Gemeenteblad van Nieuwegein

Datum publicatieOrganisatieJaargang en nummerRubriek
NieuwegeinGemeenteblad 2019, 107009Beleidsregels



Beleidsregel van het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Nieuwegein houdende regels omtrent leerlingenvervoer Beleidsregels Leerlingenvervoer gemeente Nieuwegein 2019

Burgemeester en wethouders van de gemeente Nieuwegein;

 

Overwegende dat het ten behoeve van een praktische uitvoering van het leerlingenvervoer wenselijk is beleidsregels vast te stellen,

 

gelet op de Verordening Leerlingenvervoer gemeente Nieuwegein 2019;

 

besluit:

 

  • I

    De beleidsregels voor het leerlingenvervoer in de gemeente Nieuwegein van 30 juni 2009 in te trekken, en;

 

  • II

    De navolgende beleidsregels Leerlingenvervoer gemeente Nieuwegein 2019 vast te stellen.

 

Algemeen

 

1. Basisboek Leerlingenvervoer (algemeen)

Bij de behandeling van aanvragen leerlingenvervoer wordt het hoofdstuk B1 ‘Uitvoering in de praktijk: Beoordelen’ van het Basisboek Leerlingenvervoer, uitgegeven door SDU uitgevers, gevolgd voor zover de inhoud niet in tegenspraak is met de verordening Leerlingenvervoer gemeente Nieuwegein 2019 (hierna te noemen verordening) en de onderhavige beleidsregels.

 

Aanspraak op leerlingenvervoer

 

2. Twee woningen (artikel 1, onder d.)

Een aanvraag leerlingenvervoer moet worden ingediend bij de gemeente waar de leerling zijn woning heeft. Het begrip ‘woning’ is in de verordening gedefinieerd als de plaats waar de leerling structureel en feitelijk verblijft. Hiermee wordt bedoeld dat de leerling er minimaal 1 nacht slaapt en het verblijf een vaste regelmaat kent (op vaste dagen in de week/maand).

 

Een leerling kan twee woningen in de zin van de verordening hebben, bijvoorbeeld in geval van co- ouderschap. Wanneer een leerling twee woningen in de zin van de verordening heeft, moeten er ook twee aanvragen leerlingenvervoer worden ingediend; voor elke woning naar school en visa versa voor de dagen dat de leerling daar verblijft. Wanneer de tweede woning zich in een andere gemeente bevindt, moet bij die gemeente het leerlingenvervoer van en naar de tweede woning worden aangevraagd. Elke gemeente toetst de aanvraag aan zijn eigen verordening.

 

3. Een tijdelijke woning in een andere gemeente (artikel 1, onder d.)

Het komt voor dat:

  • -

    Een leerling leerlingenvervoer ontvangt op grond van de verordening; en

  • -

    Een korte periode (maximaal 6 weken) een woning in een andere gemeente heeft; en

  • -

    De oude school blijft bezoeken; en

  • -

    Na die korte periode terugkeert naar de woning in de gemeente Nieuwegein.

 

In deze situatie wordt leerlingenvervoer toegekend tussen de tijdelijke woning in de andere gemeente en de school op de dagen en voor de periode dat de leerling daar verblijft met een maximale duur van 6 weken. In deze situatie wordt de meest passende vervoersvoorziening toegekend.

 

Een andere gemeente hoeft dit beleid niet te hanteren. Dit kan betekenen dat wanneer een kind die in een andere gemeente gebruik maakt van het leerlingenvervoer en die tijdelijk in de gemeente Nieuwegein verblijft, ook voor een korte periode (< 6 weken) een aanvraag leerlingenvervoer bij de gemeente Nieuwegein moet indienen. Deze aanvraag zal dan aan de verordening getoetst worden, waarbij geldt dat wel of geen leerlingenvervoer tussen die woning en de school wordt toegekend.

 

4. Het vaststellen van de afstand (artikel 8 en artikel 15)

Voor het vaststellen van de afstand tussen de woning en de school wordt gebruik gemaakt van de routeplanner Routenet, optie auto. De kortste voldoende begaanbare en veilige weg wordt gemeten van huisnummer naar huisnummer voor zowel de heen- als de terugreis. Hierbij kunnen zich de volgende situaties voordoen die bepalen of er wel of geen aanspraak op leerlingenvervoer bestaat.

 

 

Terug: afstand is > 6 of 4 km

Terug: afstand is < 6 of 4 km

Heen: afstand is > 6 of 4 km

Aanspraak op leerlingenvervoer

voor zowel de heen- als de terugreis

 

Aanspraak op leerlingenvervoer als de gemiddelde afstand > 6 of 4 km is

 

Anders alleen aanspraak op leerlingenvervoer voor de heenreis

Heen: afstand is < 6 of 4 km

Aanspraak op leerlingenvervoer als de gemiddelde afstand > 6 of 4 km is

 

Anders alleen aanspraak op leerlingenvervoer voor de terugreis

Geen aanspraak op leerlingenvervoer

 

 

 

5. Het vaststellen van de reistijd (artikel 10 en artikel 17)

Het vaststellen van de reistijd per openbaar vervoer vindt plaats op basis van de door de Reisinformatiegroep bv beschikbaar gestelde informatie via 0900-9292, www.9292ov.nl en mobiel.9292ov.nl. Voor het vaststellen van de reistijd per aangepast vervoer, wordt de vervoerder geraadpleegd.

 

Hoogte en uitbetaling van de vergoeding

 

6. Het vaststellen van de kosten van openbaar vervoer (artikelen 8, 9, 11, 15, 16 en 18)

Het vaststellen van de kosten van openbaar vervoer en de daaraan gerelateerde vergoeding vindt plaats op basis van de door de Reisinformatiegroep bv beschikbaar gestelde informatie via 0900-9292, www.9292ov.nl en mobiel.9292ov.nl.

 

7. Berekening kilometervergoeding auto (artikel 11 en artikel 18)

Voor het berekenen van de kilometervergoeding voor de auto wordt voor het bepalen van de afstand tussen de woning en de school gebruik gemaakt van de routeplanner Routenet, optie auto. Hierbij wordt de kortste voor de leerling met de auto voldoende begaanbare en veilige weg gemeten van huisnummer naar huisnummer.

 

8. Berekening kilometervergoeding (brom)fiets (artikelen 8, 9, 15 en 16)

Voor het berekenen van de kilometervergoeding voor de (brom)fiets wordt gebruik gemaakt van de routeplanner Routenet, optie fiets. Ook hier wordt de kortste voor de leerling met de fiets voldoende begaanbare en veilige weg gemeten van huisnummer naar huisnummer.

 

9. Uitbetaling vergoeding (artikelen 8, 9, 11, 15, 16 en 18)

De aan aanvrager toegekende vergoeding voor het gebruik van openbaar vervoer wordt bij aanvang van het schooljaar uitbetaald. De vergoeding voor Eigen Vervoer wordt indien deze meer bedraagt dan € 1.000,- in twee termijnen uitbetaald. Voor beide type vergoedingen geldt dat de vergoeding na afloop van het schooljaar definitief wordt vastgesteld en indien nodig verrekening plaatsvindt.

 

Aangepast vervoer

 

10. Een ander afleveradres (artikel 1 onder h.)

Leerlingenvervoer betreft vervoer tussen de woning en de school van de leerling. Het vervoer van school naar een ander adres dan de woning valt buiten de reikwijdte van de landelijke regelgeving en de verordening. De gemeente krijgt echter regelmatig de vraag van ouders om leerlingen die met het aangepast vervoer vervoerd worden, op een ander adres dan het woonadres af te zetten, veelal een opvangadres. Ook komt het voor dat een leerling in het kader van de Jeugdwet vervoerd moet worden naar een locatie waar jeugdhulp geboden wordt, soms in aansluiting op de eindtijd van school. De gemeente ziet mogelijkheden om dergelijke vervoersstromen in de uitvoering van het aangepast vervoer te combineren. Hieronder volgen de nadere regels die hierbij worden gehanteerd.

 

Vervoer naar een opvangadres

Het vervoer van school naar een opvangadres is een dienst die enkel geboden wordt aan aanvragers aan wie een vervoersvoorziening in de vorm van aangepast vervoer is toegekend. Het valt buiten het publiekrechtelijk kader en betreft een private afspraak tussen de gemeente en de aanvrager. Daarom zal naast de beschikking leerlingenvervoer hiervoor een dienstverleningsovereenkomst gesloten moeten worden. De volgende regels zijn van toepassing:

  • -

    Naast het woonadres mag één opvangadres worden opgegeven;

  • -

    Het opvangadres betreft het adres van een buitenschoolse opvang, gastouder, opa/oma, buurman/-vrouw waar de leerling in aansluiting op de eindtijd van school zoals vermeld in de schoolgids opgevangen wordt op een vaste dag of op vaste dagen in de week;

  • -

    Het opvangadres moet in alle redelijkheid bereikbaar zijn: liggen binnen de gemeentegrens van Nieuwegein en ingepast kunnen worden in een route of liggen op de route van de taxibus, zodat niet of in geringe mate hoeft te worden omgereden;

  • -

    Een volwassene op het opvangadres draagt mede zorg voor een zorgvuldige en snelle overdracht van de leerling door de chauffeur bij de taxibus. De gemeente draagt geen verantwoordelijkheid vanaf het moment dat de leerling de taxibus heeft verlaten en is overgedragen;

  • -

    De rit van de taxibus wordt door de vervoerder in opdracht van de gemeente zo efficiënt mogelijk ingedeeld waarbij in ieder geval de maximale individuele ritduur (90 minuten) van de passagiers die in het kader van leerlingenvervoer vervoerd worden niet overschreden wordt als gevolg van deze dienstverlening;

  • -

    Eventuele extra kosten voor het vervoer naar het opvangadres zijn voor rekening van de aanvrager en worden aan het einde van elk kwartaal bij de aanvrager gefactureerd.

  • -

    Het vervoer tussen het opvangadres en het woonadres wordt niet verzorgd.

 

Een locatie waar jeugdhulp geboden wordt in het kader van de Jeugdwet

In de uitvoering van het aangepast vervoer op grond van de verordening Leerlingenvervoer, kunnen ook ritten gecombineerd worden van kinderen die vervoerd moeten worden van of naar een locatie waar een jeugdhulpaanbieder in opdracht van de gemeente jeugdhulp aanbiedt op basis van de Jeugdwet. Het gaat om kinderen waarvoor een maatwerkvoorziening Jeugdhulp met vervoer is toegekend op basis van de Wmo en Jeugdverordening gemeente Nieuwegein, bijbehorend besluit en beleidsregels en die bijvoorbeeld in aansluiting op de eindtijd van school afgezet moeten worden op een locatie waar jeugdhulp geboden wordt.

De volgende regels zijn van toepassing:

  • -

    De locatie moet in alle redelijkheid bereikbaar zijn: liggen binnen de gemeentegrens van Nieuwegein en ingepast kunnen worden in een route van een taxibus in het kader van het leerlingenvervoer of liggen op de route van een taxibus in het kader van het leerlingenvervoer, zodat niet of in geringe mate hoeft te worden omgereden;

  • -

    Een volwassene van de jeugdhulplocatie draagt mede zorg voor een zorgvuldige en snelle overdracht van de jeugdige door de chauffeur bij de taxibus. De gemeente draagt geen verantwoordelijkheid vanaf het moment dat de jeugdige de taxibus heeft verlaten;

  • -

    De rit van de taxibus wordt door de vervoerder in opdracht van de gemeente zo efficiënt mogelijk ingedeeld waarbij in ieder geval de maximale individuele ritduur (90 minuten) van de passagiers die in het kader van leerlingenvervoer vervoerd worden niet overschreden wordt als gevolg van deze combinatie van vervoersstromen;

  • -

    Eventuele extra kosten voor het vervoer van of naar de locatie waar jeugdhulp geboden wordt, worden ten laste gebracht van het gemeentelijk budget Jeugdhulp. Jeugdhulpvervoer dat niet gecombineerd kan worden met ritten Leerlingenvervoer komt altijd ten laste van het budget jeugdhulpvervoer.

 

11. Onaanvaardbaar gedrag in het aangepast vervoer (artikel 1 onder h. en artikel 4)

In het aangepast vervoer kan er sprake zijn van gedrag van een leerling dat een bedreigende, hinderlijke of gevaarlijke situatie veroorzaakt voor zichzelf, andere leerlingen of de chauffeur. Denk bijvoorbeeld aan fysiek geweld zoals slaan, stompen, schoppen, bijten of het gooien met voorwerpen richting personen of schade aanbrengen aan het voertuig. Wanneer een dergelijke situatie zich voor doet, handelt de gemeente op een eenduidige wijze. Daarmee kunnen escalaties in het aangepast vervoer worden voorkomen.

 

Gesprek

Bij een misdraging wordt altijd op initiatief van de gemeente een gesprek georganiseerd over het onaanvaardbare gedrag. Hiervoor worden de aanvrager, de eventuele begeleider van de leerling, de leerling en de vervoerder uitgenodigd. Afhankelijk van de uitkomsten van dit gesprek en/of herhaling of escalatie van de misdraging(en) na dit gesprek kunnen de volgende maatregelen worden getroffen:

  • -

    Tijdelijke schorsing;

  • -

    Schorsing tot het einde van het schooljaar;

  • -

    Beëindiging van de aanspraak op de vervoersvoorziening.

 

Een maatregel kan ook getroffen worden voorafgaand aan het gesprek. Bijvoorbeeld wanneer per direct de veiligheid van de leerling, de passagiers, de eventuele begeleider en/of de chauffeur in het gedrang is. Wanneer een maatregel wordt getroffen, wordt dit altijd schriftelijk naar de aanvrager van het leerlingenvervoer gecommuniceerd of bevestigd.

 

Doel van het gesprek is in gezamenlijkheid komen tot een verbetering van het gedrag van de leerling en/of het verminderen of wegnemen van de risico’s op gevaar. Wanneer het gedrag veroorzaakt wordt door een aandoening of een beperking van de leerling, wordt in gezamenlijkheid naar een passende oplossing gezocht. Mogelijk kan de leerling door de aanvrager zelf vervoerd worden, is een (andere) begeleider nodig of helpt een andere zitplaats in de taxibus of indeling in een andere route.

 

Schorsing

Het schorsen van een leerling van het aangepast vervoer vindt plaats wanneer de veiligheid van de leerling, de eventuele begeleider, de passagiers en/of de chauffeur in gedrang is of het gedrag van de leerling niet verbetert of zich herhaalt of escaleert. Een tijdelijke schorsing betreft een periode van minimaal 1 tot maximaal 8 weken. Ook kan schorsing plaatsvinden voor de rest van het schooljaar. De duur van de schorsing hangt af van de ernst van de misdraging(en) en de herhaling of escalatie van de misdraging(en) en het zicht op een oplossing. Bijvoorbeeld tot dat door de ouders voor een begeleider in het vervoer gezorgd is.

 

De leerling is tijdens een schorsing verplicht naar school te gaan. Hiervoor kan geen aanspraak worden gemaakt op een andere vervoersvoorziening op grond van de verordening, bijvoorbeeld een vervoersvoorziening in de vorm van eigen vervoer.

 

Beëindiging van de aanspraak op de vervoersvoorziening

In het geval dat het ontoelaatbare gedrag van de leerling niet positief verandert, ook niet na schorsing en/of vernieuwde afspraken als uitkomst van een of meerdere vervolggesprekken tussen de genoemde partijen, kan de gemeente besluiten het aangepaste vervoer te beëindigen.

 

12. Individueel taxivervoer (artikel 1 onder h., artikel 11 en artikel 18)

Aangepast vervoer is gecombineerd vervoer wat betekent dat per taxibus meerdere kinderen tegelijk worden vervoerd. Het kan echter voorkomen dat een leerling door de aard van zijn/haar beperking niet met anderen vervoerd kan worden. Dit moet door de aanvrager worden onderbouwd met medische bewijsstukken. Als er twijfel bestaat over de medische noodzaak tot individueel vervoer, kan de gemeente een onafhankelijk medische advies inwinnen. Wanneer aangetoond is dat een leerling aangewezen is op individueel vervoer, wordt individueel taxivervoer toegekend.

 

Uiteraard is het ook in deze situatie mogelijk dat de aanvrager het kind zelf vervoert. Wanneer aanspraak bestaat op een vervoersvoorziening in de vorm van aangepast vervoer en een leerling aangewezen is op individueel vervoer zal daarom altijd aan de aanvrager gevraagd worden of zij het kind zelf wil vervoeren. In dat geval wordt in plaats van een vervoersvoorziening in de vorm van aangepast vervoer, een vervoersvoorziening in de vorm van eigen vervoer toegekend.

 

Deze beleidsregels worden aan gehaald als: Beleidsregels Leerlingenvervoer gemeente Nieuwegein 2019. Deze beleidsregels treden in werking met ingang van de dag na die van de bekendmaking.

Aldus vastgesteld door burgemeester en wethouders van Nieuwegein op 5 maart 2019,

de secretaris,

Ellie Liebregts

de voorzitter,

Frans Backhuijs