Gemeenteblad van Groningen

Datum publicatieOrganisatieJaargang en nummerRubriek
GroningenGemeenteblad 2019, 168117Verordeningen



Algemene subsidieverordening gemeente Groningen 2019

De raad van de gemeente Groningen;

 

gelezen het voorstel van burgemeester en wethouders 24 mei 2019;

 

gelet op artikel 149 van de Gemeentewet;

BESLUIT:

 

vast te stellen de Algemene subsidieverordening gemeente Groningen 2019:

Artikel 1. Begripsomschrijvingen en afkortingen

Voor de toepassing van deze verordening en de daarop berustende nadere regels wordt verstaan onder:

  • a.

    activiteitenplan: een overzicht van de door de subsidieontvanger voorgenomen activiteiten vertaald naar meetbare resultaten en beoogde effecten, alsmede de relatie daarvan met gemeentelijk beleid, uit te voeren binnen een aangegeven termijn;

  • b.

    algemene groepsvrijstellingsverordening: verordening (EU) nr. 651/2014 van de Commissie van 17 juni 2014 waarbij bepaalde categorieën steun op grond van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag met de interne markt verenigbaar worden verklaard (PbEU L 127), dan wel later daarvoor in de plaats tredende Europese regelgeving;

  • c.

    bestemmingsfonds: een bestemmingsfonds zoals bedoeld in richtlijn 640 inzake de verslaglegging van organisaties zonder winststreven voor zover dat is ontstaan uit verschillen tussen enerzijds de kosten van activiteiten waarvoor het college subsidie heeft verstrekt en anderzijds de verstrekte subsidie;

  • d.

    bezoldiging: de som van de beloning, de belastbare vaste en variabele onkostenvergoedingen, beloningen betaalbaar op termijn, winstdelingen en bonusbetalingen, alles zoals beschreven in artikel 1.1 onderdelen e. en f. van de Wnt;

  • e.

    bovenwettelijke bezoldiging: de bezoldiging als bedoeld in artikel 1.1 onder k. van de Wnt voor zover die bezoldiging hoger is dan het bezoldigingsmaximum zoals beschreven in artikel 2.3 Wnt van topfunctionarissen door instellingen die krachtens deze verordening subsidie ontvangen van de gemeente Groningen;

  • f.

    college: college van burgemeester en wethouders van Groningen;

  • g.

    de-minimisverordening: verordening (EU) nr. 1407/2013 van de Commissie van 18 december 2013 betreffende de toepassing van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag op de-minimissteun (PbEU L 352), verordening (EU) nr. 1408/2013 van de Commissie van 18 december 2013 inzake de toepassing van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag op de-minimissteun in de landbouwproductiesector (PbEU L 352/9) en verordening (EU) nr. 717/2014 van de Commissie van 27 juni 2014 inzake de toepassing van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag op de-minimissteun in de visserij- en aquacultuursector (PbEU L 190/45), dan wel later daarvoor in de plaats tredende Europese regelgeving;

  • h.

    Europees steunkader: een mededeling, richtsnoer, kaderregeling, besluit of vrijstellingsverordening op het gebied van staatssteun die de Europese Commissie of de Raad van de Europese Unie, gelet op de artikelen 106, derde lid , 107, 108 of 109 van het Verdrag heeft vastgesteld;

  • i.

    Verdrag: Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie;

  • j.

    Awb: Algemene wet bestuursrecht;

  • k.

    Wnt: Wet normering topinkomens.

Artikel 2. Reikwijdte

  • 1.

    Voor de volgende beleidsterreinen kan subsidie worden verstrekt:

    • a.

      algemeen bestuur;

    • b.

      openbare orde en veiligheid;

    • c.

      verkeer, vervoer en waterstaat;

    • d.

      economische zaken;

    • e.

      jeugd & onderwijs;

    • f.

      cultuur en recreatie;

    • g.

      sociale voorzieningen en maatschappelijke dienstverlening;

    • h.

      volksgezondheid;

    • i.

      milieu;

    • j.

      ruimtelijke ordening en volkshuisvesting;

    • k.

      werk & inkomen;

    • l.

      sport & bewegen.

  • 2.

    Deze verordening is niet van toepassing op de verstrekking van subsidies waarvoor bij afzonderlijke verordening een uitputtende regeling is getroffen en subsidies waarvoor geen wettelijke grondslag nodig is als bedoeld in artikel 4:23, derde lid, van de Awb.

  • 3.

    Ten aanzien van subsidies waarvoor geen wettelijke grondslag nodig is kan het college bepalen dat deze verordening geheel of gedeeltelijk van toepassing is.

  • 4.

    Voor subsidies die per boekjaar worden verstrekt is afdeling 4.2.8. uit Titel 4.2 van de Awb van toepassing.

Artikel 3. Bevoegdheid college

  • 1.

    Het college kan nadere regels stellen over de te subsidiëren activiteiten, de doelgroepen, de wijze waarop de subsidie moet worden aangevraagd, de termijnen van aanvraag en besluitvorming en de verdeling van de subsidie per beleidsterrein zoals bedoeld in artikel 2.

  • 2.

    Het college is bevoegd tot uitvoering van deze verordening, waaronder het verstrekken van subsidies met inachtneming van de in de gemeentebegroting opgenomen financiële middelen of het subsidieplafond.

Artikel 4. Europees steunkader

  • 1.

    Voor zover dat ten behoeve van het voldoen aan een Europees steunkader noodzakelijk is, kunnen burgemeester en wethouders bij nadere regels afwijken van deze verordening en deze aanvullen.

  • 2.

    Bij nadere regels waarbij is bepaald dat toepassing kan worden gegeven aan een Europees steunkader, verwijst de nadere regels naar het toepasselijke steunkader.

  • 3.

    Bij subsidies waar een Europees steunkader op van toepassing is, verwijst de verleningsbeschikking naar de toepasselijke bepalingen van het steunkader.

  • 4.

    Bij subsidies waarop een Europees steunkader van toepassing is, komen alleen de activiteiten, doelstellingen, resultaten en kosten voor vergoeding in aanmerking die voldoen aan de eisen van het desbetreffende steunkader.

  • 5.

    Bij subsidies waarop een Europees steunkader van toepassing is, komen ondernemingen alleen in aanmerking voor subsidieverstrekking die voldoen aan de voorwaarden van het desbetreffende Europese steunkader.

Artikel 5. Subsidieplafond en begrotingsvoorbehoud

  • 1.

    Het college kan subsidieplafonds vaststellen. Bij de bekendmaking daarvan wordt de wijze van verdeling vermeld.

  • 2.

    Het college kan een subsidieplafond verlagen:

    • a.

      als het wordt vastgesteld voordat de begroting voor het betrokken jaar is vastgesteld of goedgekeurd; of

    • b.

      als de subsidieaanvragen waarop het subsidieplafond betrekking heeft, moeten worden ingediend voordat de begroting voor het betrokken jaar is vastgesteld of goedgekeurd.

  • 3.

    Bij de bekendmaking van een subsidieplafond dat kan worden verlaagd overeenkomstig het vorige lid, wordt gewezen op de mogelijkheid van verlaging en de gevolgen daarvan voor reeds ingediende aanvragen.

  • 4.

    Een subsidie ten laste van een begroting die nog niet is vastgesteld of goedgekeurd, wordt verleend onder de voorwaarde dat voldoende middelen op de begroting beschikbaar zullen worden gesteld. Bij de verleningsbeschikking wordt daarop gewezen.

Artikel 6. Aanvraag

  • 1.

    Een aanvraag om subsidie wordt schriftelijk ingediend bij het college.

    Bij de aanvraag legt de aanvrager de volgende gegevens over:

    • a.

      een activiteitenplan;

    • b.

      een op activiteiten gerichte begroting van de kosten en de inkomsten van deze activiteiten, waaruit duidelijk wordt waar de subsidie voor aangewend wordt. De begroting bevat een opgave van bij anderen aangevraagde subsidies of vergoedingen ten behoeve van dezelfde activiteiten en indien van toepassing een opgave van de gehanteerde uurtarieven en overheadkosten en deze wijze waarop deze zijn opgebouwd.

    • c.

      Indien het een vervolgaanvraag betreft voor vergelijkbare activiteiten in het voorliggende boekjaar, dan dient bij de aanvraag eveneens een realisatie over de eerste acht maanden van het lopende jaar aangeleverd te worden en een prognose van de realisatie in het lopende jaar.

    • d.

      indien de aanvrager een onderneming is:

      • 1e.

        een opgave van subsidies, vergoedingen of tegemoetkomingen in welke vorm ook met staatsmiddelen bekostigd, die al zijn of zullen worden ontvangen voor de activiteiten waarvoor de subsidie wordt aangevraagd;

      • 2e.

        een verklaring als bedoeld in de de-minimisverordening (de-minimisverklaring);

    • 5.

      Indien de aanvrager een rechtspersoon is die een (semi-)publieke taak uitvoert: een eigen Wnt-verklaring, waarin de instelling verklaart dat de bij de instelling in dienst zijnde functionarissen en werknemers een lager inkomen (brutosalaris, (vertrek)premies en/of toeslagen) genieten dan de voor het jaar voorafgaand aan het subsidiejaar vastgestelde inkomensgrens als bedoeld in artikel 2.3 van de Wnt. Een rechtspersoon die voor de eerste maal subsidie aanvraagt, voegt bij de aanvraag een exemplaar van de oprichtingsakte, de statuten, alsmede van het jaarverslag, de jaarrekening en de balans van het voorgaande jaar.

    • 6.

      Indien de aanvrager een natuurlijke persoon is dient deze een geldig legitimatiebewijs over te leggen.

Artikel 7. Aanvraagtermijn

  • 1.

    Een aanvraag voor een subsidie voor activiteiten gedurende een heel kalenderjaar, wordt ingediend uiterlijk 1 oktober voorafgaand aan het jaar of de jaren waarop de aanvraag betrekking heeft.

  • 2.

    Aanvragen die niet betrekking hebben op activiteiten gedurende een geheel kalenderjaar kleiner dan € 50.000 worden ingediend 8 weken voordat de aanvrager voornemens is te beginnen met de activiteiten waarvoor de subsidie wordt aangevraagd.

  • 3.

    Aanvragen die niet betrekking hebben op activiteiten gedurende een geheel kalenderjaar vanaf € 50.000 worden ingediend 13 weken voordat de aanvrager voornemens is te beginnen met de activiteiten waarvoor de subsidie wordt aangevraagd.

Artikel 8. Beslistermijn

  • 1.

    Het college beslist op een aanvraag om een subsidie als bedoeld in artikel 7, eerste lid, uiterlijk op 31 december van het jaar waarin de aanvraag is ingediend.

  • 2.

    Het college beslist op een aanvraag om een subsidie als bedoeld in artikel 7, tweede lid, binnen 8 weken nadat de aanvraag is ingediend en aan alle indieningsvereisten is voldaan.

  • 3.

    Het college beslist op een aanvraag om een subsidie als bedoeld in artikel 7, derde lid, binnen 13 weken nadat de aanvraag is ingediend en aan alle indieningsvereisten is voldaan.

  • 4.

    Het college kan de beslistermijn eenmalig met maximaal 8 weken verlengen.

  • 5.

    Bij aanvragen om een subsidie die overeenkomstig artikel 108, derde lid, van het Verdrag worden aangemeld bij de Europese Commissie wordt de termijn verdaagd totdat de Europese Commissie een eindbeslissing heeft genomen.

Artikel 9. Weigerings-, intrekkings- en terugvorderingsgronden

  • 1.

    Onverminderd de artikelen 4:25, tweede lid, en 4:35 van de Awb weigert het college de subsidie in ieder geval:

    • a.

      als de Europese Commissie overeenkomstig artikel 108, derde lid, van het Verdrag heeft vastgesteld dat de subsidie onverenigbaar is met de interne markt.

    • b.

      als het betreft een aanvrager tegen wie een bevel tot terugvordering uitstaat ingevolge een eerdere beschikking van de Europese Commissie waarin de steun onrechtmatig en onverenigbaar met de interne markt is verklaard.

  • 2.

    Onverminderd het vorige lid weigert het college de subsidie in ieder geval als de subsidieverstrekking in strijd zou zijn met een Europees steunkader omdat:

    • a.

      subsidie verstrekt zou worden aan een aanvrager die een onderneming drijft die in moeilijkheden verkeert als bedoeld in het desbetreffende steunkader, of

    • b.

      de subsidie geen stimulerend effect heeft als bedoeld in het desbetreffende steunkader.

  • 3.

    Onverminderd het vorige lid kan het college de subsidie verder in ieder geval weigeren:

    • a.

      als de te subsidiëren activiteiten niet of niet in overwegende mate gericht zijn op de gemeente of haar ingezetenen of als ze niet of onvoldoende bijdragen aan de gemeentelijke doelstellingen.

    • b.

      als niet is aangetoond dat de subsidie noodzakelijk is voor het verrichten van de activiteiten waarvoor deze wordt gevraagd;

    • c.

      in het geval en onder de voorwaarden, bedoeld in artikel 3 van de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur;

    • d.

      als de aanvraag niet voldoet aan regels die zijn gesteld om voor subsidie in aanmerking te komen;

    • e.

      als in de activiteit waarvoor de subsidie wordt gevraagd al op een andere toereikende wijze wordt voorzien.

    • f.

      als de subsidieverstrekking in strijd zou zijn met een wettelijk voorschrift;

    • g.

      als de subsidieverstrekking niet is toegestaan totdat de Europese Commissie met toepassing van artikel 108, derde lid, van het Verdrag heeft vastgesteld dat de subsidie verenigbaar is met de interne markt;

    • h.

      indien in de nadere regels beperkende bepalingen zijn opgenomen en subsidieontvanger zich daaraan niet heeft gehouden.

    • i.

      voor zover het betreft het bedrag dat een instelling of organisatie die een publieke of semipublieke taak uitvoert aan bovenwettelijke bezoldigingen uitbetaalt of na afloop van het subsidietijdvak blijkt te hebben uitbetaald.

    • j.

      Indien binnen de organisatie een of meerdere personen een hogere bezoldiging krijgt dan de maximale beloning, zoals opgenomen in de Wet Normering Topinkomens, wordt de subsidie gekort met het verschil van het salaris van de medewerker tot aan de maximale beloning in de Wet Normering Topinkomens.

  • 4.

    Het college kan een subsidie in ieder geval intrekken in het geval en onder de voorwaarden, bedoeld in artikel 3 van de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur.

  • 5.

    Het college vordert een subsidie met rente terug als dit nodig is ter uitvoering van een terugvorderingsbesluit van de Europese Commissie of een onherroepelijke rechterlijke uitspraak.

Artikel 10. Vermogensvergoeding

  • 1.

    In gevallen genoemd in artikel 4:41 lid 2 van de Awb is de subsidieontvanger, voor zover verstrekking van subsidie door het college heeft geleid tot vermogensvorming, daarvoor een vergoeding aan het college verschuldigd. Het college kan daarbij nadere regels stellen.

  • 2.

    De vermogensvergoeding bedraagt 100% van de vermogensvorming, voor zover gevormd door subsidieverstrekking door het college.

  • 3.

    Op de berekening van de vermogenstoename kan het college een correctie toepassen voor zover die samenhangt met boekverlies of een wijziging van de waarderingsgrondslagen voor materiële vaste, immateriële en financiële activa.

  • 4.

    Bij twijfel over de juistheid van de toegepaste waarderingsgrondslagen kan het college de subsidieontvanger verplichten om hieromtrent een accountantsverklaring in te dienen.

Artikel 11. Verantwoording

Voor zover dit niet is bepaald bij nadere regels, kan bij de verleningsbeschikking vermeld worden op welke wijze de subsidieontvanger de besteding van de subsidie dient te verantwoorden.

Artikel 12. Algemene verplichtingen van de subsidieontvanger

  • 1.

    Als aannemelijk is dat een of meer van de activiteiten waarvoor de subsidie is verleend niet of niet geheel zullen worden verricht, of dat niet of niet geheel aan de aan de subsidie verbonden verplichtingen zal worden voldaan, meldt de subsidieontvanger dat onverwijld aan het college.

  • 2.

    De ontvanger van een incidentele subsidie die groter is dan € 50.000 dient een tussenrapportage in over de besteding van de subsidie op een door het college te bepalen datum, welke vermeld wordt in de verleningsbeschikking.

  • 3.

    Een subsidieontvanger informeert het college onverwijld schriftelijk over:

    • a.

      beslissingen of procedures die zijn gericht op de beëindiging van de activiteiten waarvoor subsidie is verleend, of tot ontbinding van de gesubsidieerde rechtspersoon;

    • b.

      relevante wijzigingen in de financiële en organisatorische verhouding met derden;

    • c.

      ontwikkelingen die ertoe kunnen leiden dat aan de aan de subsidie verbonden verplichtingen niet of niet geheel zullen kunnen worden nagekomen, waaronder in ieder geval de omstandigheid dat de activiteiten niet in de periode worden uitgevoerd in de periode die bij de aanvraag is aangegeven;

    • d.

      ontwikkelingen die ertoe leiden dat bij de uitvoering van de activiteiten de kosten en of inkomsten meer dan 10% per begrotingspost afwijken van de bij de subsidieaanvraag aangeleverde begroting, of als de afwijking op een begrotingspost meer dan € 50.000 is.

    • e.

      wijziging van de statuten voor zover het betreft de vorm van de gesubsidieerde rechtspersoon, de persoon van de bestuurder of bestuurders en het doel van de rechtspersoon.

Artikel 13. Aan een subsidie te verbinden bijzondere verplichtingen

  • 1.

    Aan een beschikking tot subsidieverlening kunnen verplichtingen worden verbonden met betrekking tot het beheer en gebruik van hetgeen met de subsidie tot stand is gebracht.

  • 2.

    Bij subsidies voor activiteiten die naar oordeel van het college de continuïteit te allen tijde gewaarborgd dienen te worden kan de verplichting worden opgelegd tot het tussentijds afleggen van rekening en verantwoording over de tot dan verrichte activiteiten en de daaraan verbonden uitgaven en inkomsten. De verantwoording wordt normaliter niet vaker dan vier keer per jaar verlangd.

  • 3.

    Indien het college van oordeel is dat de financiële situatie van een instelling daar aanleiding voor geeft kan zij besluiten deze instelling te verplichten om frequenter te rapporteren over de realisatie en een herstelplan op te stellen.

Artikel 14 Hoogte subsidie

  • 1.

    De subsidie voor activiteiten bedraagt maximaal 100% van de noodzakelijke kosten.

  • 2.

    Bij nadere regels kan van het vorige lid worden afgeweken.

Artikel 15. Eindverantwoording subsidies tot en met € 5.000

  • 1.

    Subsidies tot en met een bedrag van € 5.000 worden door het college direct vastgesteld.

  • 2.

    Bij een vaststelling als bedoeld in het vorige lid kan de aanvrager worden verplicht om aan te tonen dat de activiteiten waarvoor de subsidie wordt verstrekt, zijn verricht en dat is voldaan aan de aan de subsidie verbonden verplichtingen.

Artikel 16 Eindverantwoording subsidies vanaf € 5.000

  • 1.

    Bij subsidies van meer dan € 5.000 dient de subsidieontvanger uiterlijk 13 weken nadat de gesubsidieerde activiteiten zijn verricht, een aanvraag tot vaststelling in.

  • 2.

    Bij de aanvraag overlegt de subsidieontvanger een inhoudelijk en financieel verslag over de verrichte activiteiten en de daaraan verbonden uitgaven en inkomsten.

  • 3.

    Bij subsidies hoger dan € 100.000 dient subsidieontvanger het financieel verslag te voorzien van een verklaring gebaseerd op het daartoe geldende ‘Controleprotocol controleverklaring subsidies gemeente Groningen’. Deze controle door een onafhankelijk deskundige moet voldoen aan de controlestandaarden die door de Nederlandse Beroepsorganisatie van Accountants (NBA) zijn vastgesteld.

  • 4.

    Ingeval de gemeentelijke subsidie aan een instelling in overwegende mate bijdraagt in de exploitatie kan bij verleningsbesluit worden bepaald dat volstaan kan worden met een controleverklaring in de zin van artikel 393 boek 2 van het Burgerlijk Wetboek.

  • 5.

    Het college kan steekproefsgewijs de verantwoording van subsidies tot € 100.000 aan een boekenonderzoek onderwerpen. De subsidieaanvrager dient hier volledige medewerking aan te verlenen.

  • 6.

    Indien het activiteiten betreft die niet uit de gemeentelijke middelen worden gefinancierd, dan gelden de verantwoordingsregels van de instantie die de middelen beschikbaar heeft gesteld.

  • 7.

    Bij nadere regels kan worden bepaald dat op een andere manier dan de in lid 2 genoemde wijze wordt aangetoond in hoeverre de activiteiten zijn verricht.

Artikel 17. Subsidievaststelling

  • 1.

    Het college stelt de subsidie vast binnen 13 weken na de ontvangst van een aanvraag tot subsidievaststelling, tenzij bij nadere regels anders is bepaald.

  • 2.

    Deze termijn kan eenmaal voor ten hoogste 8 weken worden verdaagd.

  • 3.

    Bij nadere regels kunnen categorieën subsidieontvangers worden aangewezen waarvoor de subsidie direct wordt vastgesteld zonder dat een aanvraag tot subsidievaststelling hoeft te worden ingediend.

  • 4.

    Als een aanvraag tot subsidievaststelling niet voor het tijdstip, bedoeld in de artikel 16, eerste lid is ingediend, kan het college de subsidieontvanger schriftelijk een nieuwe termijn stellen. Wordt de aanvraag niet binnen deze termijn ingediend dan kan ambtshalve vaststelling plaatsvinden.

Artikel 18. Berekening van uurtarieven, uniforme kostenbegrippen

  • 1.

    Als bij de bepaling van de subsidiabele kosten gebruik wordt gemaakt van uurtarieven, worden deze door de subsidieaanvrager berekend met gebruikmaking van een bij de nadere regels of bij de subsidieverlening voorgeschreven berekeningswijze.

  • 2.

    Bij het hanteren van kostenbegrippen bij de berekening van uurtarieven wordt uitgegaan van bij de nadere regels of bij de subsidieverlening voorgeschreven definities.

  • 3.

    Bij subsidie waarop een Europees steunkader van toepassing is, komen alleen die tarieven en kostenbegrippen in aanmerking die voldoen aan de eisen van het toepasselijke steunkader.

Artikel 19 Vermogensvorming subsidieontvanger

  • 1.

    Vermogensvorming met de subsidiemiddelen is niet toegestaan en overschotten mogen in beginsel niet worden gereserveerd, met uitzondering van de in dit artikel beschreven gevallen.

  • 2.

    Het college kan de subsidieontvanger toestaan een bestemmingsfonds te vormen uitsluitend op basis van een daartoe op te stellen risicoprofiel over de totale exploitatie.

  • 3.

    De hoogte van het fonds wordt gemaximeerd tot het gemeentelijk deel in de exploitatie.

  • 4.

    Indien een bestemmingsfonds als bedoeld in het vorige lid is opgebouwd dient de subsidieontvanger het fonds aan te wenden voor het bestemmingsdoel.

  • 5.

    Voor dotaties of onttrekkingen aan het fonds is vooraf toestemming van het college vereist.

Artikel 20 Betaling en verrekening

  • 1.

    De vastgestelde subsidie wordt binnen 3 weken na vaststelling uitgekeerd aan de aanvrager.

  • 2.

    Het college betaalt de subsidie onder verrekening van verleende voorschotten in 1 keer uit.

  • 3.

    De betaling kan geschieden aan een ander dan de aanvrager.

  • 4.

    Het college kan een terug te vorderen bedrag verrekenen met een subsidie voor dezelfde of voor andere activiteiten verstrekte subsidie, eventueel voor een ander tijdvak.

Artikel 21 Toezicht en controle

  • 1.

    Het college kan ambtenaren of andere personen aanwijzen die met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens deze verordening zijn belast.

  • 2.

    De door het college aangewezen accountant heeft de bevoegdheid tot review op de verrichte werkzaamheden van de controlerend accountant van de subsidieontvanger.

  • 3.

    Indien de administratie door een derde wordt gevoerd, is de subsidieontvanger verplicht alle medewerking te verlenen en zo nodig toestemming te geven voor inzage bij deze derde.

Artikel 22 Hardheidsclausule

  • 1.

    Het college kan, in bijzondere gevallen, een bepaling of bepalingen van deze verordening of van de nadere regels zoals bedoeld in artikel 3, eerste lid buiten toepassing laten of daarvan afwijken, voor zover toepassing gelet op het belang van de aanvrager of subsidieontvanger leidt tot onbillijkheid van overwegende aard.

  • 2.

    Toepassing van het vorige lid wordt gemotiveerd in het besluit en hiervan wordt periodiek verslag gedaan aan de raad.

Artikel 23 Overgangsbepalingen

  • 1.

    Op subsidies die zijn verleend of vastgesteld onder de werking van de Algemene subsidieverordening gemeente Groningen 2011, blijven de bepalingen van die verordening van toepassing.

  • 2.

    Indien vóór het tijdstip van inwerkingtreding van deze verordening een aanvraag om subsidieverstrekking op grond van de Algemene subsidieverordening gemeente Groningen 2011 is ingediend waarop nog niet is beslist, wordt daarop de Algemene subsidieverordening gemeente Groningen 2019 toegepast.

  • 3.

    Op bezwaarschriften gericht tegen een beschikking op een aanvraag om subsidieverstrekking krachtens de Algemene subsidieverordening gemeente Groningen 2011 wordt beslist met toepassing van de Algemene subsidieverordening gemeente Groningen 2019.

  • 4.

    Op subsidies die zijn verleend of vastgesteld onder de werking van de subsidieverordening van de gemeente Ten Boer, in werking getreden op 1 januari 2009, blijven de bepalingen van die verordening van toepassing.

  • 5.

    Indien vóór het tijdstip van inwerkingtreding van deze verordening een aanvraag om subsidieverstrekking op grond van de subsidieverordening van de gemeente Ten Boer, in werking getreden op 1 januari 2009, is ingediend waarop nog niet is beslist, wordt daarop de Algemene subsidieverordening gemeente Groningen 2019 toegepast.

  • 6.

    Op bezwaarschriften gericht tegen een beschikking op een aanvraag om subsidieverstrekking krachtens de subsidieverordening van de gemeente Ten Boer, in werking getreden op 1 januari 2009 wordt beslist met toepassing van de Algemene subsidieverordening gemeente Groningen 2019.

  • 7.

    Op subsidies die zijn verleend of vastgesteld onder de werking van de Algemene subsidieverordening gemeente Haren 2014, blijven de bepalingen van die verordening van toepassing.

  • 8.

    Indien vóór het tijdstip van inwerkingtreding van deze verordening een aanvraag om subsidieverstrekking op grond van de Algemene subsidieverordening gemeente Haren 2014 is ingediend waarop nog niet is beslist, wordt daarop de Algemene subsidieverordening gemeente Groningen 2019 toegepast.

  • 9.

    Op bezwaarschriften gericht tegen een beschikking op een aanvraag om subsidieverstrekking krachtens de Algemene subsidieverordening gemeente Haren 2014 wordt beslist met toepassing van de Algemene subsidieverordening gemeente Groningen 2019.

Artikel 24 Slotbepalingen en citeertitel

  • 1.

    De Algemene Subsidieverordening gemeente Groningen 2011 wordt ingetrokken.

  • 2.

    Hoofdstuk 1 van de Subsidieverordening van de gemeente Ten Boer, in werking getreden op 1 januari 2009, wordt ingetrokken. Hoofdstuk 2 van die verordening blijft van kracht. Voor subsidieverstrekking op grond van Hoofdstuk 2 is de Algemene subsidieverordening gemeente Groningen 2019 van toepassing.

  • 3.

    De Algemene Subsidieverordening gemeente Haren 2014 wordt ingetrokken. De Subsidieregelingen van de gemeente Haren die hun basis in die verordening hebben, blijven van kracht. Voor subsidieverstrekking op grond van die Subsidieregelingen is de Algemene subsidieverordening gemeente Groningen 2019 van toepassing.

  • 4.

    Deze verordening treedt in werking op de dag na de bekendmaking.

  • 5.

    Deze verordening wordt aangehaald als: Algemene subsidieverordening gemeente Groningen 2019.

     

Gedaan te Groningen in de openbare raadsvergadering van 26 juni 2019.

De griffier,

Toon Dashorst

De voorzitter,

Peter den Oudsten

Toelichting op de Algemene subsidieverordening gemeente Groningen 2019

Algemeen deel

 

De gemeentelijke herindeling, waarbij de ‘oude’ gemeenten Groningen, Haren en Ten Boer per 1 januari 2019 de nieuwe gemeente Groningen vormen is de aanleiding om de subsidieverordeningen en de eventueel daarop gebaseerde nadere regels (of subsidieregelingen) te harmoniseren en te moderniseren. Hierna zal het uitsluitend gaan over de Algemene subsidieverordening gemeente Groningen 2019 (ASV 2019). Deze vervangt de Algemene subsidieverordening gemeente Groningen 2011, de Algemene subsidieverordening gemeente Haren 2014 en de Subsidieverordening van de gemeente Ten Boer uit 2009.

 

Bij de wijziging zijn de volgende uitgangspunten gehanteerd:

  • -

    Waar mogelijk administratief belastende bepalingen voor de aanvrager te verminderen;

  • -

    De relatie met Europese staatsteunkaders te leggen;

  • -

    De relatie met Europese staatsteunkaders te leggen;

  • -

    Bepalingen die in de praktijk een loze letter verworden waren, schrappen;

  • -

    Behouden van de facultatieve bepalingen van de Algemene wet bestuursrecht (afdeling 4.2.8 per boekjaar verstrekte subsidies aan rechtspersonen);

  • -

    Waar mogelijk aansluiten bij de bepalingen van de modelverordening van de VNG.

Waar in de oude Groningse regeling een drietal procedures werden beschreven (de uitgebreide, de reguliere en de lichte procedure) is er nu voor gekozen dit onderscheid niet meer expliciet te maken. Afhankelijk van de omvang van het subsidiebedrag wordt beschreven aan welke verantwoordingsverplichtingen voldaan moet worden.

Artikelsgewijze toelichting

Artikel 2. Reikwijdte

Eerste lid

Komt overeen met de oude regeling.

 

Tweede lid

De ASV 2019 is in beginsel op alle subsidies van toepassing, met uitzondering van de hier genoemde situaties. Het gaat dan om een volledig op zichzelf staande subsidieverordening, of juist om een te verstrekken incidentele subsidie als bedoeld als bedoeld in artikel 4:23 derde lid van de Awb.

 

Derde lid

Deze bepaling biedt de mogelijkheid om ook bij incidentele subsidies te bepalen dat (delen van) de ASV 2019 van toepassing zijn.

 

Vierde lid

Het vierde lid is gelijk aan de betreffende bepaling van de oude regeling. Het biedt een algemeen kader voor structurele subsidies.

Artikel 3. Bevoegdheden college

Net als in de oude regelingen van Groningen en Haren biedt dit artikel de raad het college ruimte om in nadere regels, hier en verder nadere regels genoemd, de te subsidiëren activiteiten te bepalen.

Omdat in meerdere gevallen het college nader wil kunnen bepalen wat indienings- en beslistermijnen zijn, is in het eerste lid de bevoegdheid opgenomen voor het college om die aspecten bij nadere regels te bepalen.

Artikel 4. Europees steunkader

Om subsidies onder een Europees steunkader te brengen moet de subsidie op het toepasselijke steunkader worden toegesneden. Daarbij kan het nodig zijn dat er afgeweken wordt van de ASV, of dat deze aangevuld wordt. Het eerste lid maakt het college daartoe bevoegd.

 

Het tweede en derde lid zijn een uitvloeisel van de eis van de Europese Commissie dat in nadere regels en beschikkingen die gebruik maken van het Europees steunkader, het toepasselijke kader expliciet wordt vermeld.

 

Als sprake is van steun die valt onder een Europees steunkader, kunnen uiteraard alleen de activiteiten, doelstellingen, resultaten en kosten voor subsidie in aanmerking komen voor zover die voldoen aan de eisen en voorwaarden van het betreffende steunkader (lid 4). Net goed als dat bij subsidies waarop de de-minimisverordening van toepassing is, ondernemingen alleen in aanmerking komen voor subsidies die voldoen aan de voorwaarden van de de-minimisverordening (lid 5).

Artikel 5. Subsidieplafond en begrotingsvoorbehoud

De raad stelt uiteraard de financiële kaders vast (in de begroting). Het is binnen die kaders dat het college vervolgens de subsidieplafonds kan vaststellen. Het college stelt de subsidieplafonds vast (lid 1); bij de bekendmaking daarvan wordt tevens de door hen bepaalde wijze van verdelen vermeld (eerste lid in combinatie met artikel 4:26, tweede lid, van de Awb) door te verwijzen naar de nadere regels waarin de verdelingsregels zijn opgenomen.

 

Het instellen van een subsidieplafond dient de rechtszekerheid: subsidieaanvragers weten dan hoeveel geld beschikbaar is voor de betreffende periode. Indien de plafonds worden vastgesteld voordat de begroting is vastgesteld, kan een consequentie van die begrotingsvaststelling zijn dat de plafonds moeten worden verlaagd (de raad heeft immers het primaat).

De hoofdregel is dat (de bekendmaking van) een verlaging van een subsidieplafond geen gevolgen heeft voor aanvragen die zijn ingediend vóór het tijdstip van de bekendmaking; dat brengt de vereiste rechtszekerheid met zich mee. Een en ander is beschreven in artikel 4:27 Awb.

 

Er zijn twee uitzonderingen op de hoofdregel (artikel 4:28 Awb):

  • 1.

    Indien een wettelijk voorschrift (bijvoorbeeld een bepaling uit de ASV) bepaalt dat een aanvraag moet worden ingediend op een tijdstip dat de begroting nog niet is vastgesteld

  • 2.

    De verlaging voortvloeit uit de vaststelling van de begroting en bij de bekendmaking van de subsidieplafonds is gewezen op de mogelijkheid van verlaging en de gevolgen daarvan op reeds ingediende aanvragen.

De leden 2 en 3 van artikel 5 geven hier invulling aan.

 

Het college, dat via artikel 3 de bevoegdheid gedelegeerd heeft gekregen om te besluiten over het verstrekken van subsidies, is verder verplicht –in lijn met de mogelijkheid van artikel 4:34, eerste lid, van de Awb– (in bepaalde gevallen) om bij het gebruik maken van deze gedelegeerde bevoegdheid een begrotingsvoorbehoud te maken (vierde lid).

Artikel 6. Aanvraag

In het eerste lid is bepaald dat een aanvraag voor subsidie schriftelijk dient te worden gedaan. Met ‘schriftelijk’ is meer bedoeld dan ‘op papier geschreven’. Zo kan een aanvraag ook digitaal worden gedaan, mits het college het door hem vastgestelde formulier ook in digitale vorm beschikbaar heeft gesteld. In het tweede en derde lid is bepaald welke stukken en gegevens bij de aanvraag overlegd dienen te worden.

Met de bepalingen onder b. en c. wordt beoogd dat een subsidieaanvraag een reëel beeld geeft van de financieringsbehoefte van de activiteiten.

 

Bij een subsidie aan een onderneming moet voorkomen worden dat subsidie wordt verleend die niet in overeenstemming is met de artikelen 107 en 108 van het Verdrag betreffende de Werking van de Europese Unie (hierna VWEU). Daarom zijn een tweetal aanvraagvereisten opgenomen die specifiek voor ondernemingen gelden. Ten eerste, om ontoelaatbare cumulatie te voorkomen wordt een overzicht gevraagd van subsidies, vergoedingen of tegemoetkomingen in welke vorm ook met staatsmiddelen bekostigd die al zijn of zullen worden ontvangen voor de activiteiten waarvoor subsidie wordt aangevraagd. Het gaat naast subsidie bijvoorbeeld om garanties, leningen, korting op de grondprijs, etc. Ten tweede, om subsidie onder de de-minimisverordening te kunnen verlenen moet de onderneming een de-minimisverordening gevraagd worden (onderdeel d, onder 2). Op basis van een ingeleverde de-minimisverklaring dient het college te controleren of verlenen van de subsidie in overeenstemming is met de de-minimisverordening.

Onderdeel e. sluit aan bij de huidige praktijk. Het beoogt, kort gezegd, dat geen subsidie wordt aangewend voor de bekostiging van salarissen boven de Wnt-norm.

Artikel 7. Aanvraagtermijn

De aanvraagtermijnen zijn afhankelijk van het soort subsidie. Er wordt onderscheid gemaakt tussen subsidies voor activiteiten gedurende een heel kalenderjaar of niet over geheel kalenderjaar.

Op grond van artikel 3, eerste lid kan het college bij nadere regels besluiten af te wijken van de aanvraagtermijnen die vastgesteld zijn in dit artikel.

Artikel 8. Beslistermijn

Hier worden de termijnen gegeven waarbinnen het college gehouden is te beslissen op een aanvraag voor subsidie. In de Awb staan geen strikte beslistermijnen op een aanvraag om subsidie. Ook hierbij is onderscheid gemaakt tussen subsidies die gaan over heel of gedeeltelijk kalenderjaar en andere. Ook hier is de mogelijkheid om op grond van artikel 3 bij nadere regels af te wijken van de hier genoemde termijnen.

 

De beslistermijn bij aanvragen om een subsidie die bij de Europese Commissie aangemeld worden, wordt verdaagd totdat de Europese Commissie een eindebeslissing heeft genomen (vijfde lid). Dit om te voorkomen dat subsidie wordt verleend die niet in overeenstemming is met de artikelen 107 en 108 van het Verdrag betreffende de Werking van de Europese Unie en vervolgens teruggevorderd dient te worden.

Artikel 9. Weigerings- en intrekkingsgronden

In het eerste lid worden de algemeen geldende weigeringsgronden van artikelen 4:25, tweede lid, en 4:35 van de Awb, met nadere gronden aangevuld. Het betreft verplichte weigeringsgronden.

 

Ondanks dat er sprake is van staatssteun is het soms mogelijk om steun te verstrekken op basis van een vrijstelling. Als dat niet mogelijk is, kan goedkeuring van de Europese Commissie gevraagd worden via een formele melding. Als de Europese Commissie de steun echter niet goedkeurt, dan moet het college overgaan tot weigering (vandaar de verplichte weigeringsgrond onder a). In aanvulling daarop wordt met onderdeel b bepaald dat ondernemingen waartegen een terugvorderingsactie loopt niet in aanmerking komen voor subsidie.

 

In het tweede lid zijn nog enkele facultatieve weigeringsgronden opgenomen. Het college kan in deze gevallen weigeren, maar is daartoe niet verplicht.

 

Onderdelen a, b, d, e en f spreken voor zichzelf. Onderdeel b geeft de mogelijkheid de subsidie te weigeren als de aanvrager over voldoende eigen middelen beschikt.

 

Onderdeel c betreft het geval dat de aanvrager van een subsidie de toets van de Wet bevordering integriteitbeoordelingen door het openbaar bestuur (hierna: Wet Bibob) niet kan doorstaan. Bij deze weigeringsgrond is niet van belang of de activiteiten waarvoor subsidie wordt gevraagd op zichzelf beoordeeld subsidiabel zijn. Het gaat hierbij louter om de integriteit van de persoon dan wel rechtspersoon van de aanvrager aan wie het college op grond van de Wet Bibob geen subsidie wenst te verlenen. Naast subsidie weigeren, kan het college in dergelijke gevallen ook een reeds verleende en vastgestelde subsidies intrekken (derde lid).

 

Onder g is een weigeringsgrond opgenomen waarmee het college een aanvraag kan weigeren als subsidieverstrekking niet is toegestaan dan nadat deze overeenkomstig artikel 108, derde lid, van het VWEU (de meldingsprocedure) is goedgekeurd door de Europese Commissie. Het gaat hier om subsidieverstrekking die in beginsel niet ongeoorloofd is vanwege strijdigheid met de toepasselijke cumulatieregels of overschrijding van het toegestane bedrag aan de-minimissteun. In deze gevallen kan het college óf weigeren de subsidie te verstrekken óf de subsidie melden bij de Europese Commissie om langs deze weg goedkeuring te verkrijgen. Een subsidie die is of kan worden goedgekeurd kan uiteraard ook op een andere grond worden geweigerd.

 

Onderdeel h ten slotte geeft het college de bevoegdheid in een nadere regels nog andere weigeringsgronden op te nemen, bijvoorbeeld weigeringsgronden die specifiek met de te subsidiëren activiteiten samenhangen.

 

Als de Europese Commissie tot het oordeel is gekomen dat een subsidie niet in overeenstemming is met de artikelen 107 en 108 van het Verdrag betreffende de Werking van de Europese Unie, dan moet de verleende subsidie ingetrokken en teruggevorderd worden (inclusief rente). Het vierde lid geeft het college de bevoegdheid om hier uitvoering aan te geven.

Artikel 10 vermogensvergoeding.

Deze bepaling kende de oude Groningse regeling ook en is opnieuw opgenomen. De wijze waarop de vergoeding wordt berekend is nu ook in de verordening opgenomen en niet meer in de nadere regels.

Artikel 12. Algemene verplichtingen van subsidieontvanger

Dit artikel bevat een meldingsplicht (eerste lid) en informatieplicht (tweede lid) die voor alle subsidieontvangers geldt. Een dergelijke verplichting is voor Groningen nieuw en voorziet in een behoefte uit de uitvoeringspraktijk.

Artikel 13. Aan een subsidie te verbinden bijzondere verplichtingen

Dit artikel bevat een aanvullende bevoegdheidsgrondslag voor het college om aan de subsidie bepaalde ’bijzondere‘ verplichtingen te verbinden, in aanvulling op wat reeds mogelijk is direct op grond van de Awb (zie artikel 4:37 van de Awb).

 

De artikelen 4:38 en 4:39 van de Awb maken het verder mogelijk om nog andere verplichtingen aan een subsidie te verbinden, als de verordening daarvoor een grondslag biedt. Die grondslag is in artikel 11 gegeven met betrekking tot verplichtingen in het kader van het beheer en gebruik van datgene wat met de subsidie tot stand is gebracht. Dit in het kader van het zogeheten Early-Warning-System (EWS)

 

Indien een subsidieontvanger zich niet houdt aan de aan de subsidie verbonden verplichtingen, dan biedt de Awb mogelijkheden om de verleende subsidie te verlagen of in te trekken. Het is niet nodig om daarvoor een grondslag in de verordening op te nemen.

Artikel 14. Hoogte van de subsidie

In nagenoeg alle ‘oude’ nadere regels staat de in het eerste lid genoemde bepaling. Door deze formulering in de ASV op te nemen, kan hij in alle (nog te maken) nadere regels worden weggelaten. Het tweede lid biedt wel de mogelijkheid om desgewenst af te wijken.

Artikel 15. Eindverantwoording subsidies tot en met € 5.000

Kenmerkend voor subsidies tot en met € 5.000 is dat deze op basis van vertrouwen worden verleend; er wordt niet meer standaard om verantwoording gevraagd. In plaats daarvan geldt een actieve meldingsplicht voor de subsidieontvanger bij niet nakoming van de voorwaarden (zie artikel 9). Achteraf kan een risicogeoriënteerde controle plaatsvinden bij de subsidieontvanger.

 

Verder wordt het voorschot in één termijn (lumpsum) verstrekt en hoeft de subsidieontvanger geen aanvraag voor subsidievaststelling (verantwoording) in te dienen. Hierdoor kunnen de lasten voor zowel de subsidieaanvrager als de subsidieverstrekker worden bespaard.

Artikel 16. Eindverantwoording subsidies vanaf € 5.000

In dit artikel is bepaald op welke wijze subsidieontvangers subsidie vanaf € 5.000 aan het college dienen te verantwoorden; er dient een aanvraag tot vaststelling ingediend te worden (eerste lid), deze bevat een inhoudelijk verslag waaruit blijkt in hoeverre de gesubsidieerde activiteiten zijn verricht (tweede lid).

Met betrekking tot het inhoudelijk verslag kan vooraf bij de subsidieverlening al zijn aangegeven op welke manieren het aantonen kan plaatsvinden. Er kunnen daarbij verschillende instrumenten worden gebruikt, zoals bestuurs- en activiteitenverslagen, een managementverklaring, een deskundigenverklaring of andere bewijsstukken (bijvoorbeeld een publicatie), enz. Het verslag kan ook bestaan uit een algemeen jaarverslag van een rechtspersoon. Het gaat er om dat duidelijk is dat de verkregen subsidie is aangewend voor het doel waarvoor de subsidie werd verstrekt. Voorts kan het college, overeenkomstig het zevende lid, in een nadere regels aangeven andere bewijsmiddelen te verlangen dan een inhoudelijk verslag.

In het derde en vierde lid is verwoord dat het niet alleen gaat om een rechtmatige besteding van de subsidie, maar dat het college ook inzicht wil krijgen in de doelmatigheid van de subsidie. Een controle verklaring in de zin van artikel 393 boek 2 BW alleen is daarvoor niet toereikend.

Bij subsidies hoger dan € 100.000 dient subsidieontvanger met een controleverklaring aanvullende zekerheden te verstrekken over de uitvoering van de activiteiten en de getrouwheid van het financieel verslag. Deze controle door een onafhankelijk deskundige moet voldoen aan de controlestandaarden die onderdeel zijn van de nadere voorschriften Controle- en overige standaarden (NV COS), die door de Nederlandse Beroepsorganisatie van Accountants (NBA) zijn vastgesteld. De gemeente geeft aanwijzingen omtrent de reikwijdte en intensiteit van de controle aan de accountant middels het controleprotocol.

Standaard dient de verklaring te worden opgesteld volgens de meest recente versie van de actuele NBA voorbeeldtekst HRA 3 sectie II hoofdstuk 10.3: ‘Controleverklaring bij een subsidiedeclaratie in de publieke sector’. Indien een afwijkend controleprotocol van toepassing is, is dit bepaald in het verleningsbesluit waarbij alleen voor instandhoudingssubsidies/exploitatiesubsidies met een gemeentelijk aandeel in de totale baten van ten minste 85% volstaan kan worden met een controleverklaring bij de jaarrekening in de zin van artikel 393 boek 2 BW.

Artikel 17. Subsidievaststelling

Het eerste lid bevat –overeenkomstig artikel 4:13 van de Awb– de termijn waarbinnen de beschikking gegeven dient te worden. Het merendeel van de aanvragen zal binnen deze beslistermijn kunnen worden afgehandeld. Meer ingewikkelde aanvragen vergen soms meer tijd. De verdaging van de beslistermijn –voor de duur van ten hoogste de in het tweede lid nader bepaalde termijn– biedt dan uitkomst. Een besluit tot verdaging is appellabel.

Artikel 18. Berekening van uurtarieven, uniforme kostenbegrippen

Dit artikel schrijft voor dat als het college bij de bepaling van de subsidiabele kosten gebruik maakt van uurtarieven, de berekeningswijze hiervan en de voorgeschreven definities in een nadere regels of bij de subsidieverlening vastgelegd dienen te worden. Bij subsidies waarop een Europees steunkader van toepassing is, is het college hierin beperkt tot tarieven en kostenbegrippen die voldoen aan de eisen van het toepasselijke steunkader.

Artikel 19. Reservevorming

Ontvangers van jaarlijkse structurele subsidies kan worden toegestaan een reserve aan te houden/op te bouwen om fluctuaties in de uitvoeringskosten op te kunnen vangen. De reserve betreft een zogeheten bestemmingsfonds, hetgeen wil zeggen een zogeheten beklemd onderdeel van het eigen vermogen. Voor dotaties aan fonds of onttrekkingen dient gemeente Groningen toestemming te geven. De maximale omvang van die reserve wordt op grond van een per ontvanger te bepalen risicoprofiel voor de totale exploitatie bepaald, waarbij dan op grond van het gemeentelijke deel in die exploitatie het maximum van het fonds wordt bepaald.

De reservevorming heeft tot doel dat de uitvoering van de gesubsidieerde activiteiten geen gevaar lopen bij meerkosten in de uitvoering.

Artikel 20. Betaling en verrekening

Dit artikel biedt zekerheid aan subsidieontvangers en geeft daarnaast de nodige flexibiliteit aan het college.

Artikel 21. Toezicht en controle

De bepaling is ongewijzigd uit de bestaande verordening overgenomen en spreekt voor zich.

Artikel 22. Hardheidsclausule

In de hardheidsclausule is aangegeven op welke onderdelen van de regeling deze clausule van toepassing is. De te treffen voorziening, die niet in de verordening is voorzien, dient altijd binnen de doelstellingen van de subsidie te passen.

Artikel 23 en 24. Overgangs- en slotbepalingen.

Tot 1 januari 2019 kenden de drie oude gemeenten Groningen, Haren en Ten Boer de volgende structuur voor de verstrekking van subsidies:

 

Groningen: Algemene subsidieverordening gemeente Groningen 2011 (procedureel deel) + groot aantal nadere regels (inhoudelijk deel)

 

Haren: Algemene subsidieverordening gemeente Haren 2014 (procedureel deel) + 4 nadere regels (inhoudelijk deel), hier subsidieregelingen geheten, vastgesteld door het college

 

Ten Boer: Subsidieverordening Ten Boer 2009. Hoofdstuk 1 (procedureel deel) en Hoofdstuk 2 (inhoudelijk deel).