding dient voorbehouden te blijven aan het individuele raadslid; bij stemming heeft de raad geen optie dan te waarschuwen dat het te nemen besluit wel eens aanvechtbaar zou kunnen zijn in een bezwaarschriftprocedure of bij de bestuursrechter of in het kader van een spontane vernietiging door de Kroon (artikel 268 Gemeentewet); de raad kan in dergelijke gevallen een belangrijke rol spelen door in algemene zin te bespreken, individuele raadsleden door hun handelen de schijn van belangenverstrengeling kunnen wekken en hoe dat voorkomen kan worden (en dit bijv. opnemen in de gedragscode); uiteraard is de gedragscode in juridische zin niet bindend, dit is tevens niet wenselijk."

Er is echter inmiddels vervolgjurisprudentie beschikbaar:

- In ABRvS 30 juni 2010, LJN BM9710LJN BM9710, AB 2010/310AB 2010/310 oordeelde de Afdeling dat in het midden kon blijven of twee raadsleden een persoonlijk belang hadden bij de vaststelling van een bestemmingsplan, omdat het bestemmingsplan met de grootst mogelijke meerderheid door de raad was vastgesteld. Zelfs indien zou worden vastgesteld dat de twee raadsleden een persoonlijk belang hadden bij de planvaststelling, hebben zij geen beslissende stem in de uitkomst gehad;

- In ABRvS 22 juni 2011, LJN BQ8863LJN BQ8863, AB 2011/261AB 2011/261 overwoog de Afdeling dat een raadslid dat woonde en werkte op een bedrijventerrein een persoonlijk belang had bij de vaststelling van een bestemmingsplan voor dat bedrijventerrein. De Afdeling oordeelde dat in strijd was gehandeld met art. 2:4artikel 2:4 van de Awb omdat naar derden de schijn is gewekt dat het persoonlijke belang van invloed is geweest op de besluitvorming. Daarbij speelde een rol dat het raadslid tijdens de vergadering van de raad veelvuldig het woord heeft gevoerd en namens zijn fractie een aantal amendementen heeft ingediend en voorgelezen die in feite tot gevolg hebben dat een gunstiger woon- en leefklimaat ontstaat ter hoogte van gronden van het betreffende raadslid. De Afdeling achtte niet van belang of het raadslid daadwerkelijk het oogmerk had te bewerkstelligen een plan ten gunste van zijn leefklimaat vast te stellen. Ook indien van de goede trouw van het raadslid kan worden uitgegaan, kan de schijn van belangenverstrengeling zijn gewekt. Ook het gegeven dat het raadslid niet bij alle amendementen een doorslaggevende stem heeft gehad leidt niet een ander oordeel omdat gelet op het feit dat het raadslid veelvuldig het woord heeft gevoerd niet kan worden gesteld dat niet de schijn is gewekt dat hij invloed heeft gehad op de besluitvorming;

- In ABRvS 6 februari 2013, LJN BZ0796LJN BZ0796 preciseert de ABRvS haar hiervoor vermelde uitspraak van 22 juni 2011. In de zaak die tot de uitspraak van 6 februari 2013 heeft geleid ging het om een besluit van een gemeenteraad om een bestemmingsplan niet vast te stellen. Dat besluit was genomen met de kleinst mogelijke meerderheid, waarbij een raadslid die mogelijk belanghebbende in de zin van art. 1:2artikel 1:2 van de Awb was, tegen de vaststelling van het plan had gestemd. De ABRvS overwoog dat in aanmerking genomen dat het hier gaat om besluitvorming door de gemeenteraad die een belangenafweging vergt waarbij politieke inzichten een belangrijke rol spelen, ligt het in de rede voor de invulling van het begrip ‘persoonlijk belang’ in art. 2:4 lid 2artikel 2:4, tweede lid, van de Awb aansluiting te zoeken bij art. 28 lid 1artikel 28, eerste lid, onder a, van de Gemeentewet. Deze bepaling dient strikt te worden uitgelegd, nu daarbij het fundamentele recht van een raadslid om deel te nemen aan een stemming wordt ingeperkt. Uit artikel 2:4 van de Awb volgt dus — en de Afdeling preciseert hiermee haar (hiervoor vermelde) uitspraak van 22 juni 2011 — in het algemeen niet dat een persoon die deel uitmaakt van een democratisch gekozen bestuursorgaan zoals de gemeenteraad en die bij een besluit belanghebbende is als bedoeld in art. 1:2 lid 1artikel 1:2, eerste lid, van de Awb, zich zou moeten onthouden van deelname aan de besluitvorming. Dit zou afbreuk doen aan de taak en de fundamentele rechten van een gekozen volksvertegenwoordiger en daarmee aan het democratisch proces.

De ABRvS heeft in haar uitspraak van 6 februari 2013 in aanvulling op het voorgaande overwogen dat er zich evenwel bijkomende omstandigheden kunnen voordoen die maken dat de behartiging van het persoonlijk belang van een raadslid zodanig aan de orde is bij het onderwerp van de

besluitvorming dat hij daaraan niet behoort deel te nemen. Weliswaar kan de gemeenteraad niet verhinderen dat een lid deelneemt aan de besluitvorming en aan stemmingen, maar deelname van een lid kan er bij aanwezigheid van zo’n persoonlijk belang wel toe leiden dat de bestuursrechter tot het oordeel moet komen dat het desbetreffende besluit is genomen in strijd met art. 2:4artikel 2:4 van de Awb. De conclusie dat het betrokken bestuursorgaan in strijd met deze bepaling een besluit heeft genomen, kan echter pas worden getrokken wanneer aannemelijk is dat het betrokken raadslid de besluitvorming daadwerkelijk heeft beïnvloed.

Bij staking van stemmen is het bepaalde in artikel 32 van de Gemeentewet van toepassing. Indien de vergadering voltallig is, wordt het voorstel geacht te zijn verworpen. Is de vergadering niet voltallig, dan wordt het nemen van het besluit tot een volgende vergadering uitgesteld. Als ook dan de stemmen staken, wordt het voorstel geacht niet te zijn aangenomen. In gemeenten kan een elektronisch stemsysteem gebruikt worden waarbij de openbaarheid gewaarborgd wordt doordat de naam van het raadslid gekoppeld wordt aan het voor of tegen. Dit is te lezen op een scherm, de afdruk ervan wordt meegenomen in de verslaglegging. Deze manier van stemmen is mogelijk op grond van de Gemeentewet. Een elektronisch stemsysteem kan wel problemen opleveren bij de geheime stemming over personen (artikel 31 Gemeentewet). Indien het een vrije ronde betreft waar elk raadslid eigen kandidaten kan voordragen is dit met de huidige systemen vaak niet mogelijk. Elektronische stemsystemen hebben een aantal beveiligingsmechanismen. Hierdoor zal doorgaans maar één persoon gemachtigd zijn om gegevens in te voeren. In Oss wordt niet elektronisch gestemd. Bij vrije stemrondes over personen dient ieder raadslid de mogelijkheid te hebben kandidaten voor te dragen.

 

Artikel 30 Stemming over amendementen en moties

Voor meer informatie over een amendement of een motie (betekenis, indiening e.d.) wordt verwezen naar de artikelen 1, 34 en 35 van dit reglement. Voor alle duidelijkheid wordt hier een verschil in procedure aangegeven tussen een motie en een amendement. Een amendement komt in stemming voorafgaande aan de stemming over het onderliggende voorstel. Een motie strekt niet tot wijziging van een voorgesteld besluit. Over een motie wordt een apart besluit genomen, voordat een besluit over een eventueel bij het voorstel ingediend amendement wordt genomen. Dat laatste is in Oss de gebruikelijke procedure. Bij een motie over een afzonderlijk onderwerp geldt dit uiteraard niet en is het vierde lid niet van toepassing.

 

Artikel 31 Stemming over personen

In artikel 31, eerste lid, Gemeentewet geeft aan dat de stemming over personen geheim dient te zijn. Het is mogelijk om met elektronische stemsystemen te werken maar het reglement van orde gaat vooralsnog uit van een stemming door middel van een behoorlijk ingevuld stembriefje. Een blanco stembriefje wordt niet aangemerkt als een behoorlijk ingevuld stembriefje (MvT, 19 403, nr. 3 p. 86). In geval van een schriftelijke stemming wordt dan ook geen rekening gehouden met blanco stembriefjes. Een blanco of verkeerd ingevuld stembriefje telt wel mee bij de bepaling van het quorum. De raad oordeelt of een stembriefje behoorlijk is ingevuld. Wat onder een (niet) behoorlijk ingevuld stembriefje moet worden verstaan, is in de wet niet geregeld.

Indien raadsleden genomineerd worden voor de functie van wethouder is er sprake van een vrije stemming. Er is geen sprake van een voordracht. De beoogd wethouder mag dus meestemmen over zijn eigen benoeming. Een voorstel tot benoeming gaat hem persoonlijk aan "wanneer hij behoort tot de personen tot wie de keuze door een voordracht of bij een herstemming is beperkt" (artikel 28, eerste lid, onder a, en derde lid, van de Gemeentewet). Dat is echter in casu niet aan de orde, omdat er ook op een ander persoon kan worden gestemd. De aard van de stemming is derhalve van belang.

Dit heeft tot gevolg dat raadsleden de mogelijkheid hebben op het stembriefje de naam van de kandidaat die hun voorkeur heeft in te vullen (die van de voorgestelde perso(o)n(en), of die van een ander). Er is in dit geval geen sprake van een voordracht of een anderszins beperkte keuze en aan de stemming mag derhalve ook worden deelgenomen door raadsleden die ter benoeming zijn voorgesteld: zij kunnen immers op het stembriefje een andere naam dan hun eigen naam invullen.

De wetgever heeft nooit de bedoeling gehad de politieke verhoudingen in de raad te beïnvloeden door middel van een verbod op het meestemmen van de kandidaat-wethouder. Los van de formeel-juridische context pleiten de volgende argumenten nog voor bovenstaande zienswijze:

- een democratisch gekozen vertegenwoordiger mag niet te snel het recht op stemming worden ontnomen. Stel: partij X beveelt meneer Janse en meneer Pieterse aan als wethouders. Als deze personen in de raad zitting hebben en niet mee mogen stemmen houdt dit in, dat de partij ineens twee stemmen in de raad minder heeft. Dat is onaanvaardbaar in het licht van de politieke verhoudingen;

- een aanbeveling is geen voordracht. Het spraakgebruik heeft het vaak over voordracht, maar een persoon nomineren als wethouder staat niet gelijk aan een voordracht;

Tenslotte is het denkbaar dat een kandidaat-wethouder die voor benoeming wordt aanbevolen, uit moreel-politieke overwegingen en om iedere schijn van belangenverstrengeling te vermijden op eigen initiatief afziet van het meestemmen over de benoeming. Alhoewel het uitgangspunt is dat zeer terughoudend moet worden omgegaan met het inperken van het stemrecht van gekozen volksvertegenwoordigers, laat de wet de betrokkenen de ruimte daarin een eigen afweging te maken.

Bij een benoeming stelt de raad een specifiek persoon aan in een bepaald ambt (raadslid, wethouder). Op het stembiljet wordt de naam van de te benoemen persoon (of personen in geval van meerdere vacatures) met daarachter de opties 'voor' en 'tegen' vermeld. Het gaat hier overigens niet over de benoeming tot raadslid, dit is een heel ander soort benoeming dat in artikel 7 van dit reglement wordt toegelicht. Onder voordracht wordt verstaan het als kandidaat voorstellen van een persoon voor een bepaald ambt. Een voordracht is voor de raad bindend, op de stembiljetten dienen de namen van de voorgedragen perso(o)n(en) te worden vermeld met daarachter de opties 'voor' en 'tegen'. Bij een aanbeveling wordt voorgesteld om bepaalde personen voor een bepaald ambt voor te dragen, de raad mag van de aanbevelingen afwijken. Het betreft hier een zogenaamde vrije stemming (zie ook toelichting bij artikel 28). Op de stembiljetten kunnen de namen van de aanbevolen personen te worden vermeld met daarachter de opties 'voor' en 'tegen' én een vrije ruimte waar een kandidaat van eigen keuze kan worden ingevuld.

 

Artikel 32 Herstemming over personen

De wijziging van het tweede lid strekt ertoe verwarring over de term 'herstemming' in artikel 31, tweede lid, van de Gemeentewet te voorkomen.

 

Artikel 33 Beslissing door het lot

In dit artikel wordt een nadere uitwerking gegeven van hetgeen in artikel 31, derde lid van de Gemeentewet is voorgeschreven.

 

Hoofdstuk 4 Rechten van leden

 

Artikel 34 Amendementen

Het recht van amendement is neergelegd in artikel 147b van de Gemeentewet. Dit artikel verplicht de raad nadere regels te stellen. Deze nadere regels staan in dit artikel. Op basis van artikel 147b van de Gemeentewet is de raad verplicht een amendement te behandelen. Het is echter gelet op de gedragsafspraken die in 2007 zijn gemaakt niet wenselijk dat met betrekking tot een voorstel waarover geen discussie hoeft te worden gevoerd een amendement wordt ingediend. Dualisering veronderstelt versterking van de vertegenwoordigende en controlerende functie van de raadsleden. Hiervoor dienen ook individuele raadsleden en kleine fracties te beschikken over adequate instrumenten. Voor een effectief gebruik van deze instrumenten is het wenselijk dat ook het individuele raadslid zonder belemmeringen toegang tot het gebruik daarvan heeft (geen drempelsteun). Door het recht van amendement kan de regelgevende taak van de raad reëel inhoud krijgen en mede ten dienste staan van de inkadering en de controle door de raad. Ook kleine fracties en individuele raadsleden worden zo in staat gesteld actief deel te nemen aan de effectuering van de controlerende, vertegenwoordigende en budgettaire functie van de raad. Leden van de raad kunnen aan de raad wijzigingen op het voorstel van het college, de raadsgriffier of op initiatiefvoorstellen, niet zijnde burgerinitiatiefvoorstellen, indienen, de zogenaamde amendementen. Wanneer een amendement is ingediend, kan dit voor een ander raadslid aanleiding zijn, op dit amendement nog weer een wijziging voor te stellen, het subamendement. Een (sub)amendement kan ingediend worden op een voorgesteld besluit, dat aanhangig is. Voor wat betreft de stemming over amendementen wordt verwezen naar artikel 30 van het reglement. Voorstel tot splitsing van een voorgesteld besluit kan, indien aangenomen, meebrengen, dat één onderdeel van een besluit wel en een ander niet wordt aanvaard.

 

Artikel 35 Moties

In het eerste artikel van dit reglement is de definitie van het begrip motie gegeven. Een motie is een voorstel tot het doen van een uitspraak. Het kan gaan om het uitspreken van een wens (van inhoudelijke, politieke, procedurele aard), het uitspreken van instemming dan wel afkeuring over bepaalde ontwikkelingen of om het doen van een verzoek. Een motie betreft dus niet een concreet besluit dat op rechtsgevolg is gericht; een motie heeft geen juridische, maar een politieke betekenis. Daarom zijn burgemeester en wethouders formeel niet aan een motie gebonden of tot uitvoering ervan verplicht. Wel kan het naast zich neerleggen van een motie door het college leiden tot een vertrouwensbreuk tussen raad en college en hieruit kan het college dan zijn conclusie trekken. Voor wat betreft de besluitvormingsprocedure omtrent een motie wordt opgemerkt, dat over een motie een apart besluit wordt genomen. Voor de beraadslaging over een motie over een aanhangig onderwerp geldt, dat deze niet plaatsvindt in afzonderlijke termijnen, maar gelijktijdig met de beraadslaging over het onderwerp, waarop de motie betrekking heeft.

Een besluit over een motie over een niet op de agenda opgenomen onderwerp (in Oss ook “motie vreemd aan de orde van de dag” genoemd) vindt aan het einde van de vergadering plaats. De behandeling van dergelijke moties benaderen de in artikel 37 van het reglement geregelde initiatiefvoorstellen. Dualisering veronderstelt versterking van de vertegenwoordigende en controlerende functie van de raadsleden. Hiervoor dienen ook individuele raadsleden en kleine fracties te beschikken over adequate instrumenten. Dat wil zeggen dat het voor een effectief gebruik van deze instrumenten wenselijk is dat ook het individuele raadslid zonder belemmeringen toegang tot het gebruik daarvan heeft. De mogelijkheid om zonder drempelsteun een motie in te dienen staat dan ook ten dienste van een effectieve uitoefening van de inkadering en controle door de raad. In de Gemeentewet wordt één specifieke motie uitgewerkt. Dit betreft de motie van wantrouwen waarbij de raad aangeeft het vertrouwen in een wethouder te hebben verloren. Het is een wethouder niet toegestaan om na een motie van wantrouwen aan te blijven. Indien hij zelf niet opstapt, dient de raad actie te ondernemen.

 

Artikel 36 Voorstellen van orde

De voorzitter legt aan de raad ter beslissing voor of er inderdaad sprake is van een voorstel van orde. Over een voorstel van orde wordt direct, zonder beraadslaging, besloten door de raad. Bij staken van stemmen is het voorstel niet aangenomen (artikel 32, lid 4 Gemeentewet is hierop niet van toepassing). Een voorstel van orde betreft bijvoorbeeld het schorsen van de vergadering voor een pauze. Indien het gaat om een niet geagendeerd voorstel, dient de procedure van een initiatiefvoorstel gevolgd te worden (artikel 37 van dit reglement).

 

Artikel 37 Initiatiefvoorstellen

Het is de taak van het college aan de raad de nodige voorstellen te doen. Maar raadsleden kunnen ook zelf een voorstel voor een ontwerpverordening of ontwerpbesluit ter behandeling bij de raad indienen. Hiervoor is het recht van initiatief toegekend. In artikel 147a, eerste lid, van de Gemeentewet is dit uitgewerkt. Het tweede lid van dit artikel van de Gemeentewet bepaalt dat de raad regelt op welke wijze een initiatiefvoorstel voor een verordening wordt ingediend en behandeld. Artikel 147a, derde lid, bepaalt in tegenstelling tot artikel 147a, tweede lid van de Gemeentewet, dat voor andere initiatiefvoorstellen geen verplichte behandeling voorgeschreven is. Dit betekent dat de raad (aanvullende) voorwaarden kan stellen aan het in behandeling nemen van een ander initiatiefvoorstel. Algemeen uitgangspunt is dat dualisering de versterking van de vertegenwoordigende en controlerende functie van de raadsleden inhoudt. Hiervoor dienen ook individuele raadsleden en kleine fracties te beschikken over adequate instrumenten. Voor een effectief gebruik van deze instrumenten is het wenselijk dat ook het individuele raadslid zonder belemmeringen toegang tot het gebruik daarvan heeft. Het ontbreken van drempelsteun bij het recht van initiatief staat ten dienste van een effectieve uitoefening van de inkadering en controle door de raad. Ook kleine fracties en individuele raadsleden worden zo in staat gesteld actief deel te nemen aan de controlerende, vertegenwoordigende en budgettaire functie. De raadsgriffie heeft een sjabloon voor een initiatiefvoorstel opgesteld. Dit dient als richtsnoer voor een in te dienen initiatiefvoorstel.

Door een wijziging in de Gemeentewet in 2016 wordt de betrokkenheid van het college bij initiatiefvoorstellen van de raad versterkt. Aan artikel 147a is een nieuw vierde lid toegevoegd waarin wordt bepaald dat het college wensen en bedenkingen over dat voorstel kenbaar moet kunnen maken. Pas nadat het college daartoe in de gelegenheid is gesteld, kan de raad een besluit nemen over het betreffende initiatiefvoorstel.

Op grond van dit nieuwe lid moet een ingediend initiatiefvoorstel door de voorzitter van de raad zo spoedig mogelijk ter kennis van het college worden aangeboden. Het college heeft vervolgens 2 weken de tijd om bedenkingen of wensen over het voorstel aan de raad kenbaar te maken dan wel kenbaar te hebben gemaakt hiertoe niet te zullen overgaan.

Eerst na het verstrijken van de termijn van 2 weken wordt het voorstel op de agenda van de eerstvolgende raad geplaatst. (artikel 37, 3e lid). De voorzitter plaatst het voorstel echter niet meer op de agenda, nadat de oproep verzonden is. Dit laat de mogelijkheid onverlet voor het individuele raadslid om op grond van artikel 11, tweede lid, het initiatiefvoorstel toch aan de agenda toe te voegen.

Aangezien het voor de hand ligt om de raad tevens de mogelijkheid te geven om een initiatiefvoorstel tezamen met een ander geagendeerd voorstel of onderwerp te behandelen, is dit in het vierde lid opgenomen. Dit moet aan het begin van de raadsagenda aan de orde komen. Indien het initiatiefvoorstel in een raadscommissie wordt behandeld geeft de Agendacommissie een advies wanneer het op de agenda van de raadscommissie komt. Indien het initiatief voor het verzenden van de agenda aan de raad is ingediend wordt het initiatiefvoorstel op de agenda van die raad geplaatst en inhoudelijk besproken. De indiener van het initiatiefvoorstel kan aan de Agendacommissie voorafgaand aan de raad waarin het initiatiefvoorstel wordt behandeld een voorstel voor afhandeling indienen.

Als de raad andere voorwaarden voor het indienen van een initiatiefvoorstel, niet zijnde een verordening, wenselijk acht, kunnen deze op basis van het vijfde lid worden vastgesteld. Hierbij kan gedacht worden aan strijd met het algemeen belang, het belang van de gemeente of het gemeentelijk beleid. De raad bepaalt of een voorstel in strijd is met de wet (bijvoorbeeld de Wet op de ruimtelijke ordening), het algemeen belang (bijvoorbeeld de volksgezondheid), het belang van de gemeente (bijvoorbeeld het terugtrekken uit een publiek-private samenwerking die gericht is op het renoveren van achtergestelde woonwijken) of het gemeentelijk beleid (het bouwen van een parkeergarage in het centrum als enkele maanden geleden de binnenstad autoluw is gemaakt). Het kamerlid Kalsbeek heeft de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijkrelaties vragen gesteld over het initiatiefrecht. De minister heeft aangegeven: "Het recht op initiatief houdt niet in dat individuele raadsleden en raadsminderheden het recht moeten hebben om onderwerpen op de agenda van de raad te plaatsen maar het houdt in dat zij in beginsel invloed moeten kunnen hebben op de agenda. Het is immers aan de raad om, aan het begin van de raadsvergadering, met meerderheid van stemmen, de agenda vast te stellen. Het is dan ook de raad die beslist welke onderwerpen worden behandeld. Zou elk individueel raadslid het recht toekomen om agendapunten voor de vergadering aan te dragen dan zou het effectief functioneren van de raad in gevaar kunnen komen. Een raadsminderheid die bij herhaling onderwerpen op de agenda plaatst, waarover de raadmeerderheid niet wenst te beraadslagen, kan de besluitvorming van de raad ernstig belemmeren". Het zevende lid is toegevoegd omdat de gedualiseerde Gemeentewet de mogelijkheid geeft een wethouder na een motie van wantrouwen te ontslaan (artikel 49 Gemeentewet). Zonder de bepaling in het zesde lid is deze ontslagmogelijkheid niet mogelijk door de procedure regels van het reglement van orde.

 

Artikel 38 Collegevoorstel

Dit artikel heeft betrekking op het agenderingsrecht van de raad. De raad is de enige die een voorstel voor een verordening of een ander voorstel kan agenderen, dat het college heeft voorbereid. Als het college het voorstel heeft voorbereid, betekent dit niet dat het college het door haar voorbereide voorstel kan intrekken indien het college van oordeel is dat verdere behandeling van het voorstel niet wenselijk is. De raad moet hier toestemming voor geven. Indien de raad van oordeel is dat een voorstel voor een verordening of een ander voorstel niet voldoende is voorbereid, kan de raad het voorstel voor een verordening of een ander voorstel op grond van het tweede lid nogmaals voor advies aan het college zenden. De raad kan het college bijvoorbeeld verzoeken het voorstel voor een verordening of ander voorstel nader te onderbouwen. De raad bepaalt echter wanneer het voorstel voor een verordening of ander voorstel, dat door het college verder voorbereid is, opnieuw behandeld wordt. De raad kan dit in dezelfde raadsvergadering regelen, maar de raad kan dit ook aan de Agendacommissie overlaten.

 

Artikel 39 Interpellatie

Dit artikel stelt nadere regels aan artikel 155 van de Gemeentewet. Het interpellatierecht ligt in het verlengde van het mondelinge vragenrecht. Het gaat om een recht van een volksvertegenwoordiger om tijdens een vergadering over een niet geagendeerd onderwerp inlichtingen aan het college of de burgemeester te vragen. Daarvoor is verlof van de raad nodig. De interpellatie komt op de lijst van ingekomen stukken. Dualisering veronderstelt versterking van de vertegenwoordigende en controlerende functie van de raadsleden. Hiervoor dienen ook individuele raadsleden en kleine fracties te beschikken over adequate instrumenten. Voor een effectief gebruik van deze instrumenten is het wenselijk dat ook het individuele raadslid zonder belemmeringen toegang tot het gebruik daarvan heeft. Wel is hier gekozen voor een ondersteuning door de raad bij gewone meerderheid. Toenmalig minister Pechtold heeft in een brief van 16 december 2005 aan de GroenLinks fractie in Schoonhoven aangegeven dat de raad de ruimte heeft om eigen beleid te ontwikkelen, waardoor de raad dus de vrijheid heeft om te bepalen dat een raadsmeerderheid nodig is om een interpellatiedebat te houden. De minister juicht dit echter niet toe. Voor de democratie lijkt het hem goed om de regels van de Tweede Kamer te volgen. Dit

houdt in dat de toestemming van een betekenende minderheid (ondersteuning door 30 van de 150 leden) volstaat. In een gedualiseerd systeem zijn wethouders geen lid meer van de raad. Toch is het van belang dat zij bij een instrument als de interpellatie ook op de hoogte worden gesteld van de inhoud van het verzoek. Door de toevoeging in het tweede lid wordt hiervoor gezorgd. De toelichting bij het artikel over het initiatiefvoorstel van de stuurgroep Leemhuis en de (verplichte) aanwezigheid van collegeleden is ook op dit artikel van toepassing.

 

Artikel 40 Vragenhalfuur

Deze bepaling vormt een invulling op het voorgesteld artikel 155, eerste lid, van de Gemeentewet met betrekking tot het vragenrecht. Het is een facultatieve bepaling. Het is aan de raad om te bepalen of de instelling van een vragenuur en daarmee het opnemen van een dergelijke bepaling in het reglement van orde wenselijk is. Wel kan het vragenuur bijdragen aan een vergroting van de betrokkenheid van burgers bij het bestuur: één van de doelstellingen van dualisering. Bewust is er gekozen voor een algemene regeling van het vragenhalfuur. Veelal fungeert de rondvraag in de raadsvergadering als een mogelijkheid tot het stellen van vragen. In een dualistisch stelsel is het echter niet meer vanzelfsprekend dat de ter zake kundige wethouder aanwezig is. Om die reden en omdat het de herkenbaarheid van de controlerende taak van de raad ten goede komt, kan hiervoor een aparte gelegenheid gecreëerd worden. De drempel om vragen te stellen wordt verlaagd en de

media-aandacht voor de lokale politiek kan worden vergroot. In het vragenhalfuur krijgt de raad de mogelijkheid over vooraf ingebrachte onderwerpen (leden van) het college aan de tand te voelen. Het karakter van het vragenhalfuur verschilt dan ook van het recht van interpellatie. Het recht van interpellatie heeft als instrument een zwaarder politiek karakter. Leden van de raad kunnen aan het college inlichtingen vragen over het door hem gevoerde bestuur, voor zover dat niet bij geagendeerde onderwerpen aan de orde komt. Raadsleden vragen daarmee leden van het college zich te verantwoorden voor het door hen gevoerde bestuur. Het is voor de herkenbaarheid voor de burgers raadzaam om het vragenhalfuur op een vast tijdstip te houden. In Oss wordt aan het begin van een reguliere raadsvergadering een vragenhalfuur gehouden indien vragen tijdig zijn ingediend. De vragen moeten op zijn laatst om 12:00 uur op de dag van de vergadering bij de raadsgriffier worden ingediend. De voorzitter kan voorstellen een onderwerp tijdens het vragenhalfuur niet aan de orde te stellen indien hij het onderwerp niet voldoende nauwkeurig acht aangegeven of indien het onderwerp in de raadsvergadering diezelfde dag aan de orde komt.

In het tweede lid is een aanmeldingstermijn voor het indienen van vragen opgenomen vanwege het feit dat wethouders moeten worden uitgenodigd om antwoord te kunnen geven op de vragen van raadsleden. Vanwege het minder zware karakter van het vragenhalfuur vergeleken met de interpellatie is gekozen voor een korte aanmeldingstermijn (terwijl voor de interpellatie 48 uur geldt). Het vragenhalfuur moet geen debat tussen raadsleden worden maar dient uitsluitend voor vraag en antwoord. In principe is er gedurende een half uur de gelegenheid tot het stellen van vragen. De voorzitter kan hier van afwijken. De bedoeling is dat alle tijdig aangekondigde vragen kunnen worden gesteld en worden beantwoord.

 

Artikel 41 Schriftelijke vragen

Het vragenrecht geeft aan de leden van de raad het recht informatie te vragen over aangelegenheden die tot de bevoegdheid van het college of de burgemeester behoren. Het karakter van deze vragen is primair van informatieve strekking. Op grond van deze bepaling kan een raadslid schriftelijke vragen stellen aan het college of de burgemeester, al naar gelang wie verantwoordelijk is. De verantwoordelijke portefeuillehouder dient de vragensteller gemotiveerd in kennis te stellen, indien de beantwoording niet binnen de gestelde termijnen kan plaatsvinden. Niet de voorzitter, maar het verantwoordelijk collegelid of de burgemeester geeft daarom het antwoord. De raad kan oordelen dat het bijvoorbeeld wenselijk is dat een collegelid of de burgemeester direct kan antwoorden op een vraag. Om die reden is in het zesde lid ingevoegd dat de raad anders kan beslissen. In de hier aangegeven procedure wordt de vragensteller in de gelegenheid gesteld nadere inlichtingen over het antwoord te vragen aan degene die het antwoord heeft gegeven. Indien de vragensteller van mening is, dat de beantwoording van de vragen tot een besluit van de raad moet leiden, kan hij het recht van initiatief benutten om het onderwerp of het voorstel op de agenda van de raad te krijgen. Ingekomen stukken worden alleen procedureel beantwoord. Omtrent artikel 41 vragen kunnen wel nadere inlichtingen worden gevraagd. Zie ook artikel 21 over ingekomen stukken.

 

Artikel 42 Inlichtingen

In dit artikel wordt een procedurele uitwerking gegeven van de inlichtingenplicht die het college en de burgemeester hebben ten opzichte van de raad. Naast een ingewikkelde inrichting van de bestuursbevoegdheden bevat de Gemeentewet ook behoorlijk aangescherpte regels over de inlichtingenplicht van het college ten opzichte van de raad. Deze regels beogen de politieke verantwoordelijkheid van het college te activeren en de eindverantwoordelijkheid van de raad te bevestigen. Daar is in de eerste plaats de passieve inlichtingenplicht als bedoeld in artikel 169, derde lid, van de Gemeentewet. Dat is de klassieke informatieplicht die het college opdraagt de door de raad gevraagde inlichtingen te verstrekken, tenzij het openbare belang zich daartegen verzet. Dit recht om inlichtingen te vragen komt eveneens toe aan individuele raadsleden. Daarmee is een waarborg in het leven geroepen dat een raadsmeerderheid om (partij)politieke redenen belemmeringen opwerpt tegen het vragen van inlichtingen door een raadslid of raadsminderheid. Wel kan de raad via het reglement van orde op grond van doelmatigheidsoverwegingen een zekere ordening aanbrengen in de wijze waarop het inlichtingenrecht wordt uitgeoefend. De raad gaat immers over de agenda en de vergaderorde. De weigeringsgrond ‘strijd met het openbaar belang’ is wettelijk objectief (‘is’) en algemeen omschreven. De wetgever beoogde daarmee dat een beroep daarop in de praktijk als een hoge uitzondering op de algemene regel zou moeten worden gebruikt. In de praktijk bestaan verschillende wettelijke en politieke figuren om als raad en college met elkaar te communiceren buiten de openbaarheid. Vervolgens kent de gedualiseerde Gemeentewet thans een algemene actieve inlichtingenplicht. Artikel 169, tweede lid, verplicht het college uit eigen beweging de raad alle inlichtingen te verstrekken die de raad nodig heeft voor de uitoefening van zijn taak. Blijkbaar moet het college permanent nagaan welke informatie de raad behoeft voor een goede taakvervulling. Hier liggen grote politieke risico’s als de raad het college in het ongewisse laat over de aard en omvang van de gewenste informatie. In het geval dat raad en college daarover geen afspraken maken is de kans groot dat het college de raad veiligheidshalve overstelpt met papier. Van controleren komt dan weinig terecht en bovendien zijn we dan weer terug in de cultuur van meeregeren uit het monistische tijdperk. Dezelfde risico’s doen zich voor met betrekking tot in een tweede actieve, meer specifieke inlichtingenplicht. Artikel 169, vierde lid, verplicht het college de raad vooraf te informeren over de voorgenomen uitoefening van een gemeentewettelijke bestuursbevoegdheid als bedoeld in artikel 160, eerste lid, onder e, f, g en h, indien de toepassing daarvan ingrijpende gevolgen kan hebben voor de gemeente of indien raad daarom verzoekt. Het college mag dan niet eerder een besluit nemen dan nadat de raad in de gelegenheid is gesteld zijn wensen en bedenkingen naar voren te brengen. Overigens kent ook deze actieve informatieplicht de nodige vaagheid. Wat is ingrijpend? Het antwoord op deze vraag moet volgens de wetgever worden gevonden in de plaatselijke omstandigheden. Waarschijnlijk heeft de wetgever het oog gehad op substantiële financiële gevolgen van privaatrechtelijke overeenkomsten. Blijkbaar moeten raad en college hier zelf een modus voor vinden. Een andere vraag is nog of ook deze inlichtingenplicht wordt beperkt door de weigeringsgrond van het openbaar belang als bedoeld in het derde lid van de artikelen 169 en 180 van de Gemeentewet. Deze vraag kan bevestigend worden beantwoord op basis van ongeschreven gemeenterecht. Het verstrekken van inlichtingen kan overigens niet via de rechter worden afgedwongen.

 

Hoofdstuk 5 Begroting en rekening

 

Artikel 43 Procedure begroting en artikel 44 Procedure jaarrekening

In deze artikelen wordt de procedure voor de begroting en jaarrekening vastgelegd. De desbetreffende procedure kan jaarlijks of in zijn algemeenheid voor een langere periode worden bepaald. In de financiële verordeningen en controleverordeningen van de gemeente Oss (artikel 212, 213, 213a Gemeentewet) wordt de inhoudelijke kant uitgewerkt.

 

Hoofdstuk 6 Lidmaatschap van andere organisaties

 

Artikel 45 Verslag en verantwoording

Leden van de raad (of in voorkomende gevallen de burgemeester, een wethouder of de gemeentesecretaris), die lid zijn van een algemeen bestuur van een gemeenschappelijke regeling, verrichten aldaar hun taak zowel als leden van dat bestuur en als vertegenwoordiger van en in naam van de gemeente. Voor de wijze, waarop zij in het bestuur van de gemeenschappelijke regeling functioneren, zijn zij verantwoording verschuldigd aan de raad, die hen heeft aangewezen. Ook de gemeenschappelijke regeling dient over deze verantwoordingsplicht en over de informatieverstrekking aan de raad bepalingen te bevatten. In het eerste lid van dit artikel is een regeling getroffen voor mondelinge verslaglegging (uiteraard kan ook een ander moment worden gekozen) en wordt aangegeven dat bespreking in een raadscommissie kan plaatsvinden. Indien de gemeente geen commissies heeft kan hier een ander daarvoor geëigend overlegorgaan worden opgenomen. In het tweede lid wordt de mogelijkheid tot het stellen van schriftelijke vragen aangegeven, overeenkomstig de regels, daarvoor gesteld in artikel 41 van het reglement. Het derde lid bevat de procedure voor de ter verantwoording roeping, die aansluit bij de regels voor inlichtingen. Het is zinvol de bepalingen van dit artikel ook van toepassing te verklaren op andere organisaties, waarin de raad een of meer van zijn leden heeft benoemd. Hierbij valt te denken aan privaatrechtelijke rechtspersonen en vennootschappen, zoals een (raad van commissarissen van) een naamloze vennootschap. Hierin voorziet het vierde lid.

 

Hoofdstuk 7 Besloten vergadering

 

Artikel 46 Algemeen

Dit artikel bepaalt dat de bepalingen van dit reglement van overeenkomstige toepassing zijn op een raadsvergadering achter gesloten deuren. Hierbij kan onder meer gedacht worden aan de bepalingen omtrent het tijdig verzenden van stukken, het recht van amendement, het recht van motie, het maken van het verslag. De bepalingen van het reglement zijn echter niet van toepassing, voor zover het toepassen van die bepalingen strijdig is met het besloten karakter van de vergadering. Zo zullen er bijvoorbeeld geen beeld- en geluidsregistraties voor openbaar gebruik gemaakt kunnen worden. Ten aanzien van de stukken die betrekking hebben op een besloten vergadering en het behandelde zal de raad moeten besluiten of geheimhouding als bedoeld in de artikelen 25, 55 en 86 van de Gemeentewet wordt opgelegd dan wel opgeheven. In artikel 23 van de Gemeentewet zijn procedurevoorschriften opgenomen voor 'het sluiten van de deuren', de wijze waarop een vergadering een besloten vergadering wordt.

 

Artikel 47 Verslag

In dit artikel wordt uitwerking gegeven aan artikel 23, derde lid, van de Gemeentewet. In overeenstemming met artikel 19 van het reglement is de raadsgriffier verantwoordelijk voor de beeld- en/of geluidsopname van de raadsvergadering. Dit geldt ook voor een besloten vergadering. Ook van de besloten vergadering wordt een beeld- en/of geluidsopname gemaakt. Deze is voor leden van de raad terug te luisteren bij de raadsgriffier.

 

Artikel 48 Geheimhouding

Hetgeen besproken wordt in een besloten vergadering, valt niet van rechtswege onder de geheimhoudingsplicht. Daarvoor is toepassing van de procedure volgens artikel 25 jo artikel 55 van de Gemeentewet noodzakelijk.

 

Artikel 49 Opheffing geheimhouding

In de aangehaalde artikelen wordt aan de raad de mogelijkheid geboden de geheimhouding van stukken, die niet per se aan hem behoeven te zijn overgelegd, op te heffen. Het kan dus (zie bijvoorbeeld artikel 86, tweede lid Gemeentewet) gaan om de situatie dat de burgemeester geheimhouding heeft opgelegd ten aanzien van stukken die hij aan de raadscommissie heeft overgelegd. De raadscommissie kan dan aan de raad verzoeken de geheimhouding op te heffen (indien de burgemeester daar niet toe bereid is). In het onderhavige artikel is nu ter zake een

overlegverplichting opgenomen waardoor recht wordt gedaan aan het principe van hoor en wederhoor. Op grond van artikel 25, derde en vierde lid van de Gemeentewet kan geheimhouding worden opgelegd door het college, de burgemeester en een commissie, ieder ten aanzien van stukken die zij aan de raad of aan leden van de raad overleggen. De opgelegde geheimhouding met betrekking tot aan de raad overgelegde stukken vervalt, indien de raad de oplegging niet in zijn eerstvolgende vergadering die volgens de presentielijst door meer dan de helft van het aantal zitting hebbende leden is bezocht, wordt bekrachtigd. Als de raad niet van plan is de opgelegde geheimhouding te bekrachtigen, kan het orgaan dat geheimhouding heeft opgelegd, in een besloten vergadering met de raad overleg voeren. Deze besloten vergadering kan dan gaan om de vraag waarom de raad de geheimhouding wil opheffen.

 

Hoofdstuk 8 Toehoorders en pers

 

Artikel 50 Toehoorders en pers

De hier aangegeven procedurebepalingen zijn gebaseerd op de in artikel 26, eerste en tweede lid, van de Gemeentewet gegeven bevoegdheid aan de voorzitter van de raad om toehoorders die de orde verstoren, kan doen vertrekken en bij volharding in hun gedrag de toezegging kan ontzeggen.

 

Artikel 51 Geluid- en beeldregistraties

Aangezien de vergaderingen van de raad in principe openbaar zijn, kunnen radio- en tv-stations geluids- en beeldregistraties maken. Dit is uiteraard niet het geval als het een besloten vergadering betreft.

 

Artikel 52 Verbod gebruik mobiele apparatuur

Dit artikel heeft betrekking op het mobiele telefoonverkeer en hinderlijk gebruik van andere mobiele apparatuur. Het mobiele telefoonverkeer werkt verstorend tijdens de vergadering. Ook het gebruik van tablets kan de vergadering verstoren. Indien deze inbreuk maken op de vergadering kan de voorzitter het gebruik verbieden. Deze bepalingen gelden voor toehoorders en pers. Voor raadsleden geldt het bepaalde in artikel 24.

 

Hoofdstuk 9 Slotbepalingen

 

Artikel 53 Uitleg reglement

Dit artikel behoeft geen toelichting.

 

Artikel 54 Citeertitel

Dit artikel behoeft geen toelichting.

 

Artikel 55 Inwerkingtreding

Dit artikel behoeft geen toelichting.