Aanpassing beleidsregel 2 (inkomen) en 5 (urgenties) bij de Huisvestingsverordening Amsterdam 2016

Burgemeester en wethouders van Amsterdam

 

Brengen ter algemene kennis dat zij in hun vergadering van 6 maart 2018 hebben besloten:

 

  • 1.

    Vast te stellen de aangepaste versie van Beleidsregel 2 Inkomen behorend bij de Huisvestingsverordening 2016 en gelijktijdig in te trekken de huidige Beleidsregel 2.

  • 2.

    Vast te stellen de aangepaste versie van Beleidsregel 5 Urgenties behorend bij de Huisvestingsverordening 2016 en gelijktijdig in te trekken de huidige Beleidsregel 5.

 

In Beleidsregel 5 Urgenties, horend bij de Huisvestingsverordening Amsterdam 2016, moet wegens een uitspraak van de Raad van State van 6 december 2017 een verduidelijking worden opgenomen. Verder worden enkele onvolkomenheden in de tekst, nummering en verwijzingen in Beleidsregel 5 en Beleidsregel 2 hersteld. De gewijzigde versies van de beleidsregels treden een dag na publicatie in het Gemeenteblad in werking.

2. BELEIDSREGEL INKOMEN

Vastgesteld in het college van burgemeester en wethouders op 6 maart 2018

 

Relatie met Huisvestingsverordening Amsterdam 2016 artikel 1, eerste lid onder:

  • p.

    Huishouden: een alleenstaande dan wel twee personen met of zonder kinderen, die een gemeenschappelijke huishouding voeren of wensen te voeren;

  • q.

    Huurprijs: de prijs die bij huur of verhuur is verschuldigd voor het enkele gebruik van een woonruimte of standplaats voor een woonwagen, uitgedrukt in een bedrag per maand berekend volgens het woningwaarderingsstelsel behorende bij het Besluit huurprijzen woonruimte;

  • r.

    inkomen: rekeninkomen als bedoeld in artikel 1, aanhef en onder i van de Wet op de huurtoeslag.

 

Artikel 2.2.2 Aanvullend toelatingscriterium particuliere huurvoorraad

  • 1.

    In aanvulling op de voorwaarden genoemd in artikel 2.2.1 geldt om toegelaten te worden tot de woonruimten waarop het bepaalde in paragraaf 4 van toepassing is de volgende voorwaarde: het inkomen van het huishouden bedraagt maximaal € 44.360,- (prijspeil 2018).

 

  • 2.

    Burgemeester en wethouders kunnen dit bedrag jaarlijks aanpassen overeenkomstig de ministeriële regeling op grond van artikel 10, tweede lid van de Uitvoeringswet huurprijzenwet woonruimte.

 

Samenvatting

Het huishoudeninkomen speelt in een aantal situaties een rol:

  • 1.

    In verband met toelating tot woningen in de sociale huursector worden inkomensnormen gehanteerd die er voor zijn bedoeld om de goedkope woningen af te schermen voor huishoudens met een relatief hoog inkomen. Voor de corporaties geldt het Besluit Toegelaten Instellingen Volkshuisvesting (BTIV). Voor de particuliere verhuurder staat de inkomensnorm in de verordening.

 

  • 2.

    Bij de beoordeling van aanvragen voor een huisvestingsvergunning, wordt door corporaties de inkomenscontrole gedaan. Als het huishouden niet aan de vergunningscriteria voldoet en aan de BTIV inkomenseis, dan wordt de huisvestingsvergunning niet verleend. De gemeente toetst bij particulieren zelf de vergunningscriteria.

 

  • 3.

    Bij de aanvraag voor een urgentieverklaring gelden dezelfde inkomenseisen als in het BTIV (artikel 16), dat wil zeggen: het inkomen van het huishouden mag niet hoger zijn dan € 36.798 (prijspeil 2018).

 

Uitwerking

 

1. Berekening toetsingsinkomen huishouden

Er wordt uitgegaan van de berekeningssystematiek van de Algemene Wet Inkomensafhankelijke Regelingen (AWIR). (artikel 80) Het gezamenlijke toetsingsinkomen van het huishouden in het berekeningsjaar bestaat uit:

  • a.

    de inkomsten waarover inkomstenbelasting wordt geheven (het verzamelinkomen) van alle meetellende leden van het huishouden;

  • b.

    niet in Nederland belastbaar loon van alle meetellende leden van het huishouden. Meetellende leden van het huishouden zijn de aanvrager, de toetsingspartner en tevens de inwonende minderjarige kinderen.

 

2. Het beoordelen van het inkomen bij een aanvraag voor een urgentieverklaring

Er wordt uitgegaan van het toetsingsinkomen. Dit is het gezamenlijke verzamelinkomen van de

woningzoekende en de partner die medebewoner wordt in het jaar dat het huurcontract zal worden getekend. Het verzamelinkomen is het gezamenlijke bedrag van:

  • a.

    het inkomen uit werk en woning;

  • b.

    het inkomen uit aanmerkelijk belang en

  • c.

    het belastbare inkomen uit sparen en beleggen verminderd met daarin te conserveren inkomen.

 

In aanvulling op het IBRI-formulier van de belastingdienst (voorheen formulier IB-60) wordt het verzamelinkomen op één van d e volgende manieren vastgesteld:1. Op basis van een (voorlopige) aanslag Inkomstenbelasting. Bepaal het verzamelinkomen op basis van de meest recente (voorlopige) aanslag inkomstenbelasting.

 

  • 2.

    Op basis van salarisstroken van de afgelopen 3 maanden. Bepaal het verzamelinkomen op basis van 3 recente salarisstroken van werkgevers of uitkeringsinstanties.

 

  • 3.

    Op basis van de winst- en verliesrekening voor zelfstandig ondernemers die niet beschikken over een IBRI of een voorlopige aanslag inkomstenbelasting. Uit de winst- en verliesrekening van het vorige jaar kan de nettowinst worden berekend.

 

Het toetsingsinkomen wordt als volgt vastgesteld

Bij het verzamelinkomen optellen hoeveel inkomen er méér verwacht wordt over het gehele

kalenderjaar (bijvoorbeeld als gevolg van een loonsverhoging, langer werken of het aanvragen van een uitkering). Van het verzamelinkomen aftrekken hoeveel inkomen er minder verwacht wordt over het hele kalenderjaar (bijvoorbeeld als gevolg van korter werken, pensionering, etc.).

 

N.B. Omdat in geval van woningtoewijzing geen toetsing achteraf kan plaatsvinden, mag van een huishouden verlangd worden dat een te verwachten lager fiscaal inkomen aangetoond wordt met aanvullende gegevens.

5. Beleidsregels urgenties

Vastgesteld in het college van burgemeester en wethouders op 6 maart 2018

 

  • I.

    Inleiding

  • II.

    Beleidsregels

    • 16.

      Bevoegdheid en uitvoering

    • 17.

      Aanvraagprocedure en beoordeling

    • 18.

      Weigeringsgronden algemeen

    • 19.

      Aanvullende voorwaarden schulden

    • 20.

      Urgentiecategorie Huiselijk geweld / Blijf-groep

    • 21.

      Urgentiecategorie Mantelzorg

    • 22.

      Urgentiecategorie Statushouders

    • 23.

      Urgentiecategorie Uitstroom maatschappelijke opvang

    • 24.

      Urgentiecategorie Acute noodsituatie

    • 25.

      Urgentiecategorie sociaal medisch

    • 26.

      Aanvullende voorwaarden ernstige medische problemen

    • 27.

      Aanvullende voorwaarden (dreigende) dakloosheid met kinderen

    • 28.

      Aanvullende voorwaarden ernstige bedreiging of geweld

    • 29.

      Aanvullende voorwaarden scheiding en verbroken partnerschap

    • 30.

      Urgentiecategorie Stadsvernieuwing (SV)

  • III.

    Voorrang lokale doelgroepen zonder urgentie

    • 16.

      Overlastgevende Multi Probleem gezinnen

    • 17.

      Laatste Kans-beleid

    • 18.

      Treiteraanpak

    • 19.

      Uitstapprogramma Prostitutie

    • 20.

      Slachtoffers van mensenhandel

    • 21.

      Rolstoelgebruikers

    • 22.

      SOS wibo-indicatie

    • 23.

      Kunstenaars CAWA

 

I. Inleiding

In deze beleidsregels wordt beschreven hoe het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam uitvoering geeft aan de regels op het gebied van urgentieverlening die zijn vastgelegd in de Huisvestingsverordening (HVV) Amsterdam, paragraaf 2.6.

De Huisvestingswet 2014, artikel 12 vormt de juridische basis voor de regels voor urgentieverstrekking in de Huisvestingsverordening. Definities van gehanteerde termen in deze beleidsregels zijn gelijk aan die van artikel 1 van de HVV.

De Algemene wet bestuursrecht (4;81 lid 1) regelt de mogelijkheid voor gemeente om beleidsregels te stellen bij de uitvoering van regels in een verordening.

De beleidsregels zijn opgebouwd in de volgorde van de artikelen van paragraaf 6 (urgentie) in de Huisvestingsverordening Amsterdam 2016. De titels van de beleidsregels bevatten tussen haakjes het uitgewerkte artikel in de HVV.

 

II. Beleidsregels urgentie

1. Bevoegdheid en uitvoering (HVV artikel 2.6.1)

Aanvullende op de bepaling omtrent de bevoegdheid geldt dat;

  • a.

    De directeur Wonen conform het Bevoegdhedenbesluit gemandateerd is voor het beslissen op aanvragen van urgentie;

  • b.

    De beoordeling van de aanvraag en het nemen van besluit op urgentie-aanvragen wordt uitgevoerd door de afdeling Wonen;

  • c.

    De website www.amsterdam.nl , de Stadsloketten en het centrale informatienummer (14020) van de gemeente Amsterdam zijn de aangewezen loketten voor het verstrekken van informatie krijgen en beantwoorden van vragen;

  • d.

    De Stadsloketten zijn aangewezen als loket voor het indienen van aanvragen van urgentie, het inschatten van de mate waarin aan de voorwaarden wordt voldaan en het verstrekken van verdere informatie rondom de voorwaarden, het proces en de stukken die aanvragers moeten indienen;

  • e.

    De GGD is aangewezen voor het uitvoeren van eventueel medisch onderzoek en het geven van advies bij aanvragen.

 

2. Aanvraagprocedure en beoordeling (HVV artikel 2.6.2)

  • a.

    Voor het aanvragen van urgentie door burgers hanteert de gemeente vijf stappen:

    • 1.

      Afspraak maken voor intake; bij een Stadsloket

    • 2.

      Intakegesprek; bij een Stadsloket

    • 3.

      Beoordeling en beslissing; door de afdeling Wonen, team Indicaties

    • 4.

      Zoeken van een woning door de aanvrager (bij sociaalmedische- of SV-urgentie), of het aanbieden ervan via directe bemiddeling door de afdeling Wonen (overige urgenties)

    • 5.

      Beëindiging of intrekking van de urgentie; door de afdeling Wonen, team Indicaties.

 

  • b.

    De aanvrager moet alle gevraagde stukken en leveren waaronder tenminste;

    • 1.

      een geldig Nederlands identiteitsbewijs of geldige verblijfsvergunning;

    • 2.

      de meest recente loon- of uitkeringsspecificatie en een recente jaaropgave of winst- en verliesrekening;

    • 3.

      een recente Inkomensverklaring van de Belastingdienst;

    • 4.

      een geldig bewijs van inschrijving en registratienummer bij Woningnet;

    • 5.

      een echtscheidingsbeschikking (voorheen ‘vonnis’) indien het probleem (mede) gevolg is van echtscheiding;

    • 6.

      het verkoopcontract van de eigen woning, eindafrekening van de hypotheek en bewijs van overschrijving en akkoordverklaring van de bank, als de aanvrager een koopwoning had;

    • 7.

      een kopie van de aangifte bij de politie als de aanvraag voortkomt uit bedreiging of geweld;

    • 8.

      als de aanvraag voortkomt uit medische problemen dienen door de GGD gevraagde medische verklaringen te worden geleverd;

    • 9.

      een verklaring van het Bureau Kredietregistratie (BKR) van maximaal 3 maanden oud;

    • 10.

      indien de aanvrager schulden heeft de stukken genoemd onder beleidsregel 4 schulden;

    • 11.

      andere documenten, verklaringen of bewijsstukken die nodig zijn ter onderbouwing van de aanvraag van urgentie;

    • 12.

      een ingevuld en ondertekend formulier waarmee de afdeling Wonen, team Indicaties gemachtigd wordt om benodigde gegevens op te vragen waarmee de geldigheid van de aanvraag onderzocht kan worden, bijvoorbeeld bij de behandeld arts, begeleidende instelling, verhuurder van de huidige woning, maatschappelijk werk, politie, of andere hulpinstellingen.

 

3. Algemene weigeringsgronden (HVV artikel 2.6.5)

Bij alle categorieën van urgentie gelden de weigeringsgronden van de Huisvestingsverordening artikel 2.6.5. Kort verwoord weigert de gemeente de aanvraag als de aanvrager:

  • a.

    Minderjarig is of geen Nederlandse -nationaliteit of geldige verblijfsstatus heeft (lid 1a), of;

  • b.

    Geen urgent huisvestingsprobleem heeft (lid 1b), of;

  • c.

    Het probleem redelijkerwijs kon voorkomen of op een andere manier kon oplossen (lid 1c), of;

  • d.

    Het probleem op kan lossen door middel van een ‘voorliggende voorziening’ (lid 1d), of;

  • e.

    Het probleem door eigen verwijtbaar doen of handelen heeft veroorzaakt(lid 1e), of;

  • f.

    Een probleem heeft dat niet of onvoldoende wordt opgelost met een andere woonruimte (lid 1f), of;

  • g.

    Een urgentieverklaring had die minder dan 2 jaar geleden werd ingetrokken (lid 1g), of;

  • h.

    Niet in eigen bestaan of de kosten van de woning kan voorzien (lid 1h), of;

  • i.

    Met zijn of haar huishouden minder dan 2 jaar onafgebroken in Amsterdam woont (lid 1i en lid 2), of;

  • j.

    Een inkomen heeft boven de DAEB-norm (lid 1j), of;

  • k.

    In een onderkomen woont dat formeel geen zelfstandige woonruimte is (lid 2), of;

  • l.

    Niet valt onder één van de urgentiecategorieën (lid 3).

 

De bovengenoemde weigeringsgronden worden hieronder uitgewerkt en worden beoordeeld aan de hand van de volgende voorwaarden en criteria:

 

Ad a) De aanvrager is geen 18 jaar of ouder, of heeft geen Nederlandse -nationaliteit of vreemdelingenstatus

  • Met het bezit van de vreemdelingenstatus wordt bedoeld dat de aanvrager en alle leden van diens huishouden rechtmatig in Nederland verblijven zoals is bedoeld in artikel 8, a t/m e en l van de Vreemdelingenwet 2000;

  • De verantwoordelijkheid voor opvang van vreemdelingen zonder verblijfstatus ligt bij de Dienst terugkeer en vertrek, uitvoeringsorganisatie van het Ministerie van Justitie.

 

 

Ad b) Géén urgent huisvestingsprobleem

Indien zich uitsluitend één of een combinatie van meerdere van de onderstaande problemen voordoet, is er géén urgent huisvestingsprobleem:

  • de huidige woning verkeert in slechte staat of is van onvoldoende kwaliteit, tenzij de woning onbewoonbaar is verklaard wegens bijvoorbeeld brand of instorting;

  • de huidige woning is te klein of te groot voor het huishouden van de aanvrager;

  • de aanvrager kan door medische klachten de huidige woning en/of behorende tuin niet meer zelf onderhouden;

  • de aanvrager wil of moet vanwege zijn werk verhuizen;

  • de aanvrager woont, met niet-schoolgaande kinderen of zonder kinderen, bij een ander huishouden in;

  • de aanvrager of diens partner is zwanger;

  • de aanvrager is gescheiden of de samenwonings- of partnerrelatie is verbroken maar woont nog met de (ex-)partner in één woning;

  • de aanvrager wordt uit detentie vrijgelaten;

  • de aanvrager heeft een tijdelijke huurovereenkomst;

  • de aanvrager woont in onderhuur;

  • de aanvrager wil een woning met voldoende ruimte in het kader van co-ouderschap of bezoekregeling voor kinderen na scheiding of verbroken partnerschap, terwijl de kinderen elders onderdak hebben;

  • de aanvrager heeft psychische problemen als gevolg van één of meer van de hierboven genoemde omstandigheden.

Indien de aanvrager een probleem aanvoert dat hierboven niet is genoemd, al dan niet in combinatie met één van de bovengenoemde problemen, kan er alsnog sprake zijn van een urgent huisvestingsprobleem. In dat geval zal worden onderzocht of de problematiek valt onder de criteria van de urgentiecategorieën genoemd in artikel 2.6.6 tot en met 2.6.8 van de HVV. Bijvoorbeeld bij aangevoerde medische problematiek in relatie tot het huisvestingsprobleem.

 

Ad c) Het huisvestingsprobleem was redelijkerwijs op te lossen of te voorkomen;

Van een dergelijk probleem is in ieder geval sprake als de aanvrager:

  • niet alles wat redelijkerwijs tot diens mogelijkheden behoort heeft gedaan om het huisvestingsprobleem te voorkomen of op te lossen;

  • een gezin heeft gesticht zonder over daartoe passende woonruimte te beschikken;

  • een passende reguliere woning aangeboden kreeg in de periode dat aannemelijk werd dat hij een huisvestingsprobleem zou gaan krijgen, tot een jaar voorafgaand aan het indienen van de aanvraag van urgentie;

  • zelf de financiële middelen heeft om het huisvestingsprobleem op te lossen;

  • 55 jaar of ouder is, waardoor de aanvrager een ouderen- of seniorenwoningen kan krijgen;

  • een huishouden van maximaal 3 personen heeft alsmede inschrijfduur bij Woningnet van 11 jaar of meer, waarmee ook zonder urgentie ook een passende woning verkrijgbaar is;

  • een huishouden van 4 personen of meer heeft alsmede inschrijfduur bij Woningnet van 12,5 jaar of meer, waarmee zonder urgentie ook een passende woning verkrijgbaar is.

 

Ad d) Het huisvestingsprobleem kon worden voorkomen of kan worden opgelost door gebruik te maken van een voorliggende voorziening;

Met ‘voorliggende voorzieningen’ worden bedoeld;

  • de publieke voorzieningen op het gebied van zorg, hulp en ondersteuning zoals aanleg van een traplift of andere woningaanpassingen die de gemeente in het kader van de WMO mogelijk maakt, hulp bij het huishouden of vervoersvoorzieningen, wijkverpleging, thuiszorg, maatschappelijk werk, schuldhulpverlening, geestelijke gezondheidszorg of jeugdhulp, of;

  • andere voorzieningen en maatregelen die hier niet zijn beschreven of die vermeld staan in de beleidsregels per urgentiecategorie.

 

Ad e) Het probleem is gevolg van verwijtbaar doen of nalaten van aanvrager of een lid van zijn huishouden, hiervan is in ieder geval sprake:

  • bij woninguitzetting wegens huurschuld, overlast, fraude of criminele activiteiten, veroorzaakt door de aanvrager of een lid van diens huishouden, of;

  • als de aanvrager in de gemeente is komen wonen zonder te zorgen voor adequate woonruimte voor zichzelf en eventuele andere leden van zijn of haar huishouden.

 

Ad f) Het probleem kan niet of onvoldoende opgelost worden met verhuizing naar een andere woonruimte, waarmee bedoeld wordt:

  • de aanvragen wegens problemen of omstandigheden die meer gebaat zijn bij inzet van een voorliggende voorziening of medische zorg, dan met een andere woning;

  • de voorliggende voorzieningen behelzen alle voorzieningen zoals in bovenstaande regel (Ad d) is gedefinieerd.

 

Ad g) Minder dan 2 jaar geleden een urgentieverklaring is vervallen of werd ingetrokken;

Waarmee bedoeld wordt dat een weigering volgt als korter dan 2 jaar voorafgaand aan het moment van indienen van de aanvraag een urgentie van de aanvrager of lid van diens huishouden

  • verviel of

  • werd ingetrokken.

 

Ad h) De aanvrager is niet in staat om in zijn bestaan of in de kosten van bewoning van zelfstandige woonruimte te voorzien, waarv an sprake is als de aanvrager

  • onvoldoende inkomen uit arbeid, onderneming of uitkering heeft rekening houdend met eventuele aflossingsverplichtingen, of

  • schulden heeft die niet zijn geregeld zoals is beschreven in artikel 4 ‘Schulden; aanvullende voorwaarden’ verderop in dit document.

 

Ad i) De aanvrager woont minder dan twee jaar onafgebroken in de gemeente waar urgentie wordt aangevraagd,

waarbij geldt dat;

  • deze eis zowel voor de aanvrager als diens huishouden geldt;

  • de twee jaar berekend wordt vanaf het moment van het indienen van de aanvraag;

  • het woonadres vastgesteld wordt op basis van de inschrijving in de Basisregistratie Personen (BRP) en indien noodzakelijk een aanvullende controle;

  • uitzondering wordt gemaakt voor aanvragers met één of meer schoolgaande kinderen. Deze huishoudens kunnen tot maximaal een half jaar na uitschrijving uit het BPR van Amsterdam alsnog urgentie aanvragen indien ze tijdelijk elders wonen wegens relatiebreuk of echtscheiding en voldoen aan de overige criteria;

  • de urgentiecategorieën Blijf-groep (HVV 2.6.6 lid 1a), mantelzorg (HVV 2.6.6 lid 1b) en statushouders (HVV 2.6.8 lid 1d) niet onder deze weigeringsgrond vallen, en

  • voor de urgentiecategorie Uitstroom maatschappelijke opvang geldt een afwijkende regel (zie onder 8 lid e).

 

Ad j) Het inkomen is hoger dan de DAEB-norm,

waarbij geldt dat;

  • gerekend wordt met het gezamenlijk belastbaar jaarinkomen van het huishouden, uitgezonderd het inkomen van kinderen,

  • de aanvrager moet voldoen aan de normen voor het passend toewijzen op inkomen welke door corporaties worden gehanteerd op basis van het BTIV (Besluit toegelaten instellingen volkshuisvesting 2015).

  • een uitzondering op deze regel wordt gemaakt voor degenen die in aanmerking komen voor een calamiteiten-urgentie op basis van artikel 2.6 8, lid 1a onderdeel ‘acute noodsituatie (zie onder 8).

  • een afwijkende inkomensgrens gehanteerd wordt voor de urgentiecategorie Stadsvernieuwing (artikel 2.6.8 lid 1c), conform de Amsterdamse Kaderafspraken 2015-2019.

 

Ad k) In de twee jaar voor het moment van aanvraag in een onderkomen woonde welke niet bestemd is voor permanente bewoning krachtens een besluit op grond van de Wet ruimtelijke o rdening,

Hiervan is in elk geval sprake als de aanvrager

  • woont in een onzelfstandige woonruimte (zoals gedefinieerd in HVV artikel 1 lid ee.),

  • een bedrijfspand, caravan, een provisorisch onderkomen of een gebouw ongeschikt voor bewoning verbleef.

 

4. Sc hulden (HVV artikel 2.6.5 lid 1h)

Bij de weigeringsgrond omtrent het ‘voorzien in kosten van bewoning’ (HVV artikel 2.6.5 lid 1h) geeft de beleidsregel aan dat urgentie geweigerd wordt als de aanvrager schulden heeft, tenzij deze maatregelen heeft genomen om de schulden beheersbaar te maken.

Hiermee wordt bedoeld dat:

  • a.

    De aanvrager aantoont te beschikken over een

    • een bewijs van toelating en een overeenkomst met een door de gemeente Amsterdam erkend bureau voor schuldhulpverlening,

    • een overzicht van de schulden en Plan van Aanpak van het schuldhulpverleningsbureau;

  • b.

    De aanvrager heeft een redelijkerwijs na te komen betalingsregeling met de schuldeisers getroffen, waarbij een besteedbaar inkomen na aftrek van de aflossing in stand is gehouden ter hoogte van minimaal 90% van een bijstandsuitkering inclusief vakantietoeslag;

  • c.

    Afhankelijk van de aard en omvang van de schulden, de inkomsten en situatie van de aanvrager kan als voorwaarde voor de urgentie worden gesteld dat extra maatregelen worden genomen ter beheersing van de schulden zoals beschermingsbewind, inkomensbeheer, toelating tot de Gemeentelijke Kredietbank Amsterdam (GKA) of Wet Schuldsanering Natuurlijke Personen (WSNP).

  • d.

    De aanvrager mee moet werken aan het traject van schuldhulpverlening, het staken van de medewerking of uitvoering van de afspraken leidt tot intrekking van de urgentie;

  • e.

    Als de aanvrager gescheiden is en de schulden zijn nog niet geregeld, moet een deel van de in het huwelijk gemaakte schulden zijn toebedeeld aan de ex-partner, en moet de aanvrager aantonen dat de schuldeisers hiermee akkoord gaan;

  • f.

    Als de aanvrager (mede-) eigenaar is van een koopwoning dient deze te zijn verkocht of de hypotheek zijn overgenomen door de ex-partner, de aanvrager moet in alle gevallen een vrijwaringsbewijs van de hypotheekverstrekker indienen zodat getoetst kan worden of de aanvraag geweigerd wordt op basis van HVV artikel 2.6.5

    • lid 1h (onvoldoende inkomen) wegens een hypotheekschuld, of

    • lid 1c (probleem is op andere wijze oplosbaar) met behulp van restwaarde na verkoop.

 

5. Urgentiecategorie Blijf-groep (HVV artikel 2.6.6 lid 1a)

De aanvraag van urgentie voor mensen die verblijven in een instelling voor tijdelijke opvang van slachtoffers van huiselijk geweld oftewel de Blijf-groep, wordt beoordeeld op basis van de algemene weigeringsgronden, met uitzondering van lid 1i (lokale binding).

Daarnaast moet worden voldaan aan de volgende voorwaarden:

  • a.

    De aanvrager heeft aangifte gedaan van mishandeling door de partner of familielid bij de politie, of heeft een verklaring van de politie welke aangeeft dat de er geen aangifte kan worden gedaan vanwege een strafrechtelijk onderzoek naar een misdrijf waarvan de aanvrager van urgentie slachtoffer is;

  • b.

    De aanvrager staat in de Basis Registratie Personen (BRP) ingeschreven op het adres van de bovengenoemde instelling;

  • c.

    Voorliggende voorzieningen moeten door de aanvrager zijn benut, waaronder mogelijkheid om zich als medehuurder te laten erkennen en op basis van het huurrecht de voormalige gezamenlijke woning op te eisen;

  • d.

    Indien de aanvrager getrouwd was met de dader van het huiselijk geweld, dienen de echtscheidingsbeschikking en het ouderschapsplan te worden ingediend,

  • e.

    Indien de aanvrager ongehuwd samenwonend was en met de dader kinderen heeft, dient er een ouderschapsplan te worden meegestuurd bij de aanvraag;

  • f.

    Aanvragers die niet getrouwd of samenwonend waren en vanuit een inwoonsituatie in de instelling terecht zijn gekomen, moeten 23 jaar of ouder zijn;

  • g.

    Aanvragers die (mede-) eigenaar zijn van een koopwoning dienen deze eerst te verkopen en moeten een bewijs van vrijwaring van de hypotheekverstrekker tonen;

  • h.

    De aanvrager heeft een risico-screening van de instelling van opvang, welke aansluit op de aangifte of verklaring van de politie en waaruit blijkt dat er risico is op herhaald geweld.

 

6. Urgentiecategorie mantelzorg (HVV artikel 2.6.6 lid 1b)

De aanvraag voor urgentiecategorie mantelzorg wordt beoordeeld op basis van de algemene weigeringsgronden met uitzondering van lid 1i (lokale binding). Daarnaast gelden de volgende voorwaarden:

  • a.

    Er is sprake van mantelzorg waarbij in de 3 maanden voorafgaande aan het moment van de aanvraag 8 uur of meer mantelzorg per week is verleend of ontvangen;

  • b.

    De onder 6a gestelde 8 uur mantelzorg per week zijn verleend gedurende 4 dagen of meer per week, tenzij de medische problematiek zoals Alzheimer, schizofrenie of andere chronische psychische aandoeningen 24 uur per dag nabijheid vereisen en de hulp op onverwachte momenten wordt geboden.

  • c.

    De mantelzorgsituatie zal naar verwachting nog minstens één jaar voortduren,

  • d.

    De relatie tussen mantelzorggever en mantelzorgontvanger is gebaseerd op familiebanden of langdurige sociale omgang en komt niet voort uit vrijwilligerswerk ter vervulling van de mantelzorgtaken of daarmee vergelijkbare activiteiten;

  • e.

    De mantelzorgontvanger en mantelzorggever wonen zelfstandig en niet in een intramurale instelling;

  • f.

    Het betrekken van een woning in Amsterdam is de enige manier om ervoor te zorgen dat de mantelzorgontvanger zelfstandig kan blijven wonen;

  • g.

    De voorliggende voorzieningen worden al benut, hiermee worden bedoeld alle professionele hulp, zorg, begeleiding of ondersteuning die redelijkerwijs verkrijgbaar is en de behoefte aan mantelzorg verlicht, waaronder;

    • Hulp bij het huishouden, woonvoorzieningen en/of overige voorzieningen die de gemeente biedt onder de Wet Maatschappelijke Ondersteuning (WMO);

    • Wijkverpleging, thuiszorg of andere zorg die verkregen worden via de zorgverzekering;

    • Zorg op basis van de Wet Langdurige Zorg (WLZ)

    • Overige voorzieningen, waaronder ambulante begeleiding of dagbesteding;

  • h.

    De mantelzorggever en mantelzorgontvanger wonen op minimaal 5 kilometer afstand van elkaar;

  • i.

    De mantelzorggever heeft geen medische, fysieke en/of psychische problemen die in de weg staan bij het uitvoeren van mantelzorg;

  • j.

    De aanvrager is redelijkerwijs niet in staat om het woonprobleem op te lossen door middel van:

    • de reguliere toegang tot een sociale huurwoning (zie weigeringsgrond artikel 2.6.5 lid 1c);

    • inwoning bij verzorger of verzorgde, in combinatie met een regeling voor huisbewaring ten behoeve van het huis dat hierdoor tijdelijk niet meer bewoond wordt;

    • een andere redelijkerwijs uitvoerbare, niet in dit artikel omschreven methode.

  • k.

    de eigen woning moet zijn opgezegd of verkocht.

7. Urgentiecategorie vergunninghouders (HVV artikel 2.6.8 lid 1d)

Vergunninghouders oftewel statushouders komen in aanmerking voor urgentie als:

  • a.

    zij direct na ontvangst van een verblijfsvergunning voor het eerst gaan uitstromen uit een COA-voorziening;

  • b.

    nog niet eerder door het COA bij een andere gemeente zijn voorgedragen voor huisvesting;

  • c.

    nog niet eerder in het kader van uitstroom uit de COA-voorziening aangeboden woonruimte hebben geweigerd;

 

8. Urgentiecategorie uitstroom maatschappelijke opvang (HVV Artikel 2.6.7)

Deze urgentiecategorie is bedoeld voor personen die een woning nodig hebben omdat ze moeten uitstromen uit een instelling voor maatschappelijke opvang, een psychiatrische instelling, een situatie van beschermd wonen of een erkende hulp- of dienstverleningsinstelling.

De aanvraag wordt beoordeeld aan de hand van de criteria in de HVV artikel 2.6.7, waarin is bepaald dat ook de algemene weigeringsgronden in artikel 2.6.5 van toepassing zijn met uitzondering van lid 1 sub b, e, g en i.

Daarnaast moet de aanvraag voldoen aan de volgende voorwaarden:

  • a.

    De aanvraag wordt gedaan ten behoeve van een cliënt van de Maatschappelijk Opvang of Beschermd Wonen welke is toegelaten op basis van een besluit van de Centrale Toegang en voldeed aan de gehanteerde criteria voor toegang;

  • b.

    De aanvraag wordt gedaan door een vertegenwoordiger van de maatschappelijke instelling in het overleg van de Uitstroomtafel met behulp van een daartoe bestemd aanmeldformulier

  • c.

    De zelfredzaamheid van de cliënt is vastgesteld door de Uitstroomtafel;

  • d.

    Conform artikel 2.6.7 lid 3 van de HVV wordt de aanvraag gedaan in de gemeente waar de locatie van opvang van de cliënt gelegen is,

  • e.

    Conform artikel 2.6.7 lid 4 van de HVV wordt als zoekgebied in de urgentieverklaring de gemeente gekozen waar de cliënt tenminste twee van de drie jaren direct voorafgaand aan opname in de instelling verbleef;

  • f.

    Van bovenstaande bepaling wordt afgeweken als dat wenselijk is gelet op de problematiek van de cliënt.

  • g.

    De aanvrager voldoet aan de criteria ‘stabiele mix’ wat betekent dat de aanvrager :

    • een passende zinvolle dagbesteding heeft of een sociaal- of begeleidingstraject volgt;

    • op stabiele wijze sociaal functioneert, afspraken nakomt en kan omgaan met het eigen netwerk, hulpverleners en de omgeving;

    • op stabiele wijze psychisch functioneert en, indien nodig, behandeling ondergaat op het gebied van geestelijke gezondheidszorg en/of verslavingszorg;

    • door middel van een expliciete verklaring instemt met begeleiding of zorg zoals boven is omschreven of met enig ander soort van zorg of begeleiding ter bevordering van de zelfredzaamheid en/of voorkoming van overlast voor anderen;

  • h.

    De aanvrager voldoet aan de criteria ‘stabiele mix financiën’ dat betekent dat de aanvrager:

    • de afgelopen 3 maanden een stabiel inkomen had en aan de overige inkomenseisen voldoet;

    • in geval van schulden meewerkt of zorgt voor inzicht in zijn of haar schuldpositie op basis van een uitdraai van de Bureau Krediet Registratie en een overzicht van alle schulden en lopende afbetalingen, of ;

    • in inkomensbeheer zit en een stabiel werkend budgetplan heeft, of;

    • een overeenkomst heeft met een schuldhulpverleningsbureau, waarbij sprake is van regelmatig contact tussen begeleider vanuit de hulpverlening met de schuldhulpverlener en het schuldhulpverleningstraject voorspoedig loopt;

    • meewerkt of zorgt voor een actueel overzicht van alle CJIB-boetes en aantoont dat er geen kans is op detentie vanwege openstaande boetes.

  • i.

    Bij een aanvraag van urgentie in het kader van Discus, Housing First Jeugd of Opstapwoningen wordt uitzondering gemaakt op de bovengenoemde voorwaarden (onder 8g en 8h) en dient het daarvoor bestemde aanmeldformulier te worden gebruikt.

9. Urgentiecategorie acute noodsituatie (Bij HVV art. 2.6.8, lid 1a)

Deze urgentiecategorie wordt ook de ‘calamiteitenurgentie’ genoemd. Calamiteiten zijn plotselinge gebeurtenissen waar de aanvrager geen invloed op kon uitoefenen en die tot een acuut woonprobleem leiden zoals brand, explosie of verzakking.

De aanvraag wordt beoordeeld op basis van de algemene weigeringsgronden uitgezonderd lid 1j (inkomenseis) en dient daarnaast te voldoen aan de volgende voorwaarden:

  • a.

    De aanvrager is inschreven op een woning waarvan de ongeschiktheid voor bewoning is vastgesteld door, of in opdracht van, een toezichthouder die bevoegd is toe te zien op naleving van de bouwregelgeving in de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht en Woningwet;

  • b.

    Het herstel van de woning duurt langer dan vier maanden volgens de toezichthouder;

  • c.

    Alleen de hoofdbewoner komt in aanmerking van urgentie, inwoners dienen met de hoofdbewoner mee te verhuizen; en,

  • d.

    De calamiteit is niet met opzet veroorzaakt door de aanvrager.

 

10. Urgentiecat egorie medische of sociale redenen (sociaal-medische urgentie HVV 2.6.8 lid 1b)

De aanvraag van urgentieverklaring op basis van dit artikel wordt beoordeeld op basis van de algemene weigeringsgronden.

  • a.

    Daarnaast kan de urgentie alleen worden verkregen als de aanvrager met één of meer van de volgende problemen wordt geconfronteerd:

    • I.

      Ernstige medische problemen

    • II.

      Dakloosheid of dreigende dakloosheid met zorg voor minderjarige kinderen

    • III.

      Inwonend met schoolgaande kinderen

    • IV.

      Geweld of ernstige bedreiging.

  • b.

    De bovengenoemde problemen zijn levensontwrichtend en leiden ertoe dat de aanvrager niet meer in staat is om zelfstandig te functioneren;

  • c.

    Een zelfstandige woning vormt een substantieel deel van de oplossing voor bovengenoemd probleem;

  • d.

    Indien het probleem niet of slechts beperkt opgelost wordt door een andere woonruimte, of als de aanvrager meer gebaat is bij inzet van een voorliggende voorziening (medische of psychische zorg, of begeleiding) wordt dat aanvraag afgewezen op grond van artikel 2.6.5 lid 1 d) of lid 1 f);

 

11. Aanvullende voorwaarden bij regel 10, lid a I (ernstige medische problemen)

  • a.

    De ernstige en levensontwrichtende aard van het medische probleem blijkt uit medische verklaringen van één of meer behandelend artsen of specialisten, welke door de GGD kunnen worden opgevraagd;

  • b.

    Psychische problemen zijn aantoonbaar chronisch, en de aanvrager moet op het moment van aanvraag minimaal 6 maanden onder behandeling zijn voor het betreffende medische probleem bij een GGZ instelling of vrijgevestigd psychiater in Nederland;

  • c.

    Het probleem wordt mede veroorzaakt door de woonsituatie, dan wel de behandeling van het probleem wordt aantoonbaar in hoge mate ongunstig beïnvloed door de woonsituatie;

  • d.

    Bij een chronische psychische stoornis kan de voorwaarde worden opgelegd dat de aanvrager of een lid van diens huishouden psychiatrische zorg of begeleiding aanvaardt.

 

12. Aanvullende voorwaarden bij regel 10, lid a II (dreigende dakloosheid met minderjarige kinderen)

  • a.

    Te hoge huurlasten moeten aangetoond worden met een beschikking voor bijzondere bijstand voor woonlasten van de gemeente Amsterdam;

  • b.

    In geval van te hoge hypotheeklasten dient de aanvrager het eigen huis te verkopen en de hypotheek te beëindigen zodat getoetst kan worden of er geen alternatieve (financiële) oplossing is voor het huisvestingsprobleem;

  • c.

    In het lid b) hierboven gestelde geval wordt tevens getoetst of er na verkoop van het eigen huis een problematische restschuld optreedt welke geregeld moet worden op basis van de aanvullende voorwaarde schulden (onder 4 van deze beleidsregel) of welke leidt tot weigering basis van artikel 2.6.5 lid 1h);

  • d.

    Bij een verbroken relatie of echtscheiding moet een door de rechter of notaris bekrachtigd ouderschapsplan en eventueel een echtscheidingsbeschikking (echtscheidingsvonnis) ingediend worden (zie ook de overige eisen bij beleidsregel 14).

 

12a. Aanvullende voorwaarden bij regel 10, lid a III (inwonend met schoolgaande kinderen)

  • a.

    De aanvrager heeft ten minste één kind dat in Amsterdam naar school gaat en minimaal 4 jaar en maximaal 17 jaar oud is.

  • b.

    De inwoonsituatie leidt gezien het aantal kamers, grootte, kwaliteit en inrichting van de woning tot overbezetting.

  • c.

    De gemeente Amsterdam kan voor de beoordeling van de inwoonsituatie en overbezetting van de woning een inspectie uitvoeren.

 

13. Aanvullende voorwaarden ernstige bedreiging of geweld

  • a.

    De aanvrager heeft zijn of haar woning als gevolg van een levensbedreigende situatie door stelselmatig geweld of bedreiging acuut moeten verlaten;

  • b.

    De levensbedreigende situatie moet blijken uit een proces verbaal van de politie, zo mogelijk aangevuld door gegevens van justitie;

  • c.

    in geval van bedreiging en/of geweld door de ex-partner of huisgenoot moet de aanvrager een beroep gedaan hebben op de hierbij passende voorliggende voorzieningen, te weten inzet van een huisverbod, straatverbod of contactverbod voor de dader, of gebruik van een AWARE-veiligheidsvoorziening door de aanvrager van de urgentie;

  • d.

    In geval van geweld of bedreiging door een ander dan een ex-partner of huisgenoot, dient de aanvrager een verklaring van de politie te overhandigen waaruit blijkt dat de aanvrager uit veiligheidsredenen niet langer in de eigen woning kan verblijven, ook niet na een opgelegd of eventueel op te leggen straatverbod of contactverbod.

 

14. Aanvullende voorwaarden scheiding en verbroken partnerschap

Indien scheiding of verbroken partnerschap de achterliggende oorzaak is van de (dreigende) dakloosheid met zorg voor minderjarige kinderen en daarop gebaseerde aanvraag van urgentie, gelden de volgende aanvullende voorwaarden:

  • a.

    aangetoond moet worden dat het partnerschap en de duurzaam gemeenschappelijk gevoerde huishouding is geëindigd;

  • b.

    bij echtscheiding moet de echtscheidingsbeschikking worden ingediend, deze dient te zijn geregistreerd bij de basisregistratie personen;

  • c.

    bij een verbroken relatie zonder echtscheiding moet een ouderschapsplan worden ingediend, welke is bekrachtigd door een notaris of rechtbank;

  • d.

    de aanvraag moet binnen één jaar na datering van de echtscheidingsbeschikking worden ingediend;

  • e.

    de echtscheidingsbeschikking moet aantonen dat er géén woning beschikbaar is voor de minderjarige kinderen;

  • f.

    bij verbroken partnerschap en samenwoning, dient de aanvrager aan te tonen minimaal 2 jaar te hebben samengewoond;

  • g.

    de verbroken relatie is aangetoond doordat de aanvrager tenminste drie maanden niet meer geregistreerd staat op het samenwoonadres;

  • h.

    bij samenwoning kan de urgentie worden aangevraagd tot één jaar na geregistreerd vertrek uit de gezamenlijke woning;

  • i.

    het (tijdelijke inwoon-)adres van de aanvrager en diens kinderen moet overeenkomen met de gegevens in het BRP (Basisregistratie Personen);

  • j.

    de aanvrager gebruik heeft gemaakt van de mogelijkheid om zich als medehuurder te laten erkennen en heeft geprobeerd om op basis van het huurrecht de voormalige gezamenlijke woning op te eisen;

 

15. Stadsvernieuwing (HVV artikel 2.6.8 lid 1c)

Degene die woonruimte nodig heeft in verband met de sloop of ingrijpende renovatie van de huidige woning kan urgentie krijgen. Deze urgentie kan worden verleend aan:

  • a.

    de huishoudens die op de, door het college van burgemeester en wethouders vastgestelde, peildatum feitelijk hoofdbewoner zijn van een woonruimte van een particuliere eigenaar, in een complex met maximaal 4 woningen, met een rekenhuur tot de prijs als beschreven in de huisvestingsverordening, of

  • b.

    de huishoudens die op de, door het college van burgemeester en wethouders vastgestelde, peildatum feitelijk hoofdbewoner zijn van een woonruimte van een corporatie, of

  • c.

    de ingezetenen die hieraan door het college van burgemeester en wethouders worden gelijkgesteld en die hun woonruimte moeten ontruimen in het kader van de stadsvernieuwing of herstructurering, of daarmee door Burgemeester en Wethouders gelijkgestelde activiteiten. Onder stadsvernieuwing wordt hier verstaan: slopen; ingrijpend verbeteren; optoppen; aanbouwen en samenvoegen.

 

III. Voorrang lokale doelgroepen zonder urgentie

Naast de wettelijke en regionale urgentiecategorieën zijn er lokale doelgroepen die een voorrangspositie hebben op de Amsterdamse woningmarkt. Daarnaast worden bepaalde doelgroepen benoemd die met voorrang voor een bepaalde categorie woonruimte in aanmerking komen.

 

16. (Overlastgevende) Multiprobleemgezinnen

Gezinnen die overlast veroorzaken en meervoudige complexe problemen hebben, die niet kunnen worden gestabiliseerd of opgelost door hulpverleners, kunnen worden geholpen door de inzet van een MPG-traject. De procesmanager MPG bij de afdeling OJZ besluit of een gezin bij de afdeling Wonen wordt voorgedragen voor urgentie. Daarbij gelden de volgende voorwaarden:

  • a.

    voorafgaand aan het moment van aanmelden woont het gezin minimaal twee jaar in Amsterdam;

  • b.

    het gezin heeft voldoende inkomen om de huur te kunnen betalen en er is een regeling getroffen voor de schulden;

  • c.

    het gezin krijgt een eenmalige aanbieding van een woning;

  • d.

    er is een Gezinsplan van aanpak, waarin ook de begeleiding is uitgewerkt en aanvullende eisen kunnen worden geformuleerd;

  • e.

    het gezin krijgt geen huurcontract maar tekent een bewonersovereenkomst;

  • f.

    voldoet het gezin aan het Gezinsplan van aanpak, dan kan na 2,5 jaar de bewonersovereenkomst worden omgezet in een huurcontract op naam van het gezin;

  • g.

    als het gezin de afspraken in het gezinsplan van aanpak niet nakomt, dan wordt de bewonersovereenkomst ontbonden en de woning ontruimd; er is geen huurbescherming mogelijk en Bureau Jeugdzorg wordt ingeschakeld voor onderdak van de kinderen.

 

17. Laatste Kansbeleid

Veroorzakers van extreme (buren)overlast kunnen door een ontruimingsprocedure dakloos worden. Als onderdeel van het gemeentelijk Preventiebeleid kunnen zij onder strikte voorwaarden nog eenmaal (als laatste kans) een andere woning aangeboden krijgen. Het Laatste Kansbeleid wordt uitgevoerd door de GGD en de afdeling Wonen in samenwerking met de Meldpunten Zorg en Overlast, het Leger des Heils en de woningcorporaties. Het Laatste Kansbeleid wordt voornamelijk ingezet voor alleenstaanden en stellen zonder kinderen met psychiatrische en/of verslavingsproblematiek. Hierbij gelden de volgende voorwaarden:

  • a.

    in aanmerking komen personen van wie het Groot Overleg Bestrijding Extreme Overlast verwacht dat zij met begeleiding in de nieuwe woonsituatie geen extreme overlast meer zullen veroorzaken, er is een Einde Interventieverklaring afgegeven en een Laatste Kans voorgesteld;

  • b.

    er is een ontbindingsvonnis van het bestaande huurcontract;

  • c.

    inkomen, schulden (incl. inkomensbeheer), dagbesteding, begeleiding en/of behandeling zijn geregeld;

  • d.

    de betrokkene gaat schriftelijk akkoord met de afspraken die horen bij het Laatste Kanstraject;

  • e.

    de betrokkene krijgt een eenmalige aanbieding van een woning;

  • f.

    het huurcontract van de woning komt twee jaar op naam van het Leger des Heils, die ook de begeleiding verzorgt;

  • g.

    een casemanager van de GGD ziet er op toe dat de afspraken worden nagekomen;

  • h.

    als de betrokkene zich houdt aan de afspraken en niet opnieuw overlast veroorzaakt wordt het huurcontract na twee jaar overgezet op naam van de bewoner en het Laatste Kanstraject beëindigd;

  • i.

    als de betrokkene zich niet aan de afspraken houdt of opnieuw overlast veroorzaakt kan het Leger des Heils of de verhuurder ontruiming van de woning bij de kantonrechter vorderen;

  • j.

    de eerste drie jaar na ontruiming komt de betrokkene niet in aanmerking voor urgentie voor een sociale huurwoning.

 

18. Treiteraa npak

De Amsterdamse treiteraanpak is bedoeld om ernstige woonoverlast aan te pakken. Namens de gemeente Amsterdam nemen de stadsdeelregisseurs het initiatief bij de aanpak van individuele treitersituaties. Er kan worden opgeschaald naar een multidisciplinair interventieteam. Aan daders en of slachtoffers kan een vervangende woning worden aangeboden, daarbij gelden de volgende voorwaarden:

  • a.

    er is bij herhaling sprake van overlast in de woonomgeving in combinatie met ernstige bedreigingen van personen en/of vernielingen van eigendommen;

  • b.

    de vermoedelijke dader is een direct omwonende;

  • c.

    het slachtofferschap is onbetwist;

  • d.

    de gemeente Amsterdam zoek samen met de woningcorporaties naar een andere woning voor notoire treiteraars in een ander stadsdeel dan waar de overlast plaatsvond;

  • e.

    de betrokken treiteraar krijgt een eenmalige aanbieding van een woning;

  • f.

    de betrokkene gaat schriftelijk akkoord met de afspraken die horen bij de treiteraanpak;

  • g.

    het huurcontract van de woning komt twee jaar op naam van het Leger des Heils;

  • h.

    Restart begeleidt de betrokkene in de nieuwe woonomgeving;

  • i.

    als de betrokkene zich houdt aan de afspraken die in de overeenkomst zijn opgenomen, dan kan na twee jaar het huurcontract op naam van de bewoner worden overgezet;

  • j.

    als de betrokkene zich niet aan de afspraken houdt, dan wordt de betrokkene ontruimd;

  • k.

    de eerste drie jaar na ontruiming komt de betrokkene niet in aanmerking voor urgentie voor een sociale huurwoning.

 

19. Uitstapprogramma Prostitutie

De gemeente Amsterdam heeft in 2012 het uitstapprogramma voor prostituees verbeterd, onder meer wat betreft huisvesting. De afdeling Wonen heeft in samenwerking met de GGD en HVO-Querido (P&G292) twee routes naar huisvesting ingesteld voor vrouwen die geen eigen woning hebben: één voor vrouwen met OGGZ-problematiek en één voor vrouwen zonder OGGZ-problematiek. Huisvesting is een voorwaarde voor het bieden van zorg en begeleiding om de zelfstandigheid van de betrokkene te ondersteunen.

Met OGGZ-problematiek

De aanmelding van uittredende prostituees wordt gedaan door P&G292 bij de Instroomtafel Volwassenen voor plaatsing in de Maatschappelijke Opvang of in Begeleid Wonen. Verder gelden de volgende voorwaarden:

  • a.

    op het moment van aanmelden woont de betrokkene en diens huishouden minimaal twee jaar gedurende de drie jaar direct voorafgaand aan de aanmelding in Amsterdam;

  • b.

    een betrokkene, die wordt geplaatst in Begeleid Wonen, moet naast aan de instroomcriteria ook voldoen aan de criteria van de stabiele mix;

  • c.

    de betrokkene krijgt een eenmalige aanbieding van een woning via de Uitstroomtafel Volwassenen;

  • d.

    het huurcontract van de woning komt voor minimaal een jaar op naam van HVO-Querido;

  • e.

    de betrokkene wordt begeleid door P&G292 van HVO-Querido;

  • f.

    voldoet de betrokkene aan alle uitstroomcriteria, dan kan de Uitstroomtafel Volwassenen besluiten om het huurcontract over te zetten op naam van de betrokkene.

 

Zonder OGGZ-problematiek

De aanmelding van uittredende prostituees wordt gedaan door P&G292 bij de Instroomtafel Volwassenen voor tijdelijke plaatsing in één van de drie woningen die HVO-Querido permanent huurt voor de opvang van prostituees die gebruik maken van het uitstapprogramma. Tevens gelden de volgende voorwaarden:

  • a.

    op het moment van aanmelden woont de betrokkene minimaal twee jaar gedurende de drie jaar direct voorafgaand aan de aanmelding in Amsterdam;

  • b.

    de betrokkene verblijft niet langer dan ongeveer een jaar in de woning, daarna draagt P&G292 de betrokkene voor bij het Team Indicaties van de afdeling Wonen voor de eenmalige aanbieding van een woning;

  • c.

    om in aanmerking te komen voor een eenmalige aanbieding moet de betrokkene voldoen aan:

    • 1.

      stabiele leefgebieden: woonvaardigheden, financiën, dagbesteding en zorg/begeleiding;

    • 2.

      er is een regulier inkomen en de schulden zijn geregeld;

    • 3.

      inschrijving bij WoningNet;

 

20. Slachtoffers van mensenhandel

Slachtoffers van mensenhandel kunnen een tijdelijke verblijfsvergunning op humanitaire gronden krijgen als ze aangifte doen tegen de mensenhandelaar en meewerken aan het strafrechtelijk onderzoek. Daarbij worden ze eerst in de Maatschappelijke Opvang geplaatst. Vervolgens kunnen ze met voorrang uitstromen naar een woning via het initiatief ‘Doorstroomwoningen’ van de Stadsregio Amsterdam, het Amsterdam Coördinatiepunt Mensenhandel (ACM), HVO-Querido en de gemeente Amsterdam. Daarbij gelden de volgende voorwaarden:

Slachtoffers met een verblijfsvergunning “humanitair tijdelijk”(voorheen B-9 vergunning)

  • a.

    worden per tweetal geplaatst in een tijdelijke woning voor de duur van de verblijfsvergunning in Amstelveen, Haarlemmermeer, Purmerend of Zaanstad (niet in Amsterdam);de onder a) genoemde woningen worden gehuurd door HVO-Querido,;

  • b.

    Slachtoffers met een vergunning ‘humanitair niet tijdelijk’ van 5 jaar of meer kunnen doorstromen naar een zelfstandige woning met contract op eigen naam.

 

21. Rolstoelgebruikers

De gemeente Amsterdam begeleidt de toewijzing van rolstoelgeschikte woningen aan mensen die rolstoelgebonden zijn en over een Wmo-indicatie daarvoor beschikken. Het gaat om woningen die met subsidie voor een rolstoelwoning zijn gebouwd of die rolstoelgeschikt zijn gemaakt. De corporaties adverteren vrijkomende rolstoelgeschikte woningen in WoningNet. Verder gelden de volgende voorwaarden:

  • a.

    woningzoekenden dienen een Wmo-beschikking voor een rolstoelgeschikte woning te hebben;

  • b.

    moeten zich in Amsterdam bij WoningNet inschrijven en bij de afdeling Wonen aanmelden.

  • c.

    de afdeling Wonen begeleidt de rolstoelgebruikers bij het vinden van een rolstoelgeschikte woning via WoningNet (matching);

 

22. Huisvesting na revalidatie

Volwassenen kunnen voorrang krijgen voor een sociale huurwoning in het kader van

de ‘verkeerde beddenproblematiek’ (op grond van medische of sociale redenen).

Hierbij gaat het om tijdelijk verblijf in een intramurale instelling en de onmogelijkheid

om na revalidatie terug te keren naar de eigen woning in Amsterdam. De snelle

toewijzing van een andere woning is nodig om een dure intramurale plek vrij te maken.

De instelling geeft bij de afdeling Wonen aan dat er sprake is van de verkeerde

beddenproblematiek. Bij deze urgentie gelden de volgende voorwaarden:

  • a.

    de aanvrager is minimaal 18 jaar oud;

  • b.

    de aanvrager is in het bezit van een functiegerichte zorgindicatie (niet: hulp bij het huishouden);

  • c.

    er zijn geen aanvullende voorwaarden voor gezinssamenstelling, inkomen en binding aan Amsterdam;

  • d.

    de aanvrager wordt altijd door de afdeling Wonen via directe bemiddeling begeleid naar een woning (bv. wibo of seniorenwoning).

 

23. Ateliers en atelierwoningen via de CAWA

De Commissie Ateliers en (Woon)Werkpanden Amsterdam (CAWA) adviseert het college van Burgemeester en Wethouders over de toewijzing van atelierruimte en atelierwoningen. De commissie beoordeelt voordrachten van kunstenaars voor een atelier of een atelierwoning. Bij dit type woonruimte gelden de volgende voorwaarden:

  • a.

    kandidaten voor een atelier of een atelierwoning moeten zich aanmelden bij het secretariaat van de CAWA bij de afdeling Wonen;

  • b.

    de toegang en selectie van kandidaten voor atelierwoningen wordt uitgevoerd door de Commissie Ateliers en (Woon)Werkpanden Amsterdam (CAWA) op basis van het Reglement CAWA.

Burgemeester en wethouders voornoemd,

J.J. van Aartsen,

waarnemend burgemeester

A.H.P. Van Gils,

gemeentesecretaris

Naar boven