Gemeenteblad van Nieuwegein

Datum publicatieOrganisatieJaargang en nummerRubriek
NieuwegeinGemeenteblad 2019, 175768Overige besluiten van algemene strekking



Besluit tot wijziging van de Subsidieregeling Nieuwegein 2019

Het college van burgemeester en wethouders van Nieuwegein;

 

gelet op artikel 3 van de Algemene subsidieverordening Nieuwegein 2015;

 

 

besluit:

 

vast te stellen

 

Besluit tot wijziging van de Subsidieregeling Nieuwegein 2019

Artikel I

 

De Subsidieregeling Nieuwegein 2019 wordt als volgt gewijzigd:

 

A.

Hoofdstuk 4 van de Subsidieregeling Nieuwegein 2019 wordt als volgt gewijzigd:

 

Hoofdstuk 4 Specificatie Onderwijs

 

Artikel 14 Begripsbepaling

  • a.

    Doelgroeppeuter: een peuter tussen de 2,5 en 4 jaar met een indicatiestelling voor voorschoolse educatie op grond van de door het college vastgestelde criteria en als zodanig door het consultatiebureau geïndiceerd.

  • b.

    Peuter: een binnen de gemeente woonachtig kind tussen de 2 tot 4 jaar.

4.1 Peuteropvang en voorschoolse educatie

 

Artikel 15 Subsidiabele activiteiten

Activiteiten die voor subsidie in aanmerking komen, zijn:

  • a.

    het deelnemen van peuters aan kinderopvang;

  • b.

    het deelnemen van doelgroeppeuters aan kinderopvang van een gecertificeerde voorschoolse voorziening.

Artikel 16 Aanvullende subsidiecriteria

  • 1.

    De subsidieaanvraag voor ouders van de peuter wordt gecoördineerd door de aanbieder van de peuteropvang die minimaal voldoet aan de volgende eisen:

    • a.

      registratie in het LRK;

    • b.

      de aanbieder werkt met een kind-volgsysteem;

    • c.

      de aanbieder werkt structureel aan het verbeteren avn de ouderbetrokkenheid, het ouderbeleid is per locatie vertaald in een jaarplan met meetbare doelen;

    • d.

      bij de overgang van de peuter naar de basisschool wordt gebruik gemaakt van het universele overdrachtsformulier (en de afspraken hierover) van de gemeente Nieuwegein;

    • e.

      wat betreft de doorgaande lijn is er sprake van een aantoonbare samenwerking met één of meerdere basisscholen in de wijk, is dit vastgelegd in een gezamenlijk ondertekend jaarplan;

    • f.

      er is sprake van een samenwerking met het zorgnetwerk in de gemeenten; de samenwerking is aantoonbaar door vastgestelde afspraken, eventueel aangevuld met gespreksverslagen.

  • 2.

    De subsidieaanvraag voor ouders van doelgroeppeuters wordt gecoördineerd door de aanbieder van de peuteropvang van een gecertificeerde voorschoolse voorziening en dient naast de in artikel 16 lid 1 genoemde eisen ook te voldoen aan de volgende eisen:

    • a.

      registratie in het LRK, ook van het aanbod van voorschoolse educatie;

    • b.

      aanbieder werkt met een gecertificeerd VVE-programma waarin op gestructureerde en samenhangende wijze de ontwikkeling wordt gestimuleerd en gevolgd op het gebied van taal, rekenen, motoriek en de sociaal-emotionele ontwikkeling en waarbij desgevraagd de resultaten in kaart worden gebracht;

    • c.

      pedagogisch medewerk(st)ers zijn gecertificeerd in het VVE-programma waarmee wordt gewerkt en zij hebben voldoende taalniveau: lezen/spreken 3F;

    • d.

      in geval van een doelgroeppeuter vindt een zogenoemde ‘warme overdracht’ plaats tussen aanbieder en basisschool, bij voorkeur in aanwezigheid van de ouder(s);

    • e.

      de kwaliteit van de VVE op de locatie wordt door de Inspectie voor het Onderwijs in overwegende mate positief beoordeeld en door de Inspectie aangegeven verbeterpunten worden door de aanbieder aantoonbaar en per omgaande opgepakt.

  • 3.

    De in lid 1 genoemde aanbieder ontvangt subsidie namens ouders die aan de volgende voorwaarden voldoen:

    • a.

      de peuter bezoekt minimaal twee dagdelen van 3,5 uur en maximaal 2 dagdelen van 4 uur per week de peuteropvang van een aanbieder;

    • b.

      de ouder komt niet in aanmerking voor de kinderopvangtoeslag voor de eerste twee dagdelen;

    • c.

      deze uren moeten bij dezelfde aanbieder worden afgenomen.

  • 4.

    De in lid 2 genoemde aanbieder ontvangt subsidie namens ouders die, naast de in artikel 16 lid 3 genoemde voorwaarden ook voldoet aan de volgende voorwaarden:

    • a.

      de doelgroeppeuter heeft een VVE-indicatie van het consultatiebureau;

    • b.

      de doelgroeppeuter volgt in een periode van 1 jaar 640 uur kinderopvang met voorschoolse educatie waarvan maximaal 6 uur per dag kinderopvang met voorschoolse educatie wordt meegerekend voor deze norm;

    • c.

      de uren kinderopvang met voorschoolse educatie worden bij dezelfde aanbieder afgenomen.

  • 5.

    In aanvulling op artikel 5, lid 2 van de verordening bevat de aanvraag:

    • a.

      informatie over het aantal peuters per locatie waarvoor de subsidie wordt aangevraagd, met als peildatum 1 september van het jaar voorafgaand aan het jaar waarvoor de subsidie wordt aangevraagd;

    • b.

      een onderverdeling naar categorieën: WKO, niet WKO, geïndiceerd, niet-geïndiceerd.

Artikel 17 Aanvullende verdeelregels

  • 1.

    De subsidie voor de peuter bestaat uit 1 component:

    • a.

      het jaarlijks in september berekende en bekend gemaakte uurtarief voor de peuteropvang aan de hand van de kinderopvangtoeslagtabel voor maximaal 8 uur per week en 40 weken per jaar minus de door de aanbieder berekende inkomstenafhankelijke ouderbijdrage.

  • 2.

    De subsidie voor de doelgroeppeuter bestaat uit 2 componenten:

    • a.

      het jaarlijks in september berekende en bekend gemaakte uurtarief voor de peuteropvang aan de hand van de kinderopvangtoeslagtabel voor maximaal 16 uur per week en 40 weken per jaar minus de door de aanbieder berekende inkomstenafhankelijke ouderbijdrage voor maximaal 8 uur per week en 40 weken per jaar;

    • b.

      de door het college vastgestelde meerkosten voor het aanbod van voorschoolse educatie van € 500,00 per jaar.

  • 3.

    Aanbieders van peuteropvang die voor intrede van de Wet harmonisatie kinderopvang en peuterspeelzaalwerk op 1januari 2018 peuterspeelzaalwerk aanboden binnen de gemeente Nieuwegein, kunnen een vergoeding krijgen voor de meerkosten van de pedagogisch medewerkers die voor 1 januari 2018 in dienst waren. Deze meerkosten zijn gelijk of lager dan het in het jaar daarvoor toegekende subsidiebedrag voor deze meerkosten.

Artikel 18 Aanvullende verplichtingen

  • 1.

    Er is een ondertekende overeenkomst tussen ouder en aanbieder.

  • 2.

    De subsidie aan ouders wordt tijdelijk als voorschot aan de aanbieder verstrekt, waarna deze de middelen in mindering brengt op het te betalen uurtarief door de ouders voor gebruik van een peuteropvangplaats.

  • 3.

    Jaarlijks vindt in oktober een toetsing door de aanbieder plaats van het niet-recht op kinderopvangtoeslag en wordt de inschaling op basis van de inkomensverklaring van het voorgaande jaar vastgesteld.

  • 4.

    Voor mogelijke controle legt de aanbieder dossiers aan met minimaal de volgende informatie en documenten: aanvraagformulier ouder, ondertekende overeenkomst ouder en aanbieder, inkomensverklaring, start-/einddatum en/of wijzigingen, aantal uren peuteropvang per maand, uurtarief en ouderbijdrage, regulier of doelgroepkind, jaarlijkse toetsing van het niet recht hebben op kinderopvangtoeslag, afschrift indicatiestelling van de peuter door de JGZ, eventuele aanmaningen, bevestiging opzegging.

4.2 Onderwijsachterstandenbeleid

 

Artikel 19 Subsidiabele activiteiten

Activiteiten die voor subsidie in aanmerking komen, zijn:

  • a.

    activiteiten gericht op het vergroten van de betrokkenheid van ouders bij de taalontwikkeling van het kind dat deelneemt aan vroegschoolse educatie;

  • b.

    bovenschoolse (deeltijd)schakelklassen

  • c.

    taalstimulering thuis door vrijwilligers volgens de methode Taalvisite;

  • d.

    overige innovatieve activiteiten die aansluiten bij de gestelde doelen voor het onderwijsachterstandenbeleid vastgelegd in het beleidskader Jeugd 2018-2022 en die bijdragen aan het verkleinen van onderwijsachterstand, specifiek taalachterstand, van kinderen.

Artikel 20 Aanvullende verdeelregels

In aanvulling op het in artikel 4 bepaalde gelden de volgende verdeelregels:

  • 1.

    Voor de activiteit als bedoeld in artikel 19 onder a is jaarlijks maximaal € 55.000 beschikbaar, waarbij geldt:

    • a.

      basisscholen met vroegschoolse educatie: € 5.000 per schoollocatie met een maximum van € 50.000;

    • b.

      wanneer de som van de aanvragen als bedoeld onder artikel 20 lid 1 onder a het maximum overschrijdt, hebben de scholen met een totale onderwijsachterstandscore hoger dan 5% voorrang en vervolgens hebben de scholen met een leerlingscore hoger dan 0,5% voorrang. Deze scores zijn ontleend aan de OAB-scan Nieuwegein op basis van het rekenmodel van het CBS (2017);

    • c.

      wanneer de som van de aanvragen als bedoeld onder artikel 20 lid 1 onder a het maximum niet bereikt dan wordt het niet benutte deel toegevoegd aan het budget van artikel 19 onder d, zie artikel 20 lid 4;

    • d.

      bovenschoolse voorziening schakelklassen: € 5.000 totaal ongeacht het aantal groepen.

  • 2.

    Voor de activiteit als bedoeld in artikel 19 onder b is jaarlijks maximaal € 120.000 beschikbaar, waarbij geldt:

    • -

      voor een deeltijd schakelklas: € 85.000;

    • -

      voor een deeltijd schakelklas neveninstromers: € 35.000.

  • 3.

    Voor activiteiten als bedoeld in artikel 19 onder c is jaarlijks maximaal € 75.000 beschikbaar.

  • 4.

    Voor activiteiten als bedoeld in artikel 19 onder d is jaarlijks maximaal € 50.000 beschikbaar en daarbij geldt dat wanneer de som van de aanvragen als bedoeld onder artikel 19 het maximum overschrijdt, hebben de activiteiten voorrang in de wijken waarin de scholen een totale onderwijsachterstandscore hoger dan 5% hebben. Deze scores zijn ontleend aan de OAB-scan Nieuwegein op basis van het rekenmodel van het CBS (2017).

     

  • 5.

    In aanvulling op het onder lid 2 bepaalde, zijn er voor voltijd schakelklassen in het primair onderwijs voor kinderen van statushouders middelen beschikbaar in aanvulling op rijkssubsidies en overige inkomsten.

4.3 Onderwijsvoorzieningen

 

Artikel 21 Subsidiabele activiteiten

Activiteiten die voor subsidie in aanmerking komen, zijn:

  • a.

    schoolbegeleiding gericht op het bevorderen van een optimale schoolloopbaan;

  • b.

    buitenschoolse activiteiten van de wijkgerichte brede scholen gericht op kunst, cultuur en sport;

  • c.

    schoolvervoer van leerlingen van SBO De Evenaar;

  • d.

    cursussen basiseducatie voor volwassenen die moeite hebben met leren.

Artikel 22 Aanvullende subsidiecriteria

Om voor subsidie in aanmerking te komen, wordt in aanvulling op het in artikel 3 bepaalde, voldaan aan de volgende aanvullende criteria:

  • a.

    subsidieaanvrager toont aan dat de activiteit als bedoeld in artikel 21 onder a, leidt tot verbetering van de kwaliteit van het onderwijs;

  • b.

    de subsidie voor de activiteit als bedoeld in artikel 21 onder c is alleen bestemd voor leerlingen die geen aanspraak kunnen maken op het leerlingenvervoer en die als gevolg van gezinsgebonden problematiek zonder georganiseerd vervoer niet naar school kunnen gaan.

Artikel 23 Aanvullende verdeelregels

In aanvulling op het in artikel 4 bepaalde gelden de volgende verdeelregels:

  • a.

    het beschikbare budget voor de activiteit als bedoeld in artikel 21 onder a wordt verdeeld naar rato van het aantal leerlingen per schoolbestuur ten opzichte van het totaal aantal leerlingen in het primair onderwijs, gebaseerd op de 1 oktobertellingen van het kalenderjaar waarin de subsidie wordt verstrekt -2;

  • b.

    subsidies worden verstrekt en verantwoord per kalenderjaar, waarbij de totale kosten van activiteiten die betrekking hebben op een heel schooljaar voor respectievelijk 5/12 en 7/12 worden toegerekend aan het kalenderjaar waarin de subsidie wordt verstrekt.

Artikel II

Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na die van de bekendmaking.

 

Aldus vastgesteld in de vergadering van 9 juli 2019,

de secretaris,

de burgemeester,