Gemeenteblad van Purmerend

Datum publicatieOrganisatieJaargang en nummerRubriek
PurmerendGemeenteblad 2019, 152353Verordeningen



Regeling klachten Ongewenst Gedrag Purmerend 2019 Griffie

 

De gemeenteraad van Purmerend;

 

gelet op artikel 3 tweede lid Arbeidsomstandighedenwet en artikel 2.15 van het Arbeidsomstandighedenbeleid;

 

gelet op het instemmende besluit van de Ondernemingsraad d.d. 9 mei 2019;

 

BESLUIT

 

De Regeling klachten ongewenst gedrag vast te stellen.

 

Hoofdstuk 1

Artikel 1 Begripsomschrijvingen

In deze regeling wordt verstaan onder:

  • a.

    werkgever: de gemeenteraad van Purmerend of de werkgeverscommissie van de gemeenteraad van Purmerend (hierna genoemd: Werkgeverscommissie), .

  • b.

    klager: een persoon die werkzaam is of is geweest bij de gemeente Purmerend en zich met een klacht over ongewenst gedrag tot een leidinggevende, vertrouwenspersoon dan wel de externe klachtencommissie wendt. Onder werkzaam bij de gemeente Purmerend worden in ieder geval begrepen:

    • 1.

      personen werkzaam in gemeentelijke dienst

    • 2.

      uitzendkrachten en stagiaires;

    • 3.

      personen die een opdracht vervullen binnen de gemeente;

    • 4.

      bestuurders;

    • 5.

      derden die uit hoofde van hun functie binnen de gemeente komen.

  • c.

    aangeklaagde: een persoon die werkzaam is of werkzaam is geweest bij de Griffie van de gemeente Purmerend – zoals bedoeld de personen genoemd onder artikel 1 onder b - en over wiens ongewenste gedrag wordt geklaagd;

  • d.

    ongewenst gedrag: gedrag dat valt binnen de begrippen:

    • 1.

      direct en indirect onderscheid zoals verwoord in artikel 1, 1a en 2 van de Algemene wet gelijke behandeling;

    • 2.

      (seksuele)intimidatie zoals verwoord in artikel 1, 1a en 2 van de Algemene wet gelijke behandeling;

    • 3.

      agressie, geweld en pesten zoals bedoel in de Arbeidsomstandighedenwet artikel 3 tweede lid jo. artikel 1 derde lid sub e en f.

  • e.

    vertrouwenspersoon: een persoon als bedoeld in artikel 2 van deze regeling en tot wie de medewerker die geconfronteerd wordt met ongewenst gedrag zich kan wenden;

  • f.

    klachtencommissie: de Landelijke Klachtencommissie Ongewenst Gedrag voor de decentrale overheid.

Hoofdstuk 2 Interne klachtenprocedure

Artikel 2 Aanwijzing vertrouwenspersonen Ongewenst Gedrag

  • 1.

    Het college van B&W wijst met instemming van de ondernemingsraad minimaal twee vertrouwenspersonen aan, die ook voor medewerkers van de Griffie beschikbaar zijn:

    • a.

      een interne vertrouwenspersoon en

    • b.

      een externe vertrouwenspersoon, dat wil zeggen niet zijnde een medewerker van de gemeente Purmerend.

  • 2.

    Bij de aanwijzing van de vertrouwenspersonen let het college op een goede toegankelijkheid van de vertrouwenspersoon. De vertrouwenspersoon moet voldoen aan de voorwaarden genoemd in de profielschets voor vertrouwenspersonen van de gemeente Purmerend.

Artikel 3 Indiening Klacht

Een medewerker die met ongewenst gedrag wordt geconfronteerd kan zich, voordat hij een formele klacht indient bij de klachtencommissie, gedurende een periode van 2 jaar na het ongewenste gedrag met een klacht wenden tot zijn leidinggevende of een vertrouwenspersoon.

 

Artikel 4 Taak vertrouwenspersoon

  • 1.

    De taken van de vertrouwenspersoon bestaan in ieder geval uit:

    • a.

      het opvangen van de medewerker die in zijn werk is geconfronteerd met ongewenst gedrag, hem te adviseren en te ondersteunen;

    • b.

      het opvangen en begeleiden van degene over wie een klacht is ingediend;

    • c.

      het informeren van de medewerker over de verschillende wegen die openstaan om het probleem op te lossen of over hoe een klacht in te dienen;

    • d.

      het begeleiden van de medewerker als deze de zaak wil laten bemiddelen of een klacht wil indienen bij de externe klachtencommissie;

    • e.

      het eventueel doorverwijzen van de medewerker naar externe deskundigen op het desbetreffende terrein;

    • f.

      het gevraagd en ongevraagd adviseren van de algemeen directeur of andere personen binnen de organisatie over preventie en bestrijding van ongewenst gedrag;

    • g.

      het verzorgen van voorlichting en publiciteit over het gevoerde beleid met betrekking tot ongewenst gedrag;

    • h.

      het omgaan met de ontvangen klachten met inachtneming van geheimhouding en het informeren van derden, na instemming van de medewerker;

    • i.

      het registreren van klachten en gesprekken en jaarlijks hierover – als onderdeel van het Jaarverslag Integriteit - geanonimiseerd rapporteren aan de algemeen directeur en de griffier.

  • 2.

    De vertrouwenspersoon is voor de uitvoering van zijn taak uitsluitend verantwoording verschuldigd aan de Werkgeverscommissie.

  • 3.

    De vertrouwenspersoon verricht slechts handelingen ter uitvoering van zijn taak met instemming van de klager, uitgezonderd de wettelijk verplicht gestelde handelingen.

Artikel 5 Informele afhandeling van de klacht

  • 1.

    Indien mogelijk en gewenst door de klager, zal door een gesprek of bemiddeling tussen de betrokken collega’s geprobeerd worden de situatie op te lossen.

  • 2.

    Zowel de leidinggevende als de vertrouwenspersoon kunnen als bemiddelaar optreden tussen klager en degene over wie de klacht gaat.

  • 3.

    Indien de klager of degene over wie de klacht gaat bezwaar heeft tegen de betrokkenheid van de eigen leidinggevende, dan kan op verzoek een andere leidinggevende als bemiddelaar optreden.

Artikel 6 Verzending rapportage vertrouwenspersoon

Het college van B&W draagt zorg voor verzending van een afschrift van het Jaarverslag Integriteit, als bedoeld in artikel 4 eerste lid onder i van deze regeling, aan de gemeenteraad.

 

Hoofdstuk 3 Externe klachtenprocedure

Artikel 7 Indienen formele klacht

  • 1.

    De klager kan, eventueel na het doorlopen van de interne klachtenprocedure, een formele klacht indienen bij de externe klachtencommissie.

  • 2.

    Indien een formele klacht wordt ingediend bij het college, de algemeen directeur of de Werkgeverscommissie, dan wordt de klacht onverwijld doorgestuurd naar de externe klachtencommissie.

Artikel 8 Externe klachtencommissie

  • 1.

    De gemeente Purmerend heeft zich aangesloten bij de Klachtencommissie ongewenst gedrag zoals ingesteld bij de Klachtenregeling ongewenst gedrag voor de decentrale overheid 2011.

  • 2.

    Voor de samenstelling en werkwijze van de klachtencommissie is de regeling “De Klachtenregeling Ongewenst Gedrag voor de Decentrale Overheid 2011” van 12 oktober 2012 van toepassing. Deze klachtenregeling maakt integraal deel uit van deze regeling en is als bijlage (bijlage 1) opgenomen.

  • 3.

    Onder het bevoegd gezag zoals genoemd in artikel 1 onder a van De Klachtenregeling Ongewenst Gedrag voor de Decentrale Overheid 2011 wordt verstaan: de algemeen directeur.

Hoofdstuk 4 Slotbepalingen

Artikel 9 Beslissing

In alle gevallen waarin deze regeling niet voorziet, beslist de gemeenteraad.

 

Artikel 10 Bekendmaking en inwerkingtreding

Deze regeling treedt in werking op de eerste dag na bekendmaking.

 

Aldus vastgesteld in de openbare vergadering d.d. 27 mei 2019

de griffier,

R.J.C. van der Laan

de voorzitter,

D. Bijl

 

Bijlage 1

 

KLACHTENREGELING ONGEWENST GEDRAG VOOR DE DECENTRALE OVERHEID 2011

College voor Arbeidszaken

 

 

Tekst inclusief wijzigingen vastgesteld door het College voor Arbeidszaken d.d. 12-10-2011

 

Artikel 1. Begripsbepalingen

In deze regeling wordt verstaan onder:

  • a.

    bevoegd gezag: het orgaan dat in eerste instantie dan wel daartoe gemandateerd bevoegd is tot afdoening van een klacht met betrekking tot ongewenst gedrag;

  • b.

    commissie: de Landelijke Klachtencommissie Ongewenst Gedrag voor de decentrale overheid;

  • c.

    decentrale overheid: de gemeente, de provincie , het waterschap of een door deze overheden ingestelde instelling die zich heeft aangesloten bij de commissie en deze regeling van toepassing heeft verklaard op de behandeling van klachten op het gebied van ongewenst gedrag;

  • d.

    aangesloten organisatie: de decentrale overheid die is aangesloten bij de regeling van de commissie, dan wel een andere organisatie die deze regeling van toepassing heeft verklaard;

  • e.

    ongewenst gedrag: gedrag dat valt binnen de begrippen discriminatie, (seksuele) intimidatie zoals verwoord in artikel 1, 1 a en 2 van de Algemene wet gelijke behandeling en agressie geweld en pesten zoals bedoeld in de Arbowet artikel 3 lid 2 jo. artikel 1 lid 3 sub e en f;

  • f.

    klacht: een door de klager ondertekend en van naam- en adresgegevens voorzien geschrift waarin het jegens hem ongewenste gedrag waarop de klacht betrekking heeft is omschreven, behoudens een klacht op grond van artikel 11;

  • g.

    klager: een persoon, niet zijnde een politieke ambtsdrager van een aangesloten organisatie, die werkzaam is of werkzaam is geweest in deze organisatie en een klacht over ongewenst gedrag indient;

  • h.

    aangeklaagde: een persoon, niet zijnde een politieke ambtsdrager van een aangesloten organisatie, die werkzaam is of werkzaam is geweest in deze organisatie en over wiens gedrag geklaagd wordt;

  • i.

    informant: degene die namens het bevoegd gezag informatie verstrekt aan de commissie;

  • j.

    getuigen: andere dan onder h genoemde personen die door de commissie worden verzocht informatie te verstrekken;

  • k.

    college: het College voor Arbeidszaken van de Vereniging Nederlandse Gemeenten dat deze klachtencommissie heeft ingesteld.

 

Artikel 1a. Klachten over politiek ambtsdragers

Het bevoegd gezag kan in afwijking van artikel 1 onder h. de commissie ad hoc belasten met onderzoek naar en advies over een klacht, die betrekking heeft op ongewenst gedrag van een politiek ambtsdrager van een aangesloten organisatie jegens klager.

 

Artikel 2. Taakstelling en samenstelling van de commissie

  • 1.

    De commissie heeft tot taak een klacht te onderzoeken en daarover advies uit te brengen aan het bevoegd gezag.

  • 2.

    Uit de commissie worden door de voorzitter van de commissie drie leden aangewezen om een klacht te onderzoeken, waaronder een (plaatsvervangend) voorzitter.

  • 3.

    Deze leden beslissen bij gewone meerderheid van stemmen over het uit te brengen advies.

  • 4.

    Een lid wordt vervangen als deze direct of indirect betrokken is geweest bij enige vorm van ongewenst gedrag waarover de klacht is ingediend dan wel een persoonlijk belang heeft bij de afhandeling van de klacht.

  • 5.

    Benoeming, schorsing en ontslag van de voorzitter, overige leden en hun plaatsvervangers geschiedt door de voorzitter van het college.

  • 6.

    De voorzitter, overige leden en hun plaatsvervangers worden benoemd voor een periode van zes jaar.

  • 7.

    De commissie kan een nadere werkwijze bepalen.

Artikel 3. Secretaris en administratie

  • 1.

    De voorzitter van het college wijst na overleg met de voorzitter van de commissie een secretaris en een of meer plaatsvervangend secretarissen aan.

  • 2.

    De administratie ten behoeve van de commissie wordt gevoerd door het secretariaat van het college.

Artikel 4. Indienen van een klacht

  • 1.

    De klager kan de klacht zowel rechtstreeks bij de commissie indienen als bij het bevoegd gezag.

  • 2.

    De klager vermeldt in de klacht zo mogelijk de datum, tijd, plaats van het ongewenst gedrag, de omstandigheden, de namen van aangeklaagde en eventuele getuigen, alsmede de stappen die hij reeds heeft ondernomen.

  • 3.

    Indien de klager de klacht indient bij het bevoegd gezag, bevestigt het bevoegd gezag de ontvangst van de klacht aan de klager en vermeldt daarbij dat de klacht zal worden doorgezonden naar de commissie die het bevoegd gezag over de afhandeling van de klacht zal adviseren. Het bevoegd gezag zendt de klacht, nadat daarop de datum van ontvangst is aangetekend, zo spoedig mogelijk door aan de commissie.

  • 4.

    De commissie bevestigt de ontvangst van de klacht aan de klager en stelt hem op de hoogte van de termijnen en de wijze van afdoening van de klacht. Tevens informeert de commissie het bevoegd gezag binnen twee weken, dat een klacht is ontvangen. Indien de klacht rechtstreeks bij de commissie is ingediend bevat de melding aan het bevoegd gezag geen persoonsgegevens van klager, beklaagde of getuigen.

Artikel 5. In behandeling nemen van de klacht

  • 1.

    Het bevoegd gezag verstrekt op verzoek alle op de klacht betrekking hebbende gegevens, waaronder de klachtenregeling van de aangesloten organisatie, de contact- en functiegegevens van klager en aangeklaagde en een overzicht van de reeds geproduceerde stukken met betrekking tot de klacht,

  • 2.

    De commissie neemt een klacht niet in behandeling indien verplichte stappen uit de klachtenprocedure van de betreffende aangesloten organisatie niet zijn doorlopen.

  • 3.

    De commissie verklaart de klacht niet ontvankelijk indien deze niet valt binnen de begripsbepalingen van artikel 1 onder c, e, f, g en h van deze regeling,

  • 4.

    Ingeval lid 2 van toepassing is brengt de commissie klager- en in geval lid 3 van toepassing is klager en het bevoegd gezag binnen twee weken na ontvangst van de klacht schriftelijk op de hoogte van het niet in behandeling nemen (lid 2) of de niet ontvankelijkheid (lid 3) van de klacht.

  • 5.

    De commissie kan de klacht voorts niet in behandeling nemen indien:

    • A.

      de klacht niet binnen een redelijke termijn nadat het ongewenste gedrag heeft plaatsgevonden aan de commissie is voorgelegd

    • B.

      er sprake is van een uitzondering als bedoeld in artikel 9:8 lid 1 en 2 Awb

    • C.

      wanneer niet in voldoende mate voldaan is aan het bepaalde in artikel 4 lid 2.

Artikel 6. Onderzoek naar de klacht

  • 1.

    Indien de commissie die voor de uitoefening van haar taak noodzakelijk acht stelt zij een onderzoek in.

  • 2.

    Ten behoeve van het onderzoek is de commissie bevoegd bij het bevoegd gezag alle inlichtingen in te winnen die zij voor de vorming van haar advies nodig acht. Het bevoegd gezag verschaft de commissie de gevraagde inlichtingen en stelt de commissie desgevraagd in de gelegenheid de werkomgeving te aanschouwen.

  • 3.

    Het bevoegd gezag stelt personen werkzaam binnen de aangesloten organisatie in de gelegenheid te worden gehoord.

  • 4.

    Personen als bedoeld in lid 3 die door de commissie worden opgeroepen, zijn verplicht te verschijnen.

  • 5.

    De commissie kan het bevoegd gezag adviseren tussentijdse maatregelen te nemen indien en voor zover dit in het belang is van het onderzoek of van de positie van de in het onderzoek betrokken personen.

  • 6.

    De comissie kan op verzoek van klager en op door klager te motiveren gronden de behandeling van de klacht voor een periode van ten hoogste twee maanden opschorten.

Artikel 7. Horen

  • 1.

    Alvorens een advies uit te brengen stelt de commissie de klager, de aangeklaagde en zo nodig de informant en getuigen in de gelegenheid om te worden gehoord. De commissie kan het horen opdragen aan de voorzitter of een ander lid van de commissie of aan beiden.

  • 2.

    Van het horen kan worden afgezien indien de klacht kennelijk ongegrond is.

  • 3.

    De zittingen van de commissie zijn niet openbaar.

  • 4.

    Van het horen wordt een verslag gemaakt.

  • 5.

    De zittingen vinden zoveel mogelijk plaats op een voor partijen goed bereikbare locatie die voldoende rust en discretie biedt aan alle betrokkenen.

  • 6.

    De commissie zendt tijdig voorafgaand aan de hoorzitting aan de aangeklaagde - en voor zover nodig aan klager en informant - een afschrift van de klacht en van andere stukken die op de klacht betrekking hebben.

  • 7.

    De commissie hoort de klager, de aangeklaagde en de getuigen in beginsel buiten elkaars aanwezigheid. De commissie stelt klager en aangeklaagde in de gelegenheid van elkaars zienswijzen, alsmede van de inhoud van de hoorgesprekken met de informant en/of de getuigen kennis te nemen en daarop te reageren.

  • 8.

    De klager en aangeklaagde kunnen zich op eigen kosten ter zitting laten bijstaan door een (raads)persoon.

  • 9.

    De commissie is bevoegd om getuigen, andere betrokkenen en deskundigen schriftelijk of mondeling te raadplegen.

Artikel 8. Omgang met persoonsgegevens

  • 1.

    De commissie verzamelt en verwerkt uitsluitend persoonsgegevens die noodzakelijk zijn voor het uitbrengen van een advies. Bij de verwerking van persoonsgegevens zorgt de commissie voor beveiliging van de gegevens tegen verlies en onrechtmatige verwerking.

  • 2.

    Voor de commissie alsmede de secretaris geldt de plicht tot geheimhouding van persoonsgegevens voor zover overdracht van informatie niet noodzakelijk is voor de uitoefening van de taak van de commissie. Wanneer de inhoud van bepaalde informatie uitsluitend ter kennisneming door de commissie dient te blijven wordt dit aan de commissie meegedeeld.

  • 3.

    De commissie wijst personen die worden gehoord of geraadpleegd op de vertrouwelijkheid van hetgeen ter zitting aan de orde komt.

Artikel 9. Advies over de klacht

  • 1.

    De commissie brengt binnen acht weken na ontvangst van de klacht door de commissie advies uit aan het bevoegd gezag over de gegrondheid van de klacht vergezeld van een rapport van bevindingen. Het rapport bevat een verslag van het horen.Een afschrift van het advies wordt aan klager en aangeklaagde toegezonden.

  • 2.

    De commissie kan het bevoegd gezag verzoeken de in eerste lid genoemde termijn met 4 weken te verdagen.

  • 3.

    Met schriftelijke instemming van de klager kan de commissie het bevoegd gezag op basis van artikel 9:11 lid 3 Algemene wet bestuursrecht verzoeken om verder uitstel.

  • 4.

    In het advies kunnen aanbevelingen worden gedaan over door het bevoegd gezag te nemen maatregelen.

Artikel 10. Afdoening van de klacht

  • 1.

    Het bevoegd gezag handelt de klacht binnen tien weken na ontvangst van het klaagschrift af.

  • 2.

    Het bevoegd gezag kan op verzoek van de commissie de afdoening voor ten hoogste vier weken verdagen. Van de verdaging wordt schriftelijk mededeling gedaan aan klager en aangeklaagde.

  • 3.

    Onverminderd het bepaalde in artikel 9 lid 2 en 3 , stelt het bevoegd gezag binnen twee weken na ontvangst van het advies van de commissie bedoeld in artikel 9 lid 1, klager en aangeklaagde schriftelijk en gemotiveerd in kennis van zijn besluit alsmede de conclusies die het daaraan verbindt.

  • 4.

    Het bevoegd gezag zendt een afschrift van het ter afdoening van de klacht genomen besluit naar de commissie.

Artikel 11. Klachten betreffende het functioneren van de commissie

  • 1.

    Ingeval een klager of het bevoegd gezag een klacht heeft over enig handelen of nalaten van de commissie betreffende de uitvoering van haar taak, wordt deze klacht behandeld door tenminste twee leden uit de commissie die niet aan het betreffende onderzoek hebben deelgenomen.

  • 2.

    Voornoemde leden doen binnen vier weken na ontvangst van de klacht, bedoeld in lid 1 uitspraak over de (on)gegrondheid daarvan.

Artikel 12. Jaarverslag

  • 1.

    Jaarlijks wordt een verslag opgesteld door de commissie.

  • 2.

    In dat verslag worden in geanonimiseerde zin en met in achtneming van de ter zake geldende wettelijke bepalingen vermeld:

    • a.

      het aantal klachten dat de commissie heeft ontvangen;

    • b.

      het aantal niet-ontvankelijke, (gedeeltelijk) gegrond en ongegrond geachte klachten;

    • c.

      de aard van de klachten;

    • d.

      statistische gegevens over klagers en aangeklaagden;

    • e.

      de doorlooptijd van de adviezen;

    • f.

      aanbevelingen en tendensen

  • 3.

    Het verslag wordt gepubliceerd op de website van de VNG.

 

Bijlage 2 Relevante wetsartikelen bij de Regeling klachten Ongewenst Gedrag Purmerend 2015

 

* Bij artikel 1 onder d onder 1 en 2 van de regeling

 

Algemene wet gelijke behandeling

 

Artikel 1

  • 1.

    In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

    • a.

      onderscheid: direct en indirect onderscheid, alsmede de opdracht daartoe;

    • b.

      direct onderscheid: indien een persoon op een andere wijze wordt behandeld dan een ander in een vergelijkbare situatie wordt, is of zou worden behandeld, op grond van godsdienst, levensovertuiging, politieke gezindheid, ras, geslacht, nationaliteit, hetero- of homoseksuele gerichtheid of burgerlijke staat;

    • c.

      indirect onderscheid: indien een ogenschijnlijk neutrale bepaling, maatstaf of handelwijze personen met een bepaalde godsdienst, levensovertuiging, politieke gezindheid, ras, geslacht, nationaliteit, hetero- of homoseksuele gerichtheid of burgerlijke staat in vergelijking met andere personen bijzonder treft.

  • 2.

    Onder direct onderscheid op grond van geslacht wordt mede verstaan onderscheid op grond van zwangerschap, bevalling en moederschap.

 

Artikel 1a

  • 1.

    Het in deze wet neergelegde verbod van onderscheid houdt mede in een verbod van intimidatie en een verbod van seksuele intimidatie.

  • 2.

    Onder intimidatie als bedoeld in het eerste lid wordt verstaan: gedrag dat met de hoedanigheden of gedragingen, bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel b, verband houdt en dat tot doel of gevolg heeft dat de waardigheid van de persoon wordt aangetast en dat een bedreigende, vijandige, beledigende, vernederende of kwetsende omgeving wordt gecreëerd.

  • 3.

    Onder seksuele intimidatie als bedoeld in het eerste lid wordt verstaan: enige vorm van verbaal, non-verbaal of fysiek gedrag met een seksuele connotatie dat als doel of gevolg heeft dat de waardigheid van de persoon wordt aangetast, in het bijzonder wanneer een bedreigende, vijandige, beledigende, vernederende of kwetsende omgeving wordt gecreëerd.

  • 4.

    Op het in deze wet neergelegde verbod van intimidatie en van seksuele intimidatie zijn niet van toepassing de artikelen 2, 5, tweede tot en met zesde lid, 6a, tweede lid, en 7, tweede en derde lid.

 

Artikel 2

  • 1.

    Het in deze wet neergelegde verbod van onderscheid geldt niet ten aanzien van indirect onderscheid indien dat onderscheid objectief gerechtvaardigd wordt door een legitiem doel en de middelen voor het bereiken van dat doel passend en noodzakelijk zijn.

  • 2.

    Het in deze wet neergelegde verbod van onderscheid op grond van geslacht geldt niet:

    • a.

      in gevallen waarin het geslacht bepalend is en

    • b.

      in gevallen waarin het de bescherming van de vrouw betreft, met name in verband met zwangerschap en moederschap.

  • 3.

    Het in deze wet neergelegde verbod van onderscheid geldt niet, indien het onderscheid een specifieke maatregel betreft die tot doel heeft vrouwen of personen behorende tot een bepaalde etnische of culturele minderheidsgroep een bevoorrechte positie toe te kennen ten einde feitelijke nadelen verband houdende met de gronden ras of geslacht op te heffen of te verminderen en het onderscheid in een redelijke verhouding staat tot dat doel.

  • 4.

    Het in deze wet neergelegde verbod van onderscheid op grond van ras geldt niet:

    • a.

      in gevallen waarin uiterlijke kenmerken die samenhangen met het ras van een persoon bepalend zijn, mits het doel legitiem en het vereiste evenredig aan dat doel is;

    • b.

      indien het onderscheid betrekking heeft op uiterlijke kenmerken die samenhangen met het ras van een persoon en vanwege de aard van de betrokken specifieke beroepsactiviteit of de context waarin deze wordt uitgeoefend, een wezenlijk en bepalend beroepsvereiste vormt, mits het doel legitiem is en het vereiste evenredig aan dat doel is.

  • 5.

    Het in deze wet neergelegde verbod van onderscheid op grond van nationaliteit geldt niet:

    • a.

      indien het onderscheid is gebaseerd op algemeen verbindende voorschriften of geschreven of ongeschreven regels van internationaal recht en

    • b.

      in gevallen waarin de nationaliteit bepalend is.

  • 6.

    Bij algemene maatregel van bestuur worden de in het tweede, vierde en vijfde lid, onderdeel b, bedoelde gevallen nader omschreven.

 

* Bij artikel 1 onder d onder 3 van de regeling

 

Arbeidsomstandighedenwet

 

Arbowet artikel 3 lid 2 jo. artikel 1 lid 3 sub e en f;

 

Artikel 1 lid 3 sub e en f

In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

  • e.

    psychosociale arbeidsbelasting: de factoren direct of indirect onderscheid met inbegrip van seksuele intimidatie, agressie en geweld, pesten en werkdruk, in de arbeidssituatie die stress teweeg brengen;

  • f.

    stress: een toestand die als negatief ervaren lichamelijke, psychische of sociale gevolgen heeft;

 

Artikel 3 lid 2

De werkgever voert, binnen het algemeen arbeidsomstandighedenbeleid, een beleid gericht op voorkoming en indien dat niet mogelijk is beperking van psychosociale arbeidsbelasting.