Verordening van de gemeenteraad van de gemeente Neder-Betuwe houdende regels omtrent financiën (Financiële verordening Neder-Betuwe 2019)

De raad van de gemeente Neder-Betuwe;

 

gelezen het voorstel van burgemeester en wethouders;

 

gelet op het bepaalde in ex. artikel 212 Gemeentewet

 

 

 

B E S L U I T :

 

 

vast te stellen de

 

Financiële verordening Neder-Betuwe 2019

 

Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen

Artikel 1. Begripsbepaling

In deze verordening wordt verstaan onder:

  • a.

    administratie: het systematisch verzamelen, vastleggen, verwerken en verstrekken van informatie ten behoeve van het besturen, functioneren en beheersen van de gemeentelijke organisatie en de verantwoording die daarover moet worden afgelegd.

  • b.

    afdeling: iedere organisatorische eenheid binnen de gemeentelijke organisatie met een eigen rechtstreekse verantwoordelijkheid aan het college.

  • c.

    programma: een samenhangend geheel van taakvelden.

  • d.

    taakveld: voorgeschreven eenheden die betrekking hebben op de taken en daaraan gerelateerde activiteiten van de gemeente waar baten en lasten mee gemoeid zijn. De taakvelden worden bij ministeriële regeling vastgesteld.

  • e.

    rechtmatigheid: het in overeenstemming zijn met geldende wet- en regelgeving, conform de definitie van de Commissie BBV (www.commissiebbv.nl).

  • f.

    doelmatigheid: de mate waarin de gewenste prestaties en beoogde maatschappelijke effecten worden gerealiseerd met een zo beperkt mogelijke inzet van middelen, of met de beschikbare middelen zoveel mogelijk resultaat wordt bereikt.

  • g.

    doeltreffendheid: de mate waarin de gewenste prestaties en de beoogde maatschappelijke effecten van het beleid ook daadwerkelijk worden behaald.

  • h.

    inkomsten: totaal van de baten voor toevoegingen en onttrekkingen van reserves”.

Hoofdstuk 2. Kadernota, begroting en verantwoording

Artikel 2. Kadernota

  • 1.

    Het college biedt voor 15 juni aan de raad een nota aan met een voorstel voor het beleid en de financiële kaders van de begroting voor het volgende begrotingsjaar en de meerjarenraming. De raad stelt deze nota voor 15 juli vast.

    In de kadernota is opgenomen:

    • een inventarisatie van het nieuwe beleid (wettelijk, noodzakelijk en wenselijk), waarbij is aangegeven:

      of dit nieuwe beleid voortvloeit uit het coalitieakkoord;

      of dit nieuwe beleid wel/niet wordt opgenomen in de begroting.

    • een dekkingsvoorstel met bijbehorende consequenties met een sluitende financiële positie;

    • een geactualiseerd beeld van de risico’s en het weerstandsvermogen.

  • 2.

    De raad stelt eens in de vier jaar een raadsprogramma of college-uitvoeringsprogramma vast met daarin opgenomen de beleidskaders en de financiële kaders voor de komende raadsperiode. In het jaar dat het raadsprogramma of coalitieprogramma wordt opgesteld kan de kadernota vervallen.

Artikel 3. Programma-indeling

  • 1.

    De raad stelt bij aanvang van iedere raadsperiode een programma-indeling voor die raadsperiode vast.

  • 2.

    De raad stelt bij aanvang van iedere raadsperiode op voorstel van het college de taakvelden per programma vast.

  • 3.

    De raad stelt op voorstel van het college per programma de beleidsindicatoren vast.

  • 4.

    De raad stelt bij aanvang van iedere raadsperiode vast over welke onderwerpen hij in extra paragrafen naast de conform artikel 9 van het BBV verplicht gestelde paragrafen in de begroting en rekening kaders wil stellen en wil worden geïnformeerd.

Artikel 4. Inrichting begroting en jaarstukken

  • 1.

    Bij de begroting en de jaarstukken worden onder elk van de programma’s, het overzicht van algemene dekkingsmiddelen en het overzicht van de overhead de baten en lasten per taakveld weergegeven.

  • 2.

    Bij de programma’s in de begroting wordt van de nieuwe én lopende investeringen per investering het (benodigde) investeringsbudget weergegeven.

  • 3.

    In de jaarstukken wordt van de investeringen en meerjarige projecten per programma de uitputting van de geautoriseerde investeringsbudgetten en de actuele raming van de totale uitgaven en inkomsten weergegeven.

  • 5.

    Het college legt middels de jaarstukken bestaande uit het jaarverslag en de jaarrekening verantwoording af over de uitvoering van de begroting. In de jaarstukken geeft het college per programma aan:

    • a.

      wat is bereikt aan maatschappelijke effecten

    • b.

      wat is gedaan om de gestelde doelstellingen te bereiken

    • c.

      wat de kosten daarvan zijn geweest

  • 6.

    In de jaarstukken worden afwijkingen tussen het vastgestelde budget en de realisatie op het niveau van het taakveld of investeringsbudget groter dan € 25.000 toegelicht.

Artikel 5. Autorisatie begroting en investeringsbudgetten

  • 1.

    De raad autoriseert met het vaststellen van de begroting de baten en de lasten per programma.

  • 2.

    De budgetten voor de nieuwe investeringen in het eerstvolgende begrotingsjaar worden met het vaststellen van de begroting geautoriseerd. De raad kan bij de begrotingsbehandeling aangeven van welke investeringen op een later tijdstip een apart voorstel voor autorisatie van het investeringsbudget ter besluitvorming wordt aangeboden.

  • 3.

    Bij de behandeling van de bestuursrapportages in de raad, bedoeld in artikel 6, lid 1, doet het college voorstellen voor het wijzigen van de geautoriseerde baten en lasten en de investeringsbudgetten en het bijstellen van het beleid.

  • 4.

    Een investeringsbudget dat na 2 jaar niet (volledig) is benut wordt afgeraamd. Indien verlenging van deze termijn noodzakelijk is legt het college een gemotiveerd voorstel aan de raad voor.

  • 5.

    Incidentele exploitatiebudgetten kunnen via resultaatbestemming bij de jaarstukken slechts overgeheveld worden indien deze cumulatief aan de volgende criteria voldoen:

    • a.

      Er is sprake van een beleidsinhoudelijke noodzaak om de middelen te behouden voor uitvoering in het nieuwe jaar.

    • b.

      De uitvoering in het nieuwe jaar past in de werkplanning c.q. het jaarplan.

    • c.

      Daadwerkelijke realisatie van de nog uit te voeren prestatie vindt uiterlijk vóór afronding van het nieuwe jaar plaats. Herhaalde budgetoverhevelingen zijn niet mogelijk.

    • d.

      Voor deze uitgaven zijn in het nieuwe jaar geen structurele middelen beschikbaar.

  • 7.

    Het college is gemandateerd de post onvoorzien aan te wenden voor uitgaven met een incidenteel karakter die als onvoorzienbaar, onvermijdbaar en onuitstelbaar kunnen worden aangemerkt. Het college legt daarover in het eerstvolgende product, de bestuursrapportage of de jaarstukken, verantwoording af. Bij verantwoording in de bestuursrapportage verwerkt het college de uitgave ten laste van de post onvoorzien in de begrotingswijziging bij de bestuursrapportage.

Artikel 6. Tussentijdse rapportages

  • 1.

    Het college informeert de raad door middel van minimaal 1 bestuursrapportage over de realisatie van de begroting van de gemeente.

  • 2.

    De tussenrapportages bevatten een uiteenzetting over de uitvoering en het bijstellen van het beleid en een overzicht met de bijgestelde ramingen per programma.

  • 3.

    In de bestuursrapportages worden afwijkingen op de oorspronkelijke ramingen van de baten en de lasten van taakvelden en investeringsbudgetten in de begroting groter dan € 25.000 toegelicht.

Hoofdstuk 3. Financieel beleid

Artikel 7. Waardering en afschrijving vaste activa

Immateriële en materiële vaste activa worden afgeschreven volgens de methodiek en de termijnen zoals vermeld in de bijlage Afschrijvingsbeleid bij deze verordening.

Artikel 8. Voorziening voor oninbare vorderingen

  • 1.

    Voor de vorderingen wordt een voorziening wegens oninbaarheid gevormd op basis van een individuele beoordeling op inbaarheid van de openstaande vorderingen.

  • 2.

    De vorderingen worden gewaardeerd tegen nominale waarde. De hoogte van de voorziening wordt als volgt bepaald aan de hand van de openstaande vorderingen:

    • 20% van het saldo betrekking hebbend op het dienstjaar -1

    • 30% van het saldo betrekking hebbend op het dienstjaar -2

    • 50% van het saldo betrekking hebbend op het dienstjaar -3

    • 100% van het saldo betrekking hebbend op het dienstjaar -4

    • 100% van het saldo betrekking hebbend op opgelegde dwangsommen.

Artikel 9. Reserves en voorzieningen

  • 1.

    In de begroting en de jaarrekening vindt geen toerekening van rente over de reserves en voorzieningen aan de taakvelden plaats.

  • 2.

    Het college biedt de raad een nota reserves en voorzieningen aan. Tenminste eens per vier jaar wordt beoordeeld of deze nota moet worden aangepast. Deze nota wordt door de raad vastgesteld en deze behandelt:

    • a.

      de vorming en besteding van reserves

    • b.

      de vorming en besteding van voorzieningen

  • 3.

    Tenminste vierjaarlijks vindt een evaluatie van het nut en de noodzaak van de aanwezige bestemmingsreserves plaats. Indien (een deel van) het saldo niet meer leidt tot uitgaven valt dit vrij en wordt dit toegevoegd aan de algemene reserve.

Artikel 10. Kostprijsberekening

  • 1.

    Voor het bepalen van de geraamde kostprijs van rechten en heffingen waarmee kosten in rekening worden gebracht, en van goederen, werken en diensten die worden geleverd aan derden, wordt een extracomptabel stelsel van kostentoerekening gehanteerd. Bij deze kostentoerekening worden naast de directe kosten, ook de indirecte kosten, waaronder kosten voor overhead en financiering, betrokken.

  • 2.

    Bij de directe kosten worden betrokken de bijdragen aan en onttrekkingen van voorzieningen en de kosten voor de noodzakelijke vervanging van de betrokken activa en de afschrijvingskosten van de in gebruik zijnde activa. Voor de rechten en heffingen waarmee kosten in rekening worden gebracht, worden daarbij ook de compensabele belasting over de toegevoegde waarde (BTW) en de gederfde inkomsten van het kwijtscheldingsbeleid betrokken.

  • 3.

    In de verantwoordingen over activiteiten welke geheel of deels worden bekostigd met een specifieke uitkering of subsidie worden de overheadkosten extracomptabel toegerekend.

  • 4.

    In de kostprijs voor de vennootschapsbelastingplichtige activiteiten worden de overheadkosten die kunnen worden betrokken in de aangifte vennootschapsbelasting toegerekend.

  • 5.

    Voor de toerekening van de overheadkosten aan de kostprijs van rechten en heffingen en van goederen, werken, diensten die worden geleverd aan derden, voor zover dat niet activiteiten als bedoeld in het derde en vierde lid betreffen, wordt de volgende methode gehanteerd:

    directe kosten van de economische categorieën 1.1 Salarissen en sociale lasten en 3.5.1 Ingeleend personeel die worden besteed aan de desbetreffende goederen, werken, diensten en heffingen, gedeeld door de totale geraamde directe kosten van de economische categorieën 1.1 Salarissen en sociale lasten en 3.5.1 Ingeleend personeel.

  • 6.

    Het percentage van de omslagrente voor de toerekening van rente voor de financiering van de in gebruik zijnde activa, bedoeld in het eerste lid, wordt jaarlijks met de begroting vastgesteld. De uitkomst van dit percentage van de omslagrente wordt op een half procent afgerond.

  • 7.

    Er wordt géén rentevergoeding berekend over de reserves en voorzieningen.

  • 8.

    Bij een verstrekte lening voor de bepaling van de rentekosten van de inzet van vreemd vermogen in de kostprijs uitgegaan van de rente van de lening die voor de financiering van de verstrekte lening is aangetrokken. Deze rente kan worden verhoogd met een opslag voor het debiteurenrisico.

Artikel 11. Vaststelling hoogte belastingen, rechten, heffingen en prijzen

  • 1.

    Het college doet de raad jaarlijks een voorstel voor de hoogte van de gemeentelijke tarieven voor de belastingen, de rioolheffingen, precario en leges.

  • 2.

    Uitgangspunt voor de vast te stellen rechten en leges is 100% kostendekking.

  • 3.

    De prijzen voor diensten aan derden, worden jaarlijks aan de gemeenteraad voorgelegd.

Artikel 12. Financieringsfunctie

  • 1.

    Het college neemt bij het uitzetten en het aantrekken van middelen de volgende kaders in acht:

    • a.

      voor het aantrekken van financieringen met een looptijd langer dan één jaar worden ten minste twee prijsopgaven bij verschillende financiële instellingen gevraagd

    • b.

      er wordt geen gebruik gemaakt van financiële derivaten als bedoeld in artikel 1, onder c, van de Wet financiering decentrale overheden

  • 2.

    Bij het verstrekken van leningen, het verstrekken van garanties en het verstrekken van risicodragend kapitaal bedingt het college indien mogelijk zekerheden.

Hoofdstuk 4. Paragrafen

Artikel 13. Paragrafen

In de programmabegroting en de jaarstukken neemt het college de in het Besluit begroting en verantwoording provincies en gemeenten voorgeschreven paragrafen op.

Artikel 14. Onderhoud kapitaalgoederen

Het college biedt de raad tenminste eens in de 5 jaar een plan aan voor het onderhoud aan de kapitaalgoederen (riolering, gebouwen, openbaar groen, water, wegen, kunstwerken en straatmeubilair). Het plan geeft het kader weer voor het beoogde onderhoudsniveau, de planning van het onderhoud en de kosten van het onderhoud en eventuele areaaluitbreidingen. De raad stelt het plan vast.

Artikel 15 Grondbeleid

  • 1.

    Het college biedt de raad een nota grondbeleid aan. Tenminste eens per vier jaar wordt beoordeeld of deze nota moet worden aangepast. De raad stelt de nota vast. In de nota wordt aandacht besteed aan:

    • a.

      de strategische visie van het toekomstig grondbeleid van de gemeente;

    • b.

      te ontwikkelen en in ontwikkeling genomen projecten en ruimtelijke initiatieven;

    • c.

      ontwikkelen en in ontwikkeling genomen bovenwijkse voorzieningen en ruimtelijke investeringen en de bekostiging daarvan, deze worden;

    • d.

      het verloop van de grondvoorraad;

    • e.

      de uitgangspunten voor de verkoopprijzen van gronden, huren en erfpachten.

  • 2.

    Het college biedt de raad een nota bovenwijkse voorzieningen en ruimtelijke investeringen aan die jaarlijks wordt geactualiseerd. In deze nota zijn kaders opgenomen voor de ontwikkeling van bovenwijkse voorzieningen en ruimtelijke investeringen en de bekostiging daarvan.

Hoofdstuk 5. Financiële organisatie en financieel beheer

Artikel 16. Administratie

De administratie is zodanig van opzet en werking, dat zij in ieder geval dienstbaar is voor:

  • a.

    het sturen en het beheersen van activiteiten en processen in de gemeente als geheel en in de afdelingen;

  • b.

    het verstrekken van informatie over ontwikkelingen in de omvang van de vaste activa, voorraden, vorderingen, schulden, contracten en overige balansposten;

  • c.

    het verschaffen van informatie over uitputting van de toegekende budgetten en investeringsbudgetten en voor het maken van kostencalculaties;

  • d.

    het verschaffen van informatie over indicatoren met betrekking tot de gemeentelijke productie van goederen en diensten en de maatschappelijke effecten van het gemeentelijke beleid;

  • e.

    het afleggen van verantwoording over de rechtmatigheid, de doelmatigheid en de doeltreffendheid van het gevoerde bestuur in relatie tot de gestelde beleidsdoelen, de begroting en relevante wet- en regelgeving;

  • f.

    de controle van de registratie van gegevens als zodanig en van de daaraan ontleende informatie, alsmede voor de controle op de rechtmatigheid, de doelmatigheid en de doeltreffendheid van het gevoerde bestuur in relatie tot de gestelde beleidsdoelen, de begroting en relevante wet- en regelgeving.

Artikel 17. Financiële organisatie

Het college draagt zorgt voor:

  • a.

    een eenduidige indeling van de gemeentelijke organisatie en een eenduidige toewijzing van de gemeentelijke taken aan de afdelingen;

  • b.

    een adequate scheiding van taken, functies, bevoegdheden, verantwoordelijkheden;

  • c.

    de verlening van mandaten en volmachten voor het aangaan van verplichtingen ten laste van de toegekende budgetten en investeringsbudgetten;

  • d.

    de interne regels voor taken en bevoegdheden, de verantwoordingsrelaties en de bijbehorende informatievoorziening van de financieringsfunctie;

  • e.

    de kostenverdeelsleutels voor het eenduidig toewijzen van de lasten en baten aan de taakvelden;

  • f.

    het beleid en de interne regels voor de inkoop en de aanbesteding van goederen, werken en diensten;

  • g.

    het beleid en de interne regels voor de steunverlening en de toekenning van subsidies aan ondernemingen en instellingen;

  • h.

    het beleid en de interne regels voor het voorkomen van misbruik en oneigenlijk gebruik van gemeentelijke regelingen en eigendommen,

opdat aan de eisen van rechtmatigheid, controle en verantwoording wordt voldaan.

Artikel 18. Interne controle

  • 1.

    Het college zorgt ten behoeve van het getrouwe beeld van de jaarrekening, bedoeld in artikel 213, derde lid, onder a van de Gemeentewet, en de rechtmatigheid van de baten en lasten en de balansmutaties, bedoeld in artikel 213, derde lid, onder b van de Gemeentewet, voor de jaarlijkse interne toetsing van de getrouwheid van de informatieverstrekking en de rechtmatigheid van de beheershandelingen. Bij afwijkingen neemt het college maatregelen tot herstel.

  • 2.

    Het college zorgt voor de systematische controle van de registratie en de ontwikkeling van de bezittingen en het vermogen van de gemeente.

Hoofdstuk 6. Slotbepalingen

Artikel 19. Intrekken oude verordening en overgangsrecht

De Financiële verordening 2017 wordt ingetrokken, met dien verstande dat zij van toepassing blijft op de stukken van het begrotingsjaar 2018.

Artikel 20. Inwerkingtreding en citeertitel

  • 1.

    Deze verordening treedt in werking op de dag na vaststelling van deze verordening.

  • 2.

    Deze verordening wordt aangehaald als: Financiële verordening Neder-Betuwe 2019.

     

Aldus vastgesteld in de raadsvergadering van 4 juli 2019

de griffier,

E. van der Neut

de voorzitter,

A.J. Kottelenberg

Bijlage afschrijvingsbeleid bij artikel 7

 

Afschrijvingsbeleid vaste activa

 

  • Activa met een verkrijgingsprijs van minder dan € 25.000 worden niet geactiveerd, uitgezonderd gronden en terreinen. Gronden en terreinen worden altijd geactiveerd.

  • Kosten voor het afsluiten van geldleningen worden direct ten laste van de exploitatie gebracht.

  • De afschrijving start in het jaar volgend op het jaar van ingebruikname.

  • Op gronden en terreinen (exclusief inrichting) wordt niet afgeschreven.

  • Er wordt geen rekening gehouden met restwaarde.

  • De afschrijvingsmethode is bij voorkeur lineair. Bij investeringen waarbij een directe relatie kan worden gelegd met de opbrengst voor de gemeente en de hierbij te hanteren tarieven kan de annuïtaire methode worden toegepast.

Immateriële vaste activa:

De volgende activa worden afgeschreven in maximaal:5 jaar: saldo van agio en disagio

  • 5 jaar: kosten van onderzoek en ontwikkeling

Materiële vaste activa:

De volgende activa worden afgeschreven in maximaal:

 

Automatisering

  • 3-7 jaar: automatiseringsapparatuur;

  • 5 jaar: computerapplicaties.

Inventaris

  • 10 jaar: telefooninstallaties;

  • 10 jaar: meubilair;

Vervoermiddelen

  • 7 -10 jaar: aanhangwagens, personenauto’s en lichte motorvoertuigen;

Gebouwen

  • 40 jaar: nieuwbouw woonruimten en schoolgebouwen;

  • 40 jaar: nieuwbouw kantoren en bedrijfsgebouwen;

  • 40 jaar: nieuwbouw tijdelijke woonruimten en tijdelijke bedrijfsgebouwen;

  • 25 jaar: zonnepanelen

  • 25 jaar: renovatie, restauratie en aankoop woonruimten, en schoolgebouwen;

  • 25 jaar: renovatie, restauratie en aankoop kantoren en bedrijfsgebouwen;

  • 40 jaar: sporthallen/gymzalen;

  • 25 jaar: renovatie, sporthallen/gymzalen;

Terreinen

  • 10-30 jaar: speelvoorzieningen;

  • 15 jaar: kunstgrasvelden

  • 30 jaar: sportterreinen

  • 10-50 jaar: groenvoorzieningen;

Infrastructuur

  • 60 jaar: rioleringen: In het Gemeentelijk Rioleringplan(GRP) worden de termijnen vastgelegd;

  • 50 jaar: wegen, pleinen en rotondes;

  • 25 jaar: bruggen, hout

  • 60 jaar: bruggen, beton/staal;

  • 40 jaar: openbare verlichting, masten

  • 30 jaar: openbare verlichting, led-panels, led-armaturen

  • 20 jaar: openbare verlichting, armaturen (geen led), kabels (bovengronds)

  • 10 jaar: openbare verlichting, led-drivers, lampen (geen PL)

  • 4 jaar: openbare verlichting, PL-lampen

  • 15 jaar: pompen en gemalen.(mechanisch)

  • 45 jaar: pompen en gemalen (bouwkundig)

  • 45 jaar: drainage

  • 45 jaar: randvoorzieningen rioleringen

  • 45 jaar: mechanische riolering (leidingen)

Aankoop bestaande activa: restant levensduur

 

Afwijking van de tabel geschiedt o.b.v. een raadsbesluit in het betreffende investeringsvoorstel.

Naar boven