Gemeenteblad van Almere

Datum publicatieOrganisatieJaargang en nummerRubriek
AlmereGemeenteblad 2019, 181070Beleidsregels



Beleidsregels maatwerkvoorzieningen in het kader van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 en voorzieningen in het kader van de Jeugdwet.

Het college van burgemeester en wethouders van Almere,

gelet op artikel 4:81, eerste lid van de Algemene wet bestuursrecht,

 

overwegende dat het college met betrekking tot de beoordelingsvrijheid bij de uitvoering van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 en de Jeugdwet het noodzakelijk vindt om aan te geven op welke wijze daarmee wordt omgegaan en daartoe beleidsregels vast te stellen,

 

BESLUIT:

 

vast te stellen de navolgende

 

Beleidsregels maatwerkvoorzieningen in het kader van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 en voorzieningen in het kader van de Jeugdwet.

 

 

Hoofdstuk 1: Begripsbepaling

Artikel 1. Begripsomschrijvingen

  • 1.

    Alle begrippen die in deze beleidsregels worden gebruikt hebben dezelfde betekenis als in de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 en de Jeugdwet en de daarop gebaseerde lagere regelgeving.

  • 2.

    Onder maatwerkvoorziening wordt tevens verstaan voorziening.

 

Hoofdstuk 2: Criteria rondom de toekenning van maatwerkvoorzieningen

Artikel 2. Criteria voor een maatwerkvoorziening

Het eerste en tweede lid onder a en b van dit artikel zijn gelijk aan onderdelen van artikel 8 van de

Verordening maatschappelijke ondersteuning Almere 2018. Het derde lid van dit artikel is gelijk artikel 4g van de Verordening jeugdhulp gemeente ALMERE 2018. Deze zijn opgenomen met als doel in deze Beleidsregels een zo volledig mogelijk beeld te geven van de toetsingscriteria en het afwegingskader.

 

Maatwerkvoorzieningen op het gebied van zelfredzaamheid en participatie

  • a.

    een cliënt komt in aanmerking voor een maatwerkvoorziening ter compensatie van de beperkingen in de zelfredzaamheid of participatie die de cliënt ondervindt, voor zover de cliënt deze beperkingen naar het oordeel van het college niet op eigen kracht, met gebruikelijke hulp, met mantelzorg of met hulp van andere personen uit zijn sociale netwerk dan wel met gebruikmaking van algemeen gebruikelijke voorzieningen of algemene voorzieningen kan verminderen of wegnemen. De maatwerkvoorziening levert, rekening houdend met de uitkomsten van het onderzoek, een passende bijdrage aan het realiseren van een situatie waarin de cliënt in staat wordt gesteld tot zelfredzaamheid of participatie en zo lang mogelijk in de eigen leefomgeving kan blijven.

  • b.

    een cliënt komt alleen in aanmerking voor een maatwerkvoorziening als:

  • de noodzaak tot ondersteuning voor de cliënt redelijkerwijs niet vermijdbaar was, en

  • de voorziening voorzienbaar was, maar van de cliënt redelijkerwijs niet verwacht kon worden maatregelen te hebben getroffen die de hulpvraag overbodig had gemaakt.

  • c.

    Als een maatvoorziening noodzakelijk is ter vervanging van een eerder door het college verstrekte voorziening, wordt deze slechts verstrekt als de eerder verstrekte voorziening technisch is afgeschreven, :

  • tenzij de eerder verstrekte voorziening verloren is gegaan als gevolg van omstandigheden die niet aan de cliënt zijn toe te rekenen;

  • tenzij de cliënt geheel of gedeeltelijk tegemoet komt in de veroorzaakte kosten, of

  • als de eerder verstrekte voorziening niet langer een oplossing biedt voor de behoefte van de cliënt aan maatschappelijke ondersteuning.

 

Maatwerkvoorzieningen in de vorm van Ondersteuningsarrangementen

Het college kan maatwerkvoorzieningen verstrekken in de vorm van één van de volgende samenhangende ondersteuningsarrangementen:

  • Ondersteuningsarrangement voor personen met ondersteuningsvragen als gevolg van psychosociale problematiek of van (een vermoeden van) psychische problematiek

  • Ondersteuningsarrangementen gericht op personen met ondersteuningsvragen als gevolg van een (vermoeden van een) licht verstandelijke beperking

  • Ondersteuningsarrangementen gericht op personen met ondersteuningsvragen als gevolg van cognitieve achteruitgang en of (een vermoeden) van dementie (psychogeriatrische problematiek)

  • Ondersteuningsarrangementen gericht op personen met ondersteuningsvragen als gevolg van lichamelijke achteruitgang (mogelijk door een lichamelijke beperking, neurologische aandoening, een chronische ziekte of NAH).

  • Ondersteuningsarrangement voor personen met ondersteuningsvragen als gevolg van een zintuigelijke beperking (zonder co morbiditeit)

  • Ondersteuningsarrangementen Beschermd wonen (midden en hoog)

  • Ondersteuningsarrangement Beschut wonen.

Elk ondersteuningsarrangement bestaat uit één of meerdere pakketten, waarbij de ondersteuning per pakket toeneemt.

 

Maatwerkvoorzieningen op het gebied van beschermd wonen of opvang.

  • a.

    Een cliënt komt in aanmerking voor een maatwerkvoorziening ter compensatie van de problemen bij het zich handhaven in de samenleving van de cliënt met psychische of psychosociale problemen en de cliënt die de thuissituatie heeft verlaten, al dan niet in verband met risico’s voor zijn veiligheid als gevolg van huiselijk geweld, voor zover de cliënt deze problemen naar het oordeel van het college niet op eigen kracht, met gebruikelijke hulp, met mantelzorg of met hulp van andere personen uit zijn sociale netwerk dan wel met gebruikmaking van algemene voorzieningen kan verminderen of wegnemen.

  • b.

    De maatwerkvoorziening levert, rekening houdend met de uitkomsten van het onderzoek, een passende bijdrage aan het voorzien in de behoefte van de cliënt aan beschermd wonen of opvang en aan het realiseren van een situatie waarin de cliënt in staat wordt gesteld zo zich snel mogelijk weer op eigen kracht te handhaven in de samenleving.

  • c.

    Specifieke criteria voor het verlenen van de maatwerkvoorziening ‘beschermd wonen’ zijn:

  • cliënt is 18 jaar of ouder;

  • 24 uurs toezicht en begeleiding is noodzakelijk;

  • cliënt is bij aanmelding gediagnosticeerd met een psychiatrisch ziektebeeld;

  • de psychiatrische diagnose is gesteld en ondertekend door een daartoe bevoegde professional.

 

Maatwerkvoorzieningen voor jeugdigen.

  • a.

    Een cliënt komt in aanmerking voor een individuele voorziening ter compensatie van de problemen die zich kunnen voordoen bij jeugdigen,

  • indien andere mogelijkheden om het opvoed- of opgroeiprobleem op te lossen of draagbaar te maken voor de jeugdige en zijn omgeving, zijn uitgeput. Deze problemen kunnen zich voordoen ten gevolge van (vermoedelijke) onveiligheid, of een (vermoedelijke) psychische stoornis, of een licht verstandelijke beperking;

  • indien het eigen netwerk en de cliënt instemt met de individuele voorziening. In uitzonderlijke gevallen kan de individuele voorziening beargumenteerd zonder die instemming worden ingezet;

  • indien er sprake is van een (wettelijk vereist) hulpplan waarvan de doelen en duur bij alle betrokkenen bekend zijn. Onderdeel van dit hulpplan is een plan van aanpak voor na het hulptraject (nazorg-plan). Data voor start en einde zorg zijn duidelijk voor de cliënt.

  • b.

    Een individuele voorziening wordt ook ingezet als er sprake is van een acute onveilige situatie, of wanneer de jeugdige naar inzicht van het College ernstig in zijn/haar ontwikkeling wordt bedreigd.

  • c.

    Een individuele voorziening kan tevens worden ingezet als onderdeel van een jeugdbeschermingsmaatregel door een daartoe gecertificeerde instelling als bedoeld in hoofdstuk 3 van de Jeugdwet.

  • .

    Als een individuele voorziening noodzakelijk is, verstrekt het college de goedkoopst adequate voorziening.

 

Maatwerkvoorzieningen en schuldenproblematiek

Op basis van artikel 3.8, lid 4, sub g Uitvoeringsbesluit Wmo 2015 kan vrijstelling worden gegeven aan cliënten die tijdelijk niet beschikken over voldoende vrij besteedbaar inkomen om aan de betalingsverplichting inzake de eigen bijdrage te voldoen. De gemeente stelt dit op volgende wijze vast:

  • er is sprake van schulden problematiek én

  • cliënt kan geen beroep doen op de vergoeding van de eigen bijdrage via de aanvullende zorgverzekering én

  • cliënt werkt mee aan een traject “Ondersteuning schuldenstabilisatie (OSS)” of “Schulddienstverlening” (SDV: minnelijke of wettelijke schuldregeling) én

  • er is door de betrokken schulddienstverlener/maatwerker OSS schriftelijk vastgesteld dat er niet voldoende vrij besteedbaar inkomen is om de eigen bijdrage te voldoen.

 

Hoofdstuk 3: Afwegingskader rondom de toekenning van maatwerkvoorzieningen

Artikel 3. Eigen kracht

De eerste zin van dit artikel is gelijk aan de omschrijving als vermeld in artikel 1 van de Verordening maatschappelijke ondersteuning Almere 2018. Deze zin is opgenomen met als doel in deze beleidsregels een zo volledig mogelijk beeld te geven van de toetsingscriteria en het afwegingskader.

Onder eigen kracht wordt verstaan datgene wat de cliënt en zijn directe omgeving in redelijkheid kunnen doen om tot zelfredzaamheid of participatie te komen. De cliënt moet zich inspannen om dát aan te wenden wat binnen zijn bereik ligt om in zijn ondersteuningsbehoefte te voorzien.

 

Artikel 4. Gebruikelijke hulp

  • 1.

    Onder gebruikelijke hulp wordt verstaan hulp die naar algemeen aanvaarde opvattingen in redelijkheid mag worden verwacht van de echtgenoot, ouders, inwonende kinderen of andere huisgenoten die onderdeel uitmaken van dezelfde leefeenheid. Onder een leefeenheid worden alle bewoners verstaan die gezamenlijk een huishouding voeren.

  • 2.

    Of sprake is van gebruikelijke hulp is afhankelijk van de volgende factoren:

  • a.

    de aard en de omvang van de ondersteuningsbehoefte van de cliënt.

  • b.

    de aard van de relatie van de personen die onderdeel zijn van dezelfde leefeenheid

  • c.

    de leeftijd en ontwikkelingsfase van inwonende kinderen

  • d.

    de leerbaarheid van de cliënt en/of de personen van wie de gebruikelijke hulp kan worden gevraagd.

  • 3.

    De nadere uitwerking van het begrip gebruikelijke hulp en de weging van voorgenoemde factoren is opgenomen in de bijlage bij deze Beleidsregels.

 

Artikel 5. Mantelzorg

Het eerste lid van dit artikel is gelijk aan de omschrijving als vermeld in artikel 1 van de Verordening maatschappelijke ondersteuning Almere 2018. Deze zin is opgenomen met als doel in deze Beleidsregels een zo volledig mogelijk beeld te geven van de toetsingsingscriteria en het afwegingskader.

  • 1.

    Bij mantelzorg gaat het om hulp ten behoeve van zelfredzaamheid, participatie, beschermd wonen, opvang, jeugdhulp, het opvoeden en opgroeien van jeugdigen en zorg en overige diensten als bedoeld in de Zorgverzekeringswet, die rechtstreeks voortvloeit uit een tussen personen bestaande sociale relatie en die niet wordt verleend in het kader van een hulpverlenend beroep.

  • 2.

    Bij mantelzorg wordt de normale (gebruikelijke) hulp in zwaarte, duur en/of intensiteit aanmerkelijk overschreden. Mantelzorg vindt plaats op basis van vrijwilligheid, dat wil zeggen dat de mantelzorger bereid en in staat geacht mag worden deze zorg te leveren.

 

Artikel 6. Algemeen gebruikelijke voorzieningen

Het eerste lid van dit artikel is gelijk aan de omschrijving als vermeld in artikel 1 van de Verordening maatschappelijke ondersteuning Almere 2018. Deze zin is opgenomen met als doel in deze Beleidsregels een zo volledig mogelijk beeld te geven van de toetscriteria en het afwegingskader

  • 1.

    Onder een algemeen gebruikelijke voorziening wordt verstaan een voorziening die:

  • a.

    algemeen verkrijgbaar is; en

  • b.

    niet speciaal bedoeld is voor mensen met een beperking; en

  • c.

    niet of niet veel duurder is dan vergelijkbare producten;

  • 2.

    Een algemene gebruikelijke voorziening is een voorliggende voorziening waarvan gebruik moet worden gemaakt als deze voor handen is en in redelijkheid een (gedeeltelijke) oplossing biedt voor de ondersteuningsbehoefte van de cliënt.

  • 3.

    Wanneer er sprake is van een plotseling optredende noodzaak tot aanschaf of vervanging van een voorziening en deze zijn oorsprong vindt in de beperkingen van de cliënt, kan dat er toe leiden dat een algemeen gebruikelijke voorziening voor de persoon als cliënt toch niet algemeen gebruikelijk is.

  • 4.

    Onder algemeen gebruikelijk wordt tevens verstaan de vervanging van algemeen gebruikelijke voorzieningen die technisch of economisch zijn afgeschreven en onder normale omstandigheden ook vervangen zouden moeten worden. Van de cliënt mag verwacht worden dat deze bij vervanging en/of renovatie rekening houdt met de bestaande beperkingen en de beperkingen die op het moment van de aanvraag te voorzien zijn.

  • 5.

    Wanneer cliënt op grond van de beperkingen die hij ondervindt speciale uitvoeringen nodig heeft van voorzieningen die algemeen gebruikelijk zijn, komen alleen de meerkosten voor vergoeding in aanmerking.

 

Artikel 7. Algemene voorziening

  • 1.

    Een algemene voorziening is een aanbod van diensten of activiteiten dat, zonder voorafgaand onderzoek naar de behoeften, persoonskenmerken en mogelijkheden van de gebruikers, toegankelijk is en dat is gericht op maatschappelijke ondersteuning.

  • 2.

    Indien een algemene voorziening beschikbaar is hoeft er geen maatvoorziening verstrekt te worden. Er moet altijd op individueel niveau onderzocht worden of de cliënt met de algemene voorziening voldoende resultaat kan behalen.

 

Artikel 8. Goedkoopst passende voorziening

  • 1.

    Indien het college een maatwerkvoorziening noodzakelijk acht, dan wordt de goedkoopst adequate voorziening verstrekt. Hieruit vloeit voort dat:

  • a.

    bij de vaststelling van een te verstrekken maatwerkvoorziening in het kader van vervoer eerst wordt onderzocht of collectief georganiseerde maatwerkvoorzieningen, zoals bijvoorbeeld het Mobiliteitslab, een passende oplossing kunnen bieden voor de cliënt.

  • b.

    bij het verlenen van voorzieningen gericht op het geschikt maken van de woning van de cliënt een kostenafweging wordt gemaakt tussen het aanpassen van de huidige woonruimte enerzijds en de mogelijkheid om te verhuizen anderzijds. Binnen deze kostenafweging wordt rekening gehouden met de huidige en de voorzienbare aanpassingskosten van de reeds bewoonde woning en de eventuele aanpassingskosten van de nieuwe woning. Indien uit deze kostenafweging blijkt dat verhuizen de goedkoopst passende voorziening is en er binnen een aanvaardbare termijn een andere woning beschikbaar is, dan wordt het primaat van verhuizen toegepast en kan er een verhuiskostenvergoeding toegekend worden. Het primaat van verhuizen wordt toegepast indien de woningaanpassingen een bedrag van € 6.807,- overstijgen.

  • c.

    Van het primaat van verhuizen, zoals bedoeld in lid 1 onder b van dit artikel, kan worden afgeweken als een verhuizing vanuit maatschappelijke oogpunt onaanvaardbaar wordt geacht. Daarvan is bijvoorbeeld sprake in de situatie waarin de cliënt zwaarwegende mantelzorg ontvangt die niet verplaatsbaar is naar een andere woning, als er een medische contra-indicatie is voor verhuizing of wanneer de psychosociale gevolgen van een verhuizing dermate belastend zijn dat een verhuizing in redelijkheid niet kan worden gevergd.

 

Hoofdstuk 3a: Ondersteuningsarrangementen

Artikel 9. Werkproces rondom de toekenning van een ondersteuningsarrangement

  • 1.

    Indien een maatwerkvoorziening noodzakelijk is, kan gekozen worden voor het verstrekken van een ondersteuningsarrangement zoals beschreven in artikel 8a van de verordening maatschappelijke ondersteuning Almere.

  • 2.

    Eerst wordt bepaalt welk ondersteuningsarrangement en welke categorie er verstrekt moet worden. Bij indeling van de hulp in de categorieën licht, midden en zwaar wordt een relatie gelegd met de pakketten A, B en C uit artikel 10 van deze beleidsregels.

  • 3.

    Na de bepaling van een ondersteuningsarrangement en categorie kiest de cliënt een zorgaanbieder en wordt een contactpersoon bij deze zorgaanbieder toegewezen. Het contact tussen de cliënt en deze contactpersoon komt binnen twee werkdagen tot stand.

  • 4.

    De contactpersoon van de zorgaanbieder maakt samen met de cliënt een ondersteuningsplan dat inzicht geeft in de aard van de hulp, de hoeveelheid hulp, de frequentie en het tijdstip van de hulp.

  • 5.

    Het ondersteuningsplan wordt getoetst door het college, waarna het wordt opgenomen als onderdeel van de beschikking.

 

Artikel 10. Keuze van een ondersteuningsarrangement en pakket

Voor de keuze van een ondersteuningsarrangement geldt het hierna opgenomen afwegingskader.

  • 1.

    Psychosociale problematiek, licht verstandelijke beperking, cognitieve achteruitgang /psychogeriatrische problematiek

  • a.

    Pakket A: in de regel van toepassing wanneer cliënt in hoge mate zelf de regie heeft, zelf de benodigde zorg kan aangeven, initiëren en organiseren, open staat voor hulp, problemen op één levensgebied ervaart (voeren van het huishouden), een dag invulling heeft, niet of nauwelijks beperkingen in zijn sociale redzaamheid ervaart en beperkingen van functionele aard heeft.

  • b.

    Pakket B: in de regel van toepassing wanneer cliënt In beperkte mate zelf de regie heeft, zelf beperkt de benodigde zorg kan aangeven, initiëren en organiseren, beperkt openstaat voor hulp, problemen op één of meerdere levensgebieden ervaart, een eigen steunend netwerk heeft, mogelijk afnemende dag invulling heeft, lichte beperkingen in zijn sociale redzaamheid ervaart, lichte problemen van functionele, sociale en/of psychische aard ervaart/heeft en een eventuele progressieve aandoening ontwikkelt zich niet agressief.

  • c.

    Pakket C: in de regel van toepassing wanneer cliënt weinig tot geen eigen regie heeft, niet zelf of in beperkte mate zelf de benodigde zorg kan aangeven, initiëren en organiseren, mogelijk beperkt openstaat voor hulp of zorg-mijdend gedrag vertoont bijvoorbeeld vanwege beperkt/geen ziekte inzicht, problemen op meerdere levensgebieden heeft, een beperkt of geen eigen steunend netwerk heeft, mogelijk afnemende of geen dag invulling heeft, beperkingen in zijn sociale redzaamheid ervaart, mogelijk ernstige problemen van functionele, sociale en/of psychische aard heeft en een eventuele progressieve aandoening ontwikkelt zich (mogelijk) agressief.

  • d.

    Onafhankelijk van deze indeling naar pakketten is het indiceren van een voorziening op basis van individuele behoeften, persoonskenmerken en mogelijkheden van categorieën personen mogelijk.

 

  • 2.

    Lichamelijke achteruitgang

  • a.

    Pakket A: in de regel van toepassing wanneer cliënt in hoge mate zelf de regie heeft, zelf de benodigde zorg kan aangeven, initiëren en organiseren, open staat voor hulp, problemen op één levensgebied ervaart (voeren van het huishouden), een dag invulling heeft, niet of nauwelijks beperkingen in zijn sociale redzaamheid ervaart en beperkingen van functionele aard heeft.

  • b.

    Onafhankelijk van deze indeling naar pakketten is het indiceren van een voorziening op basis van individuele behoeften, persoonskenmerken en mogelijkheden van categorieën personen mogelijk.

 

  • 3.

    Lichamelijke achteruitgang en chronische ziekte of NAH

  • a.

    Pakket B: in de regel van toepassing wanneer cliënt in hoge mate zelf de regie heeft, zelf de benodigde zorg kan aangeven, initiëren en organiseren, open staat voor hulp, problemen op één levensgebied ervaart (voeren van het huishouden), een daginvulling heeft, niet of nauwelijks beperkingen in zijn sociale redzaamheid ervaart en beperkingen van functionele aard heeft.

  • b.

    Pakket C: in de regel van toepassing wanneer cliënt in beperkte mate zelf de regie heeft, zelf beperkt de benodigde zorg kan aangeven, initiëren en organiseren, beperkt openstaat voor hulp, problemen op één of meerdere levensgebieden ervaart, een eigen steunend netwerk heeft, mogelijk afnemende dag invulling heeft, lichte beperkingen in zijn sociale redzaamheid ervaart, lichte problemen van functionele, sociale en/of psychische aard ervaart en eventueel een progressieve aandoening heeft die zich niet agressief ontwikkelt.

  • c.

    Onafhankelijk van deze indeling naar pakketten is het indiceren van een voorziening op basis van individuele behoeften, persoonskenmerken en mogelijkheden van categorieën personen mogelijk.

 

  • 4.

    Beschermd wonen (midden)

  • a.

    Cliënten hebben een (complexe) psychiatrische aandoening en ondervinden daar in het dagelijks leven beperkingen van. Er is zorg, begeleiding, bescherming en stabiliteit nodig in een veilige en weinig eisende woonomgeving. Deze intensieve zorg en begeleiding zijn gericht op het omgaan met deze beperkingen (cognitief en psychisch), het beheersbaar houden en gaandeweg doen afnemen van gedragsproblematiek. Deze begeleiding is continue aanwezig.

  • b.

    De cliënten hebben ten aanzien van hun sociale redzaamheid in het algemeen dagelijks leven intensieve begeleiding nodig. Er zijn forse beperkingen bij het onderhouden van sociale relaties en het invullen van de dag. Er zijn forse beperkingen in de vaardigheden die nodig zijn voor het oplossen van problemen, het nemen van besluiten en bij het uitvoeren van eenvoudige en wat complexere taken. Tevens kan er bij aanvang van de zorg sprake zijn van een beperkt zelfinzicht in hun eigen aandeel in (interactie)problemen en/of kan het ontbreken aan motivatie om doelgericht te gaan werken aan (herstel)doelen. Begeleiding is nodig bij beheren van geld en verrichten van administratieve handelingen. Cliënten reizen doorgaans met begeleiding.

 

  • 5.

    Beschermd wonen (hoog)

  • a.

    Cliënten hebben een actieve (complexe) psychiatrische aandoening, vaak in combinatie met ernstig gedragsproblematiek, een somatische aandoening, een lichamelijke handicap, een verstandelijke beperking en/of een verslaving. Cliënten zijn beperkt gevoelig en gemotiveerd voor begeleiding en correctie, hebben geen inzicht in hun eigen aandeel bij (interactie)problemen en er is een relatief beperkt leervermogen. Er is sprake van verbaal agressief gedrag, manipulatie, dwangmatig, destructief en reactief gedrag (o.a.) met betrekking tot interactie.

  • b.

    Er is zeer intensieve zorg, begeleiding, bescherming en stabiliteit nodig in een veilige en weinig eisende woonomgeving (gecontroleerde in- en uitgang). Deze intensieve zorg en begeleiding zijn gericht op het (in de eerste instantie) overnemen van taken op alle levensterreinen, het leren omgaan waar mogelijk met de beperkingen (cognitief en psychisch), het beheersbaar houden en gaandeweg doen afnemen van gedragsproblematiek en is continue aanwezig. Deze begeleiding is tevens waar mogelijk gericht op het ontwikkelen van zelfregie en zelfredzaamheid.

  • c.

    De cliënten hebben ten aanzien van hun sociale redzaamheid in het algemeen dagelijks leven intensieve begeleiding nodig. Cliënten zijn nauwelijks in staat om sociale relaties te onderhouden en invulling te geven aan de dag. Er ontbreken vaardigheden die nodig zijn voor het oplossen van problemen, het nemen van besluiten en bij het uitvoeren van eenvoudige en wat complexere taken. Het aanleren van deze vaardigheden is bijna niet mogelijk. Begeleiding en/of overnemen van het beheren van geld en verrichten van administratieve handelingen is nodig. Cliënten reizen met begeleiding.

 

  • 6.

    Beschut Wonen

  • a.

    De Tussenvoorziening Beschut Wonen is uitstroomproduct van Beschermd Wonen wat maximaal voor een jaar ingezet kan worden. Het is gericht op zelfstandig wonen met eventueel ambulante begeleiding. Het betreft wonen in een accommodatie waarbij een beroep gedaan kan worden op 24-uurs zorg.

  • b.

    Cliënten hebben een psychiatrische/ psychische aandoening, mogelijk in combinatie met een verstandelijke beperking. Op het gebied van de psychiatrische aandoening is stabiliteit behaald, echter is het nog noodzakelijk dat er dagelijks contact is met de cliënt om dit te monitoren. Eventueel middelengebruik van de cliënt staat herstel richting het vergroten van de zelfredzaamheid niet in de weg. Het gebruik is onder controle en werkt niet ontwrichtend voor de groep/ medebewoners. Cliënt is overwegend in staat om zelf een beroep op zorg/ begeleiding te kunnen doen. Cliënt heeft eventuele medicatie in eigen beheer. Cliënt is therapietrouw (behandeling en medicatie). Cliënt is nog deels afhankelijk van de structuur van de woonvorm en maakt (wekelijks) gebruik van de voorzieningen van de woonvorm.

  • c.

    Cliënt beheerst basale ADL-vaardigheden. Het betreft vaardigheden gericht op het behouden van de lichamelijke veiligheid en welzijn (wassen, aankleden, lichamelijke verzorging, aankleden, voeden, toiletbezoek en je zelfstandig fysiek kunnen verplaatsen.

  • d.

    Cliënt beheerst minimale instrumentele ADL-vaardigheden. Het betreft vaardigheden gericht op veilig en duurzaam functioneren in zijn/haar omgeving: koken, vervoeren, inkopen doen, huishoudelijk werk, administratie, medicatie innemen en het gebruiken van apparaten en producten wanneer cliënt ze nodig heeft en hij/zij gebruikt dit op de juiste manier.

 

Artikel 11. Hulp bij het huishouden

  • 1.

    De omvang van hulp bij het huishouden wordt in de beschikking opgenomen als frequentie maal activiteit.

  • 2.

    Indien hetgeen bepaald in het eerste lid van dit artikel leidt tot onvoldoende passende ondersteuning voor de cliënt, kan het college ervoor kiezen om hulp bij het huishouden toe te kennen in tijdseenheden. In die gevallen wordt de omvang van hulp bij het huishouden bepaald op basis van de Wmo-richtlijn indicatieadvisering voor Hulp bij het huishouden, versie 1.0 van het CIZ van december 2006.

  • 3.

    De cliënt en/of diens mantelzorger worden betrokken bij de invulling van de ondersteuning die wordt geboden in het kader van de indicatie voor hulp bij het huishouden.

 

Artikel 12. Individuele begeleiding

  • 1.

    Voor het indiceren van individuele begeleiding geldt het afwegingskader uit artikel 10.1 (psychosociale problematiek)

  • 2.

    De omvang van de indicatie in tijd is sterk afhankelijk van individuele omstandigheden. Het ondersteuningsplan vermeldt het verwachte aantal uren per periode. Cliënt en aanbieder leggen afspraken schriftelijk vast over de mate waarin en op welk moment individuele begeleiding wordt ingezet.

 

Artikel 13. Dagbesteding

  • 1.

    Voor het indiceren van dagbesteding geldt het afwegingskader uit artikel 10.1 (psychosociale problematiek)

  • 2.

    De omvang van de indicatie in dagdelen is afhankelijk van individuele omstandigheden. Het ondersteuningsplan vermeldt het aantal dagdelen per periode.

  • 3.

    De dagactiviteiten in groepsverband moeten programmatisch/ methodisch zijn, gericht op het structureren van de dag, op praktische ondersteuning en op het oefenen van vaardigheden die de zelfredzaamheid bevorderen.

  • 4.

    Onder dagbesteding wordt niet verstaan: een reguliere dagstructurering zoals die in de woon-/verblijfsituatie wordt geboden. Ook welzijnsactiviteiten zoals zang, bingo, uitstapjes en dergelijke vallen niet onder de voorziening dagbesteding, omdat dit onder de welzijnsvoorzieningen valt. Bij dagbesteding is géén sprake van integrale behandeling. De persoonlijke contacten, tijdens de dagactiviteiten, zijn een integraal onderdeel van de dagbesteding.

  • 5.

    Bij dagbesteding is er geen noodzaak voor permanent toezicht.

  • 6.

    Voor vervoer naar de locatie van de dagbesteding is de aanbieder verantwoordelijk.

 

Hoofdstuk 4: PGB Kwaliteitseisen

Artikel 14. Kwaliteitseisen PGB die van toepassing zijn bij zorgverlening in het kader van de Wmo.

14a. Kwaliteitseisen bij zorgverlening door een daartoe opgeleid persoon:

  • De zorgverlener biedt hulp die veilig, doeltreffend, doelmatig is en cliëntgericht wordt verleend en is afgestemd op de reële behoefte van de cliënt.

  • De zorgverlener werkt voor het verlenen van hulp met een plan van aanpak, waarover is overlegd met de cliënt en waaruit in elk geval blijkt dat wordt gewerkt aan de doelen van het persoonlijke ondersteuningsplan (POP) en uitvoeringsplan.

  • De zorgverlener werkt bij het verlenen van de hulp actief en integraal samen met andere zorgverleners en zorgt ervoor dat de hulp aansluit bij hulp die wordt geboden vanuit het sociale netwerk van de cliënt.

  • De zorgverlener kan grenzen van het eigen kunnen en bevoegdheden inschatten en aangeven wanneer andere ondersteuning is gewenst of wanneer op- of afgeschaald kan worden.

  • De zorgverlener is ingeschreven in het handelsregister en uit de omschrijving van deze inschrijving blijkt dat zijn activiteiten bestaan uit het verlenen van hulp zoals bedoeld in de Wmo 2015.

  • De zorgverlener beschikt aantoonbaar over een afgeronde opleiding die passend is bij de te verrichten activiteiten.

  • De zorgverlener is bij de gemeente niet bekend vanwege ondeskundige zorg, het handelen in strijd met relevante wetgeving of beleidsregels, misleiding, fraude en/of uitbuiting van personeel.

  • De zorgverlener dient te beschikken over een Verklaring Omtrent het Gedrag (VOG), die niet ouder is dan 12 maanden voorafgaand aan de ingangsdatum van de zorgverlening.

  • De zorgverlener voldoet bij het verrichten van de activiteiten aantoonbaar aan de relevante professionele en branchegerichte standaarden.

14b. Kwaliteitseisen bij zorgverlening door een niet daartoe opgeleid persoon:

  • De zorgverlener biedt hulp die veilig, doeltreffend, doelmatig is en cliëntgericht wordt verleend en is afgestemd op de reële behoefte van de cliënt.

  • De zorgverlener werkt actief en integraal samen met andere zorgverleners in het belang van de zorgontvanger.

  • De zorgverlener werkt aantoonbaar aan de doelen van het persoonlijke ontwikkelingsplan en uitvoeringsplan.

  • De zorgverlener kan grenzen van het eigen kunnen inschatten en aangeven wanneer andere ondersteuning is gewenst of wanneer op- of afgeschaald dient te worden.

  • De zorgverlener dient, indien gevraagd, te beschikken over een Verklaring Omtrent het Gedrag (VOG), die niet ouder is dan 12 maanden voorafgaand aan de ingangsdatum van de zorgverlening.

  • De zorgverlener is bij de gemeente niet bekend vanwege ondeskundige zorg, het handelen in strijd met relevante wetgeving of beleidsregels, misleiding en/of fraude.

 

Artikel 15. Kwaliteitseisen die van toepassing zijn bij Beschermd wonen in een instelling, waarvan de bewoners hun verblijf vanuit een PGB bekostigen:

15a. Tarief beschermd wonen indicatie midden en hoog.

In artikel 11, lid 9 onder f van de Verordening maatschappelijke ondersteuning Almere 2018 wordt vermeld dat de hoogte van het tarief pgb beschermd wonen wordt bepaald door de indicatiestelling. Er geldt een apart tarief voor de indicatiestelling beschermd wonen midden en beschermd wonen hoog. De indicatie beschermd wonen midden of hoog wordt bepaald aan de hand van de volgende criteria:

 

BW-Midden

Cliënten hebben een (complexe) psychiatrische aandoening en ondervinden daar in het dagelijks leven beperkingen van. Er is zorg, begeleiding, bescherming en stabiliteit nodig in een veilige en weinig eisende woonomgeving. Deze intensieve zorg en begeleiding is gericht op het omgaan met deze beperkingen (cognitief en psychisch), het beheersbaar houden van gedragsproblematiek en is continue aanwezig.

De cliënten hebben ten aanzien van hun sociale redzaamheid in het algemeen dagelijks leven intensieve begeleiding nodig. Er zijn forse beperkingen bij het onderhouden van sociale relaties en het invullen van de dag. Er zijn forse beperkingen in de vaardigheden die nodig zijn voor het oplossen van problemen, het nemen van besluiten en bij het uitvoeren van eenvoudige en wat complexere taken. Begeleiding is nodig bij beheren van geld en verrichten van administratieve handelingen. Cliënten reizen doorgaans met begeleiding.

 

BW-Hoog

Cliënten hebben een actieve (complexe) psychiatrische aandoening, vaak in combinatie met een ernstig gedragsproblematiek, somatische aandoening, lichamelijke handicap, verstandelijke beperking en/of verslaving. Cliënten zijn beperkt gevoelig voor correctie, hebben geen inzicht in hun eigen aandeel bij interactie problemen en er is een relatief beperkt leervermogen. Er is sprake van verbaal agressief gedrag, manipulatie, dwangmatig, destructief en reactief gedrag met betrekking tot interactie.

Er is zeer intensieve zorg, begeleiding, bescherming en stabiliteit nodig in een veilige en weinig eisende woonomgeving (gecontroleerde in- en uitgang). Deze intensieve zorg en begeleiding is gericht op het overnemen van taken op alle levensterreinen, het leren omgaan waar mogelijk met de beperkingen (cognitief en psychisch), het beheersbaar houden van gedragsproblematiek en is continue aanwezig.

De cliënten hebben ten aanzien van hun sociale redzaamheid in het algemeen dagelijks leven intensieve begeleiding nodig. Cliënten zijn nauwelijks in staat om sociale relaties te onderhouden en invulling te geven aan de dag. Er ontbreken vaardigheden die nodig zijn voor het oplossen van problemen, het nemen van besluiten en bij het uitvoeren van eenvoudige en wat complexere taken. Het aanleren van deze vaardigheden is bijna niet mogelijk. Begeleiding en/of overnemen van het beheren van geld en verrichten van administratieve handelingen is nodig. Cliënten reizen met begeleiding.

 

15b. Kwaliteit:

  • De instelling borgt dat gedurende het beschermd wonen de doelen geformuleerd in het zorgplan van de cliënt worden nagestreefd; het zorgplan bevat o.a. een crisissignaleringsplan.

  • De instelling voert ondersteuning uit met respect voor en inachtneming van de rechten van de cliënt;

  • De instelling gaat waar mogelijk uit van de zelfredzaamheid en het zelf oplossend vermogen van de cliënt.

  • De instelling biedt 24 uurs toezicht en begeleiding.

  • De instelling beschikt over een meldcode huiselijk geweld en kindermishandeling welke is beschreven en wordt nageleefd conform de Wet Verplichte Meldcode Huiselijk Geweld en Kindermishandeling.

  • De instelling draagt er zorg voor dat zijn personeel kennis heeft van de meldcode en deze in voorkomende gevallen gebruikt.

 

15c. Afstemming met de cliënt:

  • De instelling informeert de cliënt bij aanvang van het beschermd wonen over zaken zoals de klachtenregeling en de vertrouwenspersoon;

  • De instelling toont aan op welke wijze zij zoveel mogelijk werkt met vast contactpersonen voor de cliënt voor de duur van het traject (professioneel of ervaringsdeskundige);

  • De instelling stelt begeleidingsplannen en ondersteuningsplannen op;

  • De instelling draagt zorg voor continuïteit van de ondersteuning in geval van bijvoorbeeld ziekte en vakantie. Deze continuïteit zal de instelling vormgeven in overleg met de gemeente Almere en met inachtneming van de eisen die de gemeente Almere aan de hulpverlening stelt voor die bepaalde locatie.

 

15d. Klachtenprocedure:

  • De instelling beschikt over een protocol klachtenprocedure en dient aan te geven op welke wijze zijn organisatie omgaat met klachtenafhandeling;

  • Klachten over de (dienstverlening van de) instelling worden afgehandeld door de instelling. Hiertoe beschikt deze over een eigen klachtenregeling (inclusief klachtenregistratie) conform de Wet kwaliteit, klachten en geschillen zorg. Onder een klacht wordt verstaan een schriftelijke of mondelinge uiting van ongenoegen over de wijze waarop een organisatie, dan wel een personeelslid daarvan, zich in een bepaalde aangelegenheid jegens een natuurlijke of rechtspersoon heeft gedragen.

 

15e. Locatie:

  • De instelling zorgt voor een locatie die veilig is. Hieronder wordt verstaan de lichamelijke veiligheid en integriteit én geestelijke veiligheid en integriteit van de cliënt;

  • Het verblijf is passend voor cliënt;

  • Zit-/slaapvoorzieningen worden aangepast aan de zorgbehoefte van de cliënt (bijvoorbeeld hoog/laagbed, etc.);

  • De locatie waar het aanbod plaatsvindt, voldoet aan alle wettelijke eisen;

  • Er is een rolstoeltoegankelijke douche/toiletvoorzieningen aanwezig indien relevant voor de cliënt; • Er is alarmering op woonvoorziening aanwezig indien relevant voor de cliënt.

 

15f. Doorverwijzing:

De instelling draagt zorg voor een goede samenwerking met de professionals in de Sociale wijkteams, de Centrale Toegang GGD en andere relevante actoren om bij te dragen aan het effectief opereren van de centrale toegang. Bij uitstroom zorgt de instelling voor een warme overdracht aan het lokale wijkteam.

 

15g. Medewerkers

  • Het in te zetten personeel van de instelling, dat beroepsmatig in contact kan komen met cliënten, beschikt over een Verklaring Omtrent Gedrag die niet ouder is dan 12 maanden voorafgaand aan het in dienst treden van de werknemer;

  • Werknemers van de instelling zijn cultuursensitief: bij de bejegening van cliënten, behandeling en/of in te zetten methodieken wordt rekening gehouden met de religieuze en/of culturele achtergrond van de cliënt;

De instelling beschikt over een beleid waarin is vastgelegd wat de positie is van de vrijwilligers binnen de organisatie. Hierin komen tenminste de volgende aspecten naar voren:

  • De vrijwilliger overlegt een Verklaring omtrent Gedrag (VOG) niet ouder dan 12 maanden voorafgaand aan de start van het vrijwilligerswerk;

  • De wijze waarop de instelling vrijwilligers inzet (type werkzaamheden);

  • De wijze waarop de instelling zorg draagt dat vrijwilligers worden opgeleid en ondersteund bij het uitvoeren van de werkzaamheden.

 

Artikel 16. PGB kwaliteitseisen voor een zaak (woningaanpassingen en hulpmiddelen)

16a. Voorwaarden voor verstrekking via een PGB:

  • Bij een woningaanpassing dient deze te worden uitgevoerd door een erkend bedrijf met het Bouwgarant keurmerk.

  • Bij de aanschaf van een hulpmiddel dient deze te worden aangeschaft bij een leverancier met een keurmerk vergelijkbaar met het Nationaal Keurmerk Hulpmiddelen.

 

16b. In de beschikking worden opgenomen:

  • Omvang en looptijd van het PGB;

  • Rechten en verplichtingen ten aanzien van de besteding van het PGB;

  • Wijze van betaling en controle;

  • Voorwaarden inzake onderhoud, reparatie en verzekering;

  • Redenen voor beëindiging en afspraken ten aanzien van eventuele restwaarde en restitutie.

 

Artikel 17. Kwaliteitseisen die van toepassing zijn bij zorgverlening in het kader van de Jeugdwet.

 

17a. Kwaliteitseisen bij zorgverlening door een daartoe opgeleid persoon:

  • De zorgverlener biedt verantwoorde hulp (artikel 4.1.1. Jeugdwet). Dat is hulp van goed niveau, die in ieder geval veilig, doeltreffend, doelmatig is en cliëntgericht wordt verleend en is afgestemd op de reële behoefte van jeugdige of ouder.

  • De zorgverlener werkt voor het verlenen van hulp met een plan van aanpak waarover is overlegd met de zorgontvanger en de ouders/verzorgers en dat is afgestemd op de behoeften van de jeugdige (art. 4.1.3. Jeugdwet).

  • De zorgverlener werkt aantoonbaar aan de doelen van het gezinsplan en het uitvoeringsplan dat de zorgontvanger samen met de JGZ-medewerker heeft opgesteld. De zorgverlener werkt daarbij actief en integraal samen met andere zorgverleners in het belang van de jeugdige.

  • De zorgverlener kan grenzen van het eigen kunnen en bevoegdheden inschatten en aangeven wanneer andere ondersteuning is gewenst of wanneer op- of afgeschaald kan worden.

  • De zorgverlener dient te beschikken over een Verklaring Omtrent het Gedrag (VOG), die niet ouder is dan 12 maanden voorafgaand aan de ingangsdatum van de zorgverlening.

  • De zorgverlener is geregistreerd in het SKJ-register of een ander relevant beroepsregister zoals de NVO of NIP, welke richtlijnen heeft opgesteld over de kwaliteit van werken. Indien sprake is van inschrijving in een ander beroepsregister dan stelt de verwijzer vast of deze ook passend wordt geacht ten aanzien van te bieden hulp.

  • Een zorgverlener die vanwege gestelde opleidingseisen niet in enig register kan worden ingeschreven maar minimaal beschikt over een diploma van een relevante opleiding op tenminste MBO 4 niveau kan worden ingezet ten aanzien van te bieden hulp mits deze enkel bestaat uit begeleiding.

  • Indien van toepassing is de zorgverlener verplicht een melding te doen in de verwijsindex risicojongeren. Ook is het verplicht om de Meldcode Huiselijk Geweld en Kindermishandeling na te leven. Huiselijk geweld en kindermishandeling worden altijd gemeld bij Veilig Thuis Flevoland.

  • De zorgverlener heeft bij een incident of calamiteit een meldplicht aan de gemeente Almere en/of de Inspectie.

  • De zorgverlener is bij de gemeente niet bekend vanwege ondeskundige zorg, het handelen in strijd met relevante wetgeving of beleidsregels, misleiding, fraude en/of uitbuiting van personeel.

 

17b. Kwaliteitseisen bij zorgverlening door een niet daartoe opgeleid persoon:

  • De zorgverlener biedt verantwoorde hulp (artikel 4.1.1. Jeugdwet). Dat is hulp van goed niveau, die in ieder geval veilig, doeltreffend, doelmatig is en cliëntgericht wordt verleend en is afgestemd op de reële behoefte van jeugdige of ouder.

  • De zorgverlener werkt actief en integraal samen met andere zorgverleners in het belang van de zorgontvanger.

  • De zorgverlener werkt aantoonbaar aan de doelen van het persoonlijke ontwikkelingsplan en uitvoeringsplan dat de zorgontvanger samen met de JGZ-medewerker heeft opgesteld.

  • De zorgverlener kan grenzen van het eigen kunnen inschatten en aangeven wanneer andere ondersteuning is gewenst of wanneer op- of afgeschaald dient te worden.

  • De zorgverlener dient, indien gevraagd, te beschikken over een Verklaring Omtrent het Gedrag (VOG), die niet ouder is dan 12 maanden voorafgaand aan de ingangsdatum van de zorgverlening.

  • De zorgverlener heeft bij een incident of calamiteit een meldplicht aan de gemeente Almere en/of de Inspectie. Huiselijk geweld en kindermishandeling worden altijd gemeld bij Veilig Thuis Flevoland.

  • De zorgverlener is bij de gemeente niet bekend vanwege ondeskundige zorg, het handelen in strijd met relevante wetgeving of beleidsregels, misleiding en/of fraude.

 

Hoofdstuk 5: Inwerkingtreding en citeertitel

Artikel 18. Inwerkingtreding

Deze beleidsregels treden in werking op de dag na hun bekendmaking.

 

Artikel 19. Citeertitel

Deze beleidsregels worden aangehaald als: Beleidsregels (maatwerk)voorzieningen Wmo 2015 en Jeugdwet.

 

Aldus vastgesteld in de vergadering van het college van burgemeester en wethouders van Almere van 9 juli 2019

Burgemeester en wethouders van Almere,

de secretaris, de burgemeester,

R. Wielinga F.M. Weerwind