Gemeenteblad van Utrecht

Datum publicatieOrganisatieJaargang en nummerRubriek
UtrechtGemeenteblad 2019, 152336Verordeningen



BELEIDSREGEL PASSENDE KINDEROPVANG: VOORSCHOOLSE EDUCATIE EN ‘KINDEROPVANG PLUS’ GEMEENTE UTRECHT 2020-2023

Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Utrecht;

gelet op:

• artikel 4:81 van de Algemene wet bestuursrecht en artikel 3 lid 2 Algemene subsidieverorde-ning 2014 (ASV 2014)

• de nota van uitgangspunten Voorschoolse Educatie 2020 – 2023

• de kader- en uitvoeringsnota’s Zorg voor Jeugd

• de zesde voortgangsrapportage en uitvoeringsagenda Jeugd april 2019- april 2020

• Beleidsregel Goed onderwijs voor de Utrechtse Jeugd 2020

• Beleidsregel tegemoetkoming kosten kinderopvang

• Regeling transitiekosten voorschoolse educatie 2020 - 2021

besluit vast te stellen de volgende

BELEIDSREGEL PASSENDE KINDEROPVANG: VOORSCHOOLSE EDUCATIE EN ‘KINDEROPVANG PLUS’ GE-MEENTE UTRECHT 2020-2023

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Inleiding

 

In Utrecht willen we dat ieder kind gelijke kansen krijgt, gezond en veilig kan opgroeien en de ruimte krijgt om zijn talenten te ontwikkelen. Dit betekent niet dat alle kinderen gelijk zijn. Sommige kinderen hebben extra ondersteuning nodig, bijvoorbeeld op het gebied van taal of zorg. Conform het concept van passend onderwijs willen we ook in de kinderopvang een passend aanbod doen aan kinderen die extra ondersteuning nodig hebben: passende kinderopvang. Met passende kinderopvang zetten we voor kinderen die extra ondersteuning nodig hebben in op voorschoolse educatie en ‘kinderopvang plus’.

 

Voorschoolse educatie: Kinderen van 2,5 tot 4 jaar met (risico op) een taalachterstand hebben extra stimulering nodig op het gebied van taal en ontwikkeling. Door voorschoolse educatie op de kinderopvang kunnen kinderen een betere start maken op de basisschool. In Utrecht zetten we hier al geruime tijd op in.

 

‘Kinderopvang Plus’: We streven ernaar dat de kinderopvang een passende plek is voor kinderen (0 – 12 jaar) met een ondersteuningsvraag. De ondersteuningsvraag kan voortkomen uit een zorgvraag of uitingen in het gedrag van kinderen. Met ‘kinderopvang plus’ bieden we deze kinderen extra tijd, aandacht en begeleiding om goed te kunnen functioneren op de kinderopvang. De ‘kinderopvang plus’ is mogelijk in aansluiting op voorschoolse educatie voor doelgroeppeuters van 2,5-4 jaar en in aansluiting op buitenschoolse opvang voor kinderen van 4-12 jaar.

 

Door goede samenwerking en aansluiting tussen partners rondom de kinderopvang dragen we er zorg voor dat alle kinderen dichtbij, in de reguliere kinderopvang een plek vinden. We zetten sterk in op een doorgaande lijn voor ouders en kinderen van de voorschoolse educatie naar passend onderwijs of de buitenschoolse opvang.

 

Artikel 1. Begripsbepalingen

 

In deze beleidsregel wordt verstaan onder:

 

ASV: Algemene Subsidieverordening 2014;

beroepskracht voorschoolse educatie: Degene die als beroepskracht werkzaam is en belast is met voor-schoolse educatie en die voldoet aan de opleidingseisen en scholingseisen, bedoeld in artikel 1.50b, onderdeel a van de Wet kinderopvang;

buitenschoolse opvang plus: Buitenschoolse opvang voor kinderen met een ondersteuningsvraag;

college: Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Utrecht;

dagopvang: Opvang voor kinderen van 0 tot 4 jaar in een kindercentrum;

doelgroeppeuter: Kind van 2,5 tot 4 jaar dat ingeschreven staan in de Basisregistratie Personen (BRP) van de gemeente Utrecht, met een door de Jeugdgezondheidszorg Utrecht afgegeven indicatie voor voorschoolse indicatie;

doorgaande leerlijn: Verdeling van het curriculum over de schooljaren waarbij leerinhoud en het onderwijsresultaat van verschillende schooltypen (voorschoolse educatie), primair onderwijs, voortgezet onderwijs en vervolgonderwijs) naadloos op elkaar aansluiten;

educatief partnerschap: Ouders nemen hun rol in het ondersteunen van hun kind ten behoe-ve van de ontwikkeling van het kind thuis, op (voor)school en in de wijk. Ouders en betrokken medewerkers werken goed met elkaar samen in het belang van de ontwikkeling van het kind;

gemengde groep: Een groep kinderen op een kindercentrum die voorschoolse educatie ontvangen, waarin zowel kinderen met als zonder risico op taalachterstand zitten;

groep: Een groep kinderen in de kinderopvang, waarbinnen gelijktijdig maximaal 16 kinderen worden opgevangen;

horizontale groep: Een groep kinderen, in kortdurende- of dagopvang, die dezelfde leeftijd hebben of in dezelfde ontwikkelingsfase zitten;

kindercentrum: Een voorziening waar kinderopvang plaatsvindt, anders dan gastouderopvang, zoals bedoeld in artikel 1.1. van de Wet kinderopvang en opgenomen in het Landelijk Register Kinderopvang;

kinderen met ondersteunings-vraag: Kinderen die extra ondersteuning nodig hebben vanwege een zorgvraag of uitingen in het gedrag. Dit kan zowel internaliserend- als externaliserend gedrag zijn, of bij een (vermoeden van) een ontwikkelingsachterstand;

‘kinderopvang plus’: Het bieden van passende ondersteuning aan kinderen met een ondersteuningsvraag door voldoende capaciteit beschikbaar te stellen binnen de reguliere kinderopvang in de leeftijd 0-12 jaar;

kinderopvangtoeslag: Tegemoetkoming van het rijk in de kosten van kinderopvang;

kindplaats: Een plaats voor een kind in een kindercentrum. Eén kindplaats kan voor een heel kalenderjaar door één kind worden bezet of door meerdere kinderen voor evenredige delen van dat jaar;

kindvolgsysteem: Een systeem waarin periodiek de voortgang van de ontwikkeling van een kind wordt geregistreerd;

kortdurende opvang: Opvang van kinderen in de leeftijd van 2,5 tot 4 jaar voor een paar uur per dag;

mbo met een associate degree: Praktijkgerichte tweejarige opleiding die een plus vormt op een mbo-diploma;

passende kinderopvang: Overkoepelende term voor de ontwikkeling om, in lijn met passend onderwijs, kinderen met een ondersteunings- of zorgvraag een passende plek te bieden binnen de reguliere kinderopvang en daarbij goed aan te sluiten binnen het Utrechtse zorglandschap;

partners kinderopvang: De partijen en partners waarmee de kinderopvangaanbieder van voorschoolse educatie en kinderopvang plus samenwerkt voor het bieden van passende ondersteuning voor kinderen. Onder andere, maar niet uitputtend, zijn dit: scholen, andere kinderopvangpartijen, Dock, de jeugdgezondheidszorg, buurtteam, samenwerkingsverband primair onderwijs, aanvullende jeugdhulppartijen;

peuter: Kind van 2,5 tot 4 jaar dat ingeschreven staat in de Basisregistratie Personen (BRP) van de gemeente Utrecht;

school: De school of onderwijsinstelling zoals bepaald volgens de Wet op het primair onderwijs;

schoolbestuur: Wettelijk erkend bevoegd gezag dat de school beheert en bestuurt;

schooljaar: Conform het schooljaar regio Midden Nederland;

sociaal medische indicatie: een schriftelijk advies van een daartoe door het college aangewezen deskundige dat de noodzaak van kinderopvang gemotiveerd omschrijft;

social return: De gemeente investeert samen met haar subsidieontvangers in de sociale infrastructuur van gemeente en regio. Een van de instrumenten om dit te doen is social return. Social return maakt het mogelijk dat investeringen die de gemeente doet naast het ‘gewone’ rendement, ook een concrete sociale winst opleveren;

taakuren: Uren die worden ingezet voor indirecte werkzaamheden ten behoeve van voorschoolse educatie. Tijdens de taakuren wordt de beroepskracht niet meegerekend bij het bepalen van de beroepskracht-kindratio op de groep;

toeleidingsmonitor voor-schoolse educatie: Door de gemeente gebruikte monitor die moet zorgen voor een sluitende aanpak van indicatiestelling tot plaatsing: dat elke doel-groeppeuter voorschoolse educatie ontvangt;

voorschoolse educatie: Intensieve educatie voor kinderen in de leeftijd van 2,5 tot 4 jaar op basis van een door het NJI goedgekeurd programma dat gericht is op het verbeteren van de voorwaarden voor het met succes instromen in het basisonderwijs voor kinderen die nog niet tot een school kunnen worden toegelaten;

voorschoolse educatie plus: ‘kinderopvang plus’ op de voorschool voor kinderen die naast een risico op taalachterstand ook een zorgvraag hebben;

voorschoolse voorziening: Kindercentrum waar voorschoolse educatie wordt uitgevoerd en als zodanig is geregistreerd in het Landelijk Register Kinderopvang;

vroegschoolse educatie: Uitvoering van een programma, gericht op het verbeteren van de voorwaarden voor het met succes doorstromen in het basisonder-wijs, dat wordt verzorgd in groep 1 en 2 van een basisschool als vervolg op de voorschoolse educatie;

vroegschool: Een school die vroegschoolse educatie aanbiedt.

 

 

Artikel 2. Wet- en regelgeving

 

De volgende wet- en regelgeving is in ieder geval op de te subsidiëren activiteiten van toepassing:

 

1.1. Landelijke regelgeving

• Wet op het Primair Onderwijs

• Besluit basisvoorwaarden kwaliteit voorschoolse educatie

• Wet Kinderopvang

• Besluit Kwaliteit Kinderopvang

• Wet op het Onderwijstoezicht

• Wijzigingswet Wet kinderopvang

• Algemene wet bestuursrecht (artikelen 4.21 t/m 4.80)

• Wet referentieniveaus Nederlandse taal en rekenen

• Jeugdwet

• Algemene Verordening gegevensbescherming en Uitvoeringswet AVG

• Besluit specifieke uitkering gemeentelijk onderwijsachterstandenbeleid 2018

• Wet Harmonisatie Kinderopvang en Peuterspeelzaalwerk

• Wet Innovatie en Kwaliteit Kinderopvang

• Participatiewet

 

1.2. Gemeentelijk beleid en regelgeving

• Utrechtse Onderwijs Agenda

• Geldende Algemene subsidieverordening van de Gemeente Utrecht

• Controle protocol gemeente Utrecht

• Collegeprogramma gemeente Utrecht 2018 - 2022

• Programmabegroting gemeente Utrecht 2019

• Beleidsregel Goed onderwijs voor de Utrechtse Jeugd 2020

• Beleidsregel toezicht & handhaving kwaliteit kinderopvang gemeente Utrecht

• Utrechts Taalcurriculum 1 en 2

• Utrechts Kwaliteitskader voor Educatie van het Jonge Kind

• Nota van uitgangspunten Voorschoolse Educatie 2020 -2023

• Verordening voorzieningen huisvesting onderwijs gemeente Utrecht 2015

• De kader- en uitvoeringsnota’s Zorg voor Jeugd

• De zesde voortgangsrapportage en uitvoeringsagenda Jeugd april 2019- april 2020

• Beleidsregel vergoeding kosten kinderopvang gemeente Utrecht

 

Artikel 3. Beleidsdoelstelling

Deze beleidsregel omvat meerdere beleidsdoelen met daarop aansluitende subsidieregelingen.

 

3.1 Uitvoeren van voorschoolse educatie

De beleidsregel heeft tot doel een kwalitatief goed en dekkend aanbod van voorschoolse educatie in Utrecht te realiseren. Houders van kindercentra worden uitgenodigd subsidie aan te vragen voor de uitvoering van voorschoolse educatie. De gemeente Utrecht wil met de inzet van voorschoolse educatie bereiken dat Utrechtse doelgroeppeuters zonder achterstand in de (taal)ontwikkeling in groep 1 van het basisonderwijs kunnen starten.

 

3.2 Bieden van ‘kinderopvang plus’

De beleidsregel heeft tevens tot doel om kinderen met een ondersteuningsvraag in de kinderopvang (2,5-12 jaar) een passende plek te (blijven) bieden. Hierbij wordt kinderopvanglocaties met voor-schoolse educatie en/of buitenschoolse opvang de mogelijkheid geboden om een ‘kinderopvang plus’ subsidie aan te vragen.

 

Het bieden van ‘kinderopvang plus’ kan worden aangevraagd voor twee groepen:

- ‘voorschoolse educatie plus’ voor de doelgroep van 2,5-4 jaar;

- ‘buitenschoolse opvang plus’ voor de doelgroep 4-12 jaar.

 

Meer specifiek worden met ‘kinderopvang plus’ de volgende doelstellingen beoogd:

1. ouders van een kind met ondersteuningsvraag kunnen (of blijven) gebruik maken van de reguliere kinderopvang (voorschoolse educatie of buitenschoolse opvang);

2. met ‘kinderopvang plus’ wordt aangesloten bij de hulpvraag van ouders en kinderen en wordt (onnodig) beroep op aanvullende zorg voorkomen;

3. ouders kunnen zo veel mogelijk gebruik maken van voorschoolse educatie of buitenschoolse opvang in de eigen wijk of locatie naar keuze. De kinderen kunnen hierdoor samen met broertjes/zusjes/buurtkinderen naar de voorschoolse educatie of buitenschoolse opvang;

 

Artikel 4. Eisen aan de aanvrager

De subsidie kan uitsluitend worden aangevraagd door een houder van een kindercentrum dat is gevestigd in de gemeente Utrecht en geregistreerd is in het Landelijk Register Kinderopvang.

Indien in de meest recente rapporten van de Inspectie Kinderopvang (artikel 8) een handhavingsadvies is opgenomen, wordt het advies van de Inspectie Kinderopvang in de beoordeling van de subsidieaanvraag meegewogen.

 

Om in aanmerking te komen voor de subsidie voor de uitvoering voorschoolse educatie, dient een aanvrager zich te vergewissen van de wet- en regelgeving aangaande overgang van onderneming en van toepassing zijnde cao-bepalingen.

 

Specifiek voor het aanbieden van ‘kinderopvang plus’ gelden de volgende eisen aan de aanvrager:

- ‘voorschoolse educatie plus’ voor de doelgroep 2,5-4 jaar. Deze subsidie kan uitsluitend worden aangevraagd door een aanbieder van voorschoolse educatie en in combinatie met een aanvraag voor voorschoolse educatie, zoals bedoeld in 3.1;

- ‘buitenschoolse opvang plus’ voor de doelgroep 4-12 jaar. Deze subsidie kan uitsluitend worden aangevraagd door een kinderopvangorganisatie met buitenschoolse opvang.

 

Artikel 5. Vaststelling subsidieplafond

Het college stelt jaarlijks voor de twee beleidsdoelstellingen de subsidieplafonds vast middels de subsidiestaat. Het subsidieplafond is onder voorbehoud van goedkeuring van de gemeentebegroting en is te vinden in de subsidiestaat van de gemeente Utrecht.

 

Artikel 6. Subsidiabele activiteiten

 

6.1 Uitvoeren van voorschoolse educatie

Deze subsidie kan uitsluitend worden aangevraagd voor een periode van 4 jaar.

 

De activiteiten bestaan uit:

1. het bieden van minimaal 16 uur per week voorschoolse educatie aan doelgroeppeuters;

2. taakuren voor voorbereidingstijd, vroegsignalering van de ondersteuningsbehoefte van kinderen, doorverwijzing waar nodig, het stimuleren van educatief partnerschap met ouders en afstemming met de vroegschool;

3. inrichting van de organisatie op extra werkzaamheden ten behoeve van de uitvoering van voor-schoolse educatie;

4. materialen voor voorschoolse educatie;

5. permanente educatie van de beroepskrachten voorschoolse educatie;

6. de inzet van een hbo’er of mbo’er met een associate degree voor minimaal 50% van de dagdelen.

 

Op basis van de Nota van uitgangspunten voorschoolse educatie 2020-2023 gelden voor de uitvoering van voorschoolse educatie de volgende eisen:

 

Kwalitatief hoogwaardig aanbod

• alle bestaande groepen met voorschoolse educatie binnen de organisatie waar subsidie voor wordt aangevraagd voldoen aan alle kwaliteitseisen bij of krachtens de Wet kinderopvang en het Besluit basisvoorwaarden kwaliteit voorschoolse educatie;

• tijdens de groepsmomenten voorschoolse educatie is ten minste 50% van de dagdelen een hbo- of mbo met associate degree beroepskracht aanwezig;

• uw kindercentrum werkt met een programma voor voorschoolse educatie dat erkend is door het Nederlands Jeugdinstituut en een daarop aansluitend kindvolgsysteem.

 

Hoog bereik

• u ondersteunt ouders indien nodig bij de aanvraag voor kinderopvangtoeslag bij de Belastingdienst of het aanvragen van een sociaal-medische indicatie, wanneer ouders (door sociale- of medische redenen) geen recht hebben op kinderopvangtoeslag.

 

Eenvoud in de uitvoering

• doelgroeppeuters ontvangen in een periode van 1,5 jaar 960 uur voorschoolse educatie. Dit wordt per jaar verdeeld over minimaal 16 uur per week, met een minimum van 4 en een maximum van 6 uur per dag in minimaal 3 dagdelen voor een periode van minimaal 40 weken;

• u biedt in een periode van 1,5 jaar maximaal 300 uur opvang aan niet-doelgroep peuters van ouders zonder recht op kinderopvangtoeslag.

 

Onderstaande verplichtingen gelden na ontvangst van de subsidie uitvoeren van voorschoolse educatie:

 

Kwalitatief hoogwaardig aanbod

• u verankert het Utrechts kwaliteitskader voor de educatie van het jonge kind en het Utrechts Taalcurriculum 1 in uw pedagogisch beleid. U draagt hierdoor bij aan het borgen en door-ontwikkelen van dit beleid, met als doel versterking van de kwaliteit van de voorschoolse educatie;

• u zet in op een gelijkwaardige samenwerking met ouders en heeft educatief partnerschap met ouders geborgd in uw beleid;

• u zoekt aantoonbaar samenwerking met basisscholen in het kader van de doorgaande leerlijn. U realiseert voor iedere doelgroeppeuter een warme overdracht naar de basisschool.

 

Hoog bereik

• u werkt met de toeleidingsmonitor voorschoolse educatie en draagt bij aan de gemeentelijke en landelijke monitoringsafspraken voor- en vroegschoolse educatie;

• u participeert met andere aanbieders van voorschoolse educatie in een platform, waar u gezamenlijk afspraken maakt over de kwaliteit en spreiding van het aanbod voorschoolse educatie, monitoring van de resultaten van voorschoolse educatie en streeft naar het realiseren van een bereik van minimaal 95% van de doelgroeppeuters in Utrecht;

• u neemt deel aan onderzoeken die vanuit, of in samenwerking met, de gemeente in het voor-schoolse veld geïnitieerd zijn of worden;

• wanneer er sprake is van een wachtlijst voor uw groep met voorschoolse educatie geeft u voorrang aan plaatsing van doelgroeppeuters;

 

Eenvoud in de uitvoering

• u voert bij aanmelding van peuters van ouders die geen recht hebben op kinderopvangtoeslag van de Belastingdienst een inkomenstoets uit als basis voor facturering aan de ouders en aan de gemeente. Kindplaatsen voor peuters van 2,5 tot 4 jaar kunnen alleen aan de gemeente gefactureerd worden wanneer er een getekende betalingsovereenkomst is;

• voor doelgroeppeuters waarvan de ouders geen recht hebben op kinderopvangtoeslag kunt u de volgende kosten factureren aan de gemeente: het aantal afgenomen uren X € 8,02 minus de bij ouders in rekening gebrachte eigen bijdrage. Voor 1,5 jaar kunnen maximaal 960 uren per kind in rekening gebracht worden bij de gemeente;

• voor niet-doelgroeppeuters waarvan de ouders geen recht hebben op kinderopvangtoeslag kunt u de volgende kosten factureren aan de gemeente: het aantal afgenomen uren X € 8,02 minus de bij ouders in rekening gebrachte eigen bijdrage. Voor 1,5 jaar kunnen maximaal 300 uren per kind in rekening gebracht worden bij de gemeente.

 

Inzet op kinderen die het nodig hebben

• uw activiteiten komen vooral ten goede aan doelgroeppeuters. Wel streeft u naar menging op de groep met niet-doelgroeppeuters;

• om horizontale groepsmomenten te kunnen creëren, zijn er op het kindercentrum minimaal 8 peuters ingeschreven, waarvan minimaal 2 doelgroeppeuters (gemiddeld per jaar;

• u realiseert samen met partners een duurzame en doorlopende ondersteuningsstructuur voor 0-6 jaar en u zet zich actief in om deze samenwerking te versterken.

 

6.2 Bieden van ‘kinderopvang plus’

Deze subsidie kan uitsluitend worden aangevraagd voor een periode van 1 jaar.

 

De activiteiten van ‘kinderopvang plus’ zijn aanvullend ten opzichte van de reguliere activiteiten op basis van wettelijke eisen en taken van de kinderopvang en de gestelde eisen voor het aanbieden van voorschoolse educatie.

 

De activiteiten van ‘voorschoolse educatie plus’ bestaan uit:

• u stelt voldoende capaciteit beschikbaar om kinderen met een ondersteuningsvraag de ondersteuning te bieden die zij nodig hebben;

• u realiseert een kleinere groep of u biedt de aanvullende ondersteuning aan binnen de voorschoolse educatie groep wanneer het aantal kinderen met een zorgvraag te klein is om een groep rendabel te maken.

 

De activiteiten voor ‘buitenschoolse opvang plus’ bestaan uit:

• u stelt voldoende capaciteit beschikbaar om kinderen met een ondersteuningsvraag de ondersteuning te bieden die zij nodig hebben;

• u realiseert een kleinere groep of u biedt de aanvullende ondersteuning binnen de reguliere BSO- groep wanneer het aantal kinderen met een zorgvraag te klein is om een groep rendabel te maken;

• u hanteert voor de plusgroep, als afwijking op het BKR, een ratio van 1 pedagogisch medewerker op 5 kinderen.

 

Voor het uitvoeren van de activiteiten van zowel ‘voorschoolse educatie plus’ als ‘buitenschoolse op-vang plus’ gelden de volgende eisen en verplichtingen:

 

• de pedagogisch medewerker op een groep met pluskinderen heeft ten minste hbo-niveau/of gelijkwaardig niveau en heeft affiniteit met de doelgroep. Van de eis voor hbo-niveau mag beargumenteerd worden afgeweken;

• voorafgaand aan plaatsing op de plusgroep of het bieden van ondersteuning vindt een indicatie-moment plaats door de jeugdgezondheidszorg of het buurtteam. Hiervoor betrekt u de nodige partners tijdig en heeft u overleg met in ieder geval ouders, buurtteam of de jeugdgezondheids-zorg. Wanneer nodig sluiten hier andere partners bij aan. Vanuit uw organisatie is hierbij de pedagogisch coach en/of een (ortho)pedagoog betrokken. In de intake wordt gezamenlijk een afweging gemaakt waarom een kind niet terecht kan binnen de reguliere groep of waarom de ondersteuning niet binnen het reguliere aanbod kan plaatsvinden. De afspraken betreffende de ondersteuning op de kinderopvang worden vastgelegd en waar mogelijk geïntegreerd in het gezinsplan;

• u heeft extra aandacht voor het welbevinden en de ontwikkeling van de kinderen met een onder-steuningsvraag op de (plus)groep. Hierbij monitort u, samen met de betrokken partners bij de intake, of dit de meest passende ondersteuning is voor kinderen;

• als ‘kinderopvang plus’ aanbieder werkt u actief aan bekendheid van de plusopvang in de wijk en daarin zoekt u aansluiting bij scholen, het samenwerkingsverband primair onderwijs, buurtteam, aanvullende jeugdhulppartijen, kinderopvangpartijen en andere relevante partijen in de wijk.

• u realiseert samen met partners een duurzame ondersteuningsstructuur voor de kinderen waarvoor u ‘kinderopvang plus’ biedt en u zet zich actief in om de samenwerking te versterken;

 

Artikel 7. Maximaal subsidiebedrag

 

7.1 Uitvoeren van voorschoolse educatie

De subsidie wordt per kalenderjaar per doelgroeppeuter verleend. Het college stelt per doelgroeppeuter een bedrag van €2.250 beschikbaar voor de uitvoering van voorschoolse educatie. Indien een peuter niet het gehele kalenderjaar voorschoolse educatie volgt, wordt het bedrag naar rato aangepast.

In dit bedrag is de inzet van een hbo’er of mbo’er met associate degree voor 50% van de dagdelen opgenomen. Indien een inzet van meer dan 50% gerealiseerd wordt, zal het bedrag per doelgroeppeuter verhoogd worden. Dit loopt evenredig op naar een additionele € 250 per doelgroeppeuter wanneer 100% van de dagdelen een hbo’er of mbo’er met associate degree wordt ingezet.

 

 

7.2 Bieden van ‘kinderopvang plus’

‘Voorschoolse educatie plus’:

Voor het bieden van ‘voorschoolse educatie plus’ ontvangt u een vergoeding van maximaal €3.000 per doelgroeppeuter per jaar. Het gaat om peuters met een specifieke ondersteuningsbehoefte opgenomen in een ontwikkelingsperspectiefplan* waarvan door de kernpartners is aangegeven dat dit noodzakelijk is om voorschoolse educatie te kunnen ontvangen (Ontwikkelingsperspectiefplan (OPP): plan waarin staat welke belemmerende en bevorderende factoren van invloed zijn op de peuter, wat het verwachte uitstroomniveau van de peuter is en welke ondersteuning nodig is en hoe deze geboden wordt).

 

‘Buitenschoolse opvang plus’:

Voor het bieden van buitenschoolse opvang plus ontvangt u een vergoeding van maximaal €28,25 per bezette kindplek per dagdeel. Het maximale subsidiebedrag is afhankelijk van het aantal bezette kindplekken dat u in de week en op jaarbasis beschikbaar stelt binnen uw locatie. Een voorbeeld: voor het starten van één plusgroep van 5 bezette kindplekken voor 5 dagen in de week, voor 52 weken in het jaar, ontvangt u maximaal €36.725 euro

 

Uitsluitend de strikt noodzakelijke kosten voor uitvoering van de extra ondersteunende activiteiten zijn subsidiabel, conform de geldende Algemene Subsidieverordening.

 

Artikel 8. Eisen aan de aanvraag

De subsidieaanvraag bestaat in elk geval uit:

1. een plan van aanpak; een overzicht van de activiteiten met een omschrijving waarvoor subsidie wordt gevraagd. Hierbij wordt ingegaan op de doelen die met die activiteiten worden nagestreefd en u laat zien dat u voldoet aan alle eisen en verplichtingen zoals gesteld in artikel 4 en 6.

NB: U kunt één plan van aanpak indienen voor meerdere subsidiabele activiteiten;

2. een kopie van uw twee meest recente rapporten van de Inspectie Kinderopvang;

3. indien er op een kindercentrum waarvoor subsidie wordt aangevraagd, door de toezichthouder inspectie kinderopvang één of meer overtredingen zijn geconstateerd op de wettelijke basiskwaliteit van kindercentra, dient u documenten aan te leveren waaruit blijkt dat en binnen welke termijn deze overtredingen zijn respectievelijk worden hersteld en hoe deze overtredingen in het vervolg worden voorkomen;

4. indien u werkt met onderaannemers, maakt u dit kenbaar in de aanvraag;

5. een sluitende en helder onderbouwde begroting aansluitend bij het plan van aanpak. Hierbij geeft u in elk geval inzicht in zowel de overhead kosten als de uitvoeringskosten. In de begroting neemt u de inzet voor Social Return op. Richtlijn voor de inzet is 5% van het aangevraagd subsidiebedrag, als de subsidie voor uw organisatie meer is dan €100.000 op jaarbasis en als uw totale inkomsten meer dan €500.000 per jaar zijn, maar u mag dit beperken tot 2% van uw totale inkomsten als dit lager is dan de genoemde 5% van de subsidie. De nadere detaillering hiervan kan samen met de gemeente later worden ingevuld na het besluit tot verlening.

 

Per subsidiabele activiteit gelden aanvullend de volgende eisen aan de aanvraag:

 

8.1 Uitvoeren van voorschoolse educatie

In uw aanvraag neemt u in elk geval het volgende op:

• een prognose van het aantal deelnemende peuters, het aantal deelnemende doelgroeppeuters en het aantal peuters zonder indicatie voor voorschoolse educatie en met ouders zonder recht op kinderopvangtoeslag per locatie waar u subsidie voor aanvraagt;

• bij uitvoeren van voorschoolse educatie in een schoolgebouw: de inhoudelijke argumentatie voor samenwerking van het schoolbestuur in wiens locatie u uw groep voor voorschoolse educatie wil huisvesten en aantoonbare samenwerkingsafspraken met de school;

• een beschrijving van hoe u invulling geeft aan het principe ‘mens volgt werk’ in relatie tot het vraagstuk van overgang van onderneming, indien van toepassing;

• afschriften van diploma’s en certificaten waaruit blijkt of inzichtelijk wordt gemaakt dat de be-roepskrachten voorschoolse educatie voldoen aan de opleidingseisen (of verwijzing naar het meest recente inspectierapport waaruit dit blijkt).

 

8.2 Bieden van ‘kinderopvang plus’

In uw plan van aanpak omschrijft u hoe u vormgeeft aan de uitvoering van ‘kinderopvang plus’ op de beoogde locatie voor de doelgroep voorschoolse educatie plus 2,5-4 jaar, of buitenschoolse opvang plus 4-12 jaar. In het plan van aanpak gaat u in op de volgende aandachtspunten:

• u beschrijft een (pedagogische) visie die aansluit bij de doelgroep en de beleidsdoelstelling in artikel 3;

• u geeft aan hoe u de ‘kinderopvang plus’ activiteiten vormgeeft in aanvulling op de wettelijke eisen kinderopvang en/of voorschoolse educatie;

• u geeft aan hoe de inrichting van ‘kinderopvang plus’ eruit ziet binnen de gekozen locatie, waarbij rekening wordt gehouden met de doelgroep en de mogelijkheid voor kinderen met een ondersteuningsvraag om zich te kunnen terugtrekken (in bijvoorbeeld een prikkelarme ruimte);

• u geeft aan op welke manier u het welbevinden, de ontwikkeling en de zorgbehoefte van kinderen monitort;

• u geeft aan hoe u de samenwerking realiseert met partners.

 

Specifiek voor ‘voorschoolse educatie plus’ gelden aanvullend de volgende eisen aan de aanvraag:

• u levert een onderbouwde prognose voor hoeveel kinderen uit deze doelgroep u verwacht een plek te bieden binnen de voorschoolse educatie op jaarbasis; u geeft aan hoe u vooronderzoek heeft gedaan naar de vraag van de doelgroep in de wijk waar u de plusopvang wil starten en of- en hoe u daarin afstemming heeft gezocht met partners.

 

Specifiek voor ‘buitenschoolse opvang plus’ gelden aanvullend de volgende eisen aan de aanvraag:

• u levert een onderbouwde prognose van hoeveel kindplekken u (per week en op jaarbasis) binnen de locatie beschikbaar stelt voor deze doelgroep en hoeveel kinderen u verwacht een plek te kunnen bieden;

• u geeft aan hoe u vooronderzoek heeft gedaan naar de vraag van de doelgroep in de wijk waar u de plusopvang wil starten en of- en hoe u daarin afstemming heeft gezocht met partners.

 

Artikel 9. Indienen subsidieaanvraag

De aanvraag wordt ingediend op de voorgeschreven wijze een e-formulier gericht te vinden op www.utrecht.nl/subsidie .Voor vragen kunt u een mail sturen naar subsidie@utrecht.nl. Subsidieaan-vragen kunnen uiterlijk tot en met 15 augustus 2019 ingediend worden. Alleen volledige subsidieaanvragen worden in behandeling genomen. Aanvragen die niet zijn ontvangen binnen de voorgeschreven termijn worden afgewezen.

 

Bij een subsidieaanvraag voor vier jaar (enkel voor de subsidie uitvoeren voorschoolse educatie) vindt de nadere invulling van de uit te voeren activiteiten jaarlijks plaats. U dient daarvoor jaarlijks uiterlijk 1 oktober voor het daaropvolgende kalenderjaar een bijgesteld plan van aanpak en een bijgestelde begroting in.

 

Artikel 10. Beoordeling subsidieaanvraag

De beoordeling van de subsidieaanvraag vindt plaats op basis van de volgende criteria per subsidieregeling. Wanneer u voor uw organisatie een aanvraag heeft ingediend op meerdere onderdelen, dan worden uw aanvragen in samenhang bekeken.

 

10.1 Uitvoeren van voorschoolse educatie

Uw aanvraag wordt door een adviescommissie gewaardeerd op basis van onderstaande criteria. In totaal kan uw aanvraag maximaal 100 punten scoren:

 

Kwalitatief hoogwaardig aanbod

• hoe uit uw pedagogische visie op voorschoolse educatie blijkt op welke wijze u invulling geeft aan de Utrechtse kwaliteit van voorschoolse educatie in de stad en hoe deze visie aansluit bij de leidende principes, doelstellingen en accenten van de Nota van uitgangspunten voorschoolse educatie 2020-2023. In het bijzonder geeft u hierbij aan hoe u vorm geeft aan samenwerking en educatief partnerschap met ouders, de doorgaande leerlijn en warme overdracht naar de basisschool en vroegsignalering van ondersteuningsbehoeften (20 punten);

• de mate van inzet van hbo of mbo met associate degree geschoolde beroepskrachten vanaf de aanvang van de subsidieperiode voor het uitvoeren van voorschoolse educatie: des te meer % van de dagdelen, des te meer punten (10 punten);

• (recente) ervaring met het aanbieden van voorschoolse educatie, dit mag ook buiten Utrecht zijn (10 punten).

 

Hoog bereik

• in welke mate u inzicht geeft in uw inspanningen om doelgroeppeuters in de desbetreffende wijk van uw locatie(s) te bereiken (10 punten);

• uw visie op samenwerking met andere aanbieders van voorschoolse educatie in de stad en het (gezamenlijk) streven naar een minimaal bereik van 95% van de doelgroepkinderen in Utrecht (10 punten);

• bijdrage aan een gespreid aanbod over de stad (10 punten);

• uw inspanningen om no show van peuters te voorkomen en te verminderen (10 punten).

 

Eenvoud in de uitvoering

• uw bereidheid en inspanningen om peuters van ouders zonder recht op kinderopvangtoeslag een plek te geven op uw kindercentrum (5 punten).

 

Inzet op de kinderen die het nodig hebben

• in hoeverre er, binnen uw groep met voorschoolse educatie of op momenten die binnen de dagopvang gecreëerd worden voor voorschoolse educatie (met minimaal 8 peuters), sprake is van menging van doelgroep en niet-doelgroeppeuters (5 punten);

• welke inspanningen u levert om ervoor te zorgen dat het aanvragen van kinderopvangtoeslag voor ouders geen belemmering is om hun kind voor voorschoolse educatie aan te melden (10 punten).

 

10.2 Bieden van ‘kinderopvang plus’

Uw aanvraag wordt door een adviescommissie gewaardeerd op basis van onderstaande criteria. In totaal kan uw aanvraag maximaal 50 punten scoren:

 

Het uitvoeren van ‘kinderopvang plus’:

1. In hoeverre uw pedagogische visie op ‘kinderopvang plus’ aansluit bij de doelstelling en de beoogde doelgroep (10 punten);

2. (recente) ervaring met het aanbieden ‘kinderopvang plus’ en/of affiniteit met de doelgroep aan-sluitend op de doelstelling, dit mag ook buiten Utrecht zijn (10 punten);

3. het verwachte bereik en de vraag op de te starten locatie op basis van vooronderzoek en de mate waarin er sprake is geweest van samenwerking en afstemming met partners (10 punten);

4. uw visie op samenwerking met andere aanbieders van ‘kinderopvang plus’ in de stad en het (ge-zamenlijk) streven naar een goede spreiding in de stad van locaties waar kinderen terecht kunnen (10 punten);

5. uw visie op samenwerking met partners voor het bieden van passende ondersteuning voor kin-deren binnen de voorschoolse educatie en buitenschoolse opvang plus (10 punten).

 

Voor ‘voorschoolse educatie plus’ geldt dat de aanvragen in samenhang worden bekeken met aanvragen voor de subsidie voor uitvoeren van voorschoolse educatie. Bij de beoordeling hiervan wordt rekening gehouden met het percentage van de geprognosticeerde doelgroep voor voorschoolse educatie, alsmede de wijkverdeling van de aanvragen.

 

Artikel 11. Besluitvorming

1. Het besluit over subsidieverlening wordt uiterlijk 1 oktober 2019 door het college van B&W bekend gemaakt.

2. De aanvragen voor uitvoeren van voorschoolse educatie (artikel 6.1) en het bieden van ‘kinderop-vang plus’ (artikel 6.2) zijn onderhevig aan een selectieprocedure.

3. Het college laat zich bij de beoordeling van de subsidieaanvragen voor de subsidiabele activiteit uitvoeren van voorschoolse educatie (artikel 6.1) en het bieden van ‘kinderopvang plus’ (artikel 6.2) bijstaan door een ambtelijke adviescommissie

4. Indien naar het oordeel van het college de gewenste spreiding van de uitvoering van voorschoolse educatie (artikel 6.1) of het uitvoeren van ‘kinderopvang plus’ (artikel 6.2) over de stad niet of onvoldoende kan worden gerealiseerd met de ontvangen subsidieaanvragen of er meer aanbod is dan vraag (bijv. veel aanvragen voor een bepaalde wijk, teveel voor de te bedienen doelgroep populatie), kan het college besluiten om;

A) een deel van de aangevraagde subsidie niet te verlenen;

B) afzonderlijk met iedere potentiële aanbieder in gesprek te gaan over hoe de gewenste spreiding toch gerealiseerd kan worden.

5. De Inspectie Kinderopvang informeert het college over eventuele geconstateerde overtredingen en het hersteltraject. Het college kan deze informatie meewegen bij de besluitvorming over de subsidie.

6. In het geval de subsidieontvanger niet voldoet aan de wettelijk overstijgende subsidievoorschriften, kan het college besluiten om de subsidie in te trekken of te wijzigen. Inspectie Kinderopvang en het college kunnen samenwerken in het handhavingstraject.

 

Specifiek voor uitvoeren van voorschoolse educatie (artikel 6.1) geldt aanvullend de volgende eis:

7. Het college verleent aan minimaal 2 en maximaal 8 partijen subsidie voor de uitvoering van voorschoolse educatie.

 

Artikel 12. Monitoring en evaluatie

In de Nota van uitgangspunten voorschoolse educatie 2020 - 2023 staat het beleid voor voorschoolse educatie voor de komende periode beschreven. De uitgangspunten uit de nota vormen ook de basis van de monitoring en evaluatie. Deze beleidsregel vertaalt de uitgangspunten uit de nota naar de uitvoering van het aanbod van voorschoolse educatie.

 

Door tijdens de uitvoering van deze beleidsregel steeds te blijven reflecteren en leren zullen inzichten ontstaan die helpen om nog meer effect te bereiken. Jaarlijks wordt op basis van een tussentijdse rapportage, eindrapportage en kwalitatieve (kwartaal)gesprekken getoetst of de inzet bijdraagt aan het behalen van de doelstellingen en wat nodig is om voorschoolse educatie en kinderopvang plus door te ontwikkelen. Dit doen wij in co-creatie met de ontvangers en gebruikers. Wij maken gebruik van het Utrechts sturingsmodel op basis van het model Simons om de sturing en verantwoording meer dynamisch en betekenisvol in te richten.

 

De evaluatie voor uitvoeren van voorschoolse educatie vindt plaats in het najaar 2021, halverwege de subsidieperiode.

. Deze evaluatie vindt plaats op het niveau van uitvoering (leveren de gesubsidieerde organisaties hetgeen wij hebben afgesproken) en beleid (sluit de inrichting, organisatie en aanbod van de voorziening nog wel aan op de wensen en behoeften van de inwoners van Utrecht).

De evaluatie voor ‘kinderopvang plus’ vindt jaarlijks plaats op basis van de beleidsdoelstellingen in artikel 3 en de kwaliteitscriteria genoemd in artikel 6 .

In de evaluatie op uitvoeringsniveau zijn de kwaliteitscriteria het uitgangspunt, zoals genoemd in artikel 6. In de evaluatie op beleidsniveau vormen de uitgangspunten zoals genoemd in artikel 3 de basis.

 

Evaluatie kan tot beleids- en budgettaire wijzigingen leiden. In overeenstemming met toepasselijke wet- en regelgeving (Algemene wet bestuursrecht en de Algemene Subsidieverordening van de ge-meente Utrecht) kan tijdens de subsidieperiode de subsidie worden ingetrokken of gewijzigd. De reden kan liggen bij de subsidieontvanger (bijvoorbeeld het niet voldoen aan de subsidie verbonden verplichtingen) of als gevolg van een beleidswijziging.

 

 

Artikel 13. Inwerkingtreding en citeertitel

1. Deze regeling treedt in werking op de dag van publicatie van deze beleidsregel. Hiermee vervalt de volgende beleidsregel: Voorschoolse educatie gemeente Utrecht 2019 ‘Goede start voor de Utrechtse peuter’.

2. Deze beleidsregel wordt aangehaald als: Beleidsregel passende kinderopvang: voorschoolse educatie en kinderopvang plus gemeente Utrecht 2020-2023.

 

Artikel 14. Hardheidsclausule

Het college kan, in bijzondere gevallen bijvoorbeeld in het kader van kwaliteit of spreiding, een artikel of artikelen van deze verordening buiten toepassing laten of daarvan afwijken, met uitzondering van de artikelen 2 en 3 voor zover toepassing van gelet op het belang van de aanvrager of subsidieontvanger leidt tot onbillijkheden van overwegende aard.

 

 

 

 

Aldus is vastgesteld door burgemeesters en wethouders van Utrecht in hun vergadering van 18 juni 2019.

De secretaris,

G.G.H.M. Haanen

De burgemeester,

Mr J.H.C. van Zanen