Gemeenteblad van Krimpen aan den IJssel

Datum publicatieOrganisatieJaargang en nummerRubriek
Krimpen aan den IJsselGemeenteblad 2018, 81726Verordeningen



Verordening van de gemeenteraad van de gemeente Krimpen aan den IJssel houdende regels omtrent subsidies Algemene Subsidieverordening Krimpen aan den IJssel 2018

Hoofdstuk 1 Algemene bepalingen

Artikel 1 Begripsomschrijvingen

In deze verordening wordt verstaan onder:

  • a.

    Gemeente: de gemeente Krimpen aan den IJssel.

  • b.

    Raad: de gemeenteraad van Krimpen aan den IJssel.

  • c.

    College: het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Krimpen aan den IJssel.

  • d.

    Wet/Awb: Algemene wet bestuursrecht, zoals opgenomen in het Staatsblad nr. 1 van 1998 en alle daarop volgende wijzigingen en aanvullingen.

  • e.

    Subsidie beleidsregels door het college opgestelde beleidsregels per beleidsterrein waarin specifieke subsidiecriteria aanvullend gelden op de algemene subsidie verordening.

  • f.

    Subsidieaanvrager: een rechtspersoon, naar burgerlijk recht, die zich als hoofddoel stelt de behartiging van belangen, organisatie van activiteiten of producten op één van de terreinen waarop deze verordening van toepassing is, met uitzondering van openbare lichamen die zijn ingesteld krachtens de Wet Gemeenschappelijke Regelingen. Het college van burgemeester en wethouders kan voor de toepassing van deze verordening een natuurlijk persoon of een groep natuurlijke personen gelijkstellen met een aanvrager.

  • g.

    Onderneming Iedere eenheid, ongeacht haar rechtsvorm of wijze van financiering, die een economische activiteit uitoefent.

  • h.

    Structurele subsidie: binnen de categorie structurele subsidie worden 2 typen gehanteerd:

    • -

      Budgetsubsidie

      een subsidie waarbij de instelling een bedrag krijgt toegewezen om een tevoren overeengekomen prestaties uit te voeren. Veelal betreft het hier professionele instellingen. Aan de aanvraag tot subsidieverlening ligt een vooraf door de gemeente geformuleerd beleid ten grondslag.

    • -

      Erkenningsubsidie 

      een subsidie die wordt verstrekt als waardering voor het uitvoeren van activiteiten die ten goede komen aan de inwoners van de gemeente, veelal op basis van vrijwilligers.

  • i.

    Incidentele subsidie: binnen de categorie incidentele subsidie wordt 1 type gehanteerd:

    • -

      Projectsubsidie

      een subsidie die wordt verstrekt voor een activiteit met een eenmalig/incidenteel karakter of met een afgebakende tijdsomvang.

  • j.

    Rekenkamer: de door de gemeenteraad bij of krachtens verordening ingestelde rekenkamer.

  • k.

    Egalisatiereserve: als bedoeld in artikel 4:72 van de Awb. Dat deel van het eigen vermogen van de subsidieontvanger, niet zijnde een voorziening, dat is opgebouwd met de ontvangen gemeentelijke subsidie en daarmee samenhangende inkomsten.

  • l.

    Voorziening: een fonds, waaruit op een nader tijdstip aanschaffingen en vervangingen van duurzame goederen gefinancierd worden. Het opleggen van het vormen van een voorziening kan ook nodig zijn als zich ontwikkelingen voor gaan doen die kosten met zich meebrengen.

  • m.

    Europees steunkader een mededeling, richtsnoer, kaderregeling, beschikking, besluit of verordening op het gebied van staatssteun die de Europese Commissie, gelet op de artikelen 42, 106, derde lid, 107 en 108 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie heeft vastgesteld, en die bij ministeriële regeling als toepasselijk Europees steunkader is aangewezen

Artikel 2 Reikwijdte

  • 1.

    Deze verordening is van toepassing op het verstrekken van subsidies door het college voor activiteiten op de beleidsterreinen die vallen onder de door de raad in de programmabegroting vastgestelde programma’s, met uitzondering van subsidies waarvoor bij afzonderlijke verordening een uitputtende regeling is getroffen en subsidies waarvoor op grond van artikel 4:23, derde lid van de Awb geen wettelijke grondslag nodig is.

  • 2.

    Ten aanzien van subsidies waarvoor geen wettelijke grondslag nodig is, kan het college bepalen dat deze verordening geheel of gedeeltelijk van toepassing is.

  • 3.

    Het college kan nadere beleidsregels stellen, waarin de te subsidiëren activiteiten, doelgroepen en verdeling van de subsidie per beleidsterrein worden omschreven.

Artikel 3 Bevoegdheid college

  • 1.

    Het college is bevoegd te besluiten over het verstrekken van subsidies met inachtneming van de in de gemeentebegroting opgenomen financiële middelen of het subsidieplafond – indien de gemeentebegroting nog niet is vastgesteld, dan wel goedgekeurd – onder de voorwaarde dat voldoende gelden ter beschikking worden gesteld.

  • 2.

    Het college is bevoegd om voorwaarden aan de beschikking tot subsidieverlening te verbinden.

Artikel 4 Europees steunkader

  • 1.

    Voor zover dat ten behoeve van het voldoen aan een Europees steunkader noodzakelijk is, kan het college afwijken van deze verordening en deze aanvullen.

  • 2.

    Bij subsidieregelingen waarbij is bepaald dat toepassing kan worden gegeven aan een Europees steunkader, verwijst de subsidieregeling naar het desbetreffende steunkader.

  • 3.

    Bij subsidies waarop een Europees steunkader van toepassing is, verwijst de verleningsbeschikking naar de toepasselijke bepalingen van het steunkader.

  • 4.

    Bij subsidies waarop een Europees steunkader van toepassing is, komen alleen de activiteiten, doelstellingen, resultaten en kosten voor vergoeding in aanmerking die voldoen aan de eisen van het desbetreffende steunkader.

  • 5.

    Bij subsidies waarop een Europees steunkader van toepassing is, komen ondernemingen alleen in aanmerking voor zover de subsidieverstrekking voldoet aan de voorwaarden van het desbetreffende steunkader.

Hoofdstuk 2 Subsidieplafond en begrotingsvoorbehoud

Artikel 5 Subsidieplafond en begrotingsvoorbehoud

  • 1.

    De raad kan jaarlijks bij de vaststelling van de begroting besluiten tot het instellen van subsidieplafond(s). De raad kan de subsidieplafonds aanpassen gedurende het jaar middels begrotingswijzigingen.

  • 2.

    Het college kan – met inachtneming van de ingevolge artikel 2, door de raad vastgestelde beleidsterreinen en regels – nadere regels stellen omtrent de verdeling van het beschikbare bedrag.

  • 3.

    Bij de bekendmaking van de subsidieplafonds wordt gewezen op de mogelijkheid van verlaging en de gevolgen daarvan voor reeds ingediende aanvragen.

  • 4.

    Een subsidie ten laste van een begroting, die nog niet is vastgesteld, wordt verleend onder de voorwaarde dat voldoende middelen op de begroting beschikbaar zullen worden gesteld.

Hoofdstuk 3 Aanvraag van de subsidie

Artikel 6 Bij aanvraag in te dienen gegevens

  • 1.

    De aanvraag voor een subsidie wordt schriftelijk ingediend bij het college (eventueel met behulp van een door het college vastgesteld aanvraagformulier).

  • 2.

    Bij een aanvraag om subsidie overlegt de subsidieaanvrager de volgende gegevens:

    • a.

      een beschrijving van de activiteiten waarvoor de subsidie wordt aangevraagd;

    • b.

      de doelstellingen en resultaten, die daarmee worden nagestreefd, en hoe de activiteiten aan dat doel bijdragen. In bijzonder ook in welke mate de activiteiten gericht zijn op de gemeente of haar ingezetenen en op door de gemeente vastgestelde doelen of beleidsterreinen;

    • c.

      een begroting van en een dekkingsplan voor de kosten van de activiteiten, waar de subsidie voor wordt aangevraagd. Het dekkingsplan bevat een opgave van bij andere bestuursorganen of private organisaties of personen aangevraagde subsidies of vergoedingen ten behoeve van dezelfde activiteiten, onder vermelding van de stand van zaken daarvan;

    • d.

      De subsidieaanvrager die een egalisatiereserve en/of voorziening heeft gevormd, vermeldt bij de aanvraag voor een subsidie, de stand van de egalisatiereserve en/of voorziening op het moment van de aanvraag.

    • e.

      Als de aanvrager een onderneming is, een opgave van subsidies, vergoedingen of tegemoetkomingen in welke vorm dan ook met staatsmiddelen bekostigd, die al zijn of zullen worden ontvangen voor de activiteiten waarvoor de subsidie wordt aangevraagd.

  • 3.

    Indien een subsidieaanvrager voor de eerste maal een structurele subsidie aanvraagt, voegt hij een exemplaar van de oprichtingsakte, de statuten, het jaarverslag, de jaarrekening en de balans van het voorgaande jaar als bijlagen toe.

  • 4.

    Het college is bevoegd ook andere dan, of slechts enkele van, de in het tweede, derde en vierde lid genoemde gegevens te verlangen, indien die voor het nemen van een beslissing op de aanvraag noodzakelijk, respectievelijk voldoende, zijn.

Artikel 7 Aanvraagtermijn

  • 1.

    Een aanvraag voor een structurele subsidie wordt gedaan uiterlijk 1 juli in het jaar voorafgaand aan het jaar, of de jaren waarop de subsidieaanvraag betrekking heeft. Wil de organisatie een hogere subsidie aanvragen dan gebruikelijk dan dient een aanvraag vóór 1 april voorafgaand aan het subsidiejaar te worden ingediend.

  • 2.

    Een aanvraag voor een incidentele subsidie wordt gedaan:

    • a.

      Ten minste tien weken voordat de activiteit wordt verricht;

    • b.

      Vóór 1 juli in het jaar voorafgaand aan het jaar, of de jaren waarop de subsidieaanvraag betrekking heeft als de incidentele subsidie een looptijd heeft van een heel kalenderjaar.

  • 3.

    Het college kan andere termijnen stellen voor het indienen van een aanvraag voor daarbij aan te wijzen subsidies.

  • 4.

    Indien een aanvraag niet tijdig is ingediend kan het college besluiten deze niet te behandelen.

  • 5.

    Indien een aanvraag onvolledig is ingediend stelt het college de aanvrager in de gelegenheid het verzuim binnen een termijn van twee weken schriftelijk te herstellen. Indien het verzuim niet binnen deze termijn is voldaan kan het college besluiten de aanvraag niet te behandelen.

Artikel 8 Beslistermijn

  • 1.

    Het college beslist:

    • a.

      op aanvragen voor incidentele subsidies binnen acht weken nadat de aanvraag is ingediend of vóór 15 december voorafgaand aan het kalenderjaar bij een looptijd van een incidentele subsidie van een heel kalenderjaar;

    • b.

      op aanvragen van structurele subsidies vóór 15 december voorafgaand aan het kalenderjaar waarvoor de subsidie wordt verleend.

  • 2.

    De onder lid 1 sub a en b genoemde termijnen kunnen eenmalig worden verlengd met dertien weken.

  • 3.

    Bij aanvragen om een subsidie die overeenkomstig artikel 108, derde lid, van het Verdrag op de-minimissteun worden aangemeld bij de Europese Commissie wordt de termijn verdaagd totdat de Europese Commissie een eindbeslissing heeft genomen.

Hoofdstuk 4 Weigering van de subsidie

Artikel 9 Weigeringsgronden

  • 1.

    Onverminderd de artikelen 4:25, tweede lid, en 4:35 van de Algemene wet bestuursrecht weigert het college de subsidie in ieder geval:

    • a.

      als de Europese Commissie overeenkomstig artikel 108, derde lid, van het Verdrag heeft vastgesteld dat de subsidie onverenigbaar is met de interne markt.

    • b.

      als het betreft een aanvrager tegen wie een bevel tot terugvordering uitstaat ingevolge een eerdere beschikking van de Europese Commissie waarin de steun onrechtmatig en onverenigbaar met de interne markt is verklaard.

  • 2.

    Onverminderd het vorige lid weigert het college de subsidie in ieder geval als de subsidieverstrekking in strijd zou zijn met een Europees steunkader omdat:

    • a.

      subsidie verstrekt zou worden aan een aanvrager die een onderneming drijft die in moeilijkheden verkeert als bedoeld in het desbetreffende steunkader, of

    • b.

      de subsidie geen stimulerend effect heeft als bedoeld in het desbetreffende steunkader.

  • 3.

    Onverminderd de vorige leden kan het college de subsidie verder in ieder geval weigeren:

    • a.

      als de subsidieverstrekking niet is toegestaan totdat de Europese Commissie met toepassing van artikel 108, derde lid, van het Verdrag heeft vastgesteld dat de subsidie verenigbaar is met de interne markt;

    • b.

      als de subsidieverstrekking in strijd zou zijn met een wettelijk voorschrift;

    • c.

      als de aanvrager voor het jaar of de jaren waarop de aanvraag betrekking heeft met een functionaris een bezoldiging als bedoeld in artikel 1.1, onder e, van de Wet normering bezoldiging topfunctionarissen publieke en semipublieke sector overeenkomt of is overeengekomen die hoger is dan het bedrag, bedoeld in artikel 2.3, eerste lid, van die wet;

    • d.

      als de aanvraag niet voldoet aan de subsidiebeleidsregels die zijn gesteld om voor subsidie in aanmerking te komen;

    • e.

      als de te subsidiëren activiteiten niet of niet in overwegende mate gericht zijn op de gemeente of haar ingezetenen of als ze onvoldoende ten goede komen aan de gemeente of haar ingezetenen;

    • f.

      als uit de bij de aanvraag in te dienen gegevens blijkt dat de aanvrager zelf in de kosten daarvan kan voorzien, hetzij uit eigen middelen, hetzij uit middelen van derden;

    • g.

      als in de voorgenomen activiteit(en) dan wel het daarmee beoogde doel reeds op andere wijze in belangrijke mate is voorzien;

    • h.

      als gegronde reden bestaat om aan te nemen dat de activiteiten waarvoor subsidie wordt gevraagd onvoldoende zullen bijdragen aan de gemeentelijke beleidsdoelen;

    • i.

      als de activiteiten uitsluitend of hoofdzakelijk een partijpolitiek, godsdienstig, religieus of levensbeschouwelijk karakter hebben;

    • j.

      als de activiteiten of het lidmaatschap van een instelling niet openstaan voor alle inwoners van de gemeente, uitgezonderd als de activiteiten bedoeld zijn voor speciale doelgroepen, die als zodanig door het college of door de Raad zijn erkend;

    • k.

      als de activiteiten zijn gericht op het maken van winst.

    • l.

      als redelijkerwijs kan worden aangenomen dat de te subsidiëren activiteiten in strijd zijn met de openbare orde, of dat de uitstraling van de activiteiten of van de organisator, dan wel van degenen die hem bij de activiteiten assisteren zodanig is, dat deze op gespannen voet staat met de openbare orde, integriteit van de lokale overheid of afbreuk doet aan de maatschappelijke veiligheidsbeleving.

  • 4.

    Het college vordert een subsidie met rente terug als dit nodig is ter uitvoering van een terugvorderingsbesluit van de Europese Commissie of een onherroepelijke rechterlijke uitspraak.

Artikel 10 wet BIBOB

Het college kan voor subsidies binnen door de gemeenteraad vast te stellen beleidsterreinen of onderdelen daarvan bepalen dat de gevraagde subsidie kan worden geweigerd of de verleende subsidie kan worden ingetrokken in het geval en onder voorwaarden, bedoeld in artikel 3 van de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur.

Hoofdstuk 5 Verlening van de subsidie

Artikel 11 Verlening subsidie

  • 1.

    Bij het besluit tot verlenen van de subsidie geeft het college aan op welke wijze de verantwoording van de te ontvangen subsidie plaats vindt.

  • 2.

    Het college is bevoegd om verplichtingen aan de beschikking tot subsidieverlening te verbinden met betrekking tot het beheer en gebruik van de subsidie.

Artikel 12 Betaling en bevoorschotting

  • 1.

    Indien een beschikking tot een subsidievaststelling als bedoeld in artikel 17 en artikel 18 lid a wordt gegeven, vindt betaling van de gehele subsidie in één bedrag plaats.

  • 2.

    Indien een beschikking tot een subsidieverlening als bedoeld in artikel 18, lid b wordt gegeven, wordt 100% bevoorschot.

  • 3.

    Indien besloten wordt tot bevoorschotting van de subsidie, wordt in het besluit tot subsidieverlening, de hoogte en de termijnen van de voorschotten bepaald.

Hoofdstuk 6 Verplichtingen van de subsidieontvanger

Artikel 13 Tussentijdse rapportage

Bij subsidies hoger dan 50.000 euro die worden verleend kan het college de verplichting opleggen tot het tussentijds afleggen van rekening en verantwoording omtrent de verrichte activiteiten en de daaraan verbonden uitgaven en inkomsten.

Artikel 14 Meldingsplicht

De subsidieontvanger doet onverwijld melding aan het college, zodra aannemelijk is dat de activiteiten, waarvoor de subsidie is verleend, niet of niet geheel zullen worden verricht of dat niet of niet geheel aan de aan de beschikking tot subsidieverlening verbonden verplichtingen zal worden voldaan.

Artikel 15 Onderzoek door de Rekenkamer

  • 1.

    De Rekenkamer kan bij gesubsidieerde instellingen een onderzoek instellen naar de doelmatigheid, doeltreffendheid en rechtmatigheid van het gebruik van de verleende subsidies en/of de gesubsidieerde activiteiten.

  • 2.

    Medewerking door de instelling aan dit onderzoek is een voorwaarde bij subsidieverlening.

  • 3.

    Het hiervoor onder lid 1 bedoelde onderzoek strekt zich alleen uit tot de gesubsidieerde instellingen of activiteiten die voor meer dan 50% afhankelijk zijn van gemeentelijke subsidies, of ten aanzien waarvan het gemeentelijk subsidie een bedrag van € 50.000,- te boven gaat.

  • 4.

    De rapportage die de Rekenkamer uitbrengt aan de raad zal ter kennis gebracht worden aan de betrokken instelling bij wie het onderzoek heeft plaatsgevonden.

Artikel 16 Overige verplichtingen van de subsidieontvanger

  • 1.

    De subsidieontvanger verricht de activiteiten, waarvoor de subsidie is verleend.

  • 2.

    De subsidieontvanger informeert het college zo spoedig mogelijk schriftelijk over:

    • a.

      besluiten of procedures die zijn gericht op de beëindiging van de activiteiten, waarvoor subsidie is verleend, dan wel ontbinding van de rechtspersoon;

    • b.

      relevante wijzigingen in de financiële en organisatorische verhoudingen met derden;

    • c.

      ontwikkelingen die er toe kunnen leiden dat aan de beschikking tot subsidieverlening verbonden voorwaarden geheel of gedeeltelijk niet kunnen worden nagekomen;

    • d.

      wijziging van de statuten voor zover het betreft de vorm van de rechtspersoon, de persoon van de bestuurder(s) en het doel van de rechtspersoon.

  • 3.

    De subsidieontvanger behoeft de toestemming van het college voor handelingen als vermeld in artikel 4:71 Awb.

Hoofdstuk 7 Verantwoording en vaststelling van de subsidie

Artikel 17 Verantwoording subsidies tot 1.000 euro

  • 1.

    Indien de subsidieverlening minder bedraagt dan 1.000 euro, dan worden de subsidies bij verlening gelijktijdig vastgesteld door het college.

Artikel 18 Verantwoording subsidies van 1.000 euro tot 5.000 euro

  • 1.

    Indien de subsidieverlening meer bedraagt dan 1.000 euro, maar minder dan 5.000 euro dan verschilt de aanvraag tot vaststelling per type subsidie:

    • a.

      bij een structurele subsidie hoeft er geen aanvraag tot vaststelling te worden ingediend, de subsidie wordt bij de verlening direct vastgesteld;

    • b.

      bij een incidentele subsidie, uiterlijk 13 weken na het verricht zijn van de activiteiten of bij een looptijd van een incidentele subsidie van een heel kalenderjaar uiterlijk vóór 1 mei in het jaar na afloop van het kalenderjaar moet er een aanvraag tot vaststelling zijn ingediend bij het college.

  • 2.

    De aanvraag tot vaststelling bevat een overzicht van de verrichte activiteiten en de hieraan verbonden uitgaven en inkomsten (financieel verslag):

  • 3.

    Het college kan bepalen dat ook andere, of minder dan, de in dit artikel bedoelde gegevens en bescheiden die voor de vaststelling van belang zijn, worden overlegd.

Artikel 19 Verantwoording subsidies van 5.000 tot 50.000 euro

  • 1.

    Indien de subsidieverlening meer bedraagt dan 5.000 euro, maar minder dan 50.000 euro, dient de subsidieontvanger een aanvraag tot vaststelling in bij het college:

    • a.

      bij een incidentele subsidie, uiterlijk 13 weken na het verricht zijn van de activiteiten of bij een incidentele subsidie van een heel kalenderjaar uiterlijk vóór 1 mei in het jaar na afloop van het kalenderjaar;

    • b.

      bij een structurele subsidie, uiterlijk vóór 1 mei in het jaar na afloop van het kalenderjaar, respectievelijk 4 maanden na de periode, waarvoor de subsidie is verleend.

  • 2.

    De aanvraag tot vaststelling bevat:

    • a.

      een inhoudelijk verslag, waaruit blijkt dat de activiteiten, waarvoor de subsidie is verleend, zijn verricht;

    • b.

      een overzicht van de activiteiten en de hieraan verbonden uitgaven en inkomsten (financieel verslag of jaarrekening);

  • 3.

    Het college kan bepalen dat ook andere, of minder dan, de in dit artikel bedoelde gegevens en bescheiden die voor de vaststelling van belang zijn, worden overlegd.

Artikel 20 Verantwoording subsidies vanaf 50.000 euro

  • 1.

    Indien de subsidieverlening meer bedraagt dan 50.000 euro dient de subsidieontvanger een aanvraag tot vaststelling in bij het college:

    • c.

      bij een incidentele subsidie, uiterlijk 13 weken na het verricht zijn van de activiteiten of bij een incidentele subsidie van een heel kalenderjaar uiterlijk vóór 1 mei in het jaar na afloop van het kalenderjaar;

    • d.

      bij een structurele subsidie, uiterlijk vóór 1 mei in het jaar na afloop van het kalenderjaar, respectievelijk 4 maanden na de periode, waarvoor de subsidie is verleend.

  • 2.

    De aanvraag tot vaststelling bevat:

    • a.

      een inhoudelijk verslag, waaruit blijkt dat de activiteiten, waarvoor de subsidie is verleend, zijn verricht;

    • b.

      een jaarrekening dat bestaat uit een winst- en verliesrekening, balans en een toelichting op beide;

    • c.

      een accountantsverklaring.

  • 3.

    Het college kan bepalen dat ook andere, of minder dan, de in dit artikel bedoelde gegevens en bescheiden die voor de vaststelling van belang zijn, worden overlegd.

Artikel 21 Vaststelling subsidie

  • 1.

    Het college stelt:

    • a.

      Bij incidentele subsidies binnen 13 weken na ontvangst van de aanvraag tot subsidievaststelling vast, tenzij de incidentele subsidie een looptijd van een heel kalenderjaar heeft, dan vindt de vaststelling vóór 1 augustus in het jaar na afloop van het kalenderjaar waarvoor de subsidie is verleend plaats;

    • b.

      Bij structurele subsidies vóór 1 augustus in het jaar na afloop van het kalenderjaar waarvoor de subsidie is verleend vast.

  • 2.

    Indien uit de aard van de subsidie, dan wel de verantwoording daarvan, volgt dat voor de beslissing op de vaststelling van de subsidie een langere termijn nodig is dan de in het eerste lid genoemde termijn, dan bericht het college de subsidieontvanger daarvan zo spoedig mogelijk na ontvangst van de aanvraag tot subsidievaststelling.

  • 3.

    De in het eerste lid genoemde termijnen kunnen eenmalig met dertien weken worden verlengd.

  • 4.

    Het college kan categorieën van subsidies of subsidieontvangers aanwijzen, waarvoor de subsidie direct wordt vastgesteld zonder dat de subsidieontvanger een aanvraag voor subsidievaststelling hoeft in te dienen.

  • 5.

    Indien de aanvraag tot subsidievaststelling niet voor het in het eerste lid genoemde tijdstip is ontvangen, gaat het college zes weken na een eenmalig rappel over tot vaststelling.

Hoofdstuk 8 Overige bepalingen

Artikel 22 Egalisatiereserve en voorziening

Naast het gestelde in artikel 4:72 Awb geldt het volgende ten aanzien van egalisatiereserve en voorzieningen.

  • 1.

    Indien een instelling die een budgetsubsidie ontvangt aan het einde van de periode waarvoor subsidie is verleend een positief saldo presenteert dat betrekking heeft op Krimpen aan den IJssel, dient het overschot gestort te worden in een egalisatiereserve. De egalisatiereserve mag niet meer dan 15% bedragen van het totaal van de ontvangen subsidie afkomstig van de gemeente Krimpen aan den IJssel. Een opgebouwde egalisatiereserve uit gelden afkomstig van de gemeente Krimpen aan den IJssel mag nooit lager dan € 0 komen te staan.

  • 2.

    Het college kan subsidieontvangers op hun verzoek toestaan, naast een egalisatiereserve, een of meerdere voorzieningen te hebben.

  • 3.

    Een verzoek als genoemd in lid 2 van dit artikel dient schriftelijk ingediend te worden en gemotiveerd te zijn.

  • 4.

    Op een verzoek als in lid 2 van dit artikel genoemd beslist het college binnen 13 weken.

Artikel 23 Afroming reserves en voorzieningen

Indien uit de financiële verantwoording blijkt dat een subsidieontvanger, na de periode waarvoor subsidie is verleend, naar het oordeel van het college een te hoge egalisatiereserve heeft in relatie tot het gestelde in lid 1 van artikel 22 of voorzieningen heeft opgebouwd, anders dan de door het college vooraf goedgekeurde of verplicht gestelde voorzieningen, dan wordt de subsidie bij de vaststelling verlaagd. Bij een te lage stand van de egalisatiereserve of voorzieningen, bepaalt het college hoe de subsidieontvanger de te lage stand moet oplossen.

Artikel 24 Terugvloeien gelden egalisatiereserve

In geval van gehele of gedeeltelijke beëindiging van de subsidierelatie, dan wel in geval van faillissement, surseance van betaling, ontbinding, opheffing of liquidatie dient de subsidieontvanger het bedrag van de egalisatiereserve en voorzieningen aan de gemeente terug te betalen.

Artikel 25 Hardheidsclausule

Het college kan besluiten van het bepaalde in deze verordening af te wijken als het volgen van de bepaalde artikelen of artikelleden voor een subsidieaanvrager of -ontvanger gevolgen zou hebben die wegens bijzondere omstandigheden onevenredig zouden zijn tot de daarmee te dienen belangen.

Artikel 26 Intrekking

De ‘Algemene Subsidieverordening Krimpen aan den IJssel 2012’ wordt ingetrokken.

Artikel 27 Overgangsbepalingen

Aanvragen die betrekking hebben op subsidies tot en met het kalenderjaar 2018 worden afgedaan volgens de bepalingen van de ‘Algemene Subsidieverordening Krimpen aan den IJssel 2012’.

Artikel 28 Inwerkingtreding

Deze verordening treedt in werking op de dag na vaststelling.

Artikel 29 Citeertitel

Deze verordening kan worden aangehaald als ‘Algemene Subsidieverordening Krimpen aan den IJssel 2018’.

Toelichting op de Algemene Subsidieverordening 2018

Algemeen

Subsidieverlening vindt zijn wettelijke basis in de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Hierin zijn algemene regels opgenomen over subsidiëring die ook voor de gemeentelijke overheid gelden. De hoofdregel van de subsidietitel in de Awb is dat subsidies gebaseerd moeten zijn op een wettelijk voorschrift. Voor gemeenten is dat wettelijk voorschrift een gemeentelijke verordening als aanvulling op en verbijzondering van de Awb.

Een algemene gemeentelijke subsidieverordening moet gezien worden als een aanvulling op en detaillering van wat in de titels 4.2 (subsidies) en 4.3 (beleidsregels) van Algemene wet bestuursrecht (Awb) over subsidiëring opgenomen is. In de verordening is daarom in het algemeen niet opgenomen wat in de Awb als dwingend recht is beschreven. Daar waar dit bij zou kunnen dragen aan een beter begrip voor het totale systeem van de verordening zijn bepalingen, die ook in de Awb voorkomen wel opgenomen.

De ASV vormt de juridische kern voor toetsing van rechtmatigheid. Subsidiebeleidsregels vormen een tweede element van de rechtmatigheid. Financiële rechtmatigheid wordt bereikt door de systematiek van (deel)plafonds in de begroting.

 

Rode draad in een algemene subsidieverordening is de procedure die gevolgd moet worden bij indiening, toetsing, verlening en vaststelling van subsidies. Dit laat zich vertalen in onderstaand schema:

Toetsingscriteria op basis van grondslagen en normen en verdelingscriteria ten aanzien van de subsidieplafonds worden in subsidiebeleidsregels vastgelegd en niet in de algemene subsidieverordening.

 

In de Awb worden termijnen genoemd die bij het afhandelen van een subsidieaanvraag in acht genomen moeten worden. Deze termijnen zijn zo in de verordening opgenomen dat

  • -

    én de cyclus van de gemeentebegroting gevolgd kan worden;

  • -

    én de gestelde termijnen gehaald kunnen worden;

  • -

    én de instellingen en verenigingen voldoende tijd hebben de gevraagde stukken aan te leveren.

 

Aangezien de procedures over bezwaar en beroep in Hoofdstuk 6 van de Awb geregeld zijn is in de verordening wat dat betreft niets opgenomen.

 

Ook zijn in de verordening alleen sancties bij niet nakomen van het gestelde in de verordening opgenomen. Andere gronden dan in de verordening opgenomen om subsidie in te trekken of te wijzigen zijn in de afdeling 4.2.6. (intrekking en wijziging) van de Awb geregeld. Niet opgenomen zijn eveneens sancties die toegepast kunnen worden bij niet tijdig indienen van een aanvraag of bij onvolledigheid van een aanvraag. Dit is geregeld in hoofdstuk 4 van de Awb.

 

Bij het opstellen van de Algemene Subsidieverordening is uitdrukkelijk gekozen voor zo eenvoudig mogelijke procedures zonder aandacht te verliezen voor een heldere verantwoording van gemeenschapsmiddelen.

 

Financiële aspecten

 

De subsidies worden jaarlijks geïndexeerd. Het College stelt daartoe jaarlijks het te gebruiken percentage vast. Dit uitgangspunt wordt in de kadernota verwerkt, maar is pas definitief wanneer de Raad de begroting vast heeft gesteld.

 

Bij subsidieverlening wordt mede gelet op de mogelijkheden die de subsidieaanvrager heeft voor het verkrijgen van middelen, anders dan subsidie. Het gaat dan om contributie, entreeprijzen, fondsen, sponsoring, eigen vermogen, etcetera.

 

Deelnemers aan gesubsidieerde activiteiten dienen in principe een wezenlijke en redelijke eigen bijdrage te betalen. Deze bijdrage kan geleverd worden door bijvoorbeeld contributie, zelfwerkzaamheid, entreeheffing e.d. Dit wordt door het College verder uitgewerkt in de Subsidiebeleidsregels

 

Naast subsidies biedt de gemeente Krimpen aan den IJssel op dit moment ook een bijdrage aan het realiseren van maatschappelijke doelstellingen door haar accommodatiebeleid. De kaders hiervoor zijn vastgelegd in de kadernota Gemeentelijk Vastgoed. De gemeente onderkent de samenhang hiervan met het subsidiebeleid, zoals die door subsidieontvangers wordt ervaren. Een directe koppeling wordt in deze nota niet aangebracht en zal daarom per geval worden benaderd.

 

Hoofdstuk 1 Algemene bepalingen

 

Artikel 1 Begripsomschrijvingen

In dit artikel worden de begrippen die in de verordening worden gehanteerd nader omschreven.

 

Subsidiebenamingen

De Awb fungeert slechts als basisregeling en biedt veel beleidsvrijheid aan bijzondere subsidieregelingen en subsidiebeschikkingen. Het is echter de vraag of een veelvoud aan benamingen de praktijk ten goede komt. In deze Algemene subsidieverordening is gekozen voor twee benamingen: incidentele en structurele subsidies. Deze benamingen proberen het verschil aan te geven tussen de in principe jaarlijks aan instellingen verstrekte subsidies en de incidentele project subsidies.

 

Als uitgangspunt wordt gehanteerd dat nieuwe subsidieaanvragen worden behandeld en verleend als incidentele subsidie (projectsubsidie). Na een periode van minimaal 2 jaar kan het college besluiten om over te gaan naar verlening als een structurele subsidie.

 

Structurele subsidies

Binnen de structurele subsidies zijn 2 categorieën, het doel van dit onderscheid is om het verschil tussen professionele en vrijwillige organisaties inzichtelijk te houden.

 

Budgetsubsidies

Subsidies voor organisaties waarvan de kern gevormd wordt door beroepskrachten. Dit laatste wil niet zeggen dat de instelling niet in ruime mate gebruik zou kunnen maken van de inzet van vrijwilligers.

 

Beroepskrachten die in een gesubsidieerde instelling activiteiten uitvoeren of daaraan leidinggeven dienen voldoende gekwalificeerd te zijn om hun functie verantwoord te kunnen uitoefenen.

 

Erkenningsubsidies

Bedoeld om erkenning voor of belang van bepaalde structurele activiteiten aan te geven.

 

In deze verordening wordt ervan uitgegaan dat het een organisatie betreft waarvan de kern van de organisatie gevormd wordt door vrijwilligers. Dit wil niet zeggen dat geen gebruik wordt gemaakt van betaalde beroepskrachten. Denk bijvoorbeeld aan trainers en koordirigenten.

 

Incidentele subsidies

 

Projectsubsidie

Een subsidie die tijdelijk en doelgericht van aard is. De subsidie is gericht op een prestatie, activiteit, evenement, product of resultaat, die aansluit op gemeentelijk beleid, die in tijd beperkt is en die inhoudelijk een afgerond resultaat oplevert.

 

In de omschrijving is de nadruk komen te liggen op het eenmalige karakter en tijdsomvang. Dit laatste wil niet betekenen dat een subsidie voor een heel jaar uitgesloten wordt, het gaat om een afgebakende tijdsomvang.

 

Egalisatiereserve/voorziening

Het is van belang de verschillende vormen van vermogensvorming of voorzieningen goed van elkaar te onderscheiden en daarbij de terminologie van de Awb te volgen.

 

Egalisatiereserve

Op grond van de Algemene wet bestuursrecht (artikel 4:72) kan een subsidieontvanger verplicht worden een egalisatiereserve te vormen. Dat deel van het eigen vermogen van de subsidieontvanger, niet zijnde een voorziening, dat is opgebouwd met de ontvangen subsidie en daarmee samenhangende inkomsten. Een egalisatiereserve is bedoeld om een nadelig saldo op de exploitatie in enig jaar op te vangen en wordt gevormd uit het voordelige saldo op de jaarlijkse exploitatie. Een nadelig of voordelig saldo ontstaat uit het verschil tussen alle inkomsten en alle uitgaven die betrekking hebben op Krimpen aan den IJssel. Dit laatste inclusief de reserveringen voor voorzieningen. Vermogensvorming vanuit gemeentelijk subsidie is alleen toegestaan als de overeengekomen resultaten zijn behaald.

 

Overschot

Het voordelige overschot op een exploitatie van enig jaar mag niet meer bedragen dan 15% van de ontvangen subsidie van de gemeente Krimpen aan den IJssel. Bedraagt het voordelige saldo meer dan 15% dan wordt het meerdere verrekend met de subsidie.

 

 

Omvang egalisatiereserve

De egalisatiereserve zelf mag in totaliteit niet meer dan 15% van de gemeentelijke subsidie bedragen en niet lager dan € 0 komen te staan.

Voorbeeld:

 

Inkomsten

 

Uitgaven

 

Subsidie

€ 32.000

Gemaakte kosten

€ 67.000

Eigen inkomsten

€ 50.000

Storting voorziening

€ 8.000

 

€ 82.000

 

€ 75.000

 

Het voordelige saldo van deze exploitatie bedraagt € 7.000,-.

 

Het overschot mag niet meer dan 15% van de ontvangen subsidie bedragen en dat is 15% van € 32.000,- = € 4.800,- in dit geval. Het voordelige saldo is groter dan 15% en het bedrag van € 4.800,- wordt toegevoegd aan de egalisatiereserve. € 2.200,- dient teruggestort te worden aan de gemeente.

 

De totale hoogte van deze egalisatiereserve mag niet hoger zijn dan 15% van de ontvangen subsidie en dat is 15% van € 32.000,- = € 4.800,- in dit geval. Uit de jaarrekening en/of het jaarverslag van de betreffende instelling zou dan moeten blijken of aan dit laatste wordt voldaan.

 

Voorziening

Voorzieningen zijn bedoeld om op een nader tijdstip aanschaffingen en vervangingen van duurzame goederen te financieren, waarop afgeschreven en waarvoor gereserveerd moet worden. Het opleggen van het vormen van een voorziening kan ook nodig zijn als zich ontwikkelingen voor gaan doen die kosten met zich meebrengen. Hierdoor wordt een beroep op de gemeente om extra geld voorkomen. Hierbij kan gedacht worden aan fusie, reorganisatie of beëindiging subsidierelatie, waardoor bijvoorbeeld wachtgeld verplichtingen kunnen ontstaan. De hoogte van een dergelijke voorziening wordt van geval tot geval bekeken.

 

Het opleggen van een egalisatiereserve en/of voorzieningen wordt per instelling bekeken. In de beschikking tot verlening worden die nadere verplichtingen dan opgenomen.

 

Artikel 2 Reikwijdte

In het eerste lid wordt aangegeven voor welke beleidsterreinen subsidies kunnen worden verstrekt.

 

Door de veelheid en verscheidenheid van subsidiemogelijkheden is niet te vermijden, dat op onderdelen nadere regels noodzakelijk zullen blijken. Die verscheidenheid onderbrengen in een algemene subsidieverordening is mogelijk, maar komt de met een algemene verordening nagestreefde overzichtelijkheid niet ten goede. Daarbij mag aangenomen worden dat beleidsdoelen sneller aan wijzigingen toe zijn dan dat de Algemene Subsidieverordening aan wijziging toe is.

 

In lid 3 krijgt het college de bevoegdheid om subsidiebeleidsregels op te stellen.

Daarin staat precies beschreven wat bereikt moet worden met de activiteit(en), welke subsidievormen mogelijk zijn en welke spelregels voor het betreffende beleidsterrein gelden. Het staat het College vrij om per subsidie-instelling een subsidieovereenkomst af te sluiten.

 

Artikel 3 Bevoegdheid college

Het college besluit ingevolge het eerste lid binnen de daarvoor door de raad vastgestelde kaders, zoals neergelegd in de gemeentebegroting en deze Algemene subsidieverordening. Dit betekent dat het college geen subsidies kan verlenen, die niet stroken met de door de raad vastgestelde algemene regels. Met besluiten over het verstrekken van subsidies in plaats van verlenen van subsidies wordt beoogd te besluiten over het gehele subsidieproces, dus ook het bevoorschotten, lager vaststellen, terugvorderen en dergelijke.

 

In het eerste lid is bepaald dat het college daarbij de gemeentebegroting en subsidieplafonds in acht neemt. Als de gemeentebegroting nog niet is vastgesteld en er formeel dus nog geen financiële ruimte door de raad beschikbaar is gesteld, wordt de subsidie slechts verleend onder de voorwaarde dat de raad daarvoor financiële middelen beschikbaar zal stellen, het zogenoemde begrotingsvoorbehoud.

 

In het tweede lid is de bevoegdheid van het college geregeld om voorwaarden aan de subsidie te verbinden. Zie hiertoe ook artikel 4:33 Awb en voor het verschil met verplichtingen artikel 4:37 Awb.

 

Artikel 4 Europees steunkader

Om subsidies onder een Europees steunkader te brengen moet de subsidie op het toepasselijke steunkader worden toegesneden. Daarbij kan het nodig zijn dat er afgeweken wordt van de ASV, of dat deze aangevuld wordt. Het eerste lid maakt het college daartoe bevoegd.

 

Het tweede en derde lid zijn een uitvloeisel van de eis van de Europese Commissie dat in subsidieregelingen en -beschikkingen die gebruik maken van het Europees steunkader, het toepasselijke kader expliciet wordt vermeld.

 

Als sprake is van steun die valt onder een Europees steunkader, kunnen uiteraard alleen de activiteiten, doelstellingen, resultaten en kosten voor subsidie in aanmerking komen voor zover die voldoen aan de eisen en voorwaarden van het betreffende steunkader (lid 4). Net zo goed als dat bij subsidies waarop een Europees steunkader van toepassing is, ondernemingen alleen in aanmerking komen als de subsidieverstrekking voldoet aan de voorwaarden van het desbetreffende steunkader (lid 5).

 

Hoofdstuk 2 Subsidieplafond en begrotingsvoorbehoud

 

Artikel 5 Subsidieplafond en begrotingsvoorbehoud

In de Awb zijn in de artikelen 4:25 tot en met 4:38 de belangrijkste bepalingen rondom het werken met een ‘subsidieplafond’ gegeven. Ingevolge het eerste lid van dit artikel kan de raad subsidieplafonds per beleidsterrein vaststellen. In de regel valt dit qua tijdstip samen met de vaststelling van de begroting. Subsidieaanvragen die het plafond overschrijden kunnen in principe niet worden gehonoreerd. Wel is het mogelijk de verdeelsleutel te hanteren waardoor het bedrag naar rato naar beneden wordt bijgesteld. Bij onbillijkheid kan het college overwegen de raad voor te stellen het subsidieplafond te verhogen middels een begrotingswijziging.

Op basis van het tweede lid kan het college nadere regels opstellen omtrent de wijze van verdeling van de beschikbare middelen.

 

Hoofdstuk 3 Aanvraag van de subsidie

 

Algemeen

In dit hoofdstuk gaat het om de procedures van aanvragen en toetsen voor alle vormen van subsidies. Er is van uitgegaan dat in alle gevallen financiële informatie overgelegd moet worden omdat het gaat om de besteding van gemeenschapsmiddelen. Daarbij geldt eveneens dat er bij subsidiëring ook wordt gekeken of er niet op een andere wijze inkomsten verworven kunnen worden. Dit geldt ook voor kleinere erkenningsubsidies, ervan uitgaande dat verenigingen ook voor hun leden begrotingen en verantwoordingen opstellen en presenteren in hun jaarvergadering.

 

In het kader van verdere verzakelijking tussen gemeente en budgetinstellingen zijn de verplichtingen aangescherpt opdat een heldere beoordeling van activiteiten en de daaraan verbonden kosten kan plaatsvinden.

In deze verordening wordt gewerkt met drie categorieën van subsidie, waarvan twee betrekking hebben op structurele subsidiëring. Tegelijkertijd is bekeken welke informatie noodzakelijk is om te kunnen rapporteren over de doeltreffendheid en de effecten van de subsidie in de praktijk (artikel 4:24 Awb).

 

Artikel 6 Bij aanvraag in te dienen gegevens

In dit artikel wordt omschreven welke gegevens bij de aanvraag ingediend moeten worden. Deze gegevens zijn nodig om tot een goed besluit te komen. Zoals aangegeven in lid 4 kan het college meer of minder of andere gegevens verlangen. Dit kan het college regelen in uitvoeringsregels.

 

Artikel 7 Aanvraagtermijn

In dit artikel wordt ingegaan op de aanvraagtermijnen voor de subsidiecategorieën. In het eerste lid staat omschreven hoe omgegaan wordt met de aanvragen voor structurele subsidies. Hier is sprake van gelijktrekking tussen de erkennings- en budgetsubsidies. Voor beide subsidiecategorieën is de datum van uiterlijke indiening op 1 juli in het jaar voorafgaand aan het jaar, of de jaren waarop de subsidieaanvraag betrekking heeft. Indien een organisatie een hogere subsidie aanvraagt dan gebruikelijk, dan dient de aanvraag voor 1 april voorafgaand aan het subsidiejaar te worden ingediend.

 

Voor projectsubsidies is de standaardtermijn om een aanvraag in te dienen op ten minste 10 weken voor aanvang van de activiteit gesteld.

Als de incidentele subsidie een looptijd heeft van een heel kalenderjaar, dan dient de aanvraag voor 1 juli te zijn ontvangen door de gemeente. Zo kunnen de projectsubsidies met een structureel karakter (volledig jaar) in het verleningsproces van de structurele subsidies meelopen.

 

Het staat het college vrij om voor specifieke projectsubsidies (zoals bijvoorbeeld deskundigheidsbevordering, bewonersinitiatieven etc.) een afwijkende termijn op te nemen in de uitvoeringsregels.

 

Artikel 8 Beslistermijn

In dit artikel worden de termijnen, waarbinnen het college gehouden is te beslissen op een aanvraag. Voor specifieke projectsubsidies kan het college een afwijkende termijn hanteren. Deze termijn dient dan vermeld te staan op het aanvraagformulier of in de beleidsregel. Het Fonds Bewonersinitiatieven is hier een voorbeeld van.

 

Het hanteren van de termijnen dan wel het geven van een motivatie tot verlenging van de termijn is van belang.

 

Artikel 9 Weigeringsgronden

In dit artikel worden de gronden opgesomd waarop een aanvraag tot subsidie geweigerd kan worden.

 

Artikel 10 Wet BIBOB

Een bijzondere weigeringsgrond is opgenomen in dit artikel. Het betreft het geval dat de aanvrager van een subsidie de toets van de wet BIBOB niet kan doorstaan.

 

Hoofdstuk 5 Verlening van de subsidie

 

Artikel 11 Verlening van de subsidie

Ingevolge het eerste lid geeft het college al in het besluit tot verlening van de subsidie aan op welke wijze verantwoording van de ontvangen subsidie dient plaats te vinden. Hiermee wordt bereikt dat degene, aan wie subsidie is toegekend, van meet af aan duidelijk is aan welke voorwaarden en administratieve eisen hij dient te voldoen.

 

In het tweede lid is geregeld dat het college de ontvanger verplichtingen kan opleggen. Wanneer dit in de rede ligt, treden burgemeester en wethouders in overleg om tot overeenstemming te komen over de van de instelling te verlangen prestaties voorzien van een prijs voor de afzonderlijke activiteiten. Deze afspraken worden opgenomen in een subsidieovereenkomst. Het is voor gemeente en instelling van belang dat de vereisten en voorwaarden verifieerbaar en meetbaar zijn.

 

Bij veel, veelal kleinere subsidies zal het stellen van verplichtingen bij de toekenning niet noodzakelijk zijn. In die gevallen kan het college daarvan eenvoudig afzien. Indien het college van oordeel is dat het redelijk is om nadere verplichtingen aan de subsidieverlening / subsidieontvanger te stellen kan dit met gebruik van lid 2 van dit artikel.

 

Artikel 12 Betaling en bevoorschotting

Voorschotten worden automatisch (ambtshalve) verstrekt volgens het in de subsidieregeling of de verleningsbeschikking opgenomen bevoorschottingsregime. De subsidieaanvrager hoeft geen aanvra(a)g(en) voor bevoorschotting in te dienen of tussentijdse overzichten van prestaties of uitgaven te overleggen. Dit leidt tot lastenbesparingen bij zowel subsidieontvanger als de gemeente.

 

Omdat de bevoorschotting mede afhankelijk is van de aard van de te subsidiëren activiteiten is er voor gekozen om de termijnen, waarop de (automatische) bevoorschotting plaats vindt, niet in de verordening te noemen. Het bevoorschottingsritme en de hoogte van de voorschotten worden in de verleningsbeschikking vermeld.

 

De subsidieontvanger is volgens artikel 14 verplicht te melden, indien er omstandigheden zijn die van invloed zijn op de hoogte van het verleende bedrag. De subsidieverstrekker kan vervolgens, indien nodig, door een wijziging van de verleningsbeschikking het bevoorschottingsritme en de hoogte van de voorschotten aanpassen. Na vaststelling van de subsidie wordt het resterende bedrag (het vastgestelde bedrag verminderd met de verleende voorschotten) uitgekeerd aan de subsidieontvanger.

 

Artikel 13 Tussentijdse rapportage

Dit artikel is opgenomen om de administratieve lasten voor de instellingen te beperken. Het college moet vooraf bepalen welke vereisten worden gesteld aan de tussentijdse, inhoudelijke en financiële verantwoording. Het ligt voor de hand dat dit regime in ieder geval lichter is dan het regime dat is opgesteld voor de eindverantwoording.

 

Artikel 14 Meldingsplicht

De meldingsplicht is bedoeld als tegenhanger van het geven van meer vertrouwen in de vorm van onder andere: het niet standaard verantwoording afleggen bij structurele subsidies tot € 5.000, het vragen van minder tussenrapportages en automatische bevoorschotting.

 

De subsidieontvanger is verplicht tijdig (zonder nodeloos tijdsverloop) te melden bij de gemeente als het aannemelijk is dat de gesubsidieerde activiteit niet, niet tijdig, niet geheel of niet volgens alle daaraan verbonden verplichtingen zal worden verricht. In dat geval zal de subsidie lager of op nihil worden vastgesteld of zullen nadere afspraken worden gemaakt over het aanpassen van de verplichtingen, bijvoorbeeld het geven van meer tijd voor de uitvoering van de activiteiten. Bij het niet voldoen aan deze meldingsplicht kan, indien dat achteraf mocht blijken, met toepassing van artikel 4:49 Awb alsnog de subsidievaststelling worden ingetrokken, omdat de ontvanger wist en behoorde te weten dat de vaststelling onjuist was. Terugvordering van de subsidie, inclusief wettelijke rente van het hele subsidiebedrag, kan in zo’n geval proportioneel worden geacht, omdat de ontvanger dan misbruik maakte van het gegeven vertrouwen, dat ten grondslag ligt aan onderhavige subsidieverordening.

 

Voor de volledigheid wordt opgemerkt dat de meldingsplicht niet geldt na vaststelling van de subsidie of voor zover er (op verzoek van de belanghebbende) door de subsidieverlener een ontheffing is verleend van de verplichting om een prestatie overeenkomstig de subsidietoekenning uit te voeren.

 

Artikel 15 Onderzoek door de Rekenkamer

Dit artikel is opgenomen om vooraf volkomen helder te zijn dat het tot de subsidievoorwaarden wordt gerekend mee te werken aan een eventueel onderzoek van de Rekenkamer als dat aan de orde mocht zijn.

 

Artikel 16 Overige verplichtingen van de subsidieontvanger

In dit artikel zijn de overige verplichtingen van de ontvanger van de subsidie opgenomen, als ook de plicht belangrijke wijzigingen te melden aan het college. Dit kan uitsluitend schriftelijk (een brief of per e-mail). Niets belet de gemeente om bij twijfel direct contact op te nemen met de subsidieontvanger om nadere stukken te vragen.

 

Hoofdstuk 7 Verantwoording en vaststelling van de subsidie

 

Algemeen

Ingevolge het derde lid van de artikelen 18 t/m 20 kan het college bepalen dat het voor de verantwoording daarvan andere stukken en bewijzen verlangt dan gebruikelijk en uit hoofde van de gewone bedrijfsvoering van de subsidieontvanger al worden opgesteld. Te denken valt aan de verslagen, die rechtspersonen uit hoofde van de wet al dienen op te stellen en die natuurlijk naar gelang van de hoedanigheid van de betreffende rechtspersoon verschillen.

Waar het hier om gaat, is te voorkomen dat subsidieontvangers speciale stukken met andere verantwoordingsmethoden moeten opstellen dan zij gebruikelijk al doen. Zo kan uit een algemeen jaarverslag genoegzaam blijken, dat de verkregen subsidie is aangewend voor het doel, waarvoor de subsidie werd verstrekt.

Het college kan ook bepalen dat bepaalde categorieën van subsidies, danwel subsidieontvangers, niet tot verantwoording van de aan hen verleende subsidie hoeven over te gaan. Te denken valt aan subsidies die aan een vertrouwde worden verstrekt, dan wel subsidies die voor een doel worden aangewend, dat nadere verantwoording van de besteding van het geld overbodig maakt. Bij dit laatste kan worden gedacht aan de huurkosten van een gebouw. De verantwoorde besteding van de subsidie blijkt dan immers al uit het feit dat het betreffende gebouw in gebruik is bij de subsidieontvanger.

 

In de artikelen 17 t/m 20 is een ander regime voor de verantwoording van subsidies opgenomen. Hiermee is aansluiting gezocht bij de nota ‘Kaderbeheer financieel beheer rijkssubsidies’ in die zin, dat de wijze van verantwoording afhankelijk is gemaakt van de hoogte van de subsidies.

Vanuit het oogpunt van lastenverlichting wordt in lid 3 van de artikelen 18,19 en 20 geregeld dat ook alternatieve verantwoordingsbewijzen kunnen worden gevraagd. Hiermee wordt invulling gegeven aan het uitgangspunt dat de verantwoordingslasten in verhouding moeten zijn met de hoogte van het subsidiebedrag.

 

Artikel 17 Verantwoording subsidies tot 1.000 euro

Kenmerkend voor subsidies tot 1.000 euro is dat de subsidieontvanger achteraf niet standaard verantwoording hoeft af te leggen aan de subsidieverstrekker. De subsidieontvanger hoeft geen aanvraag voor subsidievaststelling (verantwoording) in te dienen. Hierdoor kunnen administratieve lasten voor zowel de subsidieaanvrager als de subsidieverstrekker worden verminderd.

 

Artikel 18 Verantwoording subsidies van 1.000 tot 5.000 euro

Kenmerkend voor subsidies van 1.000 tot 5.000 euro is dat de wijze van vaststelling verschilt per type subsidie. Structurele subsidies (budget- en erkenningssubsidies) worden direct vastgesteld terwijl incidentele subsidies een aanvraag tot vaststelling moeten indienen bij het college.

Incidentele subsidieontvangers dienen aan te kunnen tonen dat ze verantwoord om gaan met de ontvangen gelden en dat de activiteiten zijn uitgevoerd. Voor structurele subsidies hoeft er geen aanvraag voor subsidievaststelling te worden ingediend om de administratieve lasten voor zowel de subsidieaanvrager als de subsidieverstrekker te verminderen.

 

In het geval van directe vaststelling (eerste lid, onderdeel a) worden de bewijsstukken van de prestatie direct met de aanvraag meegestuurd. Ook indien de activiteiten nog niet hebben plaatsgevonden, kan onderdeel a worden toegepast. De toepassing is alleen voor structurele subsidies en afhankelijk van risicoafweging van de subsidieverstrekker. Steekproefsgewijze controle na vaststelling is mogelijk, maar leidt alleen in bijzondere gevallen zoals fraude, tot terugvordering.

 

In het geval van verlening, gevolgd door ambtshalve vaststelling (eerste lid, onderdeel b) wordt in de subsidiebeschikking vermeld wanneer de gesubsidieerde activiteiten moeten zijn verricht.

 

De verantwoordingsinformatie bevat een verslag van de activiteiten en de bijbehorende financiële afwikkeling (financieel verslag) van de activiteiten. Ingevolge het derde lid kan het college bepalen dat het voor de verantwoording daarvan andere stukken en bewijzen verlangt dan gebruikelijk en uit hoofde van de gewone bedrijfsvoering van de subsidieontvanger al worden opgesteld. Te denken valt aan de verslagen, die rechtspersonen uit hoofde van de wet al dienen op te stellen en die natuurlijk naar gelang van de hoedanigheid van de betreffende rechtspersoon verschillen.

 

Artikel 19 Verantwoording subsidies van 5.000 tot 50.000 euro

In dit artikel is aangegeven op welke wijze de subsidiënt de aan hem verleende subsidie aan het college dient te verantwoorden. Ingevolge artikel 10, eerste lid, wordt de wijze van verantwoording al bij het besluit tot verlening van de subsidie aan de ontvanger bekend gemaakt.

 

Het tweede lid bepaalt, dat de subsidieontvanger moet aantonen dat de activiteiten, waarvoor de subsidie is verleend, zijn uitgevoerd. Daarbij zal vooraf door de subsidieverstrekker al moeten zijn aangegeven op welke manieren het aantonen kan plaatsvinden. Er kunnen daarbij verschillende instrumenten worden gebruikt, zoals de bestuurs- en activiteitenverslagen, een managementverklaring, een deskundigenverklaring of andere bewijsstukken (bijvoorbeeld een publicatie) enz. Een financieel verslag of een jaarrekening wordt ook gevraagd als verantwoordingsinformatie. Hiermee wordt inzicht gegeven in de financiële afwikkeling van de activiteiten.

 

Artikel 20 Verantwoording subsidies vanaf 50.000 euro

Bij subsidies van 50.000 euro of meer worden er meer eisen gesteld aan de financiële informatie die wordt verlangt van de subsidie ontvanger.

Bij de financiële verantwoording mag de subsidieverstrekker een door een accountant opgesteld stuk vragen. Het is echter niet verplicht daar in alle gevallen om te vragen. Zekerheid kan ook worden verkregen door steekproefsgewijze controles van de uitvoeringsinstanties of door verantwoording in de jaarrekening van een instelling.

 

Indien er wordt gekozen voor het opvragen van een accountantsverklaring, is het belang dat de gemeente en de subsidieontvanger vooraf goede afspraken maken over de wijze van verantwoorden en over de aspecten die in de controle worden betrokken. Hierbij kan het raadzaam zijn om ook de accountant te consulteren. In de regel worden drie niveaus van controle onderscheiden:

  • 1.

    een getrouwheidsverklaring bij een financiële verantwoording;

  • 2.

    een rechtmatigheidsverklaring bij een financiële verantwoording;

  • 3.

    een rechtmatigheidsverklaring bij een financiële verantwoording plus een accountantsrapport bij het activiteitenverslag.

 

Artikel 21 Vaststelling subsidie

In dit artikel is geregeld binnen welke termijn het college besluit terzake van de vaststelling van de subsidie.

 

Ingevolge het vierde lid kan het college, naast deze Algemene subsidieverordening, categorieën van subsidies of subsidieontvangers aanwijzen voor wie de subsidie wordt vastgesteld zonder dat hiervoor door de subsidieontvanger een aanvraag moet worden ingediend. Hierdoor kunnen administratieve lasten voor zowel de subsidieaanvrager als de subsidieverstrekker worden verminderd.

 

Hoofdstuk 8 Overige bepalingen

 

Artikel 22 Egalisatiereserve en voorziening

Budgetsubsidieontvangers dienen een egalisatiereserve te vormen om kleine positieve resultaten in te reserveren en daarmee toekomstige negatieve fluctuaties die betrekking hebben op subsidiegelden van de gemeente Krimpen aan den IJssel op te kunnen vangen zonder de gemeente om extra geld te vragen.

Het opleggen van het vormen van een voorziening kan nodig zijn als zich ontwikkelingen voor gaan doen die kosten met zich meebrengen. Hierdoor wordt een beroep op de gemeente om extra geld voorkomen. Hierbij kan gedacht worden aan fusie, reorganisatie of beëindiging subsidierelatie, waardoor bijvoorbeeld wachtgeld verplichtingen kunnen ontstaan.

 

Artikel 23 Afroming reserves en voorzieningen

In dit artikel wordt geregeld dat afroming van reserves en/of voorzieningen kan plaats vinden. Het gaat daarbij om overschrijding van de toegestane 15% voor de egalisatiereserve of hoger opgebouwde voorzieningen dan goedgekeurd of verplicht gesteld. Ook kan een egalisatiereserve opgebouwd uit gelden afkomstig van de gemeente Krimpen aan den IJssel niet negatief komen te staan. Tevens kan afroming plaatsvinden wanneer voorzieningen of reserves worden opgebouwd waarvoor geen toestemming is verleend door het college.

 

Artikel 24 Terugvloeien gelden egalisatiereserve

In dit artikel wordt geregeld dat er bij gehele of gedeeltelijke beëindiging van de subsidierelatie, dan wel in geval van faillissement, surseance van betaling, ontbinding, opheffing of liquidatie, de opgebouwde gelden van de egalisatiereserve terugkomen naar de gemeente.

 

Artikel 25 Hardheidsclausule

De toepassing van de hardheidsclausule dient beperkt te blijven tot individuele gevallen. Zodra de toepassing van een hardheidsclausule voor bepaalde gevallen voldoende is uitgekristalliseerd en daardoor een bestendig karakter heeft gekregen, dient dit beleid in de Algemene subsidieverordening of het subsidiebeleidskader te worden neergelegd. De te treffen voorziening, die niet in de verordening is voorzien, dient altijd binnen de doelstelling van de subsidie te passen.

 

Artikel 26 Intrekking

Het is van belang dat van de vigerende subsidieregelingen wordt aangegeven of ze worden ingetrokken en hoe ze zich verhouden tot de Algemene subsidieverordening 2018.

 

Artikel 27 Overgangsbepalingen

Geen nadere toelichting

 

Artikel 28 Inwerkingtreding

Geen nadere toelichting

 

Artikel 29 Citeertitel

Geen nadere toelichting