Besluit van de gemeenteraad van de gemeente Simpelveld houdende regels omtrent Erfgoed is identiteit (Beleidsnota Archeologie Gemeente Simpelveld)

 

Voorwoord

 

Begin deze eeuw – in het najaar van 2003 – was de gemeente Simpelveld door de ontdekking van een askist volop in het nieuws. De askist van Bocholtz is gevonden in een gebied met een aantal villacomplexen en grafvelden in het zuidoosten van de gemeente.

 

Begin december 2003 is de inhoud van de askist van Bocholtz onderzocht in het Thermenmuseum te Heerlen. De grond in de kist is voorzichtig, bijna korrel voor korrel, verwijderd. Het hele proces was live te volgen via een webcam die pal boven de grafkist hing. Ook in het Thermenmuseum zelf waren talloze bezoekers en journalisten samengekomen om het uitlepelen van de kist met eigen ogen te aanschouwen. De vondst en het leeghalen bereikte alle landelijke media.

 

Ook in de oude kern van Simpelveld is begin 20e eeuw een sarcofaag gevonden die uniek is in Nederland. Het Romeinse verleden zet hiermee Simpelveld en Bocholtz op de kaart.

 

Sinds 2007 voert de Gemeente Simpelveld een actief archeologisch beleid. In de afgelopen jaren is er veel veranderd in het archeologisch bestel. Per 1 september 2007 is de Wet op de Archeologische Monumentenzorg (WAMZ) van kracht. Het archeologische bodemarchief is dankzij deze wet beter beschermd. In 2008 is een archeologische verwachtings- en beleidsadvieskaart vastgesteld. De gemeenten, ook Simpelveld, zijn zich daardoor in de afgelopen jaren steeds meer gaan richten op het regisseren van het archeologisch proces. Voor Simpelveld blijven de hoofddoelen onverminderd van kracht: behoud van archeologische waarden, archeologisch onderzoek dient tot kennisvermeerdering en die kennis zal met een zo groot mogelijk publiek gedeeld worden.

 

Thans kiest de gemeente ervoor een eigen gemeentelijk archeologiebeleid te formuleren, met name omdat het beschermen van archeologische resten in balans dient te zijn met de overige maatschappelijke belangen. In de voor u liggende beleidsnota Erfgoed is Identiteit worden de beleidsuitgangspunten en hun achtergronden beschreven.

 

Met dit document in huis, kan op verantwoorde wijze een archeologiebeleid worden geïmplementeerd dat een juiste balans weet te vinden tussen een goede omgang met het archeologische erfgoed en andere maatschappelijke belangen die bij planontwikkelingen moeten worden gewogen. Verder beoogt de gemeente met dit archeologiebeleid in een vroegtijdig stadium naar initiatiefnemers duidelijkheid qua onderzoek en mogelijke kosten te creëren.

 

Vervolgens kan er een vertaalslag gemaakt worden naar recreatie en toerisme om samen met ondernemers het verleden weer zichtbaar en tastbaar te maken. Het Simpelveldse rijke verleden heeft de toekomst van Simpelveld veel te bieden!

 

 

Wiel Schleijpen (wethouder, gemeente Simpelveld)

 

Samenvatting

Het archeologisch erfgoed betreft overblijfselen uit ons verleden. Het vertelt ons hoe vroegere generaties leefden en hoe onze samenleving er toentertijd uitzag. Het vertelt ons iets over onszelf, onze cultuur en onze identiteit. Simpelveld is een gemeente met een rijk verleden met veel archeologische vindplaatsen.

 

De vroegste bewoningssporen uit de regio dateren het Midden Paleolithicum (300.000-35.000 v. Chr.). De meeste archeologische vindplaatsen dateren uit de Romeinse tijd. De gemeente lag toen vlak bij de Romeinse weg van Heerlen naar Aken (Via Traiane) en op zo’n zes kilometer ten zuiden van de Via Belgica. Aan weerszijden van deze wegen lagen grote agrarische villacomplexen en inheems Romeinse nederzettingen. In Bocholtz, in de zogenaamde Romeinse Vallei, werd je omringd door villa’s. Hier zijn er tot nu toe vier bekend (Villa Vlengendaal, Villa Dellender, en mogelijk 2 villa’s bij de Schiltjensweg en Orsbacherweg). De bewoners werden na hun dood begraven in grafvelden en individuele grafmonumenten, die eveneens langs de wegen lagen. Hiervan zijn twee monumentale graven, het Tumulusgraf, waarin een askist is aangetroffen (‘Askist van Bocholtz’) en een sarcofaag met de asresten van een vrouw (dame van Simpelveld) wel de bekendste voorbeelden. Beide monumenten behoren tot de belangrijkste archeologische vondsten in Nederland. De gemeente bleef ook tijdens de Middeleeuwen en de Nieuwe Tijd bewoond. Daarvan getuigen vandaag de dag nog de vele historische kernen, eeuwenoude hoeves en de kastelen, zoals hoeve Bulkemsbroek, Overhuizen, St. Gillishoff, Scholtissenhof en het kasteel de Bongard.

 

Sinds 1 juli 2016 is de Erfgoedwet van kracht. Deze wet bundelt de wet- en regelgeving voor behoud en beheer van het cultureel erfgoed in Nederland. Het betreft daarbij zowel het roerend als onroerend erfgoed. Samen met de Omgevings-wet die naar verwachting in 2021 ingaat, maakt de Erfgoedwet een integrale bescherming van ons cultureel erfgoed mogelijk. Voor het onroerend cultureel erfgoed zijn deze wetten van grote betekenis. Het deel van de Monumentenwet 1988 dat direct raakt aan de fysieke leefomgeving gaat op in de Omgevingswet. Het resterende deel van de Monumentenwet is opgegaan in de Erfgoedwet. De Erfgoedwet voorziet ook in het nodige overgangsrecht, zodat artikelen uit de Monumentenwet tussen 2016 en 2021 niet zo maar komen te vervallen. De Erfgoedwet en de Omgevingswet regelen de zorg voor ons bodemarchief en zijn de vertaling van het Verdrag van Malta, dat Nederland in 1992 ondertekende. De essentie van deze wetgeving is dat waardevolle archeologische resten zoveel mogelijk in de bodem behouden blijven. Indien dit niet mogelijk is geldt het zogenaamde het ‘veroorzaker-betaalt-principe’.

 

Al sinds 2007 (ingang Wet op de Archeologische Monumentenzorg ) zijn de gemeenten in overwegende mate verantwoordelijk voor het behoud van archeologisch erfgoed. Om op een verantwoorde wijze om te gaan met het archeologische erfgoed heeft de gemeente Simpelveld al heel snel na het ingaan van deze wet een aantal acties ondernomen. In 2007 heeft de gemeente Simpelveld, samen met de andere Parkstadgemeenten een gedetailleerde archeologische verwachtings- en advieskaart laten opstellen (Verhoeven, 2007), waarvan de geactualiseerde versie (‘archeologische verwachtings- en beleidskaart Simpelveld’) op 19 december 2013 door de raad is vastgesteld. Omdat de gemeente als bevoegde overheid beslissingsbevoegdheid heeft over archeologische belangen binnen de ruimtelijke ordening, hebben de parkstadgemeenten in 2011 een regioarcheoloog aangesteld. Sedertdien is bij de gemeente inhoudelijke archeologische kennis en expertise aanwezig op het niveau van een KNA senior-archeoloog (KNA: Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie).

 

 

Deze formulering waarborgt behoud en ontsluiting van het archeologisch erfgoed in de gemeente, maar laat ruimtelijke ontwikkelingen even goed toe. Het is een doelstelling die niet alleen praktisch uitvoerbaar en proportioneel is, maar ook haalbaar.

 

Naast het beleidsmatige aspect wil de gemeente Simpelveld ook de economie versterken door het potentieel van de archeologie te gebruiken. Cultureel erfgoed en toerisme zijn nauw verbonden. Cultureel erfgoed is een waardevolle faciliteit voor zowel bewoners van, als bezoekers aan een gebied. Het cultureel erfgoed vormt vaak de bepalende factor in de regionale of lokale identiteit. Vanuit economisch perspectief kan cultureel erfgoed beschouwd worden als kapitaalgoed met een potentieel hoge economische waarde.

 

1 Inleiding

 

Een deel van het verleden (de geschiedenis) van Simpelveld ligt opgeslagen in de bodem. Het is een ongeschreven verleden, bestaande uit afval, funderingsresten, grondsporen, (mooie) vondsten en bijzondere schatten. Dit bodemarchief is het studieterrein van de archeoloog. Een deel van dit bodemarchief is reeds ontdekt of onderzocht. Het grootste deel ligt daar echter nog op ons te wachten.

 

De basis van de bescherming van archeologisch erfgoed in de Erfgoedwet is het verdrag van Valletta (ook wel het verdrag van Malta). De bescherming heeft als doel om archeologisch erfgoed zoveel mogelijk in situ te behouden. Indien dit niet mogelijk is, geldt het zogenaamde het ‘veroorzaker-betaalt-principe’. Gemeenten spelen een belangrijke rol in het archeologische stelsel.

 

1.1 Waarom een eigen gemeentelijk archeologiebeleid?

 

Sinds 1 juli 2016 is de Erfgoedwet van kracht. Deze wet bundelt de bestaande wet- en regelgeving voor behoud en beheer van het cultureel erfgoed in Nederland. Het betreft daarbij zowel het roerend als onroerend erfgoed. Samen met de Omgevingswet die naar verwachting in 2021 ingaat, maakt de Erfgoedwet een integrale bescherming van ons cultureel erfgoed mogelijk. Voor het onroerend cultureel erfgoed zijn deze wetten van grote betekenis. Het deel van de Monumentenwet 1988 dat direct raakt aan de fysieke leefomgeving gaat op in de Omgevingswet. Het resterende deel van de Monumentenwet is opgegaan in de nieuwe Erfgoedwet. De Erfgoedwet voorziet ook in het nodige overgangsrecht, zodat artikelen uit de Monumentenwet tussen 2016 en 2021 niet zo maar komen te vervallen (bijlage 2).

 

De Erfgoedwet en de Omgevingswet regelen de zorg voor ons bodemarchief en zijn de vertaling van het Verdrag van Malta, dat Nederland in 1992 ondertekende. De essentie van deze wetgeving is dat waardevolle archeologische resten zoveel mogelijk in de bodem behouden blijven. In een zo vroeg mogelijk stadium van de ruimtelijke planvorming dient daarom rekening te worden gehouden met het aspect archeologie. Wanneer behoud in de bodem (in situ) niet mogelijk blijkt, geldt het zogenaamde het ‘veroorzaker-betaalt-principe’.

 

Al sinds 2007 (ingang Wet op de Archeologische Monumentenzorg; bijlage 2) zijn de gemeenten in overwegende mate verantwoordelijk voor het behoud van het archeologische erfgoed. De archeologie werd een verplicht en geïntegreerd onderdeel van het ruimtelijke besluitvormingsproces. Vanaf die tijd moest bij de ruimtelijke besluitvorming ook het archeologische belang worden afgewogen tezamen met andere belangen. Samenhangend met de specifieke verantwoordelijkheid voor de inrichting van het grondgebied lagen, volgens de logica van deze wet, op gemeentelijk niveau immers de meest praktische mogelijkheden om de kwaliteit van de leefomgeving te handhaven of te versterken.

 

Een eigen beleid voeren voor de archeologische monumentenzorg heeft voordelen. De gemeente kan zelf het initiatief nemen, de regie voeren en efficiënter omgaan met de ruimtelijke inrichting. Om optimaal gebruik te kunnen maken van deze voordelen, is het ontwikkelen van een eigen archeologiebeleid noodzakelijk.

 

Al heel snel na het ingaan van de Wet op de Archeologische Monumentenzorg in 2007 hebben de Parkstadgemeenten en de gemeente Nuth (die toen nog geen deel uitmaakte van Parkstad), de krachten gebundeld om een eigen grensoverschrijdend archeologiebeleid te ontwikkelen. In eerste instantie heeft RAAP Archeologisch Adviesbureau een uitgebreid bureauonderzoek uitgevoerd (Verhoeven, 2007). Samen met het uitgebreide rapport heeft RAAP een serie kaarten vervaardigd, waaronder de archeologische verwachtings- en advieskaart. Op 19 december 2013 heeft de gemeenteraad van Simpelveld de geactualiseerde ‘archeologische verwachtings- en beleidskaart Simpelveld’ vastgesteld. De kaart vormde een stevige handreiking bij het invullen van het gemeentelijke archeologiebeleid in de sfeer van de ruimtelijke ontwikkeling. Omdat de gemeente als bevoegde overheid beslissingsbevoegdheid heeft over archeologische belangen binnen de ruimtelijke ordening, hebben de parkstadgemeenten in 2011 een regioarcheoloog aangesteld. Met een samenwerkingsverband tussen de Parkstad Limburg gemeenten wordt geïnvesteerd in gemeentegrensoverschrijdende kennis, identiteit en kwaliteit. Dit heeft een aantal grote voordelen. Er wordt geïnvesteerd in regionale identiteit, kennis en lobbykracht, met oog voor de lokale identiteit en de ontwikkeling van een gezamenlijk en uniform beleid met ruimte voor maatwerk per gemeente. Een regio-archeoloog kan met zijn deskundigheid eerder inschatten waar (hoge) verwachtingen van archeologische waarde zijn, waardoor archeologisch advies op maat geleverd kan worden. Er is winst in kennisopbouw en grote winst in afbreukrisico bij bouwprojecten. Bij de keuze tot extern archeologisch onderzoek kan een kwalitatief goede opdracht gemaakt worden en kan het externe rapport op zijn merites beoordeeld en naar gemeentelijk beleid doorvertaald worden. De kans op bestuurlijke risico’s en ingrijpen van hogere overheden wordt hierdoor aanmerkelijk verkleind. Samenwerking vermindert de kwetsbaarheid in geval van solitaire functies. Bovendien is het klantvriendelijk: burgers en overheid krijgen sneller en adequater antwoord op vragen en worden verder geholpen bij de omgevingsvergunning e.d.

 

Daarnaast is het ‘in huis hebben’ van een regioarcheoloog kostenbesparend voor de betrokken gemeenten. Een regio-archeoloog op Parkstadniveau is uiteraard goedkoper dan dat iedere gemeente een eigen archeoloog in dienst neemt. Bundeling van expertise is financieel aantrekkelijk omdat niet alles meer uitbesteed hoeft te worden en procedures minder tijd in beslag nemen. In de praktijk betekent dit dat alle toetsopdrachten zoals het toetsen van Programma’s van Eisen (PvE) en het toetsen van archeologische rapporten door de regioarcheoloog zelf gedaan worden. Met het aanstellen ven een regioarcheoloog is ook een kwaliteitsslag gemaakt, waardoor onnodige onderzoeken niet meer gedaan hoeven te worden.

 

1.2 Doelstelling beleidsnota

 

In deze beleidsnota wordt het beleid ten aanzien van de omgang met het archeologisch bodemarchief voor de komende jaren vastgelegd.

 

Het formuleren en vaststellen van het archeologiebeleid is echter nog maar een begin. Het is niet de bedoeling dat na vaststelling van dit beleid het archeologiebeleid ‘in de kast’ belandt. Het beleid dient neer te dalen in de praktijk en door allen (bestuur, ambtenaren, burgers) gedragen en ondersteund te worden.

 

1.3 Opbouw en indeling van de beleidsnota

 

De beleidsnota is opgebouwd uit een hoofdrapport en een aantal bijlagen. Om het rapport leesbaar te houden, is er bewust voor gekozen om veel achtergrondinformatie naar de bijlagen te verplaatsen (het archeologisch karakter van Park-stad, het wettelijke kader, het beleidskader, het stappenplan bij een vergunningaanvraag en de AMZ fasering). In hoofdstuk 2, ‘Erfgoed is identiteit’ wordt het archeologisch potentieel van de gemeente Simpelveld geschetst aan de hand van een beschrijving van een aantal belangrijke archeologische vindplaatsen. Hierbij is niet alleen ingegaan op de gemeente zelf, maar op de gehele regio Parkstad: deze zogenaamde archeologische parels komen namelijk het best tot hun recht, wanneer ze in relatie tot elkaar gezien worden. In hoofdstuk 3 is het archeologiebeleid van de gemeente Simpelveld uitgewerkt, waarbij naast de wettelijke verplichtingen ook wordt ingegaan op aanvullende onderwerpen die de gemeente van belang acht voor een goede Archeologische Monumentenzorg. De laatste paragrafen in dit hoofdstuk richten zich op de toekomst en de ambities die de gemeente heeft ten aanzien van het beleefbaar maken van het unieke stukje archeologische erfgoed binnen haar gemeentegrenzen. Daarbij komt ook de economische potentie van archeologie kort aan bod. Tenslotte wordt in hoofdstuk 4 ingegaan op de consequenties voor de gemeentelijke financiën en middelen.

 

Zie tabel 1 voor de in deze notitie genoemde archeologische en geologische perioden.

2 Erfgoed is identiteit

 

 

Het archeologisch erfgoed behoort niet uitsluitend toe aan de archeologen, maar aan de hele maatschappij. Het archeologiebeleid van een gemeente en de lasten die daar soms uit voortvloeien, kunnen op meer steun rekenen als deze door het grote publiek, met name de bewoners, worden gekend en geaccepteerd. Door de archeologische waarden beter te ontsluiten, burgers bewuster te betrekken alsmede kennis te laten maken met hún archeologisch erfgoed, kan het maatschappelijke draagvlak aanzienlijk worden vergroot (‘gekend maakt bemind’). Aandacht voor archeologie is echter niet alleen een kwestie van cultuurbehoud, maar ook van economie. ‘Zichtbare en beleefbare’ cultuurhistorie stimuleert recreatie en toerisme en heeft een waardeverhogende werking op de omgeving. Bovendien wordt het imago van een gemeente versterkt. Erfgoed is identiteit.

 

2.1 Inleiding

 

Vanuit de bevolking is er een toenemende belangstelling voor cultuurhistorie, authenticiteit, rust, ruimte en natuur. Cultureel erfgoed wordt gezien als een waardevolle faciliteit voor de bewoners van een gebied. Het geeft karakter aan de regio en vormt vaak de bepalende factor in de regionale of lokale identiteit. Ook in de toeristisch-recreatieve sector vormt de cultuurhistorie een belangrijk gegeven. Cultureel erfgoed en toerisme zijn nauw verbonden. Uit onderzoek blijkt namelijk dat cultureel erfgoed een positieve rol speelt bij de bestemmingskeuze van een toerist (Dommelen, 2013).

 

Door uitvoering te geven aan onderhavig beleid en de ambities waar te maken, zal het archeologisch erfgoed van de Parkstadgemeenten breder ontsloten worden en beleefbaarder worden gemaakt. Dit zal bijdragen aan een aantrekkelijke regio, wat positief werkt op het cultuurtoerisme en het vestigingsklimaat.

 

In bijlage 1 is op hoofdlijnen de bewoningsgeschiedenis van de Parkstadregio geschetst. Deze reikt van de Prehistorie tot het heden. Hierbij wordt ingegaan op de verschillende leefwijzen van jagende en verzamelende gemeenschappen (Steentijd) en landbouwende gemeenschappen (vanaf de Late Steentijd). Deze gemeenschappen hebben veel resten in het landschap achtergelaten. Ook in de regio Parkstad is ontzettend veel archeologisch erfgoed aanwezig, waaronder een groot aantal bijzondere ‘parels’ (paragraaf 2.2). Dit archeologisch erfgoed is onze gemeenschappelijke erfenis en biedt kansen op verschillende beleidsterreinen. Het is de kunst om de parels verder met elkaar te verbinden en zo het verhaal van de regio nog beter te vertellen en zichtbaar te maken. Dit kan op verschillende schaalniveaus, zowel op gemeentelijk niveau, maar ook op het niveau van Parkstad, Zuid-Limburg en de Euregio.

 

Vanuit economisch perspectief kan het cultureel erfgoed beschouwd worden als kapitaalgoed met een potentieel hoge economische waarde. Het is aan de gemeente om dit potentieel te benutten (paragraaf 2.3).

 

‘Denktank Sprinthills 2020’ heeft middels een onderzoek getracht om meer zicht krijgen op wat mensen aanspreekt in ‘Zuid-Limburg’ en welke lading aan het merk Zuid-Limburg gegeven wordt (Sobczak, 2015). Zie tabel 2 voor de reac-ties van de respondenten.

 

 

In hoeverre bent u geïnteresseerd in:

 

Geïnteresseerd

Zeer geïnteresseerd

De historisch/culturele achtergrond van Zuid Limburg

269

51%

73

14%

De verhalen achter bepaalde gebruiken, evenementen of producten

266

51%

85

16%

De persoonlijke verhalen van bewoners

199

38%

74

14%

 

 

Heeft u hierbij nog een voorkeur voor speciale episodes uit de Zuid Limburgse geschiedenis?

 

N

%

Romeinse tijd

181

53%

De Mijn-historie

165

48%

Tweede wereldoorlog

134

39%

De bokkenrijders

127

37%

Spaanse tijd

71

21%

Franse tijd

59

17%

Anders, namelijk

14

4%

Tabel 2. Reacties respondenten in een onderzoek naar het merk ‘Zuid-Limburg’(Sobczak, 2015)

 

2.2 Unieke parels uit de gemeente Simpelveld en de omringende regio

 

Hieronder volgt een selectie van de parels die in de regio aanwezig zijn. Er is voor gekozen om niet alleen parels uit de gemeente Simpelveld zelf te benoemen, maar uit de gehele regio Parkstad. De parels komen namelijk het beste tot hun recht, wanneer ze in relatie tot elkaar worden gezien. Het is daarbij expliciet niet de bedoeling geweest om een volledig overzicht te geven van alle vindplaatsen die in de regio bekend zijn. Het is wel de bedoeling geweest om een paar mooie voorbeelden (parels) te benoemen, zodat men enthousiast kan raken over het eigen bodemarchief en men de regio met andere ogen kan gaan bekijken.

 

Bij het beschrijven van de parels is veelal gebruik gemaakt van de gegevens uit Archis 1 . Daarnaast is veelvuldig gebruik gemaakt van Verhoeven (2007), de gemeentelijke websites, websites van de heemkundeverenigingen en andere internetbronnen (o.a. www.DeBongard.nl, www.viabelgicadigitalis.nl, www.schattenvanheerlen.nl, www.iba-parkstad.nl, www.demijnstreek.net, www.rijckheyt.nl, www.viabelgica.nl en https://commons.wikimedia.org (fotomateriaal)).

 

2.2.1 Prehistorie

 

Steentijd (Paleolithicum, Mesolithicum en Neolithicum)

 

De oudst gevonden resten van menselijke bewoning dateren uit de Prehistorie: het deel van de geschiedenis waarvan geen geschreven bronnen bewaard zijn gebleven. In de regio zijn veel (soms zeer) bijzondere resten uit deze periode aangetroffen. Meest bijzonder zijn de vondsten uit de Midden Steentijd (periode van de Neanderthalers) toen de mens nog leefde van jagen en verzamelen. De vondsten uit deze periode zijn zo bijzonder, omdat in Nederland slechts enkele sites uit deze perioden onderzocht zijn, waarvan er dus 2 in de regio Parkstad liggen:

 

  • o

    Bij de Ubachsberg in Voerendaal (Colmont-Ponderosa) zijn minstens 1000 Midden-Paleolithische vuurstenen artefacten aangetroffen. Het betreft vondsten van de Neanderthalers uit de periode van de jager-verzamelaars (ongeveer 400.000 tot 40.000 jaar geleden).

  • o

    In Amstenrade (gemeente Schinnen, net over de gemeentegrens met Brunssum) is recent eveneens een vindplaats uit het Midden Paleolithicum aangetroffen (onderzoek in het kader van de Buitenring Parkstad Limburg). Op deze locatie zijn o.a. vuistbijlen, mesjes en schrabbers aangetroffen. Gezien de nabijgelegen opduiking van het maasterras, is de locatie vermoedelijk gebruikt voor het vervaardigen van nieuwe werktuigen. De resultaten van het onderzoek worden momenteel verder uitgewerkt en zullen te zijner tijd ook aan het grote publiek gepresenteerd worden.

     

Ook Simpelveld is in de periode van de jager-verzamelaars bezocht. Onder andere is in de omgeving van de Sportlaan en de Kruinweg is mogelijk in de prehistorie vuursteen gewonnen in de kalksteen van de Formatie van Maastricht (Beckers, 2011).

 

 

Eerste boeren (Neolithicum t/m IJzertijd)

Vanaf het Neolithicum werd de landbouw in het gebied geïntroduceerd. Van de allereerste boeren in Nederland is het beeld van de Lineair-bandkeramische cultuur (LBK; Vroeg-Neolithicum) het meest compleet. Vanaf die periode is landbouw steeds meer gemeengoed geworden. Vondsten uit de daarop volgende perioden (Brons-/IJzertijd) zijn redelijk schaars in het lössgebied. Het feit dat er tot op heden weinig materiaal is aangetroffen wil echter niet zeggen dat er geen bewoning heeft plaatsgevonden. Waarschijnlijk worden de vindplaatsen niet herkend. Het handgevormde aardewerk uit deze periode is erg bros en verweert snel als het aan het oppervlak ligt. Aangezien uit deze periode tot nu toe weinig bekend is, zijn vindplaatsen die uit deze periode worden aangetroffen per definitie van extra belang.

 

Vindplaatsen uit deze periode liggen verspreid over het gebied:

  • o

    Het Michelsberg aardwerk Schelsberg in Heerlen (datering: midden-Neolithicum). Typisch voor de Michelsberg-cultuur zijn aardwerken, grote structuren bestaande uit één of meerdere grote grachten en wallen die bijna steeds een hoge plek in het landschap afsluiten. Interpretaties omtrent de functies van aardwerken lopen uiteen van vluchtburg, veekraal, centrale plaats, marktplaats, ritueel centrum en versterkte nederzetting.

  • o

    Tijdens gravend onderzoek op het Trilandisterrein in Heerlen zijn – naast grotendeels resten uit de Romeinse tijd – ook enkele kuilen uit het Laat Neolithicum gevonden. In een kuil was een rechtop geplaatste zogenaamde All Over Ornamented beker aanwezig. Tijdens de opgraving is een groter gebied rondom deze kuil onderzocht, maar dit leverde slechts een lichte clustering van nagenoeg vondstloze kuilen op, waarvan er minstens één ook in het Laat Neolithicum A dateert. Uit de context kon worden opgemaakt dat het waarschijnlijk één of meerdere inhumatiegraven (onverbrande menselijke resten) betreft (Tichelman, 2014).

  • o

    Strijthagerbeekdal/Nieuwenhagerheide (gemeente Landgraaf): op deze locatie zijn verschillende urnen uit de IJzertijd aangetroffen (ongeveer 800 tot 12 voor Christus).

  • o

    Ook bij de Villa Voerendaal zijn mogelijke bewoningsresten aangetroffen uit de IJzertijd. In diverse kuilen zijn vondsten uit deze periode (scherven, een fragment La Tene armband (La Tene is een periode in de IJzertijd), een kapfibula (soort veiligheidsspeld) en een ijzeren haardschep) aangetroffen.

  • o

    Recentelijk zijn bij opgravingen ten behoeve van de Buitenring van Parkstad op 2 locaties resten uit de IJzertijd aangetroffen, waaronder een greppel (Tichelman, 2015) en resten van een nederzetting (Hensen, 2015).

 

2.2.2 Romeinse tijd

De regio komt pas echt tot bloei in de Romeinse tijd. In het gebied zijn dan ook veel restanten uit de periode van de Romeinse tijd (van circa 75 tot 500 na Christus) teruggevonden. Het grote aantal objecten en de diversiteit aan overblijfselen uit deze tijd is uniek voor Nederland. Het toeristisch promoten van de parels uit de Romeinse tijd gebeurt niet alleen in samenspraak met de convenantpartners van de Via Belgica (provincie Limburg, 2005), maar ook op eigen initiatief (Ellenkamp, 2015).

 

Parels uit deze periode zijn o.a.:

 

  • o

    Via Belgica en Via Traiana (romeins wegennet, o.a. de grotere heerwegen zoals de Heerweg van Boulogne-sur-Mer naar Keulen en de Heerweg van Xanten naar Trier, maar ook de kleinere wegen zoals de weg bij Merkelbeek, Rolduc, Etzenrade, etc.). Het wegennet wordt momenteel beleefbaar gemaakt door middel van herbouw en reconstructie, kijkvensters, landschappelijke visualisaties en informatieborden (zie kader: De Via Belgica wordt weer zichtbaar en beleefbaar). Simpelveld lag vlak bij de Romeinse weg van Heerlen naar Aken. Iets verder weg, zo’n 6 kilometer noordelij-ker, liep de Via Belgica.

     

  • o

    Een zeer groot aantal villaterreinen: tot nu toe zijn zo’n 60 Romeinse villacomplexen van de Zuidlimburgse lössgronden bekend. Bekend zijn o.a. de Villa Ten Hove ( Voerendaal), Villa Holzkuil (Kerkrade), Villa Steenland (Nuth), Villa Vlengendaal (Simpelveld) en Villa De Molt (eveneens Simpelveld). Villa Krichelberg te Kaalheide (Kerkrade) is de enige bovengronds zichtbare Romeinse villa in Nederland.

    In de omgeving van Bocholtz werd je in de Romeinse tijd omringd door villa’s, vandaar dat het gebied ook bekend is als de Romeinse Vallei. Hier zijn tot nu toe vier villa’s bekend, die op zo’n 500 meter uit elkaar lig-gen (Villa Vlengendaal, Villa Dellender en mogelijk 2 villa’s bij de Schiltjensweg en Orsbacherweg). De villa’s waren met veldweggetjes met elkaar verbonden. Villa Vlengendaal is hiervan het beste onderzocht. Bij deze villa zijn ook resten van fresco-schilderingen aangetroffen, voor Nederland een heel uitzonderlijke vondst. De Villa werd in 1910 ontdekt. De “Heer van Bocholtz” (zie verder) heeft waarschijnlijk Villa Vlengendaal bewoond (www.viabelgicadigitalis.nl).

     

  • o

    Nederzettingsresten, zoals de vicus Rimburg in Landgraaf (Romeins straatdorp bij een brug), de zogenaamde non-villanederzetting nabij Trilandis in Heerlen (inheemse Romeinse boerennederzetting) en de Romeinse vicus Coriovallum (vicus: gehucht). Coriovallum lag onder het huidige Heerlen, op een kruispunt van twee belangrijke wegen. De legerplaats groeide mettertijd uit tot een belangrijk regionaal centrum. In het Romeinse kwartier van Heerlen komen een groot aantal Romeinse vindplaatsen samen, waaronder een Thermencomplex, resten van de 3e eeuwse versterking (castellum), pottenbakkersovens, e.d. Het Romeinse kwartier van Heerlen betreft een IBA project (paragraaf 3.6). Het project richt zich niet alleen op Heerlen maar op de gehele regio. Het Thermenmuseum (en de directe omgeving) wordt een plek waar het verhaal van Romeins Zuid-Limburg verteld wordt waar doorverwezen wordt naar andere locaties langs de Via Belgica. Hierdoor ontstaat een aanbod dat meer bezoekers naar Heerlen én de regio zal trekken.

    In de gemeente zelf lag er in de Romeinse tijd op de plek van Baneheide waarschijnlijk ook al een nederzetting, bewoond door gewone boeren. Hun huizen hebben waarschijnlijk veel geleken op de hedendaagse typische Limburgse vakwerkboerderijen. Dit vermoeden is ontstaan door een groot aantal vondsten die hier gedaan zijn, waaronder Romeins aardewerk, fragmenten van maalstenen en sporen van verbrande leem. Het terrein waar de vondsten zijn gedaan is inmiddels aangewezen als archeologisch monument. Ook in het gebied nabij de St. Gillishoff en kasteel de Bongard zijn allerlei Romeinse vondsten gedaan. Dat de Romeinen hier geweest zijn, lijkt dus vast te staan. Het is echter vooralsnog niet duidelijk waarnaar de vondsten verwijzen (www.viabelgicadigitalis.nl).

  • o

    Een groot aantal monumentale graven. Grafvelden zijn zeldzaam en duidelijk kleiner dan in bijvoorbeeld Noord-Brabant. Opvallend zijn echter het grote aantal monumentale graven en rijke graven, zoals een Romeins graf, waarin een rijke vrouw begraven lag (Landgraaf) en vier askisten met bijzondere prachtige voorwerpen van goud, barnsteen en glas (Voskuilenweg in Heerlen). Grafmonumenten stonden doorgaans in de buurt van het woonhuis van de overledene en bij voorkeur langs een (hoofd)weg.

    In de gemeente zelf zijn ook twee monumentale graven aangetroffen. Deze behoren tot de belangrijkste archeologische vondsten van Nederland. Het betreft een Tumulusgraf, waarin een askist aangetroffen is (de ‘Askist van Bocholtz) en een sarcofaag met de asresten van een vrouw, ook wel de dame van Simpelveld genoemd (zie kader).

  • o

    Romeinse wachttorens, zoals de mogelijke wachttoren bij de kerk van Klimmen.

  • o

    Romeinse mijlpalen, zoals de twee delen van mijlpalen die bij de restauratie van de kerk van Eygelshoven(gemeente Kerkrade) in 1939 in de kerktorenmuur zijn teruggevonden (nu te bewonderen in het Thermen-museum in Heerlen). Van één van de mijlpalen zit het onderste vierkante deel nog in het fundament van de kerk. Nog vaag is een inscriptie te herkennen. In de Romeinse tijd en ook daarna was het gebruikelijk om grote stenen te recyclen. Zo zijn de Romeinse mijlpalen in de kerktorenmuur beland. Ook in de Broekhuizenstraat 53 in Landgraaf is nog een dergelijke mijlpaal aanwezig. De kans dat deze mijlpaal op zijn oorspronkelijke plek gevonden is, is eveneens klein (o.a. www.viabelgicadigitalis.nl).

 

 

2.2.3 Middeleeuwen en Nieuwe tijd

 

Vanwege de vruchtbare löss was het gebied in de Middeleeuwen en Nieuwe tijd goed ontwikkeld. Het was een plek voor heerlijkheden en buitenplaatsen van adel, maar ook voor de boerenhoeven van het gewone volk. De bestaande en verdwenen kastelen, kerken, abdijen, molens, boerenerven en zelfs hele dorpskernen uit deze perioden kunnen ondergrondse archeologische resten herbergen. De bewoningsplekken worden vaak al vele eeuwen gebruikt. Gebouwen zijn verrezen, gesloopt en verbouwd, waarbij ondergrondse restanten vaak als getuige van vroegere bouwfasen bewaard zijn gebleven. In sommige gevallen is ook de huidige bebouwing zo oud, dat de gebouwen en omliggende erven naast een bouwhistorische ook een archeologische waarde hebben.

 

De parels uit deze tijd liggen verspreid over het gebied. Het betreft onder andere:

 

  • o

    Mottes: Een motte of kasteelheuvel is een kunstmatig opgeworpen heuvel omgeven door een gracht waarop een versterkte wacht-, verdedigings- of uitzichttoren stond. Het betreft veelal voorlopers van kastelen. In Heerlen is o.a. een motte bekend (motte ten Eschen), in Onderbanken (motte Vossenberg, motte Roer en motte Etzenrade) en in Voerendaal (abschnittsmotte Struven, motte Dammerscheid). Ook de kerk van Simpelveld ligt mogelijk op een motte (informatie dhr. L. Wolters (Historie present)). Oude foto’s van de kerk van vóór de verbouwingen in de jaren twintig en dertig tonen de kerkbouw op een substantiële verhoging (Wolters, 2003).

     

  • o

    Kastelen en versterkingen: In het gebied is een opvallend groot aantal kastelen en versterkingen aanwezig. Bekend zijn onder andere kasteel Schaesberg en Strijthagen (Landgraaf), kasteel Hoensbroek (Heerlen), Huis Oelbroek (Nuth), Rivieren (Voerendaal) en Voormalig Landsfort Herle, een grote middeleeuwse versterking (Heerlen).

    In Bocholtz ligt kasteel De Bongard. Dit kasteel is in de 16e eeuw gebouwd op de fundamenten van een voorganger uit de 14e eeuw.

     

  • o

    Een deel van de historische kernen gaat tot de Middeleeuwse tijd terug, zoals het Middeleeuwse Adam van Nut-tahof (historische centrum van Nuth), de historische kern van Kerkrade met de resten van een gracht (in 2014 ontdekt in het centrum van Kerkrade), de historische kern van Voerendaal die recentelijk in ruimere context is onderzocht, de historische kern van Waubach en het Landsfort Herle. In het centrum van Simpelveld (Markt-Marktstraat-Kloosterstraat) vond in 2009 een archeologische onderzoek plaats, waarbij naast Romeinse vondsten, ook Vroegmiddeleeuws (Merovingisch) en Middeleeuws aardewerk werd aangetroffen. De vondsten duiden op een mogelijke continuiteit van bewoning vanaf de Romeinse tijd (Aarts, e.a., 2013).

     

  • o

    Het historische wegenpatroon van (veld)wegen, die de verschillende plekken met elkaar verbond, is ook nu nog soms herkenbaar in het landschap aanwezig.

     

  • o

    Graven: Bij Villa Voerendaal zijn niet allen resten uit de Romeinse tijd opgegraven, maar ook resten uit de periode die direct daarop volgt, de Vroege Middeleeuwen. Tijdens de opgravingen van het villaterrein werden tevens ‘als bijvangst’ de resten aangetroffen van een 7-tal graven uit de Vroege Middeleeuwen (Merovingische periode) tot de 7e eeuw. In de gemeente zelf werd in 1924 aan de Rolduckerweg eveneens een (mogelijk) merovingisch grafveld ontdekt, waarbij onder andere twee zwaarden en spitsbuikig aardewerk (“knikwandpotten”) werden gevonden (Franssen, 1997).

     

  • o

    Middeleeuwese kerken en kloosters, zoals de vroegere abdij Kloosterrade Rolduc (Kerkrade), het Clemenskerkje in Merkelbeek (Brunssum), de Pancratiuskerk in Heerlen, het ‘Kleine kerkje’ in Eyghelshoven en de St. Gre-goriuskerk (Unitas) in Brunssum.

     

  • o

    De kerk St. Jacobus de Meerdere in Bocholtz met zijn oude Gasthuis werd vaak bezocht op weg naar Santiago De Compostella (bron: o.a. Heemkundevereniging de Bongard).

     

  • o

    In Parkstad zijn veel historische hoeven aanwezig. Een aantal mooie voorbeelden betreft hoeve Wissegracht (gemeente Nuth), hoeve Laathof (Eygelshoven, Kerkrade), het middeleeuwse Onderste Hof (gemeente Brunssum), de hoeven Kaardenbeek en Bokhof (gemeente Voerendaal), Hoeve de Geleenhof (Heerlen) en de verdwenen hoeve Roer (gemeente Onderbanken).

     

  • o

    Ook in de gemeente Simpelveld staan nog vele oude hoeven met een rijke geschiedenis, zoals de monumentale hoeven aan de Bulkemstraat (o.a. het boerderijcomplex St. Nicolaashoeve), hoeve Scholtissenhof, hoeve Hei-hof en de oude kasteelhoeve Overhuizen (bron: o.a. Heemkundevereniging de Bongard).

     

  • o

    Ook watermolens zijn in Parkstad goed vertegenwoordigd, zoals de Strijthagermolen (Landgraaf), de Baalsbruggermolen (gemeente Kerkrade), de watermolens bij de Caumerbeek in het Aambos (gemeente Heerlen) en de Broek- of Brugmolen bij kasteel Erenstein (gemeente Kerkrade). Ook in Simpelveld herinnert de oude molen nog aan dit oude ambacht. De molenvijver hiervan is nog deels herkenbaar op het Doc. Poelplein. De watermolen in de Bulkum is helaas niet meer aanwezig. In Bocholtz herinnert een schilderij nog aan de voormalige Boerenbondsmolen en is een café in de Wilhelminastraat vernoemd naar de Mölle.

     

  • o

    Resten van de Middeleeuwse pottenbakkersindustrie: Het waren al de Romeinen die ontdekten dat de klei van de Roode beek (Brunssnum, Onderbanken/Schinveld) voor industriële doeleinden geschikt was. Er ontstond een keramische industrie, die tot na de Middeleeuwen is blijven bestaan (zie paragraaf 2.2.4).

     

  • o

    De Middeleeuwse handelsweg – ‘de wijngracht’ genaamd – doorsnijdt Kerkrade en betreft een grote handelsweg die Keulen en Maastricht met elkaar verbond. In de plaatselijke straatnaamgeving zijn sporen hiervan nog terug te vinden (de ‘Wijngracht’). Wijn was de voornaamste handelswaar die vanuit Keulen over de weg werd vervoerd. Ter plaatse moest de weg over een steile helling naar beneden; deze was gedeeltelijk uitgespoeld, zodat de weg als het ware via een ‘gracht’ omlaag liep.

     

  • o

    Ook in Bocholtz is er een Wijngracht, maar of deze met het vervoer van wijn te maken heeft, wordt sterk betwijfeld. In Simpelveld loopt de wijngracht (Wijnstraat genoemd) langs een doorgaande handelsroute, waardoor een dergelijke functie meer voor de hand ligt (bron: o.a. Heemkundevereniging de Bongard).

     

  • o

    Landgraaf of landweer ‘Boebegraaf’ op de Brunsummerheide (lijnelement Onderbanken-Brunssum-Heerlen-Landgraaf): een lijnvormige aarden grenswal en of diepe sloot met vaak een doornenhaag. Deze diende ter bescherming van een streek tegen vijandige invloeden van buiten. De landgraaf op de Brunssummerheide is nog over een lengte van circa 1 kilometer intact en bestaat uit twee wallen met een spitsgracht ertussen.

  • In Bocholtz ligt een kilometers lange landgraaf met Aken langs een mooi wandelgebied, namelijk vanaf de drieherensteen (in de buurt van grenssteen nr. 212) tot aan villa Vlengendaal (bron: o.a. Heemkundevereniging de Bongard).

 

 

2.2.4 Eeuwenoude pottenbakkersindustrie

 

Het waren al de Romeinen die ontdekten dat de klei uit het dal van de Rode Beek in Brunssum en Schinveld voor industriële doeleinden geschikt was (van Kerckhove, 2014). Er ontstond een keramische industrie, die tot na de Middeleeuwen is blijven bestaan. De hier gebakken producten werden tot diep in Duitsland en Frankrijk verhandeld. De klei uit Brunssum werd o.a. vervoerd richting Coriovallum, het romeinse Heerlen. In Coriovallum waren vele pottenbakkers, die de klei uit de streek gebruikten om aardewerk te produceren. Diverse pottenbakkersovens uit deze periode zijn in Heerlen opgegraven en er worden nog steeds nieuwe ovens aangetroffen.

 

In de parkstadgemeenten is een groot aantal locaties bekend (o.a. Brunssum, Schinveld en Nieuwenhagen) waar pottenbakkersovens uit de Middeleeuwen zijn aangetroffen. Op deze locaties werd het typische Brunssum-Schinveldse aardewerk gemaakt. Er is al veel wetenschappelijk onderzoek naar dit aardewerk gedaan. Al in het midden van de 20e eeuw werden pottenbakkersovens en afvalhopen met misbaksels uit die ovens onderzocht. Dit aardewerk, protosteengoed en steengoed, werd van de tweede helft van de 11e tot het midden van de 14e eeuw geproduceerd. Het kende een verspreiding in delen van het Rijnland, Noord- Brabant, Limburg en de Belgische Kempen en in een enkel geval tot ver daarbuiten. De typochronologie is verbonden met die van Rijnlandse en Maaslandse producten. Vondsten van het ‘Brunssum-Schinveld’- of ‘Zuid-Limburgs aardewerk’ spelen wegens hun betrekkelijk nauwkeurige dateringsmogelijkheid een grote rol bij het onderzoek van nederzettingen in Zuid-Nederland.

 

Ook na de jaren zestig zijn aardewerkvindplaatsen in dit gebied bekend geworden. Sprake van coherent onderzoek was er echter niet. Er is op het gebied van analyse, documentatie en publicatie van recente vondsten nog veel te doen (bron: o.a. Stoepker, 2011a en 2011b).

 

2.2.5 Mijnverleden

 

Zuid-Limburg wordt vaak geassocieerd met het mijnverleden. De eerste ondergrondse winning van grondstoffen begon reeds omstreeks de 14e eeuw in Rolduc. Vanaf 1900 intensiveerde de steenkoolwinning zeer sterk en ontstond de Mijnstreek. De mijnwerkers die naar de regio kwamen, zorgden ervoor dat het bevolkingsaantal explosief groeide. De mijnwerkers die uit vele windrichtingen afkomstig waren, vestigen zich vaak in mijnkoloniën die snel uit de grond werden gestampt. Dorpen werden door deze nieuwe mijnkoloniën aaneengesmeed tot steden. Ook uit deze periode zijn diverse parels te benoemen:

 

  • o

    Het schachtgebouw van de voormalige Oranje Nassau mijn I in Heerlen, met het bijbehorende ophaalgebouw, betreft een rijksbeschermd monument. Hier exploiteert Stichting CarboON het Nederlands Mijnmuseum.

  • o

    De Miljoenenlijn (met tegenwoordig een station in Simpelveld en Kerkrade) betreft een voormalige spoorlijn die gereed kwam in 1934. De naam is ontleend aan de geschatte kosten per kilometer. De lijn werd in eerste instantie gebruikt voor vervoer van materialen en mijnwerkers t.b.v. de exploitatie van de steenkoolmijnen. In 1949 vond het eerste openbare reizigersvervoer plaats. Tegenwoordig wordt de stoomtrein toeristisch geëxploiteerd. Een rit met de stoomtrein en een bezoek aan het vrij toegankelijke erfgoedpark rondom het station Simpelveld biedt een bijzonder dagje uit in de sfeer van reizen uit lang vervlogen tijden.

  • o

    Immaterieel erfgoed, zoals gebruiken, tradities, verenigingen, platvorm de Mijnen (een netwerkorganisatie waarin de regionale partijen die betrokken zijn bij het mijnverleden, verenigd zijn).

  • o

    Schacht Nulland behoorde tot de voormalige Domaniale mijn in Kerkrade. Deze was in productie van 1815 tot 1969. De mijn beschikte over zes schachten waarvan de 349 meter diepe ventilatieschacht Nulland er één was. De schacht werd in 1907 aangelegd door de toenmalige exploitant van de Domaniale Mijn, de Aken-Maastrichtsche Spoorweg-Maatschappij. In eerste instantie deed schacht Nulland alleen dienst als intrekkende luchtschacht. In 1919 besloot de Domaniale Mijn de schacht te gaan gebruiken voor het vervoer van materialen en personeel. In 1921 werd de schacht verbouwd naar ontwerp van technische directeur Wilhelm Husmann en kreeg het zijn karakteristieke uiterlijk. De schacht staat in de volksmond ten onrechte bekend als de “Malakovschacht”: een verwijzing naar de torens van het bastion Malakov nabij de vestingstad Sebastopol. Uiteindelijk is in Kerkrade de herinnering aan de mijnbouw door de operatie van Zwart naar Groen zo goed als uitgewist in het landschap. Slechts één mijnschacht, schacht Nulland, herinnert nog aan de oudste mijn van Nederland.

  • o

    De wijk de Hopel (grenzend aan Eygelshoven, gemeente Kerkrade) werd in opdracht van de mijn Laura en Vereeniging tussen 1901 en 1910 aangelegd, om een deel van haar werknemers te huisvesten. De karakteristieke huizen zijn ontworpen door architect A. Reichpietsch en zijn allemaal rijkmonumenten. De witte eengezinswoningen vormden een contrast met het zwart van de mijn.

  • o

    Het grootste aaneengesloten stads- en dorpsgezicht van Nederland ligt in Brunssum. Het gezicht omvat vijf mijn-werkerskoloniën plus enkele losse woninggroepen voor mijnpersoneel en drie parken. Eén ligt rond een voormalige bruinkoolgroeve en één rond een dijklichaam van een oude mijnspoorweg. Het beschermd gebied is grotendeels tot stand gekomen in de jaren 1910 – 1930. De koloniën waren bedoeld voor personeel van de Staatsmijnen Hendrik en Emma. De huizen zijn gebouwd in opdracht van de Staatsmijnen en de woningbouwverenigingen Ons Limburg en Thuis Best en zijn opgezet volgens de tuindorp-filosofie.

 

2.3 Archeologie: een bron met een potentieel hoge economische waarde

 

Cultureel erfgoed en toerisme zijn nauw verbonden. Cultureel erfgoed wordt gezien als een waardevolle faciliteit voor zowel bewoners van, als bezoekers aan een gebied. Het cultureel erfgoed vormt vaak de bepalende factor in de regionale of lokale identiteit (R. van Loon, pp.63-73. In: Dommelen, 2013).

 

Vanuit economisch perspectief kan cultureel erfgoed beschouwd worden als kapitaalgoed. Dit erfgoedkapitaal mag gezien worden als een bron met een potentieel hoge economische waarde (Dommelen, 2013).

 

Naast de toeristische impuls voor de economie kan door een gedegen beleid ook direct een kostenbesparing gerealiseerd worden. Hiervoor wordt er vanaf de eerste fase van planvorming getracht de ruimtelijke invulling zoveel mogelijk af te stemmen op (mogelijke) aanwezige archeologische waarden. Door archeologische resten in de bodem te behouden, kunnen hoge opgravingskosten vermeden worden. Indien toch gekozen wordt om archeologische vindplaatsen op te graven, kunnen binnen het (interne / externe) project tijdig budgetten voor verder onderzoek worden vrijgemaakt.

 

3 Archeologiebeleid gemeente Simpelveld

 

 

De archeologische wetgeving in Nederland biedt de gemeente ruimte om een eigen beleid te ontwikkelen. De gemeente Simpelveld ziet dit als kans en streeft naar een gedegen, proactief en geïntegreerd gemeentelijk archeologie-beleid. De gemeente heeft de ambitie om te komen tot maatwerk, kwaliteit, beleefbaarheid, kostenbesparing, vermeerdering van kennis en een betere kennisoverdracht. In dit hoofdstuk wordt vermeld hoe we onze eigen regierol invullen en daarmee de voordelen zoveel mogelijk proberen te benutten. Voor het opstellen van het archeologiebeleid is samengewerkt met de Parkstadgemeentes waarbij de gemeentelijke ambities zijn uitgewerkt.

3.1 Onderdelen archeologiebeleid gemeente Simpelveld

Het archeologiebeleid van de gemeente Simpelveld bestaat uit de volgende onderdelen:

 

  • Doelstelling en uitgangspunten archeologisch beleid (par. 3.2)

  • Archeologische kaarten: een onmisbaar instrument (par. 3.3)

  • Verankering van de archeologie in de ruimtelijke ordening (par. 3.4)

  • Regie van het archeologisch onderzoek (par. 3.5)

  • Maatschappelijke waarde: archeologie in de openbare ruimte (par. 3.6)

  • Erfgoed is van ons allen: communicatie en publieksbereik (par. 3.7)

  • Privécollecties (par. 3.8)

  • Organisatie en financiën (hoofdstuk 4)

3.2 Doelstelling en uitgangspunten

 

Doelstelling

 

Het archeologisch erfgoed betreft overblijfselen uit ons verleden. Het vertelt ons hoe vroegere generaties leefden en hoe onze samenleving er toentertijd uitzag. Het vertelt ons iets over onszelf, onze cultuur en onze identiteit. Het is dan ook vooral van belang voor het grote publiek, met name de bewoners. Ook het bodemarchief in de gemeente Simpelveld staat regelmatig onder druk. Gelet op het belang dat het erfgoed heeft voor bewoners, alsook voor de wetenschap, dient die aantasting te worden beperkt. Dat kan worden bewerkstelligd door het zo goed mogelijk te beschermen. Als basis voor het gemeentelijke beleid geldt de volgende doelstelling:

 

Het archeologisch beleid van de gemeente Simpelveld heeft tot doel haar archeologische erfgoed te beschermen, beleefbaar te maken en te ontsluiten als bron van het ‘gemeenschappelijke geheugen’ en als middel voor wetenschappelijke studie, zonder meer maatschappelijke lasten in het leven te roepen dan strikt noodzakelijk.

 

Deze formulering waarborgt behoud en ontsluiting van het archeologisch erfgoed in de gemeente, maar laat ontwikkelingen even goed toe. Het is een doelstelling die niet alleen praktisch uitvoerbaar en proportioneel is, maar ook haalbaar.

 

Naast het beleidsmatige aspect wil de gemeente Simpelveld ook de economie versterken door het potentieel van de archeologie te gebruiken.

 

Uitgangspunten

 

Voor het gemeentelijk archeologiebeleid gelden de volgende uitgangspunten:

 

  • Archeologische resten zoveel mogelijk in de bodem bewaren en alleen opgraven als behoud in de bodem (in situ) niet mogelijk is;

  • Bodemverstoorders betalen archeologisch onderzoek en mogelijke opgravingen. Dit zogenaamde ‘verstoorder-betaalt-principe’ is geen gemeentelijke beleidskeuze maar volgt direct uit de wetgeving;

  • De huidige relatie tussen archeologie en ruimtelijke ordening bebouden, zodat behoud, beheer en ontwikkeling van het bodemarchief onderdeel blijft van het planologische besluitvormingsproces;

  • Verbetering informatievoorziening over het archeologisch erfgoed om het draagvlak voor archeologie te vergroten.

  • Toerisme/economie: Cultureel erfgoed en toerisme zijn nauw verbonden. Cultureel erfgoed wordt gezien als een waardevolle faciliteit voor zowel bewoners van, als bezoekers aan een gebied. Het cultureel erfgoed vormt vaak de bepalende factor in de regionale of lokale identiteit.

 

Het ‘verstoorder-betaalt-principe’ maakt bescherming van het archeologisch erfgoed (financieel) uitvoerbaar. Dit financiële aspect vormt mede de stimulans om het behoud en beheer met betrekking tot archeologie tijdens het planologische besluitvormingsproces serieus te nemen. Het uitgangspunt: ‘behoud in situ tenzij ‘, realiseert een optimale bescherming van het archeologisch erfgoed, maar maakt ontwikkelingen even goed mogelijk. Versterking van de relatie tussen ruimtelijke ordening en archeologie, waardoor in de ruimtelijke ordening vroegtijdig rekening kan worden gehouden met archeologie, maakt behoud in situ mogelijk, is kostenreducerend voor initiatiefnemers van projecten en kan dan zelfs als inspiratiebron dienen voor planvorming. De verbetering van de informatievoorziening vergroot het draagvlak voor archeologie en is in het belang van zowel burger als initiatiefnemers van projecten. Bovendien vergroot dit de kenbaarheid van de beperkingen van archeologie. Dit laatste is ook van belang gelet op de ‘Wet Kenbaarheid Publiekrechtelijke Beperkingen onroerende zaken’ (Wkpb).

3.3 Archeologische kaarten: een onmisbaar instrument

In 2007 heeft RAAP Archeologisch Adviesbureau op verzoek van alle Parkstadgemeenten, een gedetailleerde archeologische verwachtingskaart opgesteld voor het gehele grondgebied van de gemeente Simpelveld (Verhoeven,2007). De archeologische verwachtingskaart geeft inzicht in de aanwezigheid èn de verwachte aanwezigheid van archeologische resten. De kaart is geënt op de lokale omstandigheden ter plaatse en bovendien komen ook de lage en natte gebieden goed aan bod.

 

 

Om de verwachtingskaart ook toepasbaar te maken op beleidsmatig niveau is deze vervolgens vertaald naar een beleids-kaart (archeologische verwachtings- en beleidskaart Simpelveld). Op deze archeologische beleidskaart zijn gebieden waarvoor dezelfde beleidsuitgangspunten gelden samengevoegd. Zo zijn er 6 archeologische waardecategorieën ontstaan (zie tabel 3). De geactualiseerde ‘archeologische verwachtings- en beleidskaart Simpelveld’ is inmiddels door de raad vastgesteld (19-12-2013). Bovendien heeft de raad per waarde-categorie bepaald of archeologisch onderzoek nodig is en wanneer vrijstelling van onderzoek kan worden verleend (zogenaamde ondergrenzen). Niet altijd en overal is archeologisch onderzoek namelijk noodzakelijk. Het doel van een gedegen archeologiebeleid is juist om het nut en de noodzaak van archeologisch onderzoek te kunnen bepalen. In tabel 3 staan de ondergrenzen vermeld die in de gemeente Simpelveld worden gehanteerd.

 

Waardecategorie

Verwachting/waarde

Ondergrens diepte

Ondergrens omvang

1

Rijksmonumenten; terreinen van zeer hoge waarde; wettelijk beschermd

vergunningaanvraag bij Rijk (RCE) conform monumentenwet

2

Terreinen van zeer hoge waarde

40 cm –Mv

100 m²

3

Gebieden met een hoge verwachtingswaarde

40 cm –Mv

250 m²

4

Gebieden met een middelhoge verwachtingswaarde

40 cm –Mv

2500 m²

5

Gebieden met een lage verwachtingswaarde

40 cm –Mv

10000 m²

6

Geen verwachtingswaarde

Geen onderzoeksplicht

Tabel 3. Archeologische waarde-categorieën gemeente Simpelveld met bijbehorende ondergrenzen

 

Toelichting ondergrenzen

 

Bij de ondergrenzen geldt als algemene richtlijn: hoe hoger de archeologische waarde of verwachting van een gebied, hoe kleiner de ondergrens. In gebieden met een hoge archeologische waarde of verwachting bevinden zich namelijk naar verwachting meer vindplaatsen dan in gebieden met een middelhoge en een lage archeologische verwachting. Voor deze gebieden geldt dan ook dat bij relatief kleine ingrepen vindplaatsen kunnen worden verstoord. Of vindplaatsen daadwerkelijk worden verstoord wordt sterk bepaald door de aard, omvang en diepteligging van de geplande bodemingrepen. Naast archeologisch relevant, dienen de ondergrenzen ook maatschappelijk haalbaar en praktisch uitvoerbaar te zijn. Geprobeerd is om de zogenaamde planologische ‘kruimelgevallen’ zoveel mogelijk vrij te stellen van archeologisch onderzoek. Daarnaast is het van belang om toevalsvondsten zoveel mogelijk uit te sluiten, aangezien het (financieel) risico hiervan vaak bij de gemeente ligt.

 

Diepte van de ingreep

 

Alle bodemingrepen die niet dieper reiken dan 40 cm -Mv zijn vrijgesteld van archeologisch onderzoek. Deze ondergrens van 40 cm is gebaseerd op de gemiddelde diepte van de verstoorde bovengrond (veelal de bouwvoor). Hoewel in de verstoorde bovengrond archeologische resten kunnen voorkomen, bevinden deze zich niet meer in hun oorspronkelijke context. De waarde van deze resten is daardoor relatief gering.

 

Oppervlakte bodemingreep

 

Categorie 1. De wettelijk beschermde archeologische monumenten. Voor werkzaamheden is hier altijd een vergunning volgens de Erfgoedwetgeving vereist (aanvraag via gemeente; beoordeling door Rijk). Voor de andere hieronder beschreven categorieën worden in de voorschriften bij het bestemmingsplan richtlijnen vastgelegd waaraan bij de aanvraag voor een omgevingsvergunning, projectafwijkingsbesluit of ontheffing getoetst wordt of er wel of geen onderzoeks-plicht bestaat. N.B. In de gemeente Simpelveld liggen geen wettelijk beschermde archeologische monumenten.

 

Categorie 2. De terreinen van zeer hoge waarde. Bij ingrepen op deze terreinen geldt de 100 m² die de wet voorschrijft als ondergrens. Alleen bodemingrepen dieper dan 40 cm beneden het maaiveld en met een verstoringsoppervlak groter dan 100 m2 zijn onderzoeksplichtig.

 

Categorie 3 en 4. Dit zijn de gebieden met een hoge en middelhoge verwachtingswaarde. Voor deze gebieden zijn de grenzen nog verder verruimd (respectievelijk 250 m² en 2500 m²). Hierdoor zijn alleen de grotere projecten onderzoeks-plichtig en geldt voor de meeste (particuliere) vergunningaanvragen geen onderzoeksplicht. Voor de archeologie geldt de afweging dat in deze categorieën alleen grotere onderzoeken tot meerwaarde leiden. “Postzegelonderzoekjes” vormen een te grote belasting voor alle betrokkenen en hebben buiten de gebieden met een zeer hoge waarde weinig informatie-rendement.

 

Categorie 5. In gebieden met een lage verwachtingswaarde geldt alleen voor grotere projecten (10.000 m²) een onderzoeksplicht.

 

 

Categorie 6. Gebieden zonder verwachtingswaarde (verstoorde of reeds onderzochte terreinen). Alle bodemingrepen zijn vrijgesteld van onderzoeksplicht.

 

Update van de archeologische kaart

De eerder beschreven archeologische kaarten betreffen momentopnamen. Het is de weergave van de stand van zaken, zoals die op het moment van de vervaardiging van de kaarten voorhanden was. Daarmee is de kaart op het moment van uitgave feitelijk al verouderd. Meerdere malen per jaar worden er in de gemeente nieuwe archeologische vondsten gedaan. Ook worden er regelmatig archeologische onderzoeken uitgevoerd die meer inzicht bieden in de wijze waarop het gebied door de mens is gebruikt. Op basis van nieuwe onderzoeksresultaten moeten de heersende wetenschappelijke theorieën soms worden bijgesteld. Om hierop te kunnen anticiperen wordt na een periode van 5 jaar een evaluatie gemaakt van de archeologische kaart (eerstvolgende keer 2018). Indien nodig zal de kaart herzien worden.

 

De werking van de gemeentelijke archeologische verwachtings- en beleidsadvieskaart zal worden geëvalueerd en er zal worden bezien of actualisering van beleid en/of de verwach-tings- en beleidsadvieskaart noodzakelijk is.

 

3.4 Verankering van de archeologie in de Ruimtelijke Ordening

 

De archeologische verwachtings- en beleidskaart voor de gemeente Simpelveld is een onmisbaar instrument dat een zorgvuldige en verantwoorde omgang met het archeologisch erfgoed mogelijk maakt. Om archeologische belangen mee te wegen, dienen zij echter wel structureel en formeel onderdeel te zijn van het planologische besluitvormingsproces. Op structuurvisie-niveau in de rol van mede-ordenend principe, op bestemmingsniveau als mede- afwegingskader, op ver-gunningsniveau als toetsingskader. Hoe concreter het plan, hoe gedetailleerder de kennis over het archeologische bodemarchief moet zijn. In de volgende paragrafen wordt aangegeven welke werkwijze de gemeente Simpelveld hanteert in de verschillende fasen van planvorming.

 

Structuurvisie-niveau

Wanneer de gemeente haar toekomstige ruimtelijke ontwikkelingen gaat vastleggen, houdt zij daarbij rekening met het archeologische erfgoed. Het archeologisch erfgoed dient daarbij in eerste instantie als inspiratiebron. De archeologische resten op een plek hebben namelijk een zeer lokaal verhaal te vertellen, wat onderdeel is van onze lokale identiteit. Voor velen wordt de kwaliteit van de leefomgeving deels bepaald door de herkenbaarheid van deze lokale identiteit. Archeologie wordt door de gemeente als ruimtelijke basiskwaliteit gezien en is daarmee mede-ordenend bij de inrichting. Behoud van archeologische resten is daarbij het uitgangspunt. Daarnaast is het van belang om in dit stadium van planvorming inzicht te hebben in de financiële consequenties van bepaalde ontwikkelingen. Indien bij de ontwikkeling archeologische resten worden bedreigd, is inzicht in de kosten en de tijdsduur van archeologisch onderzoek cruciaal.

 

De archeologische verwachtings- en beleidskaart (meest recente versie), zal dienst doen als basisdocument in deze fase van planvorming. Fysiek archeologisch onderzoek is in deze fase nog niet noodzakelijk en wenselijk.

 

De structuurvisie dient voor advies te worden voorgelegd aan de regio-archeoloog. De regio-archeoloog controleert vervolgens of de archeologische belangen voldoende gewaarborgd zijn.

 

Bestemmingsniveau 2

Het centrale juridische instrument in het archeologiebestel is (in ieder geval tot de inwerktreding van de Omgevingswet) het bestemmingsplan of de beheersverordening (Monumentenwet artikel 38a; zie kader en bijlage 2). In de praktijk betekent dit het volgende:

 

  • Alle bestemmingsplannen en beheersverordeningen binnen een gemeente moeten ‘archeoproof’ zijn;

  • Bij het opnieuw bestemmen van gronden dient het archeologisch aspect meegewogen te worden.

 

Monumentenwet 1988; artikel 38a

 

De gemeenteraad houdt bij de vaststelling van een bestemmingsplan of een beheersverordening als bedoeld in artikel 3.1, onderscheidenlijk artikel 3.38, van de Wet ruimtelijke ordening en bij de bestemming van de in het plan begrepen grond, rekening met de in de grond aanwezige dan wel te verwachten monumenten (lees: waarden).

 

Bestemmingsplannen en beheersverordeningen archeoproof

De wet 3 biedt de mogelijkheid om in een bestemmingsplan, beheersverordening, exploitatieplan en voorbereidingsbesluit een beschermingsregime ten aanzien van aanwezige en te verwachte archeologische resten op te nemen (zogenaamd ‘archeoproof’ maken). De gemeente kan vervolgens in het kader van concrete projecten – waarbij een omgevingsver-gunning voor een aanleg- of bouwactiviteit wordt aangevraagd – verder inzoomen op deze eventuele aanwezige resten (zie vergunningsniveau).

 

Concreet gebeurt dit ‘archeoproof’ maken van een (bestemmings)plan door middel van het toekennen van een dubbel-bestemming ‘waarde-archeologie’ op de verbeelding. Dit houdt in dat de gebieden waar archeologische resten voorkomen of worden verwacht een plek krijgen op de verbeelding (dubbelbestemming). Aan deze dubbelbestemming worden vervolgens regels gekoppeld waarin de voorwaarden voor het verkrijgen van een omgevingsvergunning zijn uitgewerkt. In de toelichting dient deze dubbelbestemming goed te worden gemotiveerd.

 

N.B. Voor een omgevingsvergunning, waarbij het gebruik van gronden of bouwwerken in strijd is met het bestemmingsplan of een sloopactiviteit in een beschermd stads- en dorpsgezicht zijn bepalingen ten aanzien van een onder-zoeksverplichting al rechtstreeks in de wetgeving opgenomen (Monumentenwet 1988, artikel 41; bijlage 2). Het is dan ook niet nodig om deze in het bestemmingsplan op te nemen. Middels het bestemmingsplan kunnen sloopactiviteiten (ook buiten beschermde stads- en dorpsgezichten) eventueel ook onderzoeksplichtig worden gemaakt. Het ondergronds verwijderen van fundamenten, muurwerken, en dergelijke, moet in dat geval als aanlegactiviteit worden aangemerkt.

 

Inmiddels is al een groot deel van de bestemmingsplannen in de gemeente Simpelveld ‘archeoproof’. op een enkel ‘postzegelplannetje’ na. Ook bij toekomstige bestemmingsplannen zal het aspect archeologie volwaardig worden meegenomen. Als input voor toekomstige bestemmingsplannen wordt de (meest actuele) archeologische verwachtings- en beleidskaart gebruikt.

 

Opnieuw bestemmen van gronden

Soms zijn in een gebied ontwikkelingen gepland die niet voldoen aan het huidige bestemmingsplan. In dat geval wordt er een ontwikkelingsgericht bestemmingsplan opgesteld of er wordt een omgevingsvergunning aangevraagd, waarbij de uitgebreide procedure wordt gevolgd. Dit houdt in dat er een ruimtelijke onderbouwing aan de aanvraag wordt toegevoegd.

 

Archeologie is een facet dat mede afgewogen moet worden in de besluitvorming omtrent de nieuwe bestemming. In deze fase van planvorming dienen we dan ook te beschikken over meer gedetailleerde archeologische informatie. Om een goede, integrale afweging te kunnen maken, is het van belang om te weten of archeologische resten in het plangebied aanwezig zijn, waar deze zich bevinden en of ze behoudenswaardig zijn. Dit dient vastgesteld te worden door archeologisch onderzoek (liefst t/m waarderende fase). N.B. Archeologisch onderzoek dient enkel te gebeuren in gebieden waar archeologische resten reeds zijn vastgesteld of verwacht worden. Bovendien heeft de gemeente Simpelveld bepaald dat onderzoek alleen hoeft te worden uitgevoerd bij ingrepen met een bepaalde omvang en diepte (toetsingsinstrument: archeologische verwachtings- en beleidskaart.

 

Indien uit het archeologisch onderzoek blijkt, dat de resten behoudenswaardig zijn en bedreigd worden door de geplande ontwikkeling, worden ze meegewogen in de besluitvorming rondom de bestemmingswijziging. Uitkomst daarvan zal zijn behoud van de archeologische resten op de locatie (planaanpassing) of behoud van de resten ex situ (archeologische opgraving).

 

Zolang er waardevolle archeologisch resten in het gebied aanwezig zijn en deze niet (volledig) zijn opgegraven, dient in het bestemmingsplan een beschermingsregime te worden opgenomen (dubbelbestemming archeologie met bijbehorende regels en toelichting; zie vorige paragraaf).

 

Nieuwe bestemmingsplannen (zowel ontwikkelingsgerichte als conserverende) worden voor advies voorgelegd aan de regio-archeoloog. De regio-archeoloog adviseert vervolgens of de archeologische belangen voldoende gewaarborgd zijn.

 

Vergunningsniveau

 

Indien een omgevingsvergunning voor een bouw- of aanlegactiviteit wordt aangevraagd binnen een gebied met de dub-belbestemming ‘waarde archeologie‘, dan dient de vergunningverlener aan de hand van de planregels na te gaan of archeologisch onderzoek gewenst is. Sommige ‘verstoringen‘ worden getolereerd, maar bij grote verstoringen zal archeologisch onderzoek noodzakelijk zijn (zie tabel 3). Dit onderzoek moet uitwijzen of archeologische resten in het gebied aanwezig zijn, waar deze zich bevinden en of ze behoudenswaardig zijn. Indien hiertoe aanleiding is, kan vervolgens aan de vergunning één van de volgende voorschriften worden verbonden:

 

  • de verplichting tot het treffen van technische maatregelen waardoor archeologische resten in de bodem (in situ) kunnen worden behouden;

  • de verplichting tot het doen van opgravingen (behoud ex situ);

  • de verplichting de activiteit die tot bodemverstoring leidt, te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg die voldoet aan door burgemeester en wethouders bij de vergunning te stellen kwalificaties.

 

Monumentenwet 1988; artikel 39, lid 2 en artikel 40, lid 1

 

Bij een bestemmingsplan kan in het belang van de archeologische monumentenzorg worden bepaald dat de aanvrager van een omgevingsvergunning voor een aanlegactiviteit [….] of een bouwactiviteit […] een rapport dient over te leggen waarin de archeologische waarde van het terrein dat blijkens de aanvraag zal worden verstoord naar het oordeel van het bestuursorgaan dat bevoegd is die vergunning te verlenen in voldoende mate is vastgesteld.

 

Vergunningverleners dienen bij een vergunningaanvraag dus de afweging te maken of archeologisch onderzoek noodzakelijk is (ingreep wordt getoetst aan het bestemmingsplan). Het ontbreekt vergunningverleners echter soms aan inhoudelijke kennis. Vandaar dat ondersteuning van deze afdeling in sommige (lastige) gevallen noodzakelijk is. In bijlage 4 is een stappenplan opgenomen, dat duidelijk maakt wie waar verantwoordelijk voor is.

 

Om de achtergrondkennis van de vergunningverleners te vergroten, zal regelmatig een kennisbijeenkomst worden georganiseerd met de regio-archeoloog, waarin het archeologisch proces (en het stappenplan) wordt toegelicht. Tevens komen bij deze bijeenkomst de knelpunten uit de dagelijkse praktijk aan bod.

 

3.5 Regie van het archeologisch onderzoek

Regelmatig zal het nodig zijn dat in het kader van ruimtelijke plannen archeologisch onderzoek moet worden verricht. Deze onderzoeken dienen uitgevoerd te worden door gecertificeerde bureaus. De gemeente is bevoegd gezag en ziet toe op de kwaliteit van het onderzoek. Dit betekent dat de gemeente bepaalt in welke gevallen onderzoek nodig is, zelf een beslissing neemt over de resultaten van de onderzoeken ([selectie]besluit) en aanvullende eisen kan stellen aan de uit te voeren onderzoeken.

 

3.5.1 Begeleiden van het archeologisch onderzoekstraject

 

Het archeologisch onderzoekstraject: de AMZ-fasering

Het proces van archeologisch onderzoek is opgebouwd uit verschillende stappen en wordt aangeduid als de fasering van de Archeologische Monumentenzorg (AMZ-fasering; bijlage 5). De verschillende onderzoeksmodules die hierin onderscheiden worden, verlopen qua zwaarte van onderzoek van licht naar zwaar. Deze opzet is gekozen om na het uitvoeren van elke onderzoeksmodule te kunnen beslissen of aanvullend onderzoek noodzakelijk is of dat er genoeg gegevens zijn verzameld om tot een goed onderbouwde beslissing te komen. Vaststellen wanneer er voldoende onderzoek heeft plaatsgevonden, is afhankelijk van de aard en omvang van de geplande ingrepen en de aard van de aanwezige waarden. Soms kan een globale indruk van de aan- of afwezigheid van archeologische waarden al voldoende zijn. In andere gevallen echter zal wel heel nauwkeurig de aard, omvang, datering en diepteligging van archeologische waarden moeten worden vastgesteld. Bij een keuze tussen deze twee uitersten spelen ook tijd en geld een belangrijke rol.

 

 

De AMZ-fasering als ambtelijk besluitvormingstraject

De AMZ-fasering is behalve een archeologisch onderzoekstraject, ook een ambtelijk besluitvormingstraject. Het is de taak van de gemeente om dit traject te bewaken en op consequente wijze toe te passen in de projecten die in de gemeente plaatsvinden. Voor de gemeente zijn de volgende 3 beslisstappen te onderscheiden:

 

 

  • •.

    Stap 1: afweging archeologisch onderzoek noodzakelijk of niet?

  • Stap 2: beslissing over vervolgonderzoek na iedere fase van onderzoek

  • Stap 3: het selectiebesluit

 

  • 1.

    Afweging archeologisch onderzoek noodzakelijk of niet?

Bij ruimtelijke ontwikkelingen, waarbij de bodem wordt geroerd, komt ook het aspect archeologie om de hoek kijken. De gemeente bekijkt in dat geval - aan de hand van de archeologische verwachtings- en beleidskaart en/of bestemmings-plankaart - of archeologische resten in het plangebied aanwezig zijn of worden verwacht. Zo ja, dan wordt vervolgens bekeken of de plannen eventueel kunnen worden vrijgesteld van archeologisch onderzoek. Wanneer de ontwikkelingen de ondergrenzen niet overschrijden (zie § 3.3), is er vanuit archeologisch oogpunt geen bezwaar om de vergunning te verlenen of de bestemming van de gronden te wijzigen. Er hoeft derhalve geen archeologisch onderzoek plaats te vinden. Wanneer de ondergrenzen wel worden overschreden, dienen de plannen te worden aangepast of zal de initiatiefnemer een archeologisch onderzoek moeten laten uitvoeren. Dit laatste betekent dat de AMZ-fasering wordt opgestart.

De coördinatie van het AMZ-proces binnen de gemeente Simpelveld is bij een ambtenaar neergelegd, die archeologie in zijn portefeuille heeft. Dit hoeft geen archeoloog te zijn. Hij/zij kan de beoordeling van de onderzoeksverplichting met behulp van tabel 3 zelfstandig uitvoeren. Bij twijfelgevallen en voor volgende processtappen is advies van de regio-archeoloog nodig.

 

  • 2.

    Beslissing over vervolgonderzoek na iedere fase in de AMZ-fasering

Het archeologisch onderzoek dient vervolgens te worden uitgevoerd door een deskundig onderzoeksbureau. De gemeente dient na iedere fase in de AMZ-fasering een beslissing over het vervolgtraject te nemen. Is vervolgonderzoek al dan niet noodzakelijk? De rapportages worden inhoudelijk door de regio-archeoloog beoordeeld. Op grond van diens advies kan de gemeente een gemotiveerde beslissing nemen.

 

  • 3.

    Het selectiebesluit

Het uiteindelijke doel van het archeologisch onderzoek is vaststellen of er daadwerkelijk sprake is van archeologische resten in het gebied en zo ja, wat de waarde hiervan is. Op basis van de waardering door de onderzoekers wordt een selectieadvies uitgebracht: beschermen, opgraven, vrijgeven of een archeologische begeleiding van de werkzaamheden. Hierbij streeft de gemeente Simpelveld altijd zoveel mogelijk naar behoud van archeologische waarden in situ.

 

Een uiteindelijke beslissing over de omgang met een vindplaats is een gemotiveerd besluit van de bevoegde overheid (B&W). Het betreft het zogenaamde selectiebesluit.

 

Na het doorlopen van het boven beschreven proces zijn er in principe 4 opties:

 

  • 1.

    de werkzaamheden kunnen zonder voorwaarden plaatsvinden;

  • 2.

    de werkzaamheden kunnen plaatsvinden, met inachtneming van de voorwaarden voor aanvullende maatregelen (bijvoorbeeld aanpassing van de plannen);

  • 3.

    de werkzaamheden kunnen plaatsvinden onder de voorwaarde dat archeologisch vervolgonderzoek (archeologische opgraving of archeologische begeleiding) plaatsvindt;

  • 4.

    de werkzaamheden worden niet geaccepteerd, hetgeen meestal tot bescherming leidt.

3.5.2 Aanvullende onderzoekseisen

De gemeente Simpelveld hecht veel waarde aan de kwaliteit van archeologische onderzoeken die op haar grondgebied worden uitgevoerd. Ten aanzien van archeologische onderzoeken stelt zij daarom een aantal aanvullende eisen.

 

  • 1.

    Ieder onderzoek moet voldoen aan de op dat moment geldende Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie (KNA).

  • 2.

    De onderzoeksmethoden moeten voldoen aan de KNA Leidraden opgesteld door de SIKB.

  • 3.

    Om er zeker van te zijn dat er bij onderzoek geen belangrijke archeologische feiten worden gemist, is een lijst opgesteld van uitgaven die verplicht geraadpleegd moeten worden. Dit zijn:

    • o

      Verhoeven, M.P.F., 2007. Hoog, middelhoog en laag; een archeologische verwachtings- en cultuurhistorische advieskaart voor de Parkstad Limburg gemeenten en de gemeente Nuth. Deelrapport I: de archeologische verwachtings- en cultuurhistorische advieskaart en Deelrapport II: Catalogus van archeologische vindplaatsen en bouwhistorische elementen RAAP-rapport 1483. Weesp.

    • o

      Archeologische verwachtings- en beleidskaart Simpelveld (vaststellingsdatum 19-12-2013).

 

  • En bij gravend onderzoek tevens:

    • o

      De Grooth, M., 2007, De Vroege Prehistorie. Deeben, J., H. Peeters, D. Raemaekers, E. Rensink & L. Verhart, 2006. De vroege prehistorie. NOaA hoofdstuk 11 (versie 1.0). Ontleend aan http://www.noaa.nl.

    • o

      Enckevort, H. van, T. de Groot, H. Hiddink & W. Vos, 2006. De Romeinse tijd in het Midden-Nederlandse rivierengebied en het Zuid-Nederlands dekzand- en lössgebied. NOaA hoofdstuk 18 (versie 1.0). Ontleend aan http://www.noaa.nl.

    • o

      Gerritsen, F., P. Jongste & L. Theunissen, 2006. De Late Prehistorie in Noord-, Oost- en Zuid-Nederland en het rivierengebied. NOaA hoofdstuk 17 (versie 1.0). Ontleend aan http://www.noaa.nl.

    • o

      Hoevenberg, J., 2007, De Romeinse tijd.

    • o

      Hoof, L. van, 2007. Late Prehistorie.

    • o

      Stoepker, H., 2007, Middeleeuwen en Nieuwe Tijd

    • o

      Stoepker, H., E. Rensink & E. Drenth, 2002. Behoud en onderzoek van archeologische waarden in het Maasdal in het kader van de Maaswerken en de Via Limburg: wetenschappelijk beleidsplan 2002. Rijksdienst voor het Oudheidkundig Bodemonderzoek, Amersfoort.

    • o

      Verhart, L. De vroege Prehistorie in Limburg; een actuele kennisstand van de vroege prehistorie in Limburg aan de hand van archeologisch onderzoek tussen 2007 en 2013.

    • o

      Meurkens, L. en A. Tol. De late Prehistorie in Limburg; een actuele kennisstand van de vroege prehistorie in Limburg aan de hand van archeologisch onderzoek tussen 2007 en 2013.

    • o

      Tichelman, G. Romeinse tijd in Limburg; een actuele kennisstand van de vroege prehistorie in Limburg aan de hand van archeologisch onderzoek tussen 2007 en 2013.

 

  • 4.

    De gemeente vindt het belangrijk dat bij archeologisch onderzoek lokale kennis zoveel mogelijk wordt benut. De gemeente is zich ervan bewust dat er lokaal veel kennis over het verleden aanwezig is en dat het een gemiste kans is om deze niet te benutten. Actieve participatie van de bevolking levert niet alleen inhoudelijk betere plannen op; de plannen kunnen ook rekenen op een groter maatschappelijk draagvlak. De gemeente adviseert de uitvoerende bureaus om bij interessant archeologisch onderzoek (met name gravend onderzoek) de lokale heemkundeverenigingen en amateur archeologen te benaderen om te bekijken of zij iets kunnen en willen betekenen. Het betreft vrijwilligerswerk, dat in de praktijk niet mag leiden tot vertraging.

  • 5.

    De gemeente vindt het belangrijk dat de resultaten van archeologische onderzoeken niet verscholen blijven voor de burgers. Onderzoeksbureaus zijn daarom verplicht om een samenvatting (met conclusies) in de rapportage op te nemen. Bij ieder interessant groter onderzoek is, naast een gewone samenvatting, tevens een publiekssamenvatting - liefst voorzien van een foto of kaart - vereist. Interessant onderzoek betreft veelal gravend onderzoek (proefsleuven-onderzoek, opgraving of archeologische begeleiding) waarbij interessante vondsten of resultaten zijn gedaan.

  • 6.

    Om de gegevens vervolgens gemakkelijk toegankelijk te maken, dient ieder onderzoeksrapport ook digitaal (pdf-formaat) te worden aangeleverd.

  • 7.

    Verder stelt de gemeente dat het bij opgravingen van enige omvang of bij bijzondere vondsten gewenst is dat een open dag wordt georganiseerd. De coördinatie hiervan gebeurt door regio-archeoloog, in samenwerking met betreffende uitvoerende instantie en opdrachtgever.

3.5.3 Omgang met toevalsvondsten

Toevalsvondsten betreffen archeologische resten die ontdekt worden tijdens niet archeologische graafwerkzaamheden. Door de keuzes die de gemeente in onderhavige beleidsnota maakt, probeert de gemeente echter de kans op het aantreffen van toevalsvondsten zoveel mogelijk te beperken. Toch is het niet ondenkbaar dat tijdens graafwerkzaamheden onverhoopt archeologische resten worden ontdekt. Welke werkwijze dient er dan gevolgd te worden?

 

Voor toevalsvondsten bestaat een meldingsplicht (Erfgoedwet, art. 5.10): “Degene die anders dan bij het doen van opgravingen een zaak vindt waarvan hij weet dan wel redelijkerwijs moet vermoeden dat het een archeologisch monument is, meldt die zaak zo spoedig mogelijk bij onze minister.” Het doel van de meldingsplicht is onder andere om de informatie over het bodemarchief in het landelijke ARCHeologisch Informatie Systeem (ARCHIS) up-to-date te houden. Daarvoor dient de toevalsvondst aangemeld te worden bij de regioarcheoloog Parkstad.

 

Als de toevalsvondst behoudenswaardig wordt geacht, kan het werk worden stilgelegd. In de praktijk legt de minister alleen het werk stil bij toevalsvondsten van nationaal belang. Indien de toevalsvondst niet van nationaal belang is, kan de gemeente actie ondernemen. Zij zal bepalen of de vondst wel van regionaal of provinciaal belang is en in overleg met de initiatiefnemer bepalen hoe verder te handelen. Men kan ook (gemotiveerd) besluiten om de toevalsvondst verloren te laten gaan.

 

Indien de verstoorder aan al zijn wettelijke verplichtingen ten aanzien van archeologisch onderzoek heeft voldaan, kunnen de kosten die gemoeid zijn met het verder onderzoeken van een toevalsvondst niet verhaald worden op de initiatiefnemer. De gemeente is in dit geval een tegemoetkomende rol toebedeeld en zal de kosten voor haar rekening nemen (eventueel samen met Rijk, Provincie). Met andere woorden: als de verstoorder geen onderzoeksplicht heeft omdat de bodemingreep binnen de ondergrenzen valt, maar er tijdens de graafwerkzaamheden wel archeologische resten worden ontdekt, ligt het risico bij de gemeente en niet bij de verstoorder.

 

Een toevalsvondst komt in gelijke delen toe aan de vinder én de eigenaar van de roerende of onroerende zaak waarin deze is aangetroffen (artikel 13 van boek 5 van het Burgerlijk wetboek). De vondst hoeft dan ook niet aangeleverd te worden bij het provinciaal depot.

3.6 Maatschappelijke waarde: archeologie in de openbare ruimte

De gemeente wil het archeologisch erfgoed zo dicht mogelijk bij de mensen brengen. Dit kan onder andere bereikt worden door duidelijke verwijzingen naar de lokale archeologische waarden in de openbare ruimte. Zo kan er bijvoorbeeld middels borden en foto’s verteld worden wat er zich op een bepaalde plek onder de grond bevindt, maar is het ook mogelijk om bepaalde resten in openbare ruimte zichtbaar te maken (bijv. in de bestrating). Het is daarom van belang dat gezocht wordt naar mogelijkheden om aangetroffen archeologische resten te verbeelden of te ontsluiten.

De laatste jaren wordt bij een groeiend aantal inrichtingsplannen aandacht geschonken aan de inpassing en visualisatie van archeologische vindplaatsen en objecten. Een plan kan vaak nog relatief eenvoudig worden aangepast zonder dat dit al te veel financiële consequenties heeft. Voor het plan zelf betekent het bovendien vaak een meerwaarde, doordat het een eigen gezicht en uitstraling krijgt. De gemeente zal hierin een faciliterende rol spelen.

 

De gemeente Simpelveld is voornemens om Romeinse sporen rond Bocholtz zichtbaar te maken, recreatief te ontsluiten en toeristisch op de kaart te zetten. Daarbij wordt de relatie met ondernemerschap gezocht. Sprinthills (zie kader bij par. 2.3) en Stichting IKL zijn doende – samen met diverse instanties zoals stadsregio Parkstad Limburg, VVV Zuid-Limburg, Provincie Limburg, Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed en Zuyd Hogeshool – om een vertaalslag te leveren van kennis, landschap en herbestemming van cultuurhistorisch erfgoed naar ondernemerschap. Doel van het traject is om een wezenlijke bijdrage te leveren aan het toegankelijk maken van het Romeins Verleden en een volwaardig toeristisch aanbod te ontplooien.

 

In 2013 en 2015 organiseerden stichting SPQR en gemeente Simpelveld het Romeins festival Sempervivetum. Voor de derde editie in 2017 heeft gemeente Simpelveld besloten om een minder actieve rol te spelen op uitvoerend niveau. Organisatorisch blijft de Gemeente Simpelveld echter heel nauw betrokken. Op 8 en 9 juli 2017 was het Bongerdpark in Bocholtz weer overspoeld met echte Romeinen en Eburonen. Info op http://www.sempervivetum.nl

 

Parkstad en IBA

IBA zoekt naar innovatieve, toekomstgerichte projecten die duurzaam van betekenis zijn voor de ontwikkeling van een stad of gebied. IBA bouwt zelf niet, maar regelt processen. Het legt de basis voor een nieuwe oriëntatie op de toekomst waarin maatschappelijke veranderingen worden aangejaagd. Simpel gesteld, IBA draagt bij aan de verbetering van een stad of regio. IBA geeft een Aufschwung. In 2020 eindigt de IBA-periode met een tentoonstelling van de gerealiseerde projecten.

 

IBA staat voor Internationale Bau Ausstellung. Het fenomeen IBA is in Duitsland ontstaan en uitgegroeid tot een creatieve aanpak met een bewezen economische impuls voor betreffende gebieden. Met als tastbaar resultaat een fysieke verandering in het gebied. Maar minstens zo belangrijk: een cultuuromslag in denken en werken en in waardering voor het gebied. Een hernieuwde trots, die uitnodigt om te investeren.

 

Succesvolle buitenlandse IBA’s zoals IBA Emscherpark, IBA SachsenAnhalt, IBA Hamburg en de IBA’s in Berlijn bewijzen dat een IBA gebieden daadwerkelijk op de kaart kan zetten. IBA Parkstad is de eerste niet-Duitse IBA.

 

De Parkstadgemeenten (Heerlen, Kerkrade, Landgraaf, Brunssum, Voerendaal, Simpelveld, Nuth en Onderbanken) en de Provincie Limburg hebben in oktober 2013 besloten een IBA van start te laten gaan. Sinds juli 2014 is de organisatie en uitvoering daarvan in handen van de IBA Parkstad B.V.(bron: http://www.iba-parkstad.nl). Enkele archeologie-gerelateerde IBA-projecten binnen de gemeente Parkstad zijn:

  • o

    Kasteel Schaesberg: SlotLab

  • o

    Romeins Kwartier Heerlen

  • o

    Gebiedsontwikkeling Jabeek: Het Verwoeste Kasteel Etzenrade

  • o

    Lauradorp

3.7 Erfgoed is van ons allen: communicatie en publieksbereik

Naast directe beleefbaarheid van de archeologie in de openbare ruimte, willen we het publiek actief in aanraking laten komen met - en betrekken bij - de archeologie. Door het publiek op diverse manieren in aanraking te laten komen met de gemeentelijke archeologie, zal de kennis en herkenbaarheid worden vergroot. Hierdoor zal het draagvlak voor het archeologisch erfgoed toenemen. Dit draagvlak is door de gemeente op de volgende wijzen te bereiken:

  • o

    Open dagen: de gemeente stelt het verplicht dat bij grotere opgravingen minstens 1 open dag wordt georganiseerd.

  • o

    Het organiseren van bijeenkomsten rondom een archeologisch thema (Romeins Zuid Limburg, Middeleeuwse pottenbakkersindustrie, Middeleeuwse kastelen, Mijnverleden). Voorbeelden zijn het grote nationale archeologische congres dat in 2016 in Heerlen is georganiseerd, (Reuvensdagen), het Romeinse festival Sempervivetum (zie paragraaf 3.6) en het “Spectaculum Romanum” (Landgraaf, Rimburg).

  • o

    Archeologie in de pers: de gemeente neemt een actieve houding aan bij het verspreiden van persberichten, die archeologie aan de orde stellen. De regio-archeoloog zal hierin vanuit de gemeenten een co-ordinerende rol hebben.

  • o

    Publicaties cultuurhistorie, en archeologie in het bijzonder: De gemeente stelt verplicht dat door de uitvoerende bureaus bij een interessant archeologisch onderzoek (veelal gravend onderzoek) een publiekssamenvatting wordt aangeleverd.

  • o

    Museale presentaties: de gemeente zal bevorderen dat bij toekomstige opgravingen de ontdekte archeologische resten tentoongesteld kunnen worden in overleg met de Heemkundevereniging De Bongard, en de plaatselijke amateurarcheologen. Hierbij kan de gemeente gebruik maken van haar recht om archeologische vondsten te lenen bij het provinciaal depot.

  • o

    Archeologische en cultuurhistorische routes om onder andere het Romeinse verleden uit te dragen (zoals de bestaande route Bocholtz - Baneheide, die door de ‘Romeinse Vallei’ van Bocholtz voert en de Kastelenroute Parkstad Limburg, uitgegeven door de VVV): De gemeente zal faciliteren bij het uitzetten van archeologische en cultuurhistorische routes in de gemeente (bijvoorbeeld in de vorm van het bekende ‘ommetje’). In het buitengebied is ook de combinatie met natuur en landschap interessant. De gemeente zoekt daarbij samenwerking met heemkundeverenigingen, beheerders van natuurterreinen en de VVV.

  • o

    Educatieprogramma voor scholen: beter dan een stapel boeken of foto’s kan een wandeling door een oud cultuurlandschap, waarin nog archeologische resten verborgen zijn, inzicht geven hoe mensen in het verleden en heden de ruimte hebben benut en hebben vormgegeven. Dit biedt mogelijkheden voor het sterk opkomende ‘omgevingsonderwijs’ waarin ‘regionale beeldvorming’ en ‘eigen regio’ onderwerpen zijn. De gemeente kan grensoverschrijdend bekijken of en op welke manier zij dit uit kan werken. Hierbij kan bijvoorbeeld gedacht worden aan een “Onderwijskist voor scholen”. De regio-archeoloog zal hierin een coördinerende rol hebben.

  • o

    Kennisontsluiting: Voor de bewoners en bezoekers van de gemeente die dieper in de materie willen duiken, kan de gemeente de mogelijkheid bieden om dit te doen. Hiertoe kan samenwerking worden gezocht met het archief Rijckheyt om archeologische onderzoeksrapporten ook te gaan ontsluiten. De regio-archeoloog zal hierin vanuit de gemeenten een coördinerende rol hebben.

  • o

    Participatie door amateurarcheologen/vrijwilligers bij veldwerk.

3.8 Privécollecties

Een aantal burgers is in het bezit van grote privécollecties archeologisch materiaal. De gemeente is zich ervan bewust dat hier met zorg mee moet worden omgegaan. Ook deze collecties behoren immers tot het erfgoed van de gemeente en zijn daarmee onderdeel van het verhaal.

 

De gemeente heeft de ambitie om deze privécollecties te gaan inventariseren (actiepunt regio-archeoloog). Daarnaast zullen met de eigenaren officiële afspraken worden gemaakt hoe hier in de toekomst mee om zal worden gegaan (afspraken omtrent conservering en restauratie, beheer, nalatenschap e.d.). Het voornaamste doel is dat op termijn zoveel mogelijk vondsten aan het Provinciaal depot voor bodemvondsten worden overgedragen en dat lokale archeologische vondsten aan het publiek worden getoond. De gemeente zal stimuleren dat deze privécollecties tentoongesteld kunnen worden in overleg met de plaatselijke Heemkundeverenigingen (de Bongard) en de plaatselijke amateurarcheologen. Hierbij wordt de regioarcheoloog betrokken en kan de gemeente gebruik maken van haar recht om archeologische vondsten te lenen bij het provinciaal depot.

 

Met de regio-archeoloog zullen afspraken worden gemaakt omtrent het inventariseren en maken van (bindende) afspraken omtrent privécollecties

4 Organisatie en financiën

 

In het voorgaande hoofdstuk is het inhoudelijke archeologiebeleid van de gemeente Simpelveld uitgewerkt. De uitvoering van dat beleid heeft gevolgen voor de gemeentelijke organisatie, maar heeft ook financiële gevolgen. In dit hoofdstuk wordt daarom aandacht besteed aan de organisatorische en financiële gevolgen van de implementatie van het gekozen beleid.

4.1 Gemeentelijke organisatie

Het taakveld archeologie is in Simpelveld ondergebracht bij de medewerker milieu en wordt in samenwerking met de regio-archeoloog, die door alle Parkstadgemeenten tezamen is aangesteld, uitgevoerd. Het takenpakket archeologie omvat onder andere:

  • Zorg dragen voor de verdere uitwerking en implementatie van onderhavig beleid;

  • Adviseren over het archeologisch erfgoed bij plannen op abstracter (structuurvisie)niveau;

  • Beoordelen van nieuwe bestemmingsplannen (zowel ontwikkelingsgerichte als conserverende); zijn de archeologische belangen voldoende gewaarborgd?

  • Organiseren van kennisbijeenkomsten voor vergunningverleners, beleidsmedewerkers, projectleiders en wethouders ter ondersteuning van hun werk;

  • Adviseren bij (lastige) vergunningaanvragen;

  • Adviseren bij gemeentelijke projecten;

  • Begeleiden van het archeologisch onderzoekstraject (toezicht houden op het proces en beoordelen van het resultaat);

  • Toetsen van Programma’s van Eisen (PvE’s);

  • Adviseren (aan bevoegd gezag) ten aanzien van het te nemen selectiebesluit (In Simpelveld is het nemen van selectiebesluiten gemandateerd aan de medewerker milieu; de regioarcheoloog adviseert de gemeente in voorkomende gevallen).

  • Uitwerken van het beleid ten aanzien van communicatie en publieksbereik:

    • o

      mede coördineren van open dagen bij opgravingen;

    • o

      coördinatie van de publicatie van onderzoeksresultaten in het weekblaadje / internet;

    • o

      initiatief nemen / faciliteren van de ‘populaire’ publicatie over het archeologisch erfgoed van de Park-stadgemeenten;

    • o

      initiatief nemen / faciliteren van museale presentaties;

    • o

      initiatief nemen / faciliteren bij het uitzetten van archeologische routes;

    • o

      coördineren van de ontsluiting van archeologische rapporten op de gemeentelijke website.

 

Naast de regio-archeoloog en de medewerker milieu zijn ook andere afdelingen en medewerkers van de gemeente betrokken bij de uitvoering van bovengenoemde taken. Het gemeentelijk archeologiebeleid kan alleen slagen door een goede samenwerking en beleidsafstemming tussen alle betrokken afdelingen en personen.

 

Bronzen munt (sestertius) uit de Romeinse tijd (bron: Tichelman, 2012)

4.2 Gemeentelijke archeologische kosten

Bij de bekostiging van het archeologisch beleid is het van belang onderscheid te maken tussen de algemene kosten (bestuurslasten) en de projectgebonden kosten.

4.2.1 Bekostiging Regioarcheoloog

Na een proefperiode van 2 jaar is de regioarcheoloog per 1 oktober 2013 in vaste dienst van de gemeente Heerlen getreden. De kosten van de regioarcheoloog worden in rekening gebracht op basis van de verdeelsleutel naar rato van het aantal inwoners van de gemeenten in Parkstad Limburg. Uitgangspunten waren de bewonersaantallen in Parkstad Limburg per 1 januari 2013 en de kosten van € 90.000,= op jaarbasis. In onderstaande tabel is per gemeente in procenten en euro’s de bijdrage in de kosten van de regioarcheoloog weergegeven.

Gemeente

Aantal inwoners

per 1 januari 2013

Percentage in %

Jaarlijkse bijdrage in €

Brunssum

29087

11,64

10476

Heerlen

88731

35,51

31960

Kerkrade

47197

18,89

17000

Landgraaf

37917

15,17

13653

Nuth

15492

6,2

5580

Onderbanken

7909

3,17

2853

Simpelveld

10925

4,37

3933

Voerendaal

12615

5,05

4545

Totaal

249873

100

90000

Tabel 4: verdeling kosten regioarcheoloog

 

In de gemeente Simpelveld is een bedrag van € 3933,= opgenomen in het budget “Uitvoering milieubeleidsplan”. Dit bedrag is in de meerjarenbegroting opgenomen.

4.2.2 Algemene kosten

De algemene kosten van de gemeente worden voornamelijk gevormd door de hoeveelheid tijd die wordt besteed aan vergunningverlening, toezicht en handhaving van de archeologische monumentenzorg

 

De gemeente zal de ambtelijke ‘handeling’ van het beoordelen van rapporten, PvE’s, etc. deels in rekening brengen bij de vergunningaanvrager. Hiertoe dient de legesverordening te worden afgestemd op de leges die geheven worden in de omliggende gemeenten in Zuid-Limburg.

 

De legesverorening zal worden aangepast, zodat de bestuurslasten ten aanzien van archeologie (deels) kunnen worden doorbelast naar de vergunningaanvrager.

4.2.3 Projectgebonden kosten

 

De gemeente als ‘verstoorder’

De projectgebonden archeologische kosten zijn voor rekening van de ‘verstoorder’ (veroorzakerprincipe). In het geval de gemeente initiatiefnemer is (gemeentelijke projecten), komen deze dus ten laste van de gemeente. In tegenstelling tot de algemene archeologische kosten zijn deze direct te relateren aan individuele projecten. De kosten komen dan ten laste van het budget van het desbetreffende project. Bij gemeentelijke projecten, waarbij de gemeente kan worden aangemerkt als de rechtstreekse ‘verstoorder’, worden binnen de projectbegroting dan ook standaard de benodigde middelen gereserveerd voor het volgens de archeologische verwachtings- en beleidsadvieskaart Simpelveld en het daaraan gekoppelde beleid noodzakelijke archeologische onderzoek.

 

Kostenverhaal

Op grond van de Wet ruimtelijke ordening (afdeling 6.4) is de gemeente verplicht kosten te verhalen als publieke medewerking wordt verleend aan een door een particuliere partij gewenst ruimtelijk besluit, dat een bouwplan op particuliere grond mogelijk maakt. Dit kostenverhaal dient verzekerd te zijn voordat tot het ruimtelijk besluit wordt besloten. Hoewel de verplichting tot kostenverhaal voor elke gemeente geldt, biedt de wet ruimte aan verschillende manieren waarmee dit kostenverhaal verzekerd kan worden. Kostenverhaal kan plaatsvinden via de publiekrechtelijke weg (exploitatieplan) dan wel via de privaatrechtelijke weg (sluiten anterieure overeenkomst). Als wordt uitgegaan van kostenverhaal via de publiekrechtelijke weg dan stelt de gemeenteraad een exploitatieplan vast voor gronden waarop een bij AmvB aangewezen bouwplan is voorgenomen. Die AmvB is opgenomen in artikel 6.2.1. Bro waar is omgeschreven wat onder een bouwplan wordt verstaan.

 

In Simpelveld vindt verhaal van kosten die gemoeid gaan met een ruimtelijk besluit voor gronden die niet bij de gemeente in bezit zijn, in beginsel plaats door het sluiten van een anterieure overeenkomst. Dus voorafgaand aan de vaststelling van het (ruimtelijke) besluit wordt een anterieure overeenkomst opgesteld en voorgelegd aan de ontwikkelende partij. Als tot wilsovereenstemming wordt gekomen, behoeft de gemeenteraad normaal gesproken geen exploitatieplan(nen) vast te stellen. Dit heeft een groot voordeel omdat het exploitatieplan namelijk een complex instrument is met de nodige juridische risico’s, die worden vermeden door op basis van vrijwilligheid een anterieure overeenkomst aan te gaan.

 

Het uitgangspunt in Simpelveld van kostenverhaal is dus in beginsel niet om de kosten te verhalen via een exploitatie-plan zoals bedoeld in art. 6.12 Wro, maar door middel van het sluiten van een anterieure overeenkomst. Mocht er om welke reden dan ook geen anterieure overeenkomst tot stand komen, dan vindt kostenverhaal plaats via het vaststellen van een exploitatieplan. Het exploitatieplan is dus een achtervang voor het kostenverhaal.

 

Kosten in verband met toevalsvondsten

Zie hiervoor paragraaf 3.5.3.

Literatuur

 

Aarts, M., B. de Fraiture, K. Jeneson, L. Verhart, 2013. ‘Archeologische Kroniek van Limburg over 2012’. In: Jaarboek 2013 van het Koninklijk Limburgs Geschied- en Oudheidkundig Genootschap (Publications, deel 149), pp. 271-272.

Bonnie, R., 2008: Nieuwenhagen-Koelweg: Een Romeinse villa? In Mulders, H., 2008: Jaarboek Oudheidkundig Cultuurhistorisch Genootschap Landgraaf 2008. pp. 43-54, Landgraaf.

Simpelveld Beckers, I.S.J. en J.A.G. Rooij, 2011. Simpelveld Gaasstraat Booronderzoek. Een bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek door middel van een verkennend booronderzoek. ADC-rapport 2820. ADC ArcheoProjecten, Amersfoort.

Brounen, F., 1997. Landgraaf: een landweer uit de Middeleeuwen. In: S. van Dockum & A. Haytsma (red.); Gids archeologische monumenten in Nederland. Rijksdienst voor het Oudheidkundig Bodemonderzoek/Uitgeverij Unie-pers, Abcoude: 46-47.

Demey, D., 2003. De Romeinse weg van Boulogne-sur-Mer naar Keulen, Provincie Limburg: een archeologisch onderzoek. RAAP-rapport 924. RAAP Archeologisch Adviesbureau, Amsterdam.

Dommelen, S. van en C. Pen. (red.), 2013. Cultureel erfgoed op waarde geschat: Economische waardering,verevening en erfgoedbeleid. Platform31, Den Haag.

Ellenkamp, G.R. , 2015. Lakprofiel van de Romeinse weg bij de Locht te Kerkrade. RAAP-adviesdocument 803. RAAP Archeologisch Adviesbureau, Weesp.

Franssen, H., 1997. Een Merovingisch grafveld. Ja of nee? Tijdschrift van heemkundevereniging de Bongard, Simpelveld Bocholtz. Jaargang 9, nummer 4. December 1997.

Gaauw, P. van der, 2008. Provinciale archeologische aandachtsgebieden; Archeologisch selectiedocument. Provincie Limburg, Maastricht.

Groot, T. de, 2005. Een bijzonder graf uit de Romeinse tijd in Bocholtz (gemeente Simpelveld). Overdruk uit het Jaarboek 2005 van de Historische en Heemkundige Studies in en rond het Geuldal.

Hensen, G., 2010. Plangebied Diepestraat te Arensgenhout, gemeente Nuth; IJzertijd bewoning en begraving, een Romeinse villa en een middeleeuws erf: archeologisch onderzoek: proefsleuvenonderzoek en opgraving. RAAP-rapport 2102. RAAP Archeologisch Adviesbureau, Weesp.

Hensen, G., 2015. Bewoning uit de Midden IJzertijd langs de Merkelbeker Beek; buitenring Parkstad Limburg, T5 vindplaats 8 De Kling, Europalaan Noord, gemeente Brunssum; archeologisch onderzoek: een opgraving. RAAP-rapport 2959. RAAP Archeologisch Adviesbureau, Weesp.

Hiddink, H.A., 2004. Een grafmonument uit de Romeinse tijd in Nieuwenhagen, gemeente Landgraaf. Zuidnederlandse archeologische rapporten (ZAR) 17, Amsterdam.

Janssens, M., 2009. De Via Belgica aan de Oude Midweg te Kunrade, gemeente Voerendaal; documentatie van het profiel. RAAP-notitie 3304. RAAP Archeologisch Adviesbureau, Weesp.

Kerkckhove, van J. & G. Boreel, 2014. A Characterization of the pottery production in Heerlen (Limburg, the Netherlands): fabric analysis and typo-chronology. Xantener Berichte, pp. 241-286.

Luinge, R.A.C., 2009. Bouwen, ruimte en archeologie. Juridisch kader voor niet-archeologen. SIKB, Gouda.

Ministerie van OCenW, 1988. Monumentenwet 1988. Ministerie van OCenW, Den Haag.

Ministerie van OCenW, 2006. Wijziging van de Monumentenwet 1988 en enkele andere wetten ten behoeve van de Archeologische Monumentenzorg mede in verband met de implementatie van het Verdrag van Valletta. Ministerie van OCenW, Den Haag.

Ministerie van VROM, 2008. Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen. Versie december 2008. Ministerie van VROM, Den Haag.

Ministeries van WVC & BZ, 1992. Europees verdrag inzake de bescherming van het archeologisch erfgoed. Europese Commissie, Valletta. Den Haag.

Projectgroep NOaA, 2006. Nationale Onderzoeksagenda Archeologie. Versie 1.0. Ontleend aan www.noaa.nl.

Provincie Limburg, 2005. ‘Via Belgica. Verleden op weg naar de toekomst’. Provincie Limburg, Maastricht.

Provincie Limburg, 2016. Archeologie in de etalage! Richtinggevend kader archeologie met actielijnen voor de periode 2016-2019. Provincie Limburg, Maastricht.

RACM, 2009. Archeologische Monumentenkaart. RACM, Amersfoort.

Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed, 2001-2012. Archeologisch Informatiesysteem (ARCHIS). Ontleend aan http://archis2. archis.nl.

Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed, 2009. Indicatieve Kaart van Archeologische Waarden (IKAW) versie 2.1. Ontleend aan http://www.archis.nl.

Rogge, M. & K. Sas, 2006. Quo vadis? Het wegennet van de Romeinen, een verenigd Europa. Publicaties van het Provinciaal Archeologisch Museum Velzeke. Buitengewone reeks nr. 4. Zottegem.

Roymans, J.A.M. , 2008. Schinveldse Es, gemeente Onderbanken: een waardering van veronderstelde cultuurhistorische relicten binnen het herverkavelingsgebied Schinveldse Es. RAAP-rapport 1756. RAAP Archeologisch Adviesbureau, Weesp.

Schrijnemakers, M.J.H.A., 2004. De Landgraaf in de Brunsummer- en de Heerlerheide: middeleeuwse landweer. Archeologie in Limburg 96: 2-23.

Sobczak, M., e.a., 2015. Het merk Zuid Limburg. Welke lading heeft het merk ‘Zuid Limburg’ en welke typisch Zuid Limburgse activiteiten, producten, aspecten hebben de interesse van de bezoekers. Sprinthills 2020’/Rabobank.

Sprengers, N.H. & J.A. Roymans, 2013. Corio Glana: herinrichting van de Geleenbeek gemeenten Heerlen, Voeren-daal, Nuth, Schinnen, Beek en Sittard-Geleen; archeologisch vooronderzoek: een cultuurhistorisch bureauonder-zoek. RAAP-rapport 2777. RAAP Archeologisch adviesbureau, Weesp.

Stoepker, H., 2011a. Waarom er geen B in Brunssum zit. Het begin van de aardewerkproductie in Brunssum en Schinveld in het licht van de regionale nederzettingsgeschiedenis. ArcheoCoach Studies 4. ArcheoCoach, Wijlre.

Stoepker, H., 2011b. Het begin van de aardewerkproductie in Brunssum en Schinveld in het licht van de regionale nederzettingsgeschiedenis. Archeocoach Studies 4. ArcheoCoach, Wijlre.

Tichelman, G., 2009. Bedrijventerrein Trilandis, gemeente Heerlen; archeologisch vooronderzoek: een inventariserend veldonderzoek (proefsleuven). RAAP-rapport 1966. RAAP Archeologisch Adviesbureau, Weesp.

Tichelman, G. & M. Janssens, 2012. Wonen langs de Romeinse weg in Coriovallum, Valkenburgerweg 25A, gemeente Heerlen: een opgraving in de vicus van Heerlen. RAAP-rapport 2210. RAAP Archeologisch Adviesbureau, Weesp.

Tichelman, G., 2014. Een non-villa nederzetting uit de Romeinse tijd op het lössplateau bij Heerlen, gemeente Heerlen; archeologisch onderzoek: opgravingen op bedrijventerrein Trilandis RAAP-rapport 2732. RAAP Archeologisch Adviesbureau, Weesp.

Tichelman, 2015. RAAP-Evaluatie- en selectierapport. Opgraving vindplaats 6, Buitenring Parkstad Limburg. Gemeente Landgraaf. Een opgraving aan de Hopelerweg. RAAP Archeologisch Adviesbureau, Weesp

Verhoeven, M.P.F., 2007. Hoog, middelhoog en laag; een archeologische verwachtings- en cultuurhistorische advies-kaart voor de Parkstad Limburg gemeenten en de gemeente Nuth. RAAP-rapport 1483. RAAP Archeologisch Adviesbureau, Weesp.

Wolters, L.J.E., 2003. St.-Remigius te Simpelveld. Kerk en parochie gedurende meer dan acht eeuwen. Kerkbestuur Heilige Remigius, Simpelveld.

z.a., 2016. Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie. Versie 4.0.

Internet

 

www.brunssum.nl

www.clemensdomein.nl

https://commons.wikimedia.org

www.cultureelerfgoed.nl

www.demijnstreek.net

www.heerlen.nl

www.iba-parkstad.nl

www.kerkrade.nl

www.landgraaf.nl

www.limburg.nl

www.noaa.nl

www.nuth.nl

www.onderbanken.nl

www.rijckheyt.nl

www.rijksoverheid.nl

www.schattenvanheerlen.nl

www.sempervivetum.nl

www.simpelveld.nl

www.thermenmuseum.nl

www.viabelgica.nl

www.viabelgicadigitalis.nl

www.villarustica.nl

www.voerendaal.nl

www.wetten.overheid.nl

 

Bijlage 1. Het archeologisch karakter van Parkstad

 

Inleiding

In de laatste 10.000 jaar (het Holoceen) is onder invloed van een belangrijke temperatuurstijging de natuurlijke vegetatie aan een voortdurende verandering onderhevig geweest. Deze vegetatieontwikkeling is dermate kenmerkend voor het Holoceen, dat de onderverdeling ervan in perioden hierop gebaseerd is (biostratigrafische indeling). In de laatste 5000 jaar heeft de mens in toenemende mate invloed gehad op veranderingen in de vegetatie (Berendsen, 1998). Voor een goed begrip van het landschap en de gebruiksmogelijkheden ervan voor de mens door de tijd heen wordt aan de hand van de vegetatieontwikkeling een korte beschrijving gegeven van de landschappelijke context en bewoningsgeschiedenis. Achtereenvolgens worden vanaf het Laat Paleolithicum t/m de Nieuwe tijd de belangrijkste karakteristieken van de vegetatie per geologische en archeologische periode beschreven.

 

Het verspreidingspatroon van archeologische vindplaatsen is voor een groot deel gerelateerd aan de fysieke eisen die de mens stelde aan de leef- en woonomgeving. Meest markant zijn de verschillen tussen jager-verzamelaars enerzijds en landbouwers anderzijds. In de Steentijd (Paleolithicum t/m Neolithicum) leefde de mens voornamelijk van de jacht, visvangst en het verzamelen van eetbare planten en vruchten. Omdat alle gewenste voedingsbronnen niet op één plaats aanwezig waren en om de natuurlijke omgeving niet uit te putten, trokken ze van de ene kampplaats naar de andere. Uit diverse ruimtelijke analyses van bekende kampementen blijkt dat deze vaak op de overgang van droog (hoog) naar nat (laag) liggen: de zogenaamde gradiëntzones. Hier was op relatief korte afstand een grote verscheidenheid aan voedsel- en grondstofbronnen voorhanden en was drinkwater beschikbaar. Vuursteenvindplaatsen kenmerken zich voornamelijk door een (oppervlakkige) spreiding van vuurstenen artefacten (verplaatsbaar object dat door de mens is vervaardigd, bewerkt en/of gebruikt) en ondiep ingegraven grondsporen (o.a. haardkuilen). Met de introductie van de landbouw (vanaf het Neolithicum) bleven de mensen steeds meer op een vaste plek. De mate waarin gronden geschikt waren om te akkeren werd een steeds belangrijker factor in de locatiekeuze van de mens. De eerste akkergronden werden op de van nature vruchtbaarste gronden aangelegd. Bovendien moesten de gronden goed ontwaterd zijn. Aangenomen wordt dat de vruchtbare lössbodems zeer aantrekkelijk waren voor (prehistorische) landbouwactiviteiten. Het wordt de laatste jaren steeds duidelijker dat vlakke gebieden, nabij markante reliëfverschillen (met name de randen in het landschap) in veel gevallen ook bij landbouwers in trek waren als vestigingsplaatsen. De vindplaatsen kenmerken zich onder andere door een spreiding van vondstmateriaal (veelal aardewerk) en het voorkomen van dieper ingegraven grondsporen en/of funderingsresten.

 

 

In deze bijlage worden de verschillende relevante archeologische perioden en hun landschappelijke context globaal en kort geschetst. In paragraaf 2.2 is een aantal belangrijke vindplaatsen in de regio Parkstad beschreven (zogenaamde archeologische parels van de regio). Voor meer uitgebreide informatie en algemene overzichten over de Steentijd, me-taaltijden, Romeinse tijd, Middeleeuwen en Nieuwe tijd in Zuid-Limburg wordt verwezen naar respectievelijk: Deeben e.a., 2005; Goossens, 1981; Van Hoof, 2000; Mares & Van Agt, 1962; Renes, 1988; Sprokholt, 1992; Ubachs, 2000; Venner, 2001.

 

Midden Paleolithicum (300.000-33.000 voor Chr.)

De midden-paleolithische bewoning van Zuid-Nederland vond plaats in het tweede deel van het Midden Pleistoceen en het eerste deel van het Laat Pleistoceen. Dit is een periode waarin ijstijden (glacialen: Saalien en Weichselien) en tussen-ijstijden (interglacialen: Eemien) elkaar afwisselden. Deze periode van meer dan een kwart miljoen jaar kenmerkt zich door grote veranderingen in klimaat, landschap, flora en fauna. De menselijke bewoning volgt in zekere zin het ritme van de glacialen en interglacialen. Van minstens even grote betekenis is de afwisseling van stadialen en interstadialen in het Saalien en Weichselien. Het Midden Paleolithicum is een bijzondere periode omdat het gaat om de nalatenschap van Neanderthalers (Homo neanderthalensis), die vanaf circa 500.000 jaar geleden in Noordwest-Europa leefden. De anatomisch moderne mens (Homo sapiens sapiens) verscheen omstreeks 40.000 jaar geleden in Europa: in het Midden Pleniglaciaal van het Weichselien (glaciaal: ijstijd). Deze overgang van menstype gaat in grote lijnen gepaard met het gebruik van nieuwe bewerkingstechnieken van stenen werktuigen en markeert de overgang van het Midden naar het Laat Paleolithicum (Rensink, 2005).

 

In het Zuid-Limburgse heuvelland zijn de plaatselijk metersdikke lösspakketten uit het Saalien en Weichselien van belang voor de conservering van bewoningssporen van Neanderthalers en hun voorlopers. Midden-paleolithische artefacten kunnen er tot verscheidene meters beneden maaiveld voorkomen. De ontdekking ervan is per definitie het resultaat van diepe ingravingen, zoals groeves, bouwputten, etc.

 

Laat Paleolithicum (33.000-8800 voor Chr.)

Het Laat Paleolithicum betreft het laatste deel van de ijstijd (Weichselien). In eerste instantie overheersten nog koude omstandigheden; kenmerkend voor deze periode was een toendralandschap bestaand uit een zeer open vegetatie met veel kruiden (Janssen, 1974). Uit deze vroege periode van het Laat Paleolithicum zijn uit (Zuid-)Nederland weinig archeologische gegevens bekend. Aangenomen wordt dat de mens in deze fase in warmere en beschutte oorden vertoefde ten zuiden van Nederland (zoals in grotten in België). In een latere fase zijn relatief snelle opeenvolgingen van koude en warme perioden kenmerkend voor de overgang van het Pleistoceen naar het Holoceen. De koudere perioden (Oude en Jonge Dryasstadialen) worden gekenmerkt door een boomloze en open toendravegetatie met kruiden en dwergstruiken. In warmere perioden (Bølling/Allerødinterstadiaal: rond 13.000-12.000 en 11.800-10.000 jaar geleden) was sprake van een taiga-achtige vegetatie, waarbij een groot oppervlak bestond uit gemengd dennen-berkenbos. Het bomenbestand (vooral berk en den) nam toe in deze fase, waardoor de (typische) taigabewoners zoals rendieren langzamerhand verdwenen. Hun plaats werd ingenomen door bosdieren als eland, edelhert, wild zwijn en oerrund.

 

Vanaf circa 13.000 jaar geleden zijn er tenminste 3 culturele tradities te onderscheiden in Zuid-Nederland: het Magdalé-nien, de Federmessertraditie (vroeger ook wel Tjongercultuur genoemd) en de Ahrensburg-cultuur (Deeben & Arts, 2005; Deeben & Rensink, 2005). Op de lössgronden in het zuiden van Limburg zijn resten uit deze periode uiterst zeldzaam.

 

 

Mesolithicum (8800-5300 voor Chr.)

De aanvang van het Mesolithicum in het Preboreaal (10.000-9000 jaar geleden) werd gekenmerkt door de overgang van het toendralandschap naar een gesloten berkenbos onder invloed van een relatief snelle opwarming, gevolgd door een gesloten dennenbos (taiga). Vanaf het Boreaal (9000-8000 jaar geleden) arriveerden de eerste warmteminnende planten zoals hazelaar en eik in rivierdalen, waarbij het aandeel den en berk snel werd teruggedrongen. Halverwege het Mesolithicum, bij aanvang van het Atlanticum (8000-5000 jaar geleden), was het klimaat reeds dermate verbeterd dat de vegetatie voornamelijk bestond uit warmteminnende soorten. De dichtheid en de soortenrijkdom van de begroeiing in het Maasgebied en de rivierdalen is door de tijd heen groter geweest dan bijvoorbeeld op de hogere (soms drogere) gedeelten. Toch ontwikkelde zich op de hogere gronden een eiken-berkenbos, terwijl in de beekdalen en andere lagere delen de vegetatie werd gedomineerd door vochtige elzenbossen. De den was toen vrijwel verdwenen. Gedurende het Atlanticum veranderde er vervolgens relatief weinig in deze vegetatieopbouw.

 

Met name door de vrij snelle overgang van naaldbos met een relatief hoge verdamping naar loofbos met een relatief lage verdamping, trad in het Atlanticum een sterke grondwaterspiegelstijging op (Berendsen, 1998). Deze vernatting had tot gevolg dat in de laaggelegen (natte) zones op grote schaal veenvorming kon optreden. Depressies en laagten (zoals beekdalen) verveenden, hetgeen weer een verdere vernatting en veenvorming in het omliggende gebied met zich meebracht. In het onderzoeksgebied (parkstadregio) trad slechts op beperkte schaal vernatting op en slechts op enkele laaggelegen locaties veenvorming. Door de meer gesloten vegetatie en de kleinere fauna ontwikkelde de mens wel geleidelijk andere voedselpatronen. Het verzamelen van planten en vruchten, visvangst en jacht bleven belangrijk. Binnen de jacht verschoof het accent echter naar klein standwild, dat de grote kudden rondtrekkende dieren van het taigalandschap definitief vervangen had (zie o.a. Arts, 1988; Vermeersch & Van Peer, 1990; Verhart, 2000).

 

 

Neolithicum (5300-2000 voor Chr.)

Bepalend voor de vegetatieontwikkeling vanaf het Neolithicum was de introductie van landbouw, ook wel aangeduid met de term ‘neolithisering’. Door het kappen van het gemengd eikenbos, waarvoor van vuursteen geslepen bijlen werden gebruikt, ontstonden open terreinen met grassen en kruidachtigen. In het Neolithicum vond geleidelijk een belangrijke verschuiving plaats in de houding van de mens ten aanzien van de natuur. Beduidend meer dan voorheen bracht de mens aanpassingen aan in zijn leefomgeving. Het proces van ‘neolithisering’ was lang en complex, waarbij met name in het begin sprake was van het naast elkaar bestaan van gemeenschappen van jager-verzamelaars en landbouwers. Ook vond het proces niet overal tegelijkertijd plaats. In het Maasdal vond deze overgang relatief snel plaats, maar voor de zandgronden in Zuid-Nederland lijkt het waarschijnlijk dat de overschakeling van jagen/verzamelen naar landbouw pas in het Laat Neolithicum echt op gang kwam (Louwe Kooijmans, 1993; Verhart, 2000).

Van het Vroeg en Midden Neolithicum in Limburg is het beeld van de Lineair-bandkeramische cultuur (LBK) het meest compleet. Het betreft de allereerste boeren in Nederland. De Limburgse LBK is de noordwestelijke uitloper van een groot complex dat het oudste Neolithicum in de gematigde zones van Europa omvat.

 

 

Bronstijd (2000-800 voor Chr.)

Terwijl in grote delen van het dekzandgebied het gesloten eiken-berkenbos nog domineerde, ontstonden in gebieden met (relatief) intensieve landbouw mogelijk al in de Bronstijd de eerste heidevelden. Deze ontstonden als gevolg van beweiding van gekapte bosgronden, waardoor jonge zaailingen zich niet konden ontwikkelen. Gedurende de Bronstijd vingen de eerste structurele landbouwactiviteiten aan en nam het areaal landbouwgrond geleidelijk toe.

 

Wat betreft archeologische kennis is de Bronstijd (2000-800 voor Chr.) in (Zuid-)Limburg ondervertegenwoordigd. Het feit dat er tot op heden weinig materiaal uit de Bronstijd is aangetroffen wil niet zeggen dat er geen bewoning heeft plaatsgevonden. Waarschijnlijk worden de vindplaatsen niet herkend of zijn ze niet meer herkenbaar. Met name het aardewerk uit de Bronstijd is erg bros en verweert snel als het aan het oppervlak ligt. Vuurstenen artefacten uit de Bronstijd zijn nog vrij onbekend. Grafheuvels uit deze periode zijn alleen bewaard gebleven op plaatsen waar ze niet zijn geëgaliseerd door bijvoorbeeld landbouwwerkzaamheden (Van der Graaf, 1989). Slechts incidenteel wordt een bronzen bijl aangetroffen.

 

 

Late Bronstijd-Vroege IJzertijd: Nederrijnse Grafheuvelcultuur (1100-600 voor Chr.)

De Nederrijnse Grafheuvelcultuur of Niederrheinische Grabhügelkultur maakt deel uit van de zogenaamde urnenvelden-tijd uit de Late Bronstijd en Vroege IJzertijd. Zoals de naam duidelijk aangeeft, wordt de urnenveldtijd gekenmerkt door een begrafenisritueel waarbij crematies worden bijgezet in urnen. De urnen gaan vaak samen met een uitgebreide serie grafgiften. Kenmerkend voor de graven is de gegroepeerde aanleg die resulteerde in de zogenaamde urnenvelden. De eerder nog gebruikelijke grafheuvel ontbreekt of er wordt nog slechts een laag heuveltje opgeworpen. De cultuur strekt zich uit over Oost- en Zuid-Nederland alsmede over aangrenzende delen van Duitsland en België (Van den Broeke, 2005).

 

 

IJzertijd (800-12 voor Chr.)

Gedurende de IJzertijd nam de uitbreiding van het areaal landbouwgrond en heidevelden verder toe ten koste van het areaal eikenberkenbos. In de lager gelegen oude Maasgeulen en beekdalen bleven de elzenbroekbossen intact. De veen-groei in de lage delen van het landschap bereikte vermoedelijk in de IJzertijd zijn maximale omvang; door de ontbossingen trad vanaf die periode een versnelde afvoer op van het oppervlaktewater.

Uit diverse onderzoeken blijkt dat de bewoning op de zandgronden zich in de IJzertijd kenmerkte door verspreid in het landschap liggende boerderijen. Rond deze boerderijen bevond zich dan het akkerareaal. De boerderijen werden waarschijnlijk niet gelijktijdig gebruikt en met een zekere regelmaat verplaatst. De geregelde verplaatsing hing samen met de eenvoudige wijze van beakkering die zorgde voor een snelle uitputting van de bodem. Hierdoor moesten geregeld nieuwe akkerarealen ontgonnen worden. De akkers werden vooral aangelegd op de relatief hooggelegen gebiedsdelen die tevens een natuurlijke vruchtbaarheid hadden. Een nieuwe boerderij werd gebouwd in de buurt van de akkers die op dat moment in gebruik waren. Dit patroon van ‘zwervende erven’ resulteerde na verloop van tijd in een landschappelijke eenheid met een grote dichtheid en verscheidenheid aan archeologische resten: boerderijen, grafvelden en sporen van akkerarealen (Fokkens & Roymans, 1991; Gerritsen, 2004; Schinkel, 1994).

 

In het lössgebied is uit de IJzertijd weinig bekend en is sprake van een onduidelijk bewoningspatroon. Behalve een enkele huisplattegrond zijn nauwelijks tot geen nederzettingsgegevens beschikbaar. Op basis van de beperkte hoeveelheid archeologische informatie over de IJzertijd in het lössgebied kunnen dan ook geen bewoningspatronen worden verondersteld zoals voor de zandgronden.

 

 

Romeinse tijd (12 voor-450 na Chr.)

Met de komst van de Romeinen eindigde de Prehistorie en begint de periode waaruit naast archeologische bronnen ook geschreven bronnen voorhanden zijn. In de Romeinse tijd ging de bewoning zich concentreren in kleine gehuchten die vaak aan de rand van de uitgestrekte akkerarealen lagen. Ook kwam het landschap nog meer ten dienste van de mens te staan, hetgeen leidde tot een sterke afname van het bosbestand (Tack e.a., 1993).

 

In de 1e eeuw na Chr. kwam in Noordwest-Europa een opvallend en in Zuid-Limburg zeer veel voorkomend Romeins nederzettingstype op: de villa’s. Een villa kan worden omschreven als een agrarisch bedrijf, geïntegreerd in de sociale en economische organisatie van de Romeinse wereld (zie bijv. Slofstra 1983) dat over het algemeen bestond uit een hoofdgebouw met eventuele bijgebouwen en een stuk grond (ager) voor de verbouwing van gewassen. De Nederlandse villa’s zijn eenvormig en in het algemeen relatief eenvoudig (Van der Graaf, 1989). In de ligging van de villa’s zijn 2 patronen zichtbaar. Enerzijds liggen ze op de plateaus of op flauwe hellingen, anderzijds kunnen ze ook aan de helling-voet voorkomen. Er kan onderscheid gemaakt worden tussen het echte villa-landschap van Zuid-Limburg en het gebied ten noorden daarvan waar inheemse huistypen bleven domineren (Roymans, 1996).

 

Twee Romeinse wegen kruisen elkaar in het hart van Parkstad. De Via Belgica is een grote weg die Boulogne-sur-Mer met Keulen verbindt. De Via Traiana verbindt Aken met Trier. De aanwezigheid van deze wegen in Parkstad en het unieke villalandschap, zorgt ervoor dat deze regio zich op het vlak van Romeinse erfgoed onderscheidt van de rest van Nederland. Parkstad maakt deel uit van het Zuid-Limburgse villa-landschap in het meest geromaniseerde deel van Nederland. Dit komt tot uiting in het feit dat de meeste vindplaatsen in het gebied (32,3%) dateren uit de Romeinse tijd. Deze bijzondere karakteristiek vormt een aanknopingspunt voor archeologische beleidsontwikkeling in relatie tot educatieve en cultuurhistorische projecten.

 

 

Vroege en Volle Middeleeuwen (circa 450-1300 na Chr.)

De val van het Romeinse Rijk en de komst van de Germanen markeert het begin van de Vroege Middeleeuwen (450-1050 na Chr.). In Zuid-Limburg was er een continue ontwikkeling vanaf de Romeinse tijd of eerder. Hierop wijzen bijvoorbeeld de plaatsnamen Heerlen en Maastricht, die uit de Romeinse tijd stammen. Beeknamen als Itter, Jeker en Worm zijn waarschijnlijk zelfs nog ouder. Enkele Romeinse wegen bleven functioneren. Met hun grindverharding waren ze zelfs lange tijd de enige verharde wegen en kregen ze namen als Steenstraat of Steenweg. Aanwijzingen voor bewoningscontinuïteit in de overgangsperiode van de Romeinse tijd naar de Vroege Middeleeuwen staan tegenover een sterke bevolkingsafname die tegelijkertijd plaatsvond. De grootschalige landbouw moest plaatsmaken voor een kleinschalige, op zelfvoorziening gerichte economie, waardoor een licht herstel optrad van het bosareaal. Dit herstel was echter van korte duur. Vanaf de Karolingische tijd werd onder invloed van een sterke bevolkingsgroei het landbouwareaal voortdurend uitgebreid, waarbij tevens het areaal heidevelden sterk toenam.

 

In de Volle Middeleeuwen is een groot aantal kastelen gebouwd. Hooggelegen kastelen wijzen op hoge ouderdom. Latere kastelen lagen in lage en natte gebieden, waarin een waterhoudende gracht kon worden aangelegd (Renes, 1988). Bij de meeste grotere middeleeuwse heerlijkheden hoorde een kasteel. Naast woonplaats van de heer vormde dit het bestuurlijk centrum van de heerlijkheid en een strategisch bolwerk ter verdediging van het gebied.

 

 

Late Middeleeuwen (circa 1300-1500 na Chr.)

Uit de opdeling van de Frankische koningsgoederen uit de Vroege Middeleeuwen ontwikkelde zich het feodale stelsel met zijn standenmaatschappij. Bij de kleine landadel ontstond in de 11e en 12e eeuw de behoefte om verdedigingswerken aan te leggen, met name in het zeer feodale Limburg. Zo werden mottes en donjons gebouwd en werden grenzen tussen gebieden soms gemarkeerd door een wal: een ‘landweer’ of ‘landgraaf (motte: kunstmatig aangelegde heuvel, waarop veelal een verdedigingswerk was aangebracht; donjon: verdedigbare woontoren).

 

Stenen gebouwen gingen een steeds prominentere plaats innemen in het landschap, onder andere boerderijen, kerken en kastelen. Veel kastelen en versterkte plaatsen werden verwoest tijdens de Limburgse Successieoorlog van 1238 tot 1288. Na de 14e eeuw raakten kastelen echter in onbruik vanwege de onverdedigbaarheid tegen kanonnen. Vanwege verwoesting of verbouwing gaan slechts weinig gebouwen - uitgezonderd heiligdommen - terug tot de Middeleeuwen (Brounen, 1989: 38).

Vanaf de Late Middeleeuwen werden ook de lagere delen van het landschap ingrijpend door de mens beïnvloed. Omstreeks 1300 waren nog slechts weinig onontgonnen gebieden over. De laatste bossen kwamen steeds meer onder druk te staan door de behoeften van een groeiende bevolking. Het grootste deel ervan degenereerde tot ‘heide’: struikgewas en open landschap. De nederzettingen die aan heide hun naam te danken hebben, behoren tot de weinige die na 1300 zijn gesticht. De goede gronden waren over het algemeen al ontgonnen. Ook de onontgonnen gronden in de natte broekgebieden of op steile hellingen waren niet langer veilig. In deze gebieden was aanvankelijk een bosbegroeiing aanwezig die in de loop van de tijd degenereerde tot ‘heide’. De elzenbossen in de beekdalen en andere laaggelegen gebieden werden ontgonnen ten behoeve van de vergroting van het areaal weidegrond.

 

 

Nieuwe tijd (1500-heden)

Met name vanaf de Late Middeleeuwen werd het landschap steeds meer en bovendien in steeds sterkere mate beïnvloed door de mens (Renes, 1988 & 2000). Dit heeft verstrekkende gevolgen gehad voor het landschap en de vegetatie. Uiteindelijk hebben deze ontwikkelingen geresulteerd in het tegenwoordig zichtbare landschap.

Uit de periode na de Middeleeuwen zijn alleen ontginningen van enige omvang bekend op de Heerlerheide en in het Ravensbos (17e eeuw) en op de Graetheide (18e-20e eeuw). De bevolkingsgroei werd vooral opgevangen door uitbreiding van bestaande nederzettingen en door productieverhoging van de landbouwgronden (Bieleman, 1992). De bevolkingsgroei leidde tot de splitsing van boerderijen alsmede tot de vorming van een klasse van ‘keuters’ en landlozen. Zij vormden het merendeel van de bewoners van de jonge heidegehuchten en veroorzaakten een sterke verdichting van de bebouwing in de oudere dorpen. De grotere boerderijen groeiden vanaf de 16e eeuw uit tot de bekende gesloten hoeven. In delen van Zuid-Limburg leverde de mijnbouw enige aanvullende werkgelegenheid. In de 14e eeuw begon bij Kerkrade de ondergrondse winning van steenkool, iets later ook die van kalksteen. Vanaf circa 1900 intensiveerde de steenkoolwinning zeer sterk en ontstond de Mijnstreek rondom Heerlen. Vanwege de bevolkingsgroei in dit gebied was er een groeiende vraag naar fruit en zuivel. Daarom werden rondom de boerderijen steeds meer fruitbomen in boomgaarden aangeplant. Na de Tweede Wereldoorlog intensiveerde zowel de verstedelijking, met name in Heerlen en omgeving, als de landbouw. Vooral in het noordelijke deel van het lössgebied veranderde het landschap op veel plaatsen ingrijpend vanwege grote ruilverkavelingen.

 

 

Literatuur bijlage 1

Arts, N., 1988. Mesolithische jagers, vissers en voedselverzamelaars in noordoost België en zuidoost Nederland. De prehistorische mens in Limburg. Archeologisch Congres 27-28 september 1986.

Berendsen, H.J.A., 1998. De vorming van het land. Inleiding in de geologie en geomorfologie. Van Gorcum, Assen.

Bieleman, J., 1992. Geschiedenis van de landbouw in Nederland 1500-1950. Boom, Meppel/ Amsterdam.

Broeke, P. van den, 2005. Late bronstijd en ijzertijd: inleiding. In: L.P. Louwe Kooijmans, P.W. van den Broeke, H. Fokkens & A. van Gijn (red.); Nederland in de Prehistorie. Uitgeverij Bert Bakker, Amsterdam: 1477-489.

Brounen, F., 1989. Mergelland-Oost: Een archeologische kartering, inventarisatie en waardering. Rijksdienst voor het Oudheidkundig Bodemonderzoek, Amersfoort.

Deeben, J. & N. Arts, 2005. Van jagen op de toendra naar jagen in het bos; Laat-paleolithicum en vroeg-mesolithicum. In: L.P. Louwe Kooijmans, P.W. van den Broeke, H. Fokkens & A. van Gijn (red.); Nederland in de Prehistorie: 139-156. Uitgeverij Bert Bakker, Amsterdam.

Deeben, J. & E. Rensink, 2005. Het Laat-Paleolithicum in Zuid-Nederland. In: J. Deeben, E. Drenth, M.-F. van Oor-souw & L. Verhart (red.); De Steentijd van Nederland. Archeologie 11/12: 171-199.

Deeben, J., E. Drenth, M.F. van Oorsouw & L. Verhart (red.), 2005. De Steentijd van Nederland. Archeologie 11/12.

Fokkens, H. & N. Roymans, 1991. Een overzicht van veertig jaar nederzettingsonderzoek in de Lage Landen. In: H. Fokkens & N. Roymans (red.); Nederzettingen uit de bronstijd en de vroege ijzertijd in de Lage Landen. Neder-landse Archeologische Rapporten 13. Rijksdienst voor het Oudheidkundig Bodemonderzoek, Amersfoort.

Gerritsen, F., 2004. Leven temidden van het verleden; veranderende ruimtelijke ordeningen in het prehistorische land-schap. In: R.M. van Heeringen, E.H.P. Cordfunke, M. Ilsink & H. Sarfatij (red.); Geordend landschap; 3000 jaar ruimtelijke ordening in Nederland. Verloren, Hilversum.

Goossens, H.M.H., 1981. Ubach over Worms; van Overworms kwartier tot gemeente Landgraaf. Groenevelt, Ubach over Worms.

Graaf, K. van der, 1989. Centraal Plateau & Beek; een archeologische kartering, inventarisatie en waardering. RAAP-rapport 19. Stichting RAAP, Amsterdam.

Hoof, L.G.L. van, 2000. Filling black holes: Leven, sterven en deponeren in de metaaltijden van Zuid-Limburg. Afstu-deerscriptie. Faculteit der Archeologie, Leiden.

Janssen, C.R., 1974. Verkenningen in de Palynologie. Oosthoek, Scheltema & Holkema, Utrecht.

Landesvermessungsamt Nordrhein-Westfalen, 1970. Kartenaufnahme der Rheinlande durch Tranchot und Von Müff-ling 1803-1820, schaal 1:25.000; Kaartbladen 73 Rekem en 74 West Valkenburg. Landesvermessungsamt Nord-rhein-Westfalen, Bonn.

Louwe Kooijmans, L.P., 1993. The Mesolithic/Neolithic Transformation in the Lower Rhine Basin. In: P. Bogucki (red.); Case Studies in European Prehistory. Boca Raton (VS).

Mares W. & J.J.F.W. van Agt, 1962. De Nederlandse monumenten van geschiedenis en kunst. Deel V: de Provincie Limburg. Staatsdrukkerij- en Uitgeverijbedrijf, Den Haag.

Renes, J., 1988. De geschiedenis van het Zuid-Limburgse cultuurlandschap. Van Gorcum, Assen/Maastricht.

Renes, J., 2000. Krijt/lösslandschap. In: Barends, S. e.a. (red.); Het Nederlandse landschap; een historisch-geografische benadering: 129-141. Stichting Matrijs, Utrecht.

Rensink, E., 2005. Het midden-paleolithicum in Zuid-Nederland. In: J. Deeben, E. Drenth, M.-F. van Oorsouw & L. Verhart (red.); De Steentijd van Nederland. Archeologie 11/12: 119-141.

Roymans, N., 1996. The Sword or the Plow, Regional dynamics in the romanisation of Belgic Gaul and the Rhineland area. In: N. Roymans (ed.); From the Sword to the Plough. Amsterdam University Press, Amsterdam.

Schinkel, K., 1994. Zwervende erven; bewoningssporen in Oss-Ussen uit bronstijd, ijzertijd en Romeinse tijd: opgra-vingen 1976-1986. Proefschrift, Universiteit Leiden, Leiden.

Slofstra. J., 1983. An Anthropological Approach to the Study of Romanization Processes. In: R.W. Brandt & J. Slofstra (eds.); Roman and Native in the Low Countries. British Archaeological Report (BAR), International Series 184.

Sluys van der, J., 1998. De naam van Schinveld is in klei geschreven: Limburgse landschappen 3. De Natuurgids 1998(7 - Heerlen): 206-208.

Sprokholt, H.J., 1992. Romeinse bewoning in en om het Maasdal; Catalogus van villaterreinen in Limburg en delen van Noord-Brabant en Gelderland. Gecorrigeerde versie van de doctoraalscriptie “Romeinse villae in het Maasdal en overig Nederlands Limburg”. Rijksdienst voor het Oudheidkundig Bodemonderzoek, Amersfoort.

Tack, G., P. van den Brempt & M. Hermy, 1993. Bossen in Vlaanderen. Een Historische ecologie. Kredietbank en Stichting Leefmilieu, Leuven.

Ubachs, P.J.H., 2000. Handboek voor de geschiedenis van Limburg. Maaslandse Monografieën 63. Maastricht.

Venner, J., red., 2001. Geschiedenis van Limburg. Limburgs Geschied- en Oudheidkundig Genootschap, Maastricht (2 delen).

Verhart, L., 2000. Times fade away: the neolithization of the southern Netherlands in an anthropological and geograph-ical perspective. Proefschrift Universiteit van Leiden, Leiden.

Verhart, L. & Arts, N., 2005. Het Mesolithicum in Zuid-Nederland. In: J. Deeben, E. Drenth, M.-F. van Oorsouw & L. Verhart (red.); De Steentijd van Nederland. Archeologie 11/12: 235-260.

Vermeersch, P.M. & P. van Peer, red., 1990. Contributions to the mesolithic in Europe; papers presented at the fourth international symposium ‘The Mesolithic in Europe’. Studia praehistorica Belgica 5. Leuven.

Zimmermann, A., J. Meurers-Balke & A.J. Kalis, 2006. Das Neolithikum. In: J. Kunow & H.H. Wegner (red.); Urges-chichte im Rheinland: Jahrbuch 2005 des Rheinischen Vereins für Denkmalpflege und Landschaftsschutz: 159-210. Verlag des Rheinischen Vereins für Denkmalpflege und Landschaftsschutz, Köln.

Bijlage 2. Wettelijk kader

 

Inleiding

In deze bijlage staat het wettelijke kader op het gebied van archeologie centraal. Het archeologiebeleid dat op gemeentelijk niveau dient te worden uitgewerkt, wordt namelijk gestuurd door wet- en regelgeving op hoger niveau. Voor het gemeentelijk archeologiebeleid waren tot recentelijk de Wet op de Archeologische Monumentenzorg (2007) en de Monumentenwet 1988 van belang. Deze wetten regelden de zorg voor ons bodemarchief en waren een vertaling van het Verdrag van Malta, dat Nederland in 1992 ondertekende. Beide wetten zijn echter per 1 juli 2016 komen te vervallen. Met de komst van twee nieuwe wetten, namelijk de Erfgoedwet (per 1 juli 2016) en de toekomstige Omgevingswet (naar verwachting in 2021) wordt een integrale bescherming van ons cultureel erfgoed mogelijk gemaakt. De onderdelen van de Monumentenwet 1988, die pas later overgaan naar de Omgevingswet, blijven wel van kracht tot de Omgevings-wet in werking treedt.

 

 

Verdrag van Malta

Het Europese verdrag betreffende de bescherming van het archeologische erfgoed is in 1992 in Valletta (Malta) ondertekend door de ministers van Cultuur van de landen aangesloten bij de Raad van Europa. Dit verdrag wordt het ‘Verdrag van Malta’ genoemd (Ministerie van WVC en BZ, 1992).

 

Het verdrag van Malta heeft als doel archeologische waarden in Europa te beschermen als onvervangbaar onderdeel van het culturele erfgoed (artikel 1). Het accent ligt op het streven naar het behoud en beheer van archeologische waarden in de bodem en op het zoveel mogelijk beperken van (de noodzaak van) archeologische opgravingen (artikel 2). Het verdrag bepaalt dat archeologische waarden voortaan expliciet bij de besluitvorming over ruimtelijke ingrepen moeten worden meegewogen. Waar mogelijk dienen de archeologische waarden te worden ontzien (behoud in situ). Wanneer bescherming en inpassing van archeologisch waardevolle terreinen niet mogelijk blijkt, zal de historische informatie door middel van verantwoord archeologisch onderzoek moeten worden veilig gesteld (behoud ex situ).

 

Om deze doelstelling te bereiken, moet het archeologische belang volledig erkend worden in planologische besluitvormingsprocessen (artikel 5). De veroorzaker van de bodemverstoring is verantwoordelijk voor het vroegtijdig (laten) uitvoeren van archeologisch onderzoek en de financiering daarvan (het ‘veroorzaker-betaalt-principe’; artikel 6). Onderzoek moet worden uitgevoerd door deskundigen en worden afgesloten met een schriftelijke wetenschappelijke verslaglegging (artikel 7).

Een informatieplicht is vastgelegd in de vorm van verplichte uitwisseling van informatie en het actueel houden van een databank met archeologische gegevens (artikels 7 en 8). Het verdrag verplicht ook voorlichting aan het publiek en publiekgerichte ontsluiting van archeologische waarden om bij het publiek meer begrip te ontwikkelen voor het belang van het archeologische erfgoed (artikel 9).

 

 

Wet op de Archeologische MonumentenZorg (2007) / Monumentenwet 1988

Voor het gemeentelijk archeologiebeleid was tot op heden met name de Wet op de archeologische monumentenzorg (Wamz) van belang (vastgesteld in 2007). De wet sloot zoveel mogelijk aan op bestaande wet- en regelgeving en betrof onder meer een herziening van de Monumentenwet 1988 (Ministerie van OCenW, 1988; Ministerie van OCenW, 2006). Doelstelling van de Wamz was archeologische resten waar nodig te beschermen, zonder meer maatschappelijke lasten in het leven te roepen dan strikt noodzakelijk is. De bescherming van archeologische resten dient proportioneel te zijn. Dit geeft ruimte voor een belangenafweging.

 

De uitgangspunten van deze monumentenwetgeving sluiten veelal aan bij het verdrag van Malta. Zo wordt veel waarde gehecht aan behoud en beheer in de bodem en verbetering van de informatievoorziening over het archeologisch erfgoed. Ook het ‘veroorzaker-betaalt-principe’ is integraal overgenomen. Meest relevant voor de gemeenten is de verankering van de archeologie in de bestemmingsplannen en het feit dat het bevoegde gezag ten aanzien van de omgang met het bodemarchief grotendeels bij de gemeente is komen te liggen.

 

Erfgoedwet (2016) als onderdeel van Omgevingswet (2021)

 

Overgangssituatie in de wetgeving: 2016 - 2021

De Monumentenwet 1988 is vanaf 1 juli 2016 deels overgegaan in de Erfgoedwet (o.a. certificeringsstelsel, collectiebeheer en de aanwijzing van archeologische rijksmonumenten). De onderdelen over omgevingsrecht uit de Monumentenwet gaan (naar verwachting) in 2021 over naar de Omgevingswet. Voor deze onderdelen is een overgangsregeling in de Erfgoedwet opgenomen voor de periode 2016-2021. Concreet betekent dit, dat onderdelen van de Monumentenwet 1988 die in 2021 naar de Omgevingswet over gaan, van kracht blijven tot die wet in werking treedt.

 

Omgevingswet

De huidige regels voor ruimtelijke plannen worden in de praktijk vaak als ingewikkeld ervaren. Met de Omgevingswet wil het kabinet het omgevingsrecht makkelijker maken. Door regels te vereenvoudigen en samen te voegen is het straks gemakkelijker om bouwprojecten te starten.

 

Het omgevingsrecht bestaat uit tientallen wetten en honderden regelingen voor ruimte, wonen, infrastructuur, milieu, natuur en water. En allemaal met hun eigen uitgangspunten, procedures en eisen. De wetgeving is daardoor te ingewikkeld geworden voor de mensen die ermee werken. Daardoor duurt het bijvoorbeeld langer voordat een project kan starten. Het kabinet wil het omgevingsrecht makkelijker maken en samenvoegen in één Omgevingswet. Een aantal wetten gaat in zijn geheel op in de Omgevingswet, waaronder de Wet Ruimtelijke Ordening. Van de Monumentenwet 1988 gaan alle onderdelen over omgevingsrecht naar de Omgevingswet (bron: www.rijksoverheid.nl). Dit betreft een belangrijk deel van de monumentenzorg, namelijk de omgang met archeologie in de fysieke leefomgeving:

 

  • Vergunningen tot wijziging, sloop of verwijdering van rijksmonumenten

  • Verordeningen, bestemmingsplannen, vergunningen en ontheffingen op het gebied van archeologie

  • Bescherming van stads- en dorpsgezichten

 

De wet gaat naar verwachting in 2021 in. De Erfgoedwet regelt dat de onderdelen van de Monumentenwet 1988, die in 2021 overgaan naar de Omgevingswet, van kracht blijven tot de Omgevingswet in werking treedt (bron: www.cultureelerfgoed.nl; zie kader volgende paragraaf).

 

Erfgoedwet

Per 1 juli 2016 bundelt de Erfgoedwet bestaande wet- en regelgeving voor behoud en beheer van het cultureel erfgoed in Nederland. Het betreft daarbij zowel het roerend als onroerend erfgoed. Samen met de nieuwe Omgevingswet maakt de Erfgoedwet een integrale bescherming van ons cultureel erfgoed mogelijk. De wet is op 1 juli 2016 in werking getreden (bron: www.cultureelerfgoed.nl en www.rijksoverheid.nl).

 

 

De wet vervangt zes bestaande wetten en regelingen op het gebied van cultureel erfgoed, namelijk 1) Monumentenwet 1988 (deels), 2) Wet verzelfstandiging rijksmuseale diensten, 3) Wet tot behoud van cultuurbezit, 4) Wet tot teruggave cultuurgoederen uit bezet gebied, 5) Uitvoeringswet UNESCO -verdrag 1970 en 6) Regeling materieel beheer museale voorwerpen.

 

In de Erfgoedwet komen de volgende acht zaken aan de orde:

 

  • Beheer van de rijkscollectie

  • Sturingsrelatie met Rijksmusea

  • Regels voor afstoten van objecten en collecties

  • Bescherming van rijksmonumenten

  • Regels archeologische monumentenzorg

  • Teruggave van cultuurgoederen

  • Financiën

  • Toezicht en handhaving

     

Bepalingen/ veranderingen die voor gemeenten van belang zijn:

 

  • Het college van B&W heeft adviesrecht als het gaat om het aanwijzen van beschermde rijksmonumenten (artikel 3.2).

  • De gemeenteraad kan een erfgoedverordening vaststellen. De verordening ziet op het beheer en behoud van cultureel erfgoed gelegen binnen de desbetreffende gemeente, dat van bijzonder belang is voor die gemeente vanwege de cultuurhistorische of wetenschappelijke betekenis. (artikel 3.16, eerste en tweede lid).

  • Het college van B&W houdt een gemeentelijk erfgoedregister van aangewezen cultureel erfgoed bij (artikel 3.16, derde lid).

  • College van B&W moet het voornemen om cultuurgoederen en verzamelingen te vervreemden bekend maken, de kans bieden om zienswijzen in te dienen en bij het vermoeden van landelijke betekenis een adviescommissie van onafhankelijke deskundigen inschakelen (artikel 4.17 en 4.18).

  • Het vergunningstelsel voor archeologische bedrijven wordt vervangen door wettelijk geregelde certificering. Met deze certificering moeten alle opgravende partijen zich aan dezelfde kwaliteitsnormen houden. Het is verboden zonder certificaat daartoe handelingen te verrichten met betrekking tot het opsporen, onderzoeken of verwerven van cultureel erfgoed of onderdelen daarvan, waardoor verstoring van de bodem, of verstoring of gehele of gedeeltelijke verplaatsing of verwijdering van een archeologisch monument of cultureel erfgoed onder water optreedt. Ook gemeenten die in eigen beheer archeologische opgravingen willen doen, krijgen hiermee te maken. Door het certificeringssysteem wordt de gemeentelijke opgravingsbevoegdheid landelijk geldig en is deze niet langer beperkt tot de gemeentegrenzen. Zo kunnen gemeenten eenvoudiger in regioverband opgravingen uitvoeren en kunnen zij met hun archeologische expertise effectiever buurgemeenten ondersteunen (paragraaf 5.1 en www.cultureelerfgoed.nl).

  • Een archeologische vondst die is aangetroffen bij een opgraving en waarop niemand zijn recht van eigendom kan bewijzen, is eigendom van de gemeente waar de vondst is aangetroffen, indien die gemeente beschikt over een aangewezen depot als bedoeld in artikel 5.8, tweede lid.

  • Op verzoek van het college van burgemeester en wethouders kunnen gedeputeerde staten in de desbetreffende gemeente een depot aanwijzen waarin archeologische vondsten die in die gemeente zijn aangetroffen bij opgravingen kunnen worden opgeslagen op een wijze die uit een oogpunt van behoud en toegankelijkheid verantwoord is (artikel 5.8, tweede lid).

 

 

Daarnaast geldt:

 

  • De tegemoetkoming van het Rijk aan gemeenten voor excessieve opgravingskosten is vervallen; hiervoor is een beperkte tegemoetkoming in het gemeentefonds: gemeenten ontvangen sinds 2007 circa € 0,17 per woonruimte per jaar voor excessieve opgravingskosten. Dit is een klein bedrag. Overigens is de verstoorder als eerste aanspreekbaar op het betalen van de kosten.

  • Er is een (tijdelijk?) landelijk fonds of subsidieregeling voor wetenschappelijk onderzoek naar (recente) uitzonderlijke archeologische vondsten in Nederland van (inter)nationaal belang (in 2016 een bedrag van € 250.000,00). Het is vooralsnog onduidelijk of en in welke mate deze subsidieregeling blijft bestaan.

 

Bijlage 3. Beleidskader

 

Inleiding

Vanuit de archeologische wetgeving hebben de diverse overheden bepaalde taken en bevoegdheden gekregen. De verantwoordelijkheden zijn vervolgens vertaald in beleid en regelgeving. Dit proces is echter nog niet afgerond. De huidige stand van zaken van dit lopende proces wordt hieronder toegelicht. Er wordt ingegaan op het rijksbeleid en het provinciaal beleid. Deze vormen het kader voor het archeologiebeleid van de gemeente.

 

1.1 Rijksbeleid

Behalve de verantwoordelijkheid voor de uitvoering van het rijksarcheologiebeleid en de handhaving van de Monumentenwet, is de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed ook medeverantwoordelijk voor het gebouwde en landschappelijke erfgoed. Het archeologiebeleid is dan ook integraal onderdeel van het rijksbeleid ten aanzien van cultuurhistorie en ruimte. De uitgangspunten van het te voeren beleid zijn o.a. verwoord in:

 

  • Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (2012). In deze visie wordt geschetst hoe Nederland er in 2040 uit moet zien. Tot 2028 zijn er 3 beleidsdoelen vastgesteld waaronder de zorg voor een leefbare en veilige omgeving met unieke natuurlijke en cultuurhistorische waarden (bron: www.rijksoverheid.nl).

  • Modernisering van de MonumentenZorg (2009). De MoMo is verwoord in een beleidsbrief van de minister van OC&W, waarin wordt uiteengezet welke plaats het monumentale erfgoed in de huidige Nederlandse samenleving zou moeten hebben. De moderne monumentenzorg moet minder object- en meer gebieds- en ontwikkelingsgericht worden. Belangrijk element in de voorstellen voor het nieuwe stelsel is dat de cultuurhistorie vroeg in het ontwikkelingsproces wettelijk geborgd wordt (bron: www.rijksoverheid.nl; www.cultureelerfgoed.nl). Een belangrijke verandering is dat gemeenten bij het vaststellen van bestemmingsplannen niet alleen rekening moeten houden met cultuurhistorische waarden onder de grond, maar ook met waarden boven de grond. Dat betekent dat gemeenten een analyse moeten maken van de cultuurhistorie in een bestemmingsplangebied en daar conclusies aan moeten verbinden die in het bestemmingsplan verankerd worden. Vooralsnog gaat deze beleidsnota alleen in op de cultuurhistorische waarden onder de grond (archeologie).

  • Kiezen voor karakter, visie erfgoed en ruimte (2011). In dit document schets het kabinet haar visie op het borgen van onroerend erfgoed in de ruimtelijke ordening. De modernisering van de monumentenzorg wordt hiermee voortgezet (bron: www.cultureelerfgoed.nl).

  • Evaluatie archeologiewetgeving: De Wet op de archeologische monumentenzorg bestond in 2011 vier jaar. Om te beoordelen hoe de wet in de praktijk werkt, heeft een extern onderzoeksbureau in de eerste helft 2011 een evaluatie uitgevoerd voor het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap. Het evaluatierapport verscheen in juli 2011. In de beleidsreactie van staatssecretaris Zijlstra (februari 2012) onderschrijft hij de conclusie van het evaluatieonderzoek dat op basis van de huidige wetgeving een betere bescherming van ons bodemarchief mogelijk is. Deze evaluatie heeft o.a. als basis gediend voor de nieuwe wetgeving.

 

1.2 Provinciaal beleid

 

Provinciaal Omgevingsplan Limburg (POL2014)

Het archeologiebeleid dat de provincie hanteert staat beschreven in het Provinciaal Omgevingsplan Limburg (POL2014; 12-12-2014 vastgesteld; bron: www.limburg.nl). Het POL beschrijft op hoofdlijnen de provinciale visie én de uitwerking hiervan op het omgevingsbeleid.

 

De POL stelt dat de verantwoordelijkheid voor een groot deel van het archeologisch erfgoed bij de gemeenten ligt. De Provincie beperkt haar betrokkenheid tot archeologische waarden die van provinciaal belang worden geacht. Daartoe is een aantal archeologische aandachtsgebieden aangewezen, representatieve en relatief gave delen van de verschillende Limburgse cultuurlandschappen met een groot potentieel aan archeologische waarden. In de Parkstadgemeenten ligt 1 aandachtsgebied: Via Belgica (zie kader).

 

De Provincie zet zich in voor onderzoek naar en behoud van de archeologische waarden in deze aandachtsgebieden. Dit gebeurt door toe te zien dat de aandachtsgebieden geborgd worden bij ruimtelijke ontwikkelingen, in gemeentelijke bestemmingsplannen. Via het Platform Archeologie wordt gewerkt aan een goede inbedding op gemeentelijk niveau. Bij ontgrondingen en inpassingsplannen is de Provincie bevoegd gezag en wordt de aanpak afgestemd met de gemeente.

 

De archeologische aandachtsgebieden en de voorschriften die daaraan verbonden zijn, zijn uitgewerkt in van der Gaauw, 2008. Ten opzichte van de archeologische aandachtsgebieden wordt de volgende beleidslijn aangehouden:

 

  • Bij onderzoek dat in het kader van bestemmingsplannen plaatsvindt, is de gemeente bevoegd gezag. De provincie ondersteunt waar nodig. De provincie heeft voor de aandachtsgebieden wetenschappelijke kaders uitgewerkt (een methodische werkwijze), die als uitgangspunt kunnen dienen bij het onderzoek.

  • Als een bestemmingsplan onvoldoende rekening houdt met archeologische waarden, kan de provincie een attentiegebied aanwijzen. Het bestemmingsplan zal dan door de gemeente moeten worden herzien. De provincie gaat er vooralsnog vanuit dat gemeenten, die over een archeologische beleidskaart en –kader beschikken, wel voldoende rekening zullen houden met de archeologische waarden. De Provincie zal daarom terughoudend zijn met het aanwijzen van attentiegebieden.

  • Zowel voor concrete plannen als voor ruimtelijke ontwikkelingen op de langere termijn zal de provincie bevorderen dat het archeologisch onderzoek in een vroegtijdig stadium wordt opgepakt.

  • Bij bodemingrepen dieper dan 30 cm -Mv dient in de aandachtsgebieden archeologisch onderzoek te worden uitgevoerd. Tenzij de gemeente lagere ondergrenzen heeft vastgesteld, gelden hierbij de volgende ondergrenzen:

    • o

      gebieden met een hoge verwachting: 1000 m²

    • o

      gebieden met een middelhoge verwachting: 2500 m²

    • o

      gebieden met een lage verwachting: 10.000 m²

    • o

      vindplaats binnen 50 meter: altijd archeologisch onderzoek

    • o

      Behoudenswaardige vindplaatsen in aandachtsgebieden zijn per definitie van provinciaal belang. Het selectiebesluit zal hier dan ook in alle gevallen inhouden om de vindplaats in situ te behouden of, als dat niet mogelijk is, op te graven.

    • o

      PvE’s, PvA’s en rapporten van archeologisch onderzoek in de aandachtsgebieden worden getoetst door de provincie.

 

Buiten de aandachtsgebieden wordt het archeologisch beleid van de gemeente gevolgd.

 

Archeologie in de etalage!

De Provincie Limburg wil de komende jaren een forse impuls geven aan de zichtbaarheid van archeologie. Archeologie zal ´onder´ de mensen gebracht moeten worden. Dit is het uitgangspunt van het beleidsstuk dat de Provincie Limburg heeft opgesteld (Provincie Limburg, 2016). De provincie was in 2017 gastheer voor het jaarlijkse congres van de European Association of Archaeologists. Samen met de Rijksdienst voor Cultureel Erfgoed en de gemeente Maastricht werd Limburg en de euregio op de kaart gezet. Dat moment werd aangegrepen om samen actief de archeologie van Limburg in de etalage te zetten en nog belangrijker: dichter bij de mensen te brengen. Zowel in de aanloop naar het congres, waarin samen met de Limburgse gemeenten een publieksprogramma werd ontwikkeld, als op het congres zelf en erna, wil de provincie een duurzame inzet plegen om deze ambitie vast te houden en in concrete activiteiten uit te werken.

 

Dit Provinciale richtinggevend kader archeologie vormt samen met het Beleidskader monumenten 2016-2019 en het Beleidskader met uitvoeringsprogramma Immaterieel erfgoed 2016 t/m 2019, het ‘erfgoeddrieluik’. De rode draden in deze drie beleidsstukken zijn: het realiseren van een groter publieksbereik, vergroten van de zichtbaarheid, meer samenhang en daarmee grotere maatschappelijke impact vanuit een kostenefficiënte benadering. In het Provinciale coalitieakkoord is er geld beschikbaar gesteld voor cultuur (en daaronder immaterieel erfgoed) en monumenten. Voor de periode 2016 – 2019 is er een bedrag van € 4,3 mln. beschikbaar. Dat betekent ook op Provinciaal niveau keuzes maken. Provinciale prioriteit zal de komende jaren gegeven worden aan een drietal ‘vensters’ (actielijnen).

 

Venster 1. Archeologie in beeld en binnen bereik

Deze actielijn is er op gericht om archeologische verhalen, vondsten en kennis te bundelen en te ontsluiten voor een breed publiek, van jong tot oud.

 

Strategische Provinciale projecten:

 

  • Publieksprogramma en organisatie Archeologiecongres

  • Nieuwe locatie voor inspirerend en toegankelijk provinciaal depot (N.B. Dit is Heerlen geworden!)

  • Aansluiten bij de mogelijkheden voor een erfgoedloket

  • Verkennen en actief benutten van innovatietechnieken

  • Kennismaking met archeologie van jongs af aan o.a. via onderwijsprogramma’s, cultuureducatie, benutten expertise en opleidingsmogelijkheden op het gebied van restauratie en conservering.

 

Voor deze actielijn stelt de provincie € 2.521.336 beschikbaar voor de periode 2016 – 2019.

 

 

 

Venster 2. Archeologie in verbinding

Deze actielijn is er op gericht om de archeologie vanuit het isolement van de ruimtelijke ordening (onderzoek/kennis) te verbinden met de dagelijkse leefwereld van de samenleving (beleving).

 

Strategische projecten:

  • Deltaprogramma Maasvallei en projecten in het kader van het Waterplan

  • Interreg VA project “Cultuurgeschiedenis verdigitaald” in het Grenspark MaasSchwalm Nette

  • Via Belgica als meerjarig cross-overproject

  • Kansrijk Interreg V project “Terra Mosana” (euregionale cultuurhistorie met de steden en kennisinstellingen van Maastricht, Luik, Aken en Tongeren)

  • Kansrijke projecten in IBA Parkstad

 

Voor deze actielijn stelt de provincie € 1.000.000 beschikbaar voor de periode 2016 – 2019.

 

Venster 3: Archeologische basis op orde

Deze actielijn is er op gericht dat de wettelijke archeologische verplichtingen in heel Limburg doelgericht en efficiënt worden ingevuld.

 

Strategische projecten:

 

  • Doorontwikkeling Archeologische Kennis-Databank Limburg (AKDL)

  • Toepassen en verbreden project kostenefficiënte onderzoeksmethodiek Maasdal

  • Publicatie resultaten meerjarig onderzoek Archeologie in Limburg 2007-2015

  • Doorontwikkeling ondersteuning gemeenten via Beleidsplatform Erfgoed Limburg (in afstemming met de ontwikkeling van een erfgoedloket).

  • Uitwerking POL instrumentarium (archeologische aandachtsgebieden)

  • Bundelen en publiceren opbrengst Beleidsprogramma Maasvallei

 

Voor deze actielijn stelt de provincie € 800.000 beschikbaar voor de periode 2016 – 2019.

 

De wijze waarop de provincie bovenstaande ambitie ten uitvoer wil brengen is uitgewerkt in een uitvoeringsvisie. Kort-gezegd is deze uitvoeringsvisie samen te vatten in de volgende vijf uitgangspunten:

  • 1.

    Het vergroten van de zichtbaarheid en toegankelijkheid van de Limburgse archeologie om een groter publiek te bereik en te betrekken;

  • 2.

    Partners enthousiasmeren, verbinden en committeren aan de gedeelde archeologische ambitie de komende jaren;

  • 3.

    Verbetering van de samenwerking tussen diverse spelers en het realiseren van meer synergie, gebundelde inzet en kosten efficiënte opstelling;

  • 4.

    4 Actief opzoeken en het leggen van de verbindingen met andere sectoren (venster 2);

  • 5.

    Samen met partners werken aan een toegankelijke en publieksvriendelijke presentatie en toepassing van archeologische kennis en data.

 

Voor een deel van de actielijnen zijn reeds verschillende uitvoeringsstructuren voorhanden:

 

  • Archeologiecongres: Voor de organisatie en het gastheerschap heeft de Provincie samen met de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed en de gemeente Maastricht een bestuurlijke en ambtelijke projectgroep ingesteld die de voorbereidingen coördineerde. Daarnaast is er op initiatief van de Provincie in aanloop naar het congres een publieksprogramma uitgevoerd worden. Daarvoor is een groot aantal gemeenten benaderd om hier met de Provincie samen invulling aan te geven.

  • Depot verhuizing: Gemeenten zijn uitgedaagd om geschikte locaties aan te dragen. Uit de eerste inventarisatie van aangedragen locaties zijn voorkeurslocaties geselecteerd die zorgvuldig zijn afgewogen op basis van o.a. haalbaarheid, kosten en toegankelijkheid (N.B. Dit is Heerlen geworden! ). Daarnaast zal er ook in het licht van de transitie van diverse erfgoedorganisaties gekeken worden naar de kansen en mogelijkheden voor bundeling van krachten op of rondom het nieuwe depot.

  • Diverse steunpunt- en ondersteuningsstructuren archeologie: Gezamenlijk met de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed is de provincie inhoudelijk en financieel verantwoordelijk voor het Steunpunt Archeologie & Monumentenzorg (SAM). Daarnaast heeft de provincie samen met het SAM in 2013 een Beleidsplatform Erfgoed Limburg opgericht. Daarmee werkt de provincie aan een actieve kennisuitwisseling en samenwerking tussen het rijk, Provincie en gemeenten. Daarbij wordt ook gekeken naar het onderzoek dat loopt voor het nut en noodzaak van een breed opgezet ‘erfgoedloket’.

  • Via Belgica: Op 16 augustus 2008 hebben 6 Limburgse gemeenten en de Provincie Limburg het convenant Via Belgica in Rimburg ondertekend. Het Thermenmuseum heeft zich in 2010 als convenantpartner daarbij aangesloten, even later gevolgd door de gemeente Simpelveld en Kerkrade. De uitvoering van dit convenant is de gezamenlijke verantwoordelijkheid van de ondertekenaars. Daarvoor is er een projectgroep ingericht en zijn stappen gezet.

 

 

Naast de bovengenoemde externe samenwerkingen zal ook maximaal de synergie worden opgezocht met andere provinciale beleidsthema’s zoals genoemd in venster 2 Archeologie in verbinding.

Bijlage 4. Stappenplan bij vergunningaanvraag

Afkortingen:

 

I Initiatiefnemer / vergunningaanvrager

V Gemeentelijk medewerker vergunningen

A Gemeentelijke adviseur archeologie/beleidsmedewerker archeologie/regioarcheoloog

U Uitvoerend archeologisch bedrijf

B&W Burgemeester en Wethouders*

 

*de beslissingsbevoegdheid van B&W wordt vaak gedelegeerd

 

 

Stap

Actor

Processtap

Processtap

Processtap

1

(vergunning-aanvraag)

 

 

 

 

I

Vraagt vergunning aan

 

 

V

Beoordeelt onderzoeksplicht (toetsingskader: bestemmingsplan)

 

 

A

Adviseert V bij twijfel

 

 

V

Deelt I mee of sprake is van onderzoeksplicht

Nee

Vergunning zonder voorwaarden

 

 

Ja

Stap 2

 

2

(vergunning-aanvraag)

 

V

Deelt I type onderzoek mee én de daaraan gekoppelde onderzoekseisen.

 

 

 

Bij niet gravend onderzoek: stap 3

Bij gravend onderzoek: stap 5

 

3

(niet gravend onderzoek; bureauonderzoek en/of verkennend/ karterend booronderzoek en/of oppervlaktekartering)

 

I

Geeft opdracht aan U voor niet-gravend onderzoek

 

 

U

Voert onderzoek uit conform onderzoekseisen en stelt rapport op

 

 

I

Legt het rapport ter toetsing aan de gemeente (V) en diens adviseur (A) voor

 

 

A

Toetst rapport en koppelt dit terug aan I

 

 

I

Laat U - indien nodig - het rapport aanpassen

 

 

A

Toetst het rapport opnieuw. Indien akkoord volgt advies aan B&W over noodzaak vervolgonderzoek

 

 

B&W

 

Beslist over vervolg (selectiebesluit). Is vervolgonderzoek noodzakelijk?

 

Nee

Vergunning zonder voorwaarden

Ja

Stap 4

 

4

 

V

 

Deelt I het besluit mee. Het vervolgtraject wordt uitgelegd én de daaraan gekoppelde onderzoekseisen.

 

 

 

Advies niet-gravend onderzoek: Stap 3

Advies gravend onderzoek: stap 5 e.v.

 

5

(PvE voor gravend onderzoek)

 

I

Geeft U opdracht tot opstellen PvE voor gravend onderzoek

 

 

U

Stelt PvE op conform onderzoekseisen

 

 

I

Legt het PvE ter toetsing aan de gemeente (V) en diens adviseur (A) voor

 

 

A

Toetst PvE en koppelt dit terug aan I

 

 

I

Laat U – indien nodig - het PvE aanpassen

 

 

A

Toetst het PvE opnieuw. Indien akkoord volgt goedkeuringsadvies aan B&W

 

 

B&W

Stelt PvE vast.

 

 

U/A/

B&W

Ondertekenen PvE

 

Stap 6

 

6 (proefsleuven, opgraving, begeleiding)

 

 

 

I

Geeft opdracht tot uitvoering onderzoek

 

 

U

Voert onderzoek uit en stelt (indien relevant) evaluatierapport op

 

 

I

Legt het evaluatierapport aan de gemeente (V) en diens adviseur (A) voor

 

 

A/V

(B&W)

Overlegt met U over inhoud evaluatierapport t.a.v. uitwerking en rapportage. Uiteindelijk besluit over de mate van uitwerking wordt door B&W genomen.

 

 

U

Past evaluatierapport aan

 

 

B&W

Stelt evaluatierapport vast

 

 

U/A/

Ondertekenen evaluatierapport

 

 

I

Geeft U – indien noodzakelijk – een aanvullende opdracht tot uitwerking en rapportage

 

 

U

Stelt conceptrapport op

 

 

I

Legt het conceptrapport ter toetsing aan de gemeente (V) en diens adviseur (A) voor

 

 

A

Toetst conceptrapport en koppelt dit terug aan I

 

 

I

Laat U – indien nodig - het conceptrapport aanpassen

 

 

A

Toetst het rapport opnieuw totdat het akkoord wordt bevonden.

 

 

B&W

 

Keurt rapport goed

 

 

 

Na proefsleuven volgt stap 7

Na opgraving en begeleiding volgt stap 8

 

Stap 7

A

Adviseert B&W over noodzaak vervolgonderzoek.

 

 

 

 

B&W

 

Neemt selectiebesluit. Is het een waardevol terrein?

Nee

Vergunning zonder voorwaarden

 

Ja

Vergunning met voorwaarde: Planaanpassing of opgraving, begeleiding (stap 5 en 6).

 

Stap 8

U

Verzorgt deponering vondsten, verspreiding rapport, registratie bij RCE

 

Einde project

Bijlage 5. AMZ-fasering

 

AMZ: Archeologische MonumentenZorg

 

Als eerste stap in de AMZ-fasering dient een bureauonderzoek te worden uitgevoerd om een gespecificeerde archeologische verwachting op te stellen. Hiermee kan inzicht verkregen worden in welke archeologische waarden waar verwacht worden en reeds bekend zijn en kan ook bepaald worden waar deze mogelijk door geplande bodemingrepen bedreigd worden.

 

Als de resultaten van het bureauonderzoek hier aanleiding toe geven, dient vervolgens een inventariserend veldonderzoek (IVO) plaats te vinden. Vaak worden het bureauonderzoek en het veldonderzoek gelijktijdig uitgevoerd, maar dan nog zijn de resultaten van het bureauonderzoek richtinggevend voor de aard van het uit te voeren veldonderzoek. Het resultaat van een IVO is een rapport met een waardering en een inhoudelijk (selectie-)advies (buiten normen van tijd en geld), aan de hand waarvan een beleidsbeslissing genomen kan worden. Dit betekent dat de veldactiviteiten uitgevoerd worden tot het niveau dat voldoende gegevens verzameld zijn om deze beslissing gefundeerd te kunnen nemen.

 

Het doel van een IVO is het aanvullen en toetsen van de gespecificeerde verwachting. Dit gebeurt door middel van waarnemingen in het veld, waarbij informatie wordt verkregen over bekende of verwachte archeologische waarden binnen een onderzoeksgebied. Meestal wordt eerst een verkennend of karterend booronderzoek uitgevoerd, soms aangevuld met of vervangen door een oppervlaktekartering. Door middel van deze vormen van onderzoek wordt getracht een eerste inzicht te krijgen in de aan- of afwezigheid, de aard, het karakter, de omvang, de datering, de gaafheid, de conservering en de inhoudelijke kwaliteit van de archeologische waarden. Indien geen archeologische waarden (vindplaatsen) worden aangetroffen of blijkt dat de archeologische waarden niet door geplande ingrepen verstoord worden, gelden geen verdere restricties met betrekking tot de verdere planuitvoering.

 

Bij vaststelling van archeologische resten dienen de omvang en gaafheid hiervan te worden vastgesteld aan de hand van een waarderend vervolgonderzoek. Ook deze waarderende fase is onderdeel van het IVO. Meestal gebeurt dit in de vorm van zogenaamde proefsleuven, wat de mogelijkheid biedt om nauwkeuriger gegevens met betrekking tot aspecten als omvang, kwaliteit en kwantiteit van de archeologische sporen te verkrijgen. Door middel van één of enkele proef-sleuven worden de archeologische sporen blootgelegd en opgetekend. Proefsleuven zijn dan ook opgravingen in het klein, waarvoor min of meer dezelfde eisen gelden die aan een opgraving worden gesteld. Het onderzoek is vrij arbeidsintensief en vindt bij voorkeur ruim voor de planuitvoering plaats. De resultaten van het proefsleuvenonderzoek geven uitsluitsel over de behoudenswaardigheid van de archeologische resten, op basis waarvan een selectiebesluit kan worden genomen. Hierbij bestaan verschillende mogelijkheden:

 

  • De vindplaats is niet behoudenswaardig, kan dan ook afgeschreven worden en er zijn geen verdere restricties voor de planvorming.

  • De vindplaats is behoudenswaardig en kan in situ behouden worden (bescherming) door planinpassing/planaanpassing.

  • De vindplaats is behoudenswaardig, maar behoud in situ is niet reëel. In dit geval dient de vindplaats ex situ behouden te worden, wat betekent dat er een volwaardige opgraving dient plaats te vinden.

  • Afhankelijk van de aard van de geplande werkzaamheden of als er minder waardevolle archeologische resten zijn aangetroffen, kan ook voor archeologische begeleiding tijdens de werkzaamheden worden gekozen (conform protocol opgraven).

 

Zowel voorafgaand aan een waarderend onderzoek als aan een definitieve opgraving en een archeologische begeleiding dient een Programma van Eisen (PvE) te worden opgesteld, waarin de archeologische eisen staan omschreven waaraan het onderzoek dient te voldoen. Dit PvE dient te worden goedgekeurd door het bevoegd gezag.

Naar boven