Gemeenteblad van Gouda
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Gouda | Gemeenteblad 2018, 51172 | Beleidsregels |
Zoals vergunningen, bouwplannen en lokale regelgeving.
Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.
U bent hier:
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Gouda | Gemeenteblad 2018, 51172 | Beleidsregels |
Herziening Welstandsbeleid 2017
Op 1 januari 2003 is de nieuwe Woningwet van kracht geworden. De gemeente heeft daarbij de keus gekregen of ze voortaan nog bouwplannen wenst te beoordelen op de zogenaamde “redelijke eisen van welstand”. In de daarop volgende jaren is het welstandsbeleid herzien, deels aan de hand van nieuwe wetswijzigingen rond vergunningvrij en welstandvrij bouwen en zijn voor categorieën de zogenoemde sneltoetscriteria ontwikkeld. Criteria die tot doel hebben om door middel met vooraf bekende uitgangspunten tot een snelle ambtelijke toets en afdoening te komen.
Naast deze beperkingen in de advisering kreeg de commissie een uitbreiding in de adviesrol voor ontwikkelingen in het vlak van stedenbouwkundige plannen, ontwikkelingsplannen openbaar gebied, enz. De commissie werd omgevormd van welstandscommissie tot adviescommissie ruimtelijke kwaliteit.
Overigens heeft de commissie ook haar meer traditionele rol behouden bij de toetsing van principe-, bouw- en reclame-plannen, waarbij de plannen binnen het beschermd stads-gezicht extra aandacht krijgen, alsmede de restauratie en hergebruikplannen voor monumenten.
Vanaf 2010 werd de categorie vergunningvrije bouwwerken aanzienlijk verruimd en de zogenaamde KAN-bepaling ingevoerd. Burgemeester en wethouders kunnen bepalen welke aanvragen nog wel en welke niet aan de welstands-commissie voorgelegd worden. In het laatste geval moeten BenW zelf (lees: de ambtelijke organisatie) de plannen toetsen.
In 2018 is de invoering voorzien van de Omgevingswet. Met deze Omgevingswet moet het omgevingsrecht inzichtelijker en eenvoudiger worden. Gemeenten krijgen op lokaal niveau meer keuzevrijheid om in te spelen op ontwikke-lingen. Proceduretijd moet dan korter zijn en er zijn minder vergunningen nodig. De rol van de overheid verandert, van bepaler of toetser naar regisseur en speelt daarbij sneller en efficiënter in op economische, sociale en maatschap¬pelijke ontwikkelingen. Daarbij wordt gebruik gemaakt van een aantal kerninstrumenten: omgevingsvisie, programma, omgevingsplan en omgevingsvergunning. Het omgevings-plan is daarbij hèt instrument om de omgevingsvisie uit te voeren en omvat alle regels die betrekking hebben op de kwaliteit van de fysieke leefomgeving en activiteiten die daarop betrekking hebben en is daarmee het integrale toetsingskader voor omgevingsvergunningen. Dit omgevings¬plan zal ook invloed hebben op het welstandsbeleid en moge¬lijkheden bieden voor verdere integratie en afstemming met het ruimtelijke ordenings- en stedenbouwkundig beleid. Hoe deze verdere ontwikkeling van het welstandsbeleid er uit komt te zien kan nu nog niet aangegeven worden, maar voorspel¬baar is nu al wel dat dit welstandsbeleid ook omstreeks 2018 opnieuw bezien zal moeten gaan worden.
Overigens is al wel recent door de rijksoverheid aange¬ge¬ven dat op dit moment geen rijksmiddelen ingezet gaan worden voor de standaardisering van nieuwe digi¬tale welstandsnota’s. Zolang die standaard ontbreekt is het wenselijk om het welstandsbeleid op een eenvou¬dige wijze toegankelijk te maken via de gemeentelijke web¬site.
Met deze nota worden de volgende stappen gezet in de ontwik¬keling van het toezicht. Worden op basis van de ervaringen in de afgelopen jaren beperkingen aangebracht in het toezicht in bepaalde gebieden en categorieën. Hierdoor wordt meer ruimte gemaakt voor bouwinitiatieven in deze gebieden/categorieën en de regeldruk en financiële druk voor bewoners en onder-nemers beperkt. In belangrijke mate gaat het dan om bouw¬initiatieven die slechts een beperkte invloed hebben op de omgevingskwaliteit of al eerder in die omgeving gerealiseerd zijn. Of om categorieën aan-vra¬gen waarbij de advisering van de commissie (nog maar) beperkte meerwaarde heeft. Denk bij dit laatste aan nieuw¬bouw of aanpassingen aan woonwagens, nieuwbouw van volkstuinhuisjes, standplaats¬vergun-ningen, bedrijventerreinen en dergelijke. Bij een deel van de middelgrote en de grote aanvragen blijft het toezicht in stand en wordt nog wel op ruimtelijke en architectonische kwaliteit getoetst omdat de impact van deze bouwplannen op de omgevingskwaliteit groot kan zijn. De ‘knip’ bij de vaststelling of aanvragen wel of niet aan welstandstoezicht onderhevig zijn is of afhankelijk van de omgevingskwaliteit (gebieden die in het cultuurhistorische beleid aangewezen zijn) dan wel financieel van aard (plannen met een investerings-omvang boven 100.000 euro inclusief BTW). Deze laatste knip heeft te maken met het (grote) effect op de ruimtelijke kwaliteit van deze grote plannen en de behoefte aan een eenvoudig, duidelijk criterium voor aanvragers. Daarbij wordt als uitgangspunt gehanteerd dat bij gesplitste gelijktijdige aanvragen het duidelijk moet zijn dat de (gesplitste) aanvragen/ingrepen in zichzelf zelfstandig zijn en splitsen niet het oogmerk heeft om onder het drempelbedrag te blijven.
In die gebieden waar het welstandstoezicht (grotendeels) losgelaten wordt, kan het vanuit het oogpunt van kwaliteit van de ruimtelijke omgeving nog wenselijk zijn om bepaalde categorieën aanvragen naast de bestemmingsplanregels aan een mate van toezicht onderworpen te houden om excessen te voorkomen. Bijvoorbeeld in situaties waarin al meerdere gelijksoortige opbouwen of dakkapellen voorkomen en sterke afwijkingen hiervan ongewenst zijn. In dergelijke situaties wordt door middel van beschrijvingen op hoofdlijnen en/of voorbeelduitwerkingen richting gegeven aan de verdere ontwikkeling. Toetsing vindt in deze situaties ambtelijk plaats (veelal bij de ODMH). In geval van twijfel kan een van de leden van de ARK geconsulteerd worden. Bestemmingsplannen regelen nu al veel over bouwvolumes en in een aantal gevallen zijn er ook regels opgenomen over dakvlakken en gevelelementen.
De recent gewijzigde richtlijnen voor de terrassen in de Binnenstad zijn in deze herziening verwerkt. De categorie aanvragen die in het verlengde van deze herziening van het bouwkundige deel van welstandsbeleid nog geëvalueerd en eventueel herzien gaan worden zijn de aanvragen reclame-vergunningen. Ook de voortschrijdende ontwikkelingen hierin en de groeiende dynamiek bij bedrijven en ondernemers maken een herziening hiervan gewenst, maar deze wordt in samenhang met de Algemene Plaatselijke Verordening separaat aangepakt.
Mede door de herziening van het welstandsbeleid wordt voldoende ruimte geboden voor inwoners, ondernemers en andere betrokken partijen om duurzaamheidsmaatregelen te treffen. Hiermee worden de mogelijkheden voor het treffen van passende energiebesparende maatregelen vergroot (planet).
Daarnaast geeft het ruimte voor bewoners/gebruikers om de gebruiksmogelijkheden eenvoudiger aan te passen aan nieuwe omstandigheden (planet/profit). Bij nieuwbouw-projecten wordt door de leden van de welstandscommissie aandacht besteed aan de kwaliteit van het ontwerp en daarbij aan de belevings-, gebruiks- en toekomstwaarde van het gebouw. Hierbij komen aspecten aan de orde die onder meer betrekking hebben op duurzame gebruiksmogelijkheden in het ontwerp, verantwoord materiaalgebruik, goede inpassing in de omgeving, efficiënt gebruik van ruimte, energie¬zuinig¬heid/-besparing en gebruikscomfort (people/planet/profit).
Daarnaast wordt bij monumenten, gebouwen die bewezen hebben duurzaam te zijn, in samenhang met de monumentwaarden aandacht besteed aan onder meer het hergebruik van materialen, de toepassing van duurzame materialen en passende energiebesparende maatregelen. Verder heeft de herbestemming van monumenten en de inpassing van nieuwe functies in toenemende mate aandacht van de commissie.
In de formulering van haar Welstandbeleid door middel van toetsingscriteria kiest de gemeente Gouda voor een meervoudige aanpak. Gouda is verdeeld in verschillende gebieden met verschillende toezichtregimes. Deze variëren van welstandsvrij via (zeer) beperkt toezicht naar regulier toezicht. Per gebied zijn in deel C gedetailleerde toetsingscriteria beschreven waaraan bouwaanvragen en principe¬plannen getoetst kunnen worden. In het nu voor¬lig-gen¬de hoofdstuk worden de meer algemene uitgangs-punten en algemene criteria beschreven waarop bouw-plannen worden beoordeeld. Langs deze weg wordt stapsgewijs van breed naar gedetailleerd de toetsing afgelopen. Voor een aantal gebieden vindt toetsing uitsluitend plaats aan de algemene criteria; voor andere gebieden is dit vanwege de aard van de bebouwing veel specifieker.
Het beoordelen van de welstandskwaliteit van een bouwplan is in vakliteratuur op de volgende wijze beschreven:
1. De relatie van het gebouw als object met de context van zijn omgeving, de bijdrage die geleverd wordt aan de kwaliteit van de openbare ruimte die er mede door gevormd wordt, de wijze waarop de ruimten en elementen van het gebouw als object functioneren in de compositorische context van het geheel.
2. In samenhang daarmee en als gevolg daarvan: de helderheid en afleesbaarheid van het architectonisch concept en de wijze waarop complexiteit is gebezigd als middel om daarmee, zonder aan de helderheid wezenlijk afbreuk te doen, aan te sluiten op de verschillende thema¬tieken die te onderkennen zijn in programma en situatie, om mede daardoor de compositie intrigerend te maken en daarmee de architectonische werking te versterken.
3. De wijze waarop in het concept wordt omgegaan met de betekeniswaarden van architectuur zoals die leven in de sociaal-culturele context, ofwel: de wijze waarop associatieve betekenissen en actuele opvattingen over architectuur in het concept worden gehanteerd.
4. De wijze waarop met maten, volumina en vlakverdelingen wordt omgegaan, de wijze waarop het gebruik van materiaal, textuur, kleur en licht bijdraagt aan en volgt uit het architectonisch concept en de mate waarin de ontwerper er in slaagt het door hem gewenste resultaat te bereiken met de hem daarbij ten dienste staande middelen.
Uit deze beschrijving kunnen de volgende criteria samengesteld worden:
1. Past het goed in zijn omgeving (esthetisch) en draagt het bij aan de kwaliteit ervan en doet het daaraan geen afbreuk?
2. Is het plan helder en begrijpelijk of nodeloos ingewikkeld? Sluit het in dat opzicht aan op thema’s of kenmerken van de omgeving of van de opgave zelf?
3. Lijkt het bouwplan op dat wat men er normaal gesproken van mag verwachten, gelet op de functie?
4. Is het, gelet op de opgave die de ontwerper zich gesteld ziet, een geslaagd ontwerp qua:
• materiaalgebruik, textuur en kleur
• compositie van massa’s en volumes
• heeft de ontwerper bereikt wat hij wilde of wat hier nodig was
Als deze vragen positief beantwoord kunnen worden, voldoet het bouwplan aan redelijke eisen van welstand.
2.4 Verschillend beleid in verschillende gebieden
Niet elk gebied heeft dezelfde zorg nodig. Soms volstaat een set met eenvoudige bepalingen om de ergste uitwassen te voorkomen, soms is een gedetailleerde beschrijving en een intensieve planbegeleiding op zijn plaats. We onderscheiden:
2. Gebieden met een beperkte welstandszorg
3. Gebieden met een reguliere welstandszorg
1. welstandsvrije gebieden of activiteiten De ge-meen¬te Gouda stelt in een aantal gebieden en voor een aantal categorieën activiteiten of objecten geen eisen meer op welstandsgebied.
Dat kan zijn omdat er stedenbouwkundig al voldoende voorwaarden kunnen worden gegeven om tot een acceptabel geheel te komen, of omdat het gebied vanuit de stedenbouwkundige kwaliteit al voldoende stevigheid heeft danwel het gebied al zoveel ontwikkeling heeft doorgemaakt dat welstandstoezicht hieraan geen bijdrage meer levert. Daarnaast kan het zijn dat het gebied in kwestie wordt gekenmerkt door een informeel karakter met een grote dynamiek, denk aan industriegebieden, volkstuincomplexen, woonwagenlocaties. Wat kenmerkend is voor zo’n milieu, zorgt dikwijls juist voor een typische charme.
De begrenzing voor de welstandsvrije activiteiten is vaak gelegen in de omvang van de bouwsom. Boven een bepaalde bouwsom wordt het toezicht gehandhaafd omdat de ingrepen dan zo groot kunnen zijn dat zij de ruimtelijke kwaliteit van het gebied aantasten.
2. gebieden met beperkte welstandszorg
In een groot deel van de stad staat de vrijheid van de burger voorop. Alleen voor de grotere plannen die een sterke invloed kunnen hebben op de ruimtelijke kwali¬teit wordt het toezicht gehandhaafd. Het aanzien van¬uit het openbaar gebied zal zo nodig kwalitatief be¬scherming krijgen door algemene criteria.
3. gebieden met reguliere welstandszorg Hieronder vallen het Beschermde Stadsgezicht en architectonisch waardevolle ensembles en historische linten/uitvalswegen. Dergelijke delen van de stad vertegenwoordigen een grote culturele waarde. Ze zijn naast gebieden met een groot belang voor de stad als geheel ook kwetsbare gebieden en verdienen een zorgvuldig beleid dat gericht is op bescherming van de aanwezige waarden. Daarom krijgen deze gebieden een bij-zondere welstandszorg, met een beschermend karakter. Gebieden waarvoor een beeldkwaliteit- of regieplan is opgesteld, vallen ook onder bijzondere zorg.
Verschillende opgaven vragen een verschillend beoordelings¬kader. Eenvoudige plannen worden, indien nodig, getoetst aan concrete en simpele criteria, groot-schaliger plannen aan algemener omschreven beleid. De volgende beoordelingsmaatstaven worden, bij opklimmende mate van complexiteit van bouwplannen, gebruikt:
0. vrijgesteld van welstandstoezicht
1. beperkt toezicht, eventueel ambtelijke toets via de zogenaamde KAN-bepaling
2. regulier toezicht met gebiedsgericht beoordelingskader
3. beeldkwaliteitsplan of regieplan (eventueel met begeleiding van een supervisor of een kwaliteitsteam, zie bijlagen).
0. Vrijgesteld van welstandstoezicht Zoals eerder aangegeven is vanuit het oogpunt van stimulering van ontwikkeling en bedrijvigheid en het verminderen van regel- en lastendruk gekozen voor het vrijstellen van een aantal categorieën en gebieden van welstandstoezicht. De uitwerking van deze vrijgestelde categorieën en gebieden is in deel C opgenomen. Voor de daar aangegeven gebieden-/activiteiten en categorieën is er geen vooraf¬gaand toezicht meer, kan alleen nog achteraf ingegrepen worden in evident buitensporige situaties met toepassing van de zogenaamde excessenregeling.
1. Beperkt toezicht/ambtelijke toets volgens KAN-bepaling
Het grootste deel van de bouwplannen is bescheiden van omvang, maar voor de indieners niet minder belangrijk. Toch vertegenwoordigen ze maar een klein deel van het totale bouwvolume. Het is daarom verstandig om voor de grote hoeveelheid kleine bouwwerken een efficiënte behandeling voorop te stellen. Voor grote gebiedsdelen is het welstands¬toezicht stringent beperkt en alleen nog voor één of enkele hoofdzaken een richtlijn gegeven waaraan de ingrepen moeten voldoen. Deze richtlijnen hebben veelal betrekking op dakkapellen/dakopbouwen en/of aanbouwen. Het beleid bij deze beschrijvingen op hoofdlijnen is gericht op behoud van het aanwezige karakter van de omgeving, zo gering mogelijke aantasting daarvan en het voorkomen van hinder voor derden. De toetsing aan deze richtlijnen zal ambtelijk plaatsvinden, veelal bij de Omgevingsdienst Midden-Holland. Kleine bouwplannen, in gebieden die niet zijn vrijgesteld van toezicht, worden getoetst door een gemandateerd lid van de Welstandscommissie, die terzijde wordt gestaan door een ambtenaar. In bijzondere gevallen worden kleine plannen voorgelegd aan de Welstandscommissie. Het beleid is ook hier gericht op behoud en een zo gering mogelijke aantasting van het aanwezige karakter van de omgeving en het voorkomen van hinder voor derden.
2. Regulier toezicht gebiedsgericht beoordelingskader Zowel de resterende kleine als middelgrote plannen worden getoetst aan het beleid dat voor het betreffende gebied is vastgesteld. Voor de kleine plannen kan dat eenduidig worden geformuleerd. Voor iets grotere ingrepen in bestaand stedelijk (of landelijk) gebied wordt per gebied gewerkt met daarvoor geschikte karakteristieken. Enerzijds omdat het niet altijd mogelijk is om deze middelgrote bouwplannen te toet¬sen aan zeer concrete criteria, zoals bij kleinere plannen wel mogelijk is. Anderzijds omdat dit de mogelijkheden voor opdrachtgever en architect meer zou beperken, dan uit te nodi¬gen tot interessante architectuur. Deze plannen worden altijd voorgelegd aan de Welstandscommissie.
3. beeldkwaliteitsplan en regieplan
Deze plannen zijn bedoeld voor grote stedelijke ontwikke-lingen en herontwikkelingsopgaven, waar het niet zinvol is om een op behoud van aanwezige waarden gericht beoor-delingskader te formuleren. Want het gaat immers niet om behoud. Wellicht met uitzondering van de binnenstad, waarvoor een stedenbouwkundige visie ontwikkeld wordt, inclusief een beeldkwaliteitsplan dat naast ontwikkeling ook behoud nastreeft. Basis vormt het stedenbouwkundig ont-werp. Daarvan afgeleid worden een bestemmingsplan (een juridisch stuk dat de bouwvorm en bestemming regelt) en beeldkwaliteitsplan of regieplan (dat beeldkwaliteit en andere plankwaliteiten regelt) opgesteld. Bij ontwikkeling is dit bestemmingsplan meestal globaal en maakt de bouw mogelijk. Na realisatie volgt doorgaans een beheer¬bestem-mingsplan.
Een beeldkwaliteitsplan kan ook opgesteld worden om een goed beheer te kunnen voeren van waardevolle gebieden als aanvulling op een bestemmingsplan. Beeldkwaliteitsplannen die door de Raad zijn vastgesteld hebben, voor zover het welstandscriteria betreffen, de status van welstandsbeleid.
Toetsing door Welstandscommissie of door ambtelijke organisatie
Plannen in gebieden die grotendeels vrijgesteld zijn en waarvoor beschrijvingen op hoofdlijnen gemaakt zijn worden ambtelijk getoetst, veelal bij de ODMH. Indien deze plannen voldoen aan de (globale) criteria van deze nota voldoen de plannen aan redelijke eisen van welstand. In geval van twijfel kan een van de leden van de welstandscommissie betrokken worden voor een aanvullende toets. In alle andere gevallen waarin plannen getoetst moeten worden, geschiedt dit door de Welstandscommissie.
2.6 Monumenten en beschermd stadsgezicht
In Gouda wordt een vitaal monumentenbeleid uitgevoerd en gekozen voor het beschermen van aanwezige cultuurhistorische waarden. Zeker in Gouda zijn deze waarden een bepalende factor voor de karakteristiek van de stad. Dit verleden toont zich in de landschappelijke en stedenbouwkundige structuur, de verschillende bouwstijlen in de stad, hun culturele verwijzingen en de historische substantie die oude ge¬bouwen bevatten. Het cultuurhistorisch beleid is breder dan alleen monumenten, het betreft ook archeologie en historische geografie. Het belang van de historische gebouwen en de stedenbouwkundige structuren kan zo groot zijn, dat het Rijk of de gemeente hier een monumentenstatus aan kan verlenen. Belangrijke histo¬rische objecten kunnen de status krijgen van rijks- of gemeentelijk monument. Belangrijke historische stedenbouwkundige structuren kunnen de status krijgen van Beschermd Stadsgezicht. Deze aanwijzing gebeurt door de minister op advies van de gemeente¬raad (raadsbesluit), de Rijksdienst voor het Cultureel Erf¬goed en de (gemeentelijke) Commissie voor Cul¬tuur¬historie, de objecten genieten hierdoor wettelijke bescherming, met de kanttekening daarbij dat een deel van de mogelijke werkzaamheden in/aan monumenten hiervan is vrijgesteld.
De karakteristieke waarden van het beschermde stads-gezicht worden beschermd in het bestemmingsplan. Daar zijn de gesloten bebouwingsstructuur, de historische verkaveling, de wisselende bouwhoogten en de verplichte dakvormen vastgelegd. Er zijn geen vergunningvrije bouwwerken in het beschermde stadsgezicht en is voor het slopen is ook een vergunning op grond van de Monumentenwet nodig.
Het welstandsbeleid kan bescherming bieden aan de aanwezige karakteristiek. Daarbij is voor monumenten een bouwhistorische verkenning van groot belang. Een cultuur-historische analyse is een nuttige inspiratiebron voor grootschaliger projecten. Het cultuurhistorische beleid is verwoord in de nota Erfgoedvisie en wordt nu verder geconcretiseerd in de waardenkaart erfgoed.
Bescherming en behoud zijn belangrijk, maar de geschiedenis is op de eerste plaats een inspiratiebron. Monumentenbeleid mag en wil niet verhinderen dat de stad zich in positieve zin ontwikkelt en nieuwe hoogtepunten (toekomstige monumenten) voortbrengt. Integendeel, het moet daartoe de aanzet geven. Dat betekent dat het beleid niet alleen gericht is op behoud, maar streeft naar een zo hoog mogelijk culturele waarde in de stad. Dat kan in een enkel geval betekenen dat behoud van historische substantie niet altijd voorrang krijgt boven het geven van een nieuwe invulling op de locatie.
Juist omdat het monumentale karakter voor Gouda zo bepalend is, kent Gouda een integrale adviescommissie (met monumentendeskundigen). Deze commissie geeft welstandsadviezen voor gewone bouwplannen. Voor bouwplannen bij monumenten geeft zij zowel het welstandsadvies als het advies over het behoud van monumentale waarden. Dit staat garant voor het historisch besef bij de advisering over bouwplannen. Het plaatst de discussie over behoud en ontwikkeling niet buiten het advies en het voorkomt tegenstrijdige adviezen over een plan.
Over de aanwijzing van objecten als gemeentelijk monu-ment wordt geadviseerd door de commissie Cultuurhistorie. Hierin speelt de Adviescommissie Ruimtelijke Kwaliteit geen rol.
Reclame bepaalt vaak in hoge mate het stadsbeeld. Dat kan soms op voortreffelijke wijze gebeuren, waarbij de reclameboodschap zich ontwikkelt tot een eigentijdse vorm van toegepaste kunst.
Los geplaatste reclameborden, billboards, en geïntegreerde reclame in abri’s maken deel uit van het straatmeubilair en horen in het inrichtingsplan van het betreffende gebied te passen. Reclame aan gebouwen maakt deel uit van de verschijningsvorm van die gebouwen. De Welstandscommissie geeft daarom advies aan burgemeester en wethouders over de reclames. In deze nota wordt daarvoor het beleid aangegeven. De gemeente heeft een reclamevergunningsstelsel gebaseerd op de APV. De vergunningaanvragen worden getoetst door de Welstandscommissie aan de criteria.
De reclamecriteria zullen in de komende periode geëvalueerd en waar nodig herzien worden.
Ook voor de vormgeving en plaatsbepaling van de terrassen zijn criteria in het welstandsbeleid opgenomen. Deze zijn zeker voor de Binnenstad van belang omdat de terrassen en grote invloed hebben op de beleving van het gevelbeeld op en rond de Markt en elders in de Binnenstad.
De eisen die gesteld worden aan de inrichting en vormgeving van de terrassen zijn onlangs herzien, naar aanleiding van daarover bereikt overleg met vertegenwoordigers van de ondernemers aan de Markt. Deze herziene richtlijnen zijn in de wijzigingen verwerkt en gelden als welstandkader.
2.9 Handhaving en excessenregeling
Indien het uiterlijk van een (bestaand) bouwwerk in ernstige mate in strijd is met redelijke eisen van welstand kunnen burgemeester en wethouders de eigenaar aanschrijven tot het opheffen van die strijdige situatie. Deze regeling is gebaseerd op artikel 19 van de Woningwet en is bedoeld om excessen tegen te gaan.
De gemeente hanteert bij het toepassen van deze regeling het criterium dat er sprake moet zijn van een buiten¬sporig-heid in het uiterlijk die ook voor niet-deskundigen evident is en die afbreuk doet aan de ruimtelijke kwaliteit van de omgeving.
Van ernstige strijd met redelijke eisen van welstand kan sprake zijn bij:
1. het ontkennen of vernietigen van architectonische bijzonderheden bij aanpassingen van een bouwwerk.
2. inferieur en armoedig materiaalgebruik
3. het handhaven van vervallen en verwaarloosde bouwmaterialen en bouwdelen.
4. toepassen van felle of sterk contrasterende kleuren, waar daarvoor geen redelijke aanleiding is.
5. te opdringerige of veelvuldig herhaalde reclames.
6. een te grove inbreuk op wat in de omgeving gebruikelijk is.
Ook bouwwerken waarvoor geen bouwvergunning hoeft worden aangevraagd of die zijn vrijgesteld van welstandstoezicht moeten er mooi en netjes uitzien. Deze bouwwerken worden niet vooraf getoetst aan de criteria zoals deze vastgesteld zijn. Er zal echter pas opgetreden worden indien er sprake is van een exces zoals in deze paragraaf aangeduid.
3. Specifieke uitwerking toezicht per gebied/categorie
Bouwplannen voor beschermde monumenten zijn veelal niet vergunningvrij, ook niet welstandsvrij. Voor bouw-plan¬nen bij en aan monumenten, zowel rijks-monumenten, gemeentelijke monumenten als gemeentelijke monu¬men¬ten van jongere bouwkunst moet naast de bouw¬ver¬gun¬ning ook een monumentenvergunning aangevraagd wor¬den. Bij de aanvraag om monumentenvergunning wordt getoetst of de monumentale waarden voldoende ge¬res¬pec¬teerd blijven. De algemene welstandscriteria zijn verder van toepassing. Indien er tegengestelde belangen tussen monumentenzorg en welstand geconstateerd worden, prevaleert het belang van monumentenzorg.
3.2 Grootschalige ontwikkelingen
Delen van Gouda zijn in ontwikkeling. Deze gebieden zijn van groot belang en worden gekenmerkt door een grote dynamiek. Het gaat daarbij zowel om grootschalige herontwikkeling als om geheel nieuwe planvorming. Een toepasbaar beleid, gericht op de toekomst, valt op dit moment niet te formuleren en een conserverend beleid schiet zijn doel voorbij. In deze gebieden waar dit soort ontwikkelingen aanstaande zijn/worden door middel van stedenbouwkundige plannen, beeldkwaliteitsplannen, regieplannen, een kwaliteitsteam of een supervisor inhoud gegeven worden aan het Welstandbeleid. Deze gebieden houden, om sturing te kunnen geven aan de ontwikkeling, een volledig toezicht. De gebieden waar dit nu betrekking op heeft zijn Spoorzone/Burgemeester Jamessingel en Westergouwe.
3.3 Beeldkwaliteits- en beheerplannen
In gebieden waar burgemeester en wethouders een beeldkwaliteitsplan hebben vastgesteld, en dit plan welstandseisen bevat, is dat beeldkwaliteitsplan aanvullend als welstandseis van toepassing.
Gebieden waarvoor een beheer- of regieplan is opgesteld, vallen ook onder het volledige welstandstoezicht.
Voor de Binnenstad en haar randen is de Stedenbouwkundige Visie voor de Binnenstad en haar randen vastgesteld door burgemeester en wethouders. Het bepaalde en de richtlijnen in deel 2 daarvan, het Beeldkwaliteitsplan, zijn aanvullend van toepassing.
Voor dit gebied is het ‘Beeldkwaliteitsplan voor de Hollandse IJssel’ vastgesteld door burgemeester en wethouders. Het bepaalde en de richtlijnen in het beeldkwaliteitsplan zijn aanvullend van toepassing.
Voor dit gebied is het beheersplan ‘Bloemendaalseweg en Ridder van Catsweg’ vastgesteld door burgemeester en wethouders. Dit beheerplan kent ook een paragraaf met welstandsrichtlijnen. Deze richtlijnen zijn aanvullend op de hiervoor genoemde criteria van toepassing.
Voor een aantal categorieën en gebieden heeft het gemeentebestuur ervoor gekozen om deze (grotendeels) welstandsvrij te maken. De achterliggende doelstellingen hierbij zijn zoals eerder aangegeven het stimuleren van ontwikkelingen en het verminderen van regel- en lastendruk voor burgers en ondernemers. Na een schouw van de actuele stand van zaken in de verschillende gebiedsdelen van Gouda en evaluatie van het tot nu toe gevoerde beleid is besloten ten aanzien van een aantal categorieën aanvragen tot een maximale bouwsom van 100.000 euro (incl. BTW) het welstandstoezicht los te laten. Voor aanvragen met een hogere bouwsom dan 100.000 euro (incl. BTW) en specifieke aangewezen gebieden wordt het toezicht wel gehandhaafd. In sommige gebieden (zie hierna) worden nog wel voor enkele planvormen richtlijnen op hoofdlijnen/hoofdregels opgesteld waaraan voldaan moet worden. Deze richtlijnen hebben tot doel te voorkomen dat een te grote aantasting van de architectuur of stedenbouwkundige kwaliteit plaatsvindt.
• Bedrijventerreinen (uitgezonderd entree
• Gebieden welstandsvrij, bij aanvragen kleiner dan 100.000 euro (uitgezonderd specifieke aanwijzingen/ hoofdregels)
• Goverwelle (uitgezonderd hoofdregel dakvlak rondom dakkapel of opbouw vrijhouden)
• Gouda oost (uitgezonderd hoofdregel dakvlak rondom dakkapel of -opbouw vrijhouden); (uitgezonderd Goejanverwelledijk en Achterwillenseweg)
• Kort Haarlem (uitgezonderd gebieden Karnemelksloot, Burg. Martenssingel/Krugerlaan, Van Itersonlaan)
• Kadebuurt • Nieuwe Park • Stolwijkersluis • Achterwillens nieuw
• Achterwillens oud (uitgezonderd hoofdregel dakvlak rondom dakkapel of -opbouw vrijhouden)
• Korte Akkeren oud (uitgezonderd Wachtelstraat)
• Korte Akkeren nieuw (via bestemmingsplan bescherming singelstructuren)
• Weidebloemkwartier (uitgezonderd hoofdregel voordak vrijhouden, dakopbouw achter en aanbouw entree conform eerdere modellen)
• Bloemendaal (uitgezonderd hoofdregel dakvlak rondom dakkapel of -opbouw vrijhouden in buurten Boerhaavekwartier, Windrooskwartier, Groenhovenkwartier, Heesterbuurt)
• Bloemendaal (uitgezonderd gebied Bloemendaalseweg, Bodegraafsestraatweg)
• Bloemendaal (uitgezonderd voor Gaardenkwartier hoofdregel aanbouwen ruim (50cm) onder hoofddakrand houden)
• Plaswijck (uitgezonderd hoofdregel voor buurten Grassen, Lusten, Werven, Waterbuurt dakvlak rondom vrij houden)
• Plaswijck (uitgezonderd hoofdregel voor Steinen aanbouwen ruim (50cm) onder hoofddakrand houden)
3.5 Regulier welstandstoezicht
Voor de overige, hiervoor niet genoemde categorieën en gebieden, blijft het welstandstoezicht wel van toepassing, te weten:
• aanvragen met bouwsommen boven 100.000 euro
• ontwikkelingsgebieden Westergouwe, Spoorzone
Historische uitvalswegen/structuren, te weten:
• Karnemelksloot/Voorwillenseweg
• Burg. Martenssingel/Krugerlaan
• Bloemendaalseweg/Ridder van Catsweg
3.5.1 Algemene welstandscriteria (voor plannen > 100.000 euro)
Het beoordelen van de welstandskwaliteit van een bouwplan is in vakliteratuur op de volgende wijze beschreven:
1. De relatie van het gebouw als object met de context van zijn omgeving, de bijdrage die geleverd wordt aan de kwaliteit van de openbare ruimte die er mede door gevormd wordt, de wijze waarop de ruimten en elementen van het gebouw als object functioneren in de compositorische context van het geheel.
2. In samenhang daarmee en als gevolg daarvan: de helderheid en afleesbaarheid van het architectonisch concept en de wijze waarop complexiteit is gebezigd als middel om daarmee, zonder aan de helderheid wezenlijk afbreuk te doen, aan te sluiten op de verschillende thematieken die te onderkennen zijn in programma en situatie, om mede daardoor de compositie intrigerend te maken en daarmee de architectonische werking te versterken.
3. De wijze waarop in het concept wordt omgegaan met de betekeniswaarden van architectuur zoals die leven in de sociaal-culturele context, ofwel: de wijze waarop associatieve betekenissen en actuele opvattingen over architectuur in het concept worden gehanteerd.
4. De wijze waarop met maten, volumina en vlakverde-lingen wordt omgegaan, de wijze waarop het gebruik van materiaal, textuur, kleur en licht bijdraagt aan en volgt uit het architectonisch concept en de mate waarin de ontwerper er in slaagt het door hem gewenste resultaat te bereiken met de hem daarbij ten dienste staande middelen.
Gouda hanteert op basis van deze beschrijving de volgende criteria:
1. Het past goed in zijn omgeving (esthetisch), het draagt bij aan de kwaliteit ervan en het doet daaraan geen afbreuk.
2. Het plan is helder en begrijpelijk en niet nodeloos ingewikkeld. Het sluit in dat opzicht aan op thema’s of kenmerken van de omgeving of van de opgave zelf.
3. Het bouwplan lijkt op dat wat men er - gelet op de functie - normaal gesproken van mag verwachten.
4. Het is - gelet op de opgave die de ontwerper zich gesteld ziet - een geslaagd ontwerp qua:
• materiaalgebruik, textuur en kleur
• compositie van massa’s en volumes
5. De ontwerper heeft bereikt wat hij wilde of wat hier nodig was.
Als aan deze criteria is voldaan, voldoet het bouwplan aan redelijke eisen van welstand.
3.5.2 Binnenstad en haar randen (beschermd stadsgezicht)
De Goudse binnenstad is zeer bijzonder door haar talrijke monumenten, grachten en bruggen, de Sint Jan, de Gouwekerk en de vliegervormige markt met over de as het gebouw van de Waag en het Stadhuis. De binnenstad is wat betreft vorm nog steeds gaaf, zij het dat sommige oude structuren verloren zijn gegaan en sommige grach¬ten gedempt. In de loop van de tijd zijn er steeds gebou¬wen verwijderd en nieuwe bijgekomen, tot op de dag van vandaag. Dat is lang niet altijd een verlies: kijk naar de relatief jonge Gouwekerk en het gebouw van warenhuis de Zon dat over de oude haven is gebouwd. Net als in veel oude steden is het gebruik van de historische kern in de loop van de tijd sterk geëvolueerd. Was de begane grond van de binnenstad tot begin 20e eeuw nog voor grote delen bewoond, tegenwoordig is het centrum groten¬deels voorzien van winkels, warenhuizen, cafés, restaurants, bedrijven en andere voorzieningen (biblio¬theek, musea, bioscoop). De binnenstad wordt nu inten¬sief gebruikt door een veelvoud van de mensen die er vroeger kwamen, woonden en werkten. Daarmee heeft zij een andere betekenis gekregen.
Met zijn grachten en smalle, niet erg hoge, diepe huizen doet Gouda denken aan Delft of Schiedam, die eveneens door hun dikke veenlaag vaak niet op palen konden fun¬de¬ren. Daardoor bleef de bouwhoogte beperkt. De archi¬tectuur dateert uit uiteenlopende perioden, wat op de vormgeving van de gevels van invloed is. Toch overheerst een gemeenschappelijk idioom, waarin het verticale karakter, de klassieke gevelopbouw, de vele lijstgevels, de bescheiden ornamentiek, de parcellering, de talloze kleine verschillen en de kleine schaal kenmerkend zijn. In Gouda zijn nog enkele slechts aan een zijde bebouwde straten met een gracht bewaard gebleven zoals de Zeug¬straat, Jeruzalemstraat, Spieringstraat en de Peper-straat met haar bruggetjes naar de huizen en erven aan de overkant, waarlangs geen openbare kade is.
Toch kent de binnenstad ook minder mooie kanten. De Kleiweg is op een aantal punten opnieuw ingevuld door interventies die achteraf als minder gelukkig kunnen wor¬den beoordeeld. De Raam is niet het fraaiste deel van de stad. Sommige recentere bouw, zoals langs de Hout¬mans¬gracht, is wat betreft maat, schaal, materiaalgebruik en inzet van architectonische middelen moeilijk te rijmen met het karakter van de binnenstad, met als hoogtepunt de Panoramaflat aan de Karnemelksloot. Het is ge¬mak¬kelijk om kritiek te uiten, maar de bedoeling is uitsluitend om er lessen uit te trekken. Heel bijzonder is de wijze waarop de binnenstad grenst aan de Krimpenerwaard: de oude binnenstad heeft daar een venster op het open landschap.
De binnenstad en de singelbebouwing zijn van rijkswege aangewezen als beschermd stadsgezicht. De karak¬te¬ris-tieke waarden worden beschermd door het bestem-mings¬plan. Daar zijn de verkaveling, de gesloten bebouwings¬structuur, de wisselende bouwhoogte en de afwisselende dakvormen vastgelegd. Er is een differentiatie in de mate van bescherming aangebracht door het beschermde stadsgezicht in te delen in de A-, B- en C-zone. Zone A is van belang vanwege het patroon van straten en wateren in samenhang met de profilering en inrichting van de openbare ruimte en de afmetingen en vormgeving van de bebouwing. De A-zone bestaat globaal uit De Haven, de Markt, de Gouwe, de Peperstraat, de Turfmarkt en het gebied rond de St. Janskerk.
Zone B is van belang vanwege het patroon van straten en openbare ruimte en de afmetingen van de bebouwing. De B-zone bestaat globaal uit de Spieringstraat, de Zeugstraat, de St. Anthonistraat, de Naaierstraat, de Lange Groenendaal, Achter de Vismarkt, de Kuiperstraat en de Keizerstraat.
De C-zone is van belang vanwege het patroon van straten en wateren in samenhang met de schaal van de bebou¬wing. De C-zone omvat ondermeer de singels, Raam, Vest, Nieuwehaven, Agnietenstraat, Wilhelmina-straat, Rozendaal, Groeneweg en Tuinstraat.
Onderstaande kenmerken bepalen het beeld en de karakteristiek van de Goudse binnenstad. Dat beeld is tegelijk gevarieerd en niettemin opgebouwd uit steeds terugkerende elementen. Voor het versterken en bescher¬men van de kwaliteit van de Goudse binnenstad is aan¬sluiting op die karakteristiek noodzakelijk.
Voor een beschrijving van relevante stijlen/stijlperiodes: zie deel C hoofdstuk 7.
Voor concrete criteria stijlen/stijlperiodes: zie bijlagen Kenmerken zijn:
• Gevelbreedte in zones A en B vaak niet meer dan 6 m en vaak niet gelijk aan de buurpanden.
• Gevelbreedte In zone C komen ook meer bredere en grootschaliger gebouwen voor.
• Geen gelijke goothoogte tussen buurpanden, geen extreem verschil in goothoogte; het hoogteverschil tussen 20 cm en 3,5 m.
- Plint (begane grondverdieping) die duidelijk aansluit bij de erboven liggende verdiepingen, vooral langs de bouwmuur, maar die grotere openingen kent en soms ander materiaal. Bij prominentere gebouwen is de vrije hoogte in deze plint min. 3,5 m.
- Geen of heel kleine gevelsprongen.
- Een hardstenen strook of gestuukte plint van ca. 60 cm hoog is gebruikelijk.
- Middendeel: bestaat uit een of twee verdiepingen, doorgaans van rood of bruin metselwerk met gesneden voeg (soms zijn de gevels gepleisterd en voorzien van schijnvoegen) en hoge ramen (staande gevelopeningen).
- Bekroning door een kroonlijst, soms een gedecoreerde topgevel. Ook de gevelhoogten verschillen steeds van elkaar; geen doorlopende kroonlijsten. Staande gevelopeningen (gevelopeningen met een grotere hoogte dan breedte).
• Kozijnen afhankelijk van de stijl/stijlperiode c.q. bouwjaar zijn er soms de volgende kenmerken:
. zwaar kozijnhout (min. 10 cm breed)
. diepe negge in kozijn: onderraam min. 10 cm achter voorzijde kozijn, bovenraam min. 6 cm achter voorzijde kozijn.
. kalf op tweederde tot driekwart van de hoogte
. bovenvlak voor in het gevelvlak - 19e en 20e eeuwse omgeving:
. lichter kozijnhout (hoogstens 6 cm breed)
. diepe negge in kozijn, onderraam 8 cm achter voorzijde kozijn, bovenraam min. 4 cm achter voorzijde kozijn.
. kalf op tweederde tot driekwart van de hoogte
. bovenvlak voor in het gevelvlak
- Evenwijdig aan de perceelgrenzen.
- Schilddak met lijstgevel of zadeldak met topgevel; geen dakschild.
- Hellinghoek tussen 40o en 55o en steilere hellingen als onderdeel van de toegepaste stijl/stijlperiode, of mansardekappen met topgevel, of siergevel voor het dakvlak.
- Daken gedekt met rode, grijze/zwarte ongeglazuurde keramische pannen.
• Dakkapellen plaatsing in de goot of in het dakvlak; afmeting gering; afwerking: bescheiden profilering.
• Schoorstenen uitgevoerd in schoonmetselwerk van bakstenen.
- Aan de achtergevel of indien aan de voorgevel: op het hart van de bouwmuur of in een gevelsprong; Veelal wordt zink gebruikt, maar ook koper wordt toegepast, het ondereind van verzinkt staal.
. Rood of bruin bakstenen metselwerk met gesneden voeg; soms zijn ze gepleisterd en voorzien van schijnvoegen; geschilderd in gebroken wit, lichtgrijs, blauwgrijs of beige; staande ramen.
. Steenformaat waalformaat of kleiner; dunne lintvoeg, grijs; nog dunnere stootvoeg. Kloostermoppen zijn denkbaar, betonsteen niet.
. Altijd met profiel: niet vlak, negge min. 3 cm.
. Van hout, natuursteen, metselwerk, gietijzer of staal.
. Het hout bewerkt en transparant gebeitst of geschilderd, zoals het overige houtwerk.
. Het steen en metaal zoals elders omschreven: gebroken wit, lichtgrijs, beige .
. Kroonlijsten en kozijnen doorgaans gebroken wit, soms lichtgrijs of beige.
. Bewegende delen: ramen en deuren donkergroen, bordeaux of Pruisisch blauw. IJzerwerk: donkergroen, antraciet, bordeaux of Pruisisch blauw, ankers echter zwart.
. geen spiegelend glas of sterk getint glas
. glasmaten: staande glasmaten, verhouding min. 1 staat tot wortel 2 (dit is 1:1,41 of groter).
. bovenlichten, zijlichten en snauwgaten soms glas-in-lood
• Ornamentiek: Langs een autoweg moeten gebouwen snel en direct afleesbaar zijn. In een verblijfsgebied moet juist veel te zien te zijn: men verblijft er immers langere tijd. Voor de binnenstad geldt dat des te meer. In de binnenstad treft men een bescheiden ornamentiek aan op gevels en in detaillering. Die ornamentiek zegt iets over de geschiedenis van het pand. Het pand krijgt daardoor meer betekenis in zijn omgeving. Die ornamentiek levert daardoor een bijdrage aan de bezienswaardigheid, door zowel de schoonheid van het ornament als het verhaal dat het vertelt.
Doel van het beleid is koesteren wat goed is, verbeteren wat minder passend is, versterking van de bestaande karakteristiek bij nieuwe ingrepen, nieuwe ontwikkelingen waar dit verantwoord is. Alles op een manier die recht doet aan de schoonheid van de binnenstad van Gouda.
• veranderingen en nieuwe invullingen zich moeten voegen naar de karakteristiek van de historische stad Gouda: Alle bouwplannen moeten passen in de aanwezige karakteristiek.
• bij monumenten bijzondere eisen worden gesteld: Het belang van het behoud van monumentale waarden prevaleert boven de welstandseisen. Het welstandsoordeel wordt aan de hand van de algemene criteria geformuleerd (zie hoofdstuk 9).
Voor alle ingrepen geldt dat belangrijke zichtlijnen gerespecteerd moeten worden. Zichtlijnen zijn in elk geval gericht op de St. Janskerk met zijn toren, het schip en de vieringtoren, de Gouwekerk, de Vrouwetoren en het
Stadhuis. Bij nieuwe toevoegingen aan het volume van bestaande gebouwen moet gelet worden op de zichtlijnen vanuit het publiek domein. De aanvrager overlegt hierover duidelijke informatie.
Niet alleen de verschijningsvorm, maar ook de maat en de schaal van de panden is kenmerkend en onlosmakelijk verbonden met de historische structuur. Eeuwenoude bouwmuren zijn even oude perceelsgrenzen. Het introduceren van grootschalige projecten ligt in dergelijke gebieden niet voor de hand.
Gebieden, waar in het verleden al het nodige verdwenen is, zoals aan de Kleiweg, lenen zich niet voor grootschalige interventies vanwege het beeld. Hier moet worden aangesloten op de karakteristiek van de omgeving. Technisch en functioneel kan hier wel op grotere schaal worden gewerkt.
Er dient op passende wijze versiering aangebracht te worden die iets vertelt over de geschiedenis van het pand.
3.5.3 Bloemendaal, algemeen bij plannen < 100.000
Het gebied Bloemendaal is grotendeels vrijgesteld van welstandstoezicht voor plannen onder 100.000 euro. Uitzonderingen hierop, om te voorkomen dat de architectuur te zeer aangetast wordt, zijn de navolgende toezichtcriteria:
Boerhaavekwartier, Windrooskwartier, Groenhovenkwartier, Heesterbuurt: bij de plaatsing van dakkapellen geldt de hoofdregel dat het dakvlak rondom vrij gehouden dient te worden met twee dakpannen of 50 cm bedekking. Al in gang gezette ontwikkelingen in het bouwblok of directe omgeving worden gevolgd.
Gaardenkwartier: aanbouwen aan de zijgevels dienen ruim (50cm) onder de dakrand van het hoofddak te blijven.
3.5.4 Plaswijck, algemeen bij plannen < 100.000
Het gebied Plaswijck is grotendeels vrijgesteld van welstandstoezicht voor plannen onder 100.000 euro. Uitzonderingen hierop, om te voorkomen dat de architectuur te zeer aangetast wordt, zijn de navolgende toezichtcriteria: Grassen, Lusten, Werven, Waterbuurt: bij de plaatsing van dakkapellen geldt de hoofdregel dat het dakvlak rondom vrij gehouden dient te worden met twee dakpannen of 50 cm bedekking. Al in gang gezette ontwikkelingen in het bouwblok of directe omgeving worden gevolgd. Steinen: aanbouwen aan de zijgevels dienen ruim (50cm) onder de dakrand van het hoofddak te blijven.
3.5.5 Weidebloemkwartier, algemeen bij plannen < 100.000
Het gebied Weidebloemkwartier is grotendeels vrijgesteld van welstandstoezicht voor plannen onder 100.000 euro.
Uitzonderingen hierop, om te voorkomen dat de architectuur te zeer aangetast wordt, zijn de navolgende toezichtcriteria:
• gehele gebied, bij dakopbouwen en uitbouwen entrees worden de al in gang gezette ontwikkelingen in het bouwblok of directe omgeving gevolgd.
3.5.6 Goverwelle, algemeen bij plannen < 100.000
Het gebied Goverwelle is grotendeels vrijgesteld van welstandstoezicht voor plannen onder 100.000 euro. Uitzonderingen hierop, om te voorkomen dat de architectuur te zeer aangetast wordt, zijn de navolgende toezichtcriteria:
• Gehele gebied: bij de plaatsing van dakkapellen geldt de hoofdregel dat het dakvlak rondom vrij gehouden dient te worden met twee dakpannen of 50 cm bedekking. Al in gang gezette ontwikkelingen in het bouwblok of directe omgeving worden gevolgd.
3.5.7 Achterwillens oud, algemeen bij plannen < 100.000
Het gebied Achterwillens oud is grotendeels vrijgesteld van welstandstoezicht voor plannen onder 100.000 euro. Uitzonderingen hierop, om te voorkomen dat de architectuur te zeer aangetast wordt, zijn de navolgende toezichtcriteria:
• Gehele gebied: bij de plaatsing van dakkapellen geldt de hoofdregel dat het dakvlak rondom vrij gehouden dient te worden met twee dakpannen of 50 cm bedekking. Al in gang gezette ontwikkelingen in het bouwblok of directe omgeving worden gevolgd.
3.5.8 Bloemendaalseweg/Ridder van Catsweg
In de wijk Bloemendaal-Plaswijck vormen de Bloemendaalseweg en het zuidelijk deel van de Ridder van Catsweg een van oorsprong middeleeuwse uitvalsweg die van de binnenstad van Gouda richting Reeuwijk Dorp loopt. Het is een wilgenlaan met aan beide zijden een sloot. Terzijde staan veel boerderijen en landhuizen. Ook flats en een bejaardenhuis; de schaal daarvan past niet bij het fragiele weggetje en de daaraan gelegen huizen. Voor dit gebied is vanwege het unieke karakter een beheerplan “Bloemendaalseweg en Ridder van Catsweg” van toepassing.
In dit gebied treffen we veel verschillende stijlen aan:
• 1650-1920, Karakteristieke boerderijen
• 1850-1900, Rijtjeshuizen eind 19e eeuw
• 1890-1920, Herenhuizen rond 1900• 1925-1940, Jaren ’30 – Haagse School. Daarnaast komen er nog andere stijlen/stijlperiodes voor, zoals een witte boerderette en de functionalistische grootschalige flatbebouwing en een zorgcomplex.
Juist de verschillen zijn karakteristiek, waarbij echter wel een onderscheid mag worden gemaakt tussen de hiervoor genoemde stijlen/stijlperiodes die goed bij het karakter van de weg passen.
De overige zaken doen afbreuk aan het landelijk karakter. De witte boerderette niet vanwege de schaal, maar door het ongenuanceerde en opvallende kleurgebruik en de grove detaillering.
Ontwikkelingen zullen zich doorgaans voordoen per kavel. Het landelijke karakter van de Bloemendaalseweg heeft bescherming via het beheerplan. Gewenst is om tot een versterking van de aanwezige kwaliteit te komen. Bij eventuele nieuwe ontwikkelingen dient:
• steun te worden gezocht bij de monumentale boerderij als hoofdvorm - als daarvoor voldoende kavel beschikbaar is en gebouw gerealiseerd gaat worden en op de tweede plaats in de volop aanwezige 30er jaren stijl, ook omdat die thans gereproduceerd wordt.
• te worden voorkomen dat te grote woningen op te kleine kavels het karakter van de laan aantasten. Daartoe zal in het bestemmingsplan een bouwvlak worden aangegeven dat voldoende ruimte naar de buren vrijlaat. In het bestemmingsplan kan ook een aanlegvergunningenstelsel met betrekking tot het slopen van opstallen en bruggen worden opgenomen.
• er veel aandacht te zijn voor het veel voorkomende 19e eeuwse rijtjeshuis aan de Ridder van Catsweg. Deze huizen zijn karakteristiek, maar klein. De fundering zal niet veel toename van het gewicht toelaten. Een oplossing biedt de houtskeletbouw in samenhang met sloop van stenen bouwdelen. Het welstandsbeleid zal in verband daarmee ruimte laten voor dakopbouwen die voldoende terugliggen, en voor achteruitbouwen.
De volgende stijlen zijn bepalend voor het karakter van dit gebied:
• De vele 30er jarenhuizen, zowel vrijstaand als in korte series.
• De nogal uiteenlopende rijtjeswoningen uit het eind van de 19e eeuw.
• De vrijstaande herenhuizen uit het eind van de 19e eeuw, begin 20e eeuw.
• De grote afwisseling in de laan.
Voor een beschrijving van relevante stijlen/stijlperiodes: zie deel C, hoofdstuk 7.
Het bijzondere karakter van dit gebied wordt beschermd en waar mogelijk versterkt. Dat gebeurt op drie manieren:
1. Op vrije kavels komen vrije opgaven, waarbij aan het niveau van de architectuur hoge eisen worden gesteld vanwege de prominente ligging. De meetbare aanduiding van dat niveau kan gevonden worden in de frequentie waarmee de ontwerper wordt genoemd in de vak literatuur16). De Adviescommissie Ruimtelijke Kwaliteit kan daarnaast in het ontwerp zelf redenen vinden om van een hoge kwaliteit te spreken.
2. Wanneer het gewenste niveau niet wordt bereikt, kan worden teruggevallen op de hoofdvorm van de monumentale boerderij. Indien daarvoor voldoende kavel beschikbaar is en een gebouw gerealiseerd gaat worden; en anders in de volop aanwezige stijlperiode ‘Jaren ’30 - Haagse School’, ook omdat deze thans gereproduceerd wordt.
3. Voor de stijlperiode ‘Rijtjeshuizen eind 19e eeuw’ is er een mogelijkheid tot vergroting met behoud van het uiterlijk, zijnde de voorgevel.
Teneinde een juridisch acceptabele oplossing te kiezen wordt de bovenstaande werkwijze omgekeerd geformuleerd: De stijlperiodes ‘Karakteristieke boerderijen’ en ‘Jaren ’30 - Haagse School’ worden als norm gehanteerd. Alleen in geval van uitzonderlijke kwaliteit kan daarvan worden afgeweken.
Daarnaast dienen kleine ingrepen geheel aan te sluiten op de aanwezige stijlkenmerken van de gebouwen waaraan ze worden verricht.
De Graaf Florisweg is een van oorsprong middeleeuwse weg in Gouda, waar vroeger boerderijen langs stonden. Het is een laan met een aangenaam profiel en voorzien van laanbeplanting. In de 19e eeuw zijn de boerderijen grotendeels door woon bebouwing vervangen. Aan deze weg staan heel veel verschillende huizen, reeksen, complexen. Ook in verschillende stijlen; eigenlijk komen bijna alle tot nu toe beschreven stijlen/stijlperiodes hier voor.
In de wijk treffen we veel verschillende stijlen aan:
• 1650-1920, Karakteristieke boerderijen
• 1850-1900, Rijtjeshuizen eind 19e eeuw
• 1900-1930, Woningbouwcomplexen begin 20e eeuw
• 1910-1940, Expressionisme – Amsterdamse school
• 1925-1940, Jaren ’30 – Haagse School
• 1925-1955, Traditionalisme – Delftse school. Bij eventuele nieuwe ontwikkelingen dient:
• steun gezocht worden bij de aanwezige Jaren ’30-stijl.
• te worden voorkomen dat te grote woningen op te kleine kavels het karakter van de laan aantasten. Daartoe zal in het bestemmingsplan een bouwvlak worden aangegeven dat voldoende ruimte naar de buren vrijlaat.
• er veel aandacht te zijn voor de voorkomende
19e eeuwse rijtjeshuis. Deze huizen zijn karakteristiek, maar klein. De fundering zal niet veel toename van het gewicht toelaten. Een oplossing biedt de houtskeletbouw in samenhang met sloop van stenen bouwdelen. Het welstandsbeleid laat in verband daarmee ruimte voor dakopbouwen die voldoende terugliggen, en achteruitbouwen.
De volgende stijlen zijn bepalend voor het karakter van dit gebied:
• De vele riante 30er jarenhuizen, zowel vrijstaand als in korte series;
• De nogal uiteenlopende rijtjeswoningen uit het eind van de 19e eeuw;
• De grote afwisseling langs de weg.
Voor een beschrijving van relevante stijlen/stijlperiodes: zie deel C.
Het bijzondere karakter van dit gebied wordt beschermd en waar mogelijk versterkt. Dat gebeurt op drie manieren:
1. Op vrije kavels komen vrije opgaven, waarbij aan het niveau van de architectuur hoge eisen worden gesteld vanwege de prominente ligging). De Adviescommissie Ruimtelijke Kwaliteit zal toetsen aan hoge kwaliteitseisen.
2. Wanneer het gewenste niveau niet wordt bereikt, kan worden teruggevallen op de hier veel voorkomende stijlperiode ‘Jaren ’30 - Haagse School’.
3. Bij seriematige bouw wordt eenzelfde lijn gevolgd.
4. Voor de stijlperiode ‘Rijtjeshuizen eind 19e eeuw’ is er een mogelijkheid tot vergroting met behoud van het uiterlijk, zijnde de voorgevel.
Teneinde een juridisch acceptabele oplossing te kiezen wordt de bovenstaande werkwijze omgekeerd geformuleerd: de stijlperiode ‘Jaren ’30 – Haagse School’ wordt als norm gehanteerd. Alleen in geval van uitzonderlijke kwaliteit kan daarvan worden afgeweken. Daarnaast dienen kleine ingrepen geheel aan te sluiten op de aanwezige stijlkenmerken van de gebouwen waaraan ze worden verricht.
3.5.10 Karnemelksloot/Voorwillenseweg
De Karnemelksloot/Voorwillenseweg is een van oorsprong middeleeuwse uitvalsweg langs een sloot of vaart met lage historische bebouwing; meest woonhuizen. Vanwege de slechte bodem en de dikte van het veenpakket (te dik om te heien: wordt beperkt door de lengte van de bomen) gaat het om huizen van een bouwlaag met kap; soms schijnbaar 2 lagen vanwege de doorgetrokken lijstgevels voor de mansardekap. Naast oude bebouwing is er ook recentere bouw van voor de Tweede Wereldoorlog en uit de jaren ‘70. Toch overheerst de charme van de oude bebouwing aan de sloot. De alleenstaande of in een rij geplaatste woonhuisjes zijn het meest karakteristiek voor de Karnemelksloot/Voorwillenseweg. Langs de Karnemelksloot/Voorwillenseweg treffen we verschillende stijlen/stijlperiodes aan: • 1850-1900, Rijtjeshuizen eind 19e eeuw
• 1890-1920, Herenhuizen rond 1900
• 1900-1930, Woningbouwcomplexen begin 20e eeuw
• 1910-1940, Expressionisme - Amsterdamse school
• 1925-1940, Jaren ’30 - Haagse School
• 1925-1955, Traditionalisme - Delftse schoolNaast deze kleinschalige historische bebouwing zijn er latere invullingen;
• een naoorlogse portiekflat; deze staat dwars enigszins bezijden de gracht en heeft alle gebruikelijke kenmerken van een portiek-etageflat met zadeldak;
• de panoramaflat: een bouwwerk dat qua architectuur, schaal, en materiaal niet past in zijn omgeving;
• een rijtje uit de 70er of 80er jaren; de gevel bestaat uit rode baksteen met donkere kozijnen en witte betonbanden; de gevel is geparcelleerd en geprononceerde balkons bepalen het beeld.
De volgende bebouwing is bepalend voor het karakter van dit gebied: • kleine woonhuizen:
- vaak een per verdieping in de voorgevel
- een enigszins decoratieve voordeur
- de gevel van rode of bruine baksteen of gestuukt en voorzien van schijnvoegen
- de gevel uitgevoerd als klokgevel of als lijstgevel of een combinatie daarvan (korte lijst onder een wolfseind)
- sporenkap als dak afgedekt met rode pannen.
- aanbouwen, dakkapellen en opbouwen komen veel voor, omdat de woningen niet groot zijn.
- woningen doorgaans samengesteld uit een enkele beuk, en een of twee bouwlagen.
. toepassing van rood metselwerk
. sluitstenen en hoekstenen van hardsteen naturel grijs of wit . balkankers - klassieke opbouw:
. hardstenen plint of gestuukte plint van ca. 60 cm
. voordeuren samengesteld als bewerkte en geprofileerde deur met dicht onderpaneel en soms een
glazen invulling ter plaatse van het bovenpaneel, of een snauwgat
. verticale geleding, verticale muuropeningen en staande glasmaten
. verticale schuiframen in middendeel . beëindiging: met sierende kroonlijst en topgevel
- dakkapel, meestal gedecoreerd, in combinatie met de sierlijst
- dakgoten: houten zakgoten en bakgoten voorzien van
- regenpijp geschilderd en langs de bouwmuur
• kleurgebruik: klassieke tinten (zie bijlage IV, kleuren):
- kozijnen: gebroken wit of donkergroen
- bewegende delen: donkergroen
- voordeuren: donkergroen of donkerblauw
- dakranden, windveren en boeiboorden: gebroken wit
- smeedwerk (ankers, hekken, consoles): zwart of donkergroen
De charme van de Karnemelksloot is vooral te danken aan de kleinschalige historische en individuele bebouwing. Daarnaast zijn het rijtje met de lijstgevel, het huis in
Amsterdamse Schoolstijl, en de reeks 30er jarenwoningen, positieve aanvullingen door hun architectonische waarde, en ook de maat en schaal. De overige bebouwing is storend; het rijtje recente geparcelleerde woningen laat zien dat parcelleren niet altijd helpt in het terugbrengen van de schaal: de reeks wordt als een geheel gelezen, en dus als een grote ingreep.
De kenmerkende bebouwing is weliswaar klein, maar in het beeld zou een afwisseling met individuele stadshuizen van 2 of 3 lagen niet misstaan, mits die op een aantal punten meedoen met de karakteristiek van de gevelindeling.
Het oogmerk van beleid is om de zeer verschillende maar bijzondere en kenmerkende sferen die alle typisch zijn voor Gouda, de charme van de Karnemelksloot te beschermen en te behoeden voor onzorgvuldige planvorming en de aanwezige waardevolle architectuur te behoeden voor achteruitgang.
In het welstandsbeleid wordt gestuurd op individuele stadshuizen tot 3 lagen, met een aantal klassieke kenmerken.
Voor de op zichzelf waardevolle, maar van het voorgestane beleid afwijkende bebouwing, dienen kleine ingrepen geheel aan te sluiten op de aanwezige stijlkenmerken van de gebouwen waaraan ze worden verricht. Sommige van de ensembles in dit gebied verdienen een beschermde status.
3.5.11 Kort Haarlem en Kadebuurt
Kort Haarlem plus de Kadebuurt omvat een aantal verschillende gebieden uit verschillende perioden. Soms zijn er per straat grote verschillen aanwezig vanwege het feit dat de straat gefaseerd tot ontwikkeling gekomen is. In Kort Haarlem treffen we veel verschillende stijlen aan:
• 1850-1900, Rijtjeshuizen eind 19e eeuw
• 1900-1930, Woningbouwcomplexen begin 20e eeuw
• 1910-1940, Expressionisme – Amsterdamse school
• 1925-1940, Jaren ’30 – Haagse School
• 1925-1955, Traditionalisme – Delftse school
In de Kadebuurt treffen we eveneens veel verschillende stijlen aan:
• 1850-1900, Rijtjeshuizen eind 19e eeuw
• 1900-1930, Woningbouwcomplexen begin 20e eeuw
• 1925-1940, Jaren ’30 – Haagse School
• 1925-1955, Traditionalisme – Delftse schoolSommige delen van de wijk vormen bijzondere ensembles (zie kaart hoofdstuk 1). Het gaat hier om:
• Martenssingel-Krugerlaan-Karnemelksloot.
Bijzonder in de wijk Kort Haarlem zijn ook twee scholen. Een daarvan is de school aan de Burgemeester Martenssingel. Een sobere, statige neo-renaissance school, met grote verdiepinghoogten en een rustige waardige ordening van vensterassen.
De Karnemelksloot, speelt in deze wijk een geheel eigen rol, omdat het een van oorsprong middeleeuwse uitvalsweg langs een sloot of vaart met lage, historische bebouwing betreft (zie hoofdstuk 7.5.4).
Voor een beschrijving van relevante stijlen/stijlperiodes: zie deel C.
Het oogmerk van beleid is om de zeer verschillende maar bijzondere en kenmerkende sferen die alle typisch zijn voor Gouda, te beschermen en te behoeden voor onzorgvuldige planvorming.
Voor delen van Korte Akkeren is een herontwikkeling gepland of uitgevoerd. Andere delen worden beschermd, of via het bestemmingsplan dan wel via het Welstandsbeleid.
Korte Akkeren is een voornamelijk 20e eeuwse wijk ten zuidwesten van de binnenstad. In de noordoostelijke punt zit nog een randje oudere, gemengde bebouwing, die aansluit op de Turfsingel.
De Turfsingel en de Wachtelstraat rekenen we tot het regiem van de binnenstad.
In de wijk treffen we verschillende stijlen aan, doorgaans in samenhangende complexen:
• 1850-1900, Rijtjeshuizen eind 19e eeuw
• 1900-1930, Woningbouwcomplexen begin 20e eeuw
• 1910-1940, Expressionisme – Amsterdamse school
• 1925-1940, Jaren ’30 – Haagse School
• 1925-1955, Traditionalisme – Delftse school
• Jaren ’70- en ’80-architectuur.
Het hart van de wijk bestaat uit haaks op elkaar staande singels. De wijk als geheel is van een bovengemiddelde kwaliteit. Deze singelstructuur kent door middel van het bestemmingsplan een eigen beschermingsregime. Een deel van de wijk vormt een bijzonder ensemble. Het gaat hier om de Wachtelstraat. Dit deel is op de kaart aangeduid als bijzonder gebied: er geldt een beschermend welstandsbeleid. Sommige objecten hebben een plek op de monumentenlijst.
Het oogmerk van beleid is om de bijzondere, kenmerkende sfeer te beschermen en te behoeden voor onzorgvuldige planvorming.
3.5.13 Van Bergen IJzendoornpark
Het Van Bergen IJzendoornpark is een bijzonder stuk van de stad Gouda. Dat heeft een aantal redenen. Ten eerste gaat het om een royaal en romantisch park van rond 1900, met vijver en bruggen, met een schitterende tuinaanleg en een bescheiden keuze van inrichting en meubilair. Verder is het park omzoomd door “heerenhuizen” van rond de voorlaatste eeuwwisseling, die een monumentaal karakter niet kan worden ontzegd. Het gaat daarbij om zowel huizen in het Van Bergen IJzendoornpark als aan de Van Beverninghlaan.
Dat er daarnaast ook nog qua architectuur heel wat onbeduidender bouwwerken staan, valt toch tegen het geheel in het niet. In het park staan verschillende huizen in verschillende stijlen. De meest bepalende zijn:
• 1890-1920, Herenhuizen rond 1900
• 1925-1940, Jaren ’30 – Haagse School
• 1925-1955, Traditionalisme – Delftse school.
Daarnaast zijn er incidenteel een moderne villa en een boerderette. Maar deze drukken niet een belangrijk stempel op het geheel.
Het park is aangewezen als gemeentelijk monument waardoor het karakter van het park beschermd wordt. Naast deze bescherming is het van belang dat de aanwezige kwaliteiten versterkt worden. Daartoe kan op de eerste plaats steun gezocht worden bij de aanwezige vrijstaande en geschakelde herenhuizen. Op de tweede plaats dient te worden voorkomen dat te grote woningen op te kleine kavels het karakter van de laan aantasten. Daartoe zal, voor de vrijstaande woningen, in het bestemmingsplan een bouwvlak worden aangegeven dat voldoende ruimte naar de buren vrijlaat.
Dominant in het karakter van het Van Bergen IJzendoornpark zijn de vrijstaande en geschakelde herenhuizen van rond de eeuwwisseling 19e - 20e eeuw. Voor een beschrijving van relevante stijlen/stijlperiodes: zie deel C.
Het bijzondere karakter van dit gebied wordt beschermd en waar mogelijk versterkt. Dat gebeurt op twee manieren:
Op vrije kavels komen vrije opgaven, waarbij aan het niveau van de architectuur hoge eisen worden gesteld vanwege de prominente ligging. De Adviescommissie Ruimtelijke Kwaliteit zal het ontwerp aan een hoge kwaliteitseis toetsen. Wanneer het gewenste niveau niet wordt bereikt, kan worden teruggevallen op de stijl/stijlperiode ‘Herenhuizen rond 1900’, en pas in tweede instantie op de in Gouda veel voorkomende stijlperiode ‘Jaren ’30 – Haagse School’.
Bij seriematige bouw wordt eenzelfde lijn gevolgd. Teneinde een juridisch acceptabele oplossing te kiezen wordt de bovenstaande werkwijze omgekeerd geformuleerd. De architectuur van de stijlperiode ‘Herenhuizen rond 1900’ wordt als norm gehanteerd, in tweede instantie die van de ‘Jaren ’30 – Haagse School’. Alleen in geval van uitzonderlijke kwaliteit kan daarvan worden afgeweken. Daarnaast dienen kleine ingrepen geheel aan te sluiten op de aanwezige stijlkenmerken van de gebouwen waaraan ze worden verricht.
De Bodegraafsestraatweg ligt vanaf de 15e eeuw op de kade tussen de Omloopwetering en de Reeuwijkse Wetering of Breevaart. Het oorspronkelijke pad begon bij de Graaf Florisweg en liep door tot Reeuwijk en het verderop gelegen Bodegraven. De verbinding tussen Gouda en Bodegraven via Reeuwijk Brug bestaat tot aan het begin van de 19e eeuw nog uit een smal pad. Rond 1839 wordt het pad verbreed tot een brede weg.
De karakteristiek van de bebouwing langs de Bodegraafsestraatweg is lintbebouwing voornamelijk bestaande uit vrijstaande en twee onder een kap villa’s. Het lintbouwprincipe betreft het het verkavelingstype dat gekenmerkt wordt door een langgerekte reeks van losstaande gebouwen aan één zijde of beide zijden van een weg en/ of waterloop. Van oudsher ontstond lintbebouwing in het buitengebied en behoort het vaak tot een straat- of streekdorp.
De bebouwing aan de Bodegraafsestraatweg bestaat voornamelijk uit woonhuizen, slechts op een enkele plek is een bedrijf gevestigd. De typologie van de woningen kan worden geduid als ruime en luxe eengezinswoningen. Op sommige plekken staan Iosstaande villa’s, maar er zijn in dit geval ook twee onder een kap villa’s en een woningblok van max. 4 aaneengeschakelde woningen.
Bebouwingskenmerken Kenmerkend zijn:
• De oudste bebouwing (tot nr. 117) volgt de rooilijn va de Bodegraafsestraatweg en dateert uit het begin van de 20e eeuw. De stijl van deze bebouwing wordt kenmerkend door onder andere het gebruik van gevels in rode baksteen, houten kozijnen en schuine kappen met soms grotere dakoverstekken en erkers.
In het algemeen sobere architectuur die past in het typisch Goudse landschap dat zich kenmerkt door lintbebouwing, kaden en polders.
• De jongere bebouwing (vanaf nr. 119) ligt verder terug vanaf de weg en is gebouwd vanaf de jaren ‘30 tot nu.
Voornamelijk modernere en luxere villa’s die zijn gebouwd rond 2000. Deze panden kenmerken zich door een combinatie van classicistische en mediterrane architectuur.
• Typologie alle bebouwing: afwisselend 2-onder-1 kap en vrijstaande woningen. Bouwhoogte steeds 2 lagen met kap, gedekt met keramische dakpannen, soms riet.
Tuinen aan de voorzijde en gevels gericht op Breevaart en Reeuwijkse Plassen.
Behoud bebouwingskenmerken bij aanpassing bestaande bouw en bij nieuwbouw.
Het betreffende gebied is voor het merendeel van het gemotoriseerde verkeer de centrale entree van Gouda en wordt vanaf de afrit rijksweg bezien links omzoomd door bomen en bosschages en rechts door het kantorengebied Goudse Poort. Het gebied Goudse Poort kent een sterk variërende bebouwing en reclame-uitingen.
Door de entreefunctie voor de stad is een kwalitatieve toets van de bouw- en reclameactiviteiten in de bebouwingszone rechts van de weg van belang.
Voor deze gebieden zijn specifieke stedenbouwkundige plannen of beeldkwaliteitsplannen gemaakt waarnaar wordt verwezen. In aanvulling daarop zijn de reguliere welstandcriteria van toepassing.
In het kader van de woon- en leefsituatie in de omgeving van een inrichting (van vermakelijkheid) en uit een oogpunt van openbare orde, in het belang van de bruikbaarheid of een doelmatig en veilig gebruik van de weg en het doelmatig beheer en onderhoud daarvan, alsmede de bescherming van het uiterlijk aanzien van de omgeving, is het wenselijk regels te stellen voor het hebben en houden van terrassen voor zover deze zich op de weg bevinden. Begin 2016 zijn met de horecaondernemers uit de Binnenstad nadere afspraken gemaakt over de vormgeving van deze terrassen en vervolgens uitgewerkt in richtlijnen. De herziene richtlijnen zijn in deel C opgenomen.
Overzicht welstandsbeleid Gouda
gebied type toezicht per wijk buurt
22. Bedrijventerreinen, industrieterreinen, volkstuinen en standplaatsen
B. Geen toezicht – plannen onder € 100.000
14. Binnenstad - Nieuwe Park behalve gebieden 2, 4 en 22
15. Bloemendaal - alle buurten behalve gebieden 3, 4, 5, 8, 9, 11, 12 en 22
16. Kort Haarlem - alle buurten behalve gebieden 1, 6 en 7
17. Korte Akkeren - alle buurten behalve gebieden 1, 6, 7 en 13
18. Noord - alle buurten behalve gebieden 8 en 22
19. Plaswijck - alle buurten behalve gebieden 5, 9, 11 en 12
20. Stolwijkersluis - alle buurten behalve gebied 22
21. Westergouwe - alle buurten behalve gebieden 10 en 22
C. Geen toezicht met aanvullende voorschriften – plannen onder € 100.000
11. Bloemendaal - Boerhaave-, Groenhoven- en Windrooskwartier, Heesterbuurt
Plaswijck - Grassen/Water, Lusten en Werven
12. Bloemendaal - Gaardenbuurt en
13. Korte Akkeren - Weidebloemkwartier
D. Beperkt toezicht – plannen vanaf € 100.000
11. Bloemendaal - Boerhaave-, Groenhoven- en Windrooskwartier, Heesterbuurt
Plaswijck - Grassen/Water, Lusten en Werven
12. Bloemendaal - Gaardenbuurt
13. Korte Akkeren - Weidebloemkwartier
14. Binnenstad - Nieuwe Park behalve gebieden 2, 4 en 22
15. Bloemendaal - alle buurten behalve gebieden 3, 4, 5, 8, 9, 11, 12 en 22
16. Kort Haarlem - alle buurten behalve gebieden 1, 6 en 7
17. Korte Akkeren - alle buurten behalve gebieden 1, 6, 7 en 13
18. Noord - alle buurten behalve gebieden 8 en 22
19. Plaswijck - alle buurten behalve gebieden 5, 9, 11 en 12
20. Stolwijkersluis - alle buurten behalve gebied 22
21. Westergouwe - alle buurten behalve gebieden 10 en 22
E. Volledig toezicht – gebieden met bijzondere aandacht
8. Bloemendaal - Goudse Poort-Entree vanaf A12
9. Bloemendaal/Binnenstad - Spoorzone
10. Westergouwe - Eilanden, Tuinen, etc.
F. Volledig toezicht – cultuurhistorisch waardevolle gebieden
1. Binnenstad e.o. - Binnenstad en randen
2. Binnenstad/Nieuwe Park - Van Bergen IJzendoornpark
3. Bloemendaal/Plaswijck - Ridder van Catsweg - Bloemendaalseweg
4. Kort Haarlem - Karnemelksloot – Voorwillenseweg
Korte Akkeren - Wachtelstraat e.o.
5. Kort Haarlem - Martenssingel e.o.
Korte Akkeren - Woudstraat e.o.
6. Noord - Graaf Florisweg – Achterwillenseweg
7. Plaswijck - Bodegraafsestraatweg
G. Volledig toezicht – beschermd erfgoed
Aangewezen monumenten - alle buurten (gehele stad)
OVERZICHT WELSTANDSBELEID GOUDA 2
B. GEEN TOEZICHT – PLANNEN ONDER € 100.000 5
C. GEEN TOEZICHT MET AANVULLENDE ASPECTEN – PLANNEN ONDER € 100.000 6
2. Specifieke welstandscriteria per gebied 6
GEBIED 11: Bloemendaal – Boerhaave-, Groenhoven- en Windrooskwartier, Heesterbuurt en 6
Goverwelle – alle buurten en Plaswijck – Grassen/Water, Lusten en Werven 6
GEBIED 12: Bloemendaal – Gaardenbuurt en Plaswijck – Steinenbuurt 6
GEBIED 13: Korte Akkeren – Weidebloemkwartier 6
D. BEPERKT TOEZICHT – PLANNEN VANAF € 100.000 7
E. VOLLEDIG TOEZICHT (GEBIEDEN MET BIJZONDERE AANDACHT) 8
2. Specifieke welstandscriteria per gebied 8
GEBIED 8: Bloemendaal - Goudse Poort-Entree vanaf A12 8
GEBIED 9: Bloemendaal/Binnenstad - Spoorzone 10
GEBIED 10: Westergouwe - Eilanden, Tuinen, etc. 11
F. VOLLEDIG TOEZICHT (CULTUURHISTORISCH WAARDEVOLLE GEBIEDEN) 12
2. Algemene welstandscriteria 13
3. Specifieke welstandscriteria – regulier 14
4. Specifieke welstandscriteria – reclames 19
5. Specifieke welstandscriteria – per gebied 21
GEBIED 1: Binnenstad en haar randen 21
GEBIED 2: Binnenstad/Nieuwe Park - Van Bergen IJzendoornpark 25
GEBIED 3: Bloemendaal/Plaswijck - Ridder van Catsweg en Bloemendaalseweg 26
GEBIED 4: Kort Haarlem - Karnemelksloot, Voorwillenseweg en Korte Akkeren - Wachtelstraat e.o. 27
GEBIED 5: Kort Haarlem - Martenssingel e.o. en Korte Akkeren – Woudstraat 30
GEBIED 6: Noord - Graaf Florisweg en Achterwillenseweg 31
GEBIED 7: Plaswijck - Bodegraafsestraatweg 32
6. Specifieke welstandscriteria – historische bouwstijlen en stijlperiodes 34
1650-1920 Karakteristieke boerderijen 35
1850-1900 Rijtjeshuizen eind 19e eeuw 37
1890-1920 Herenhuizen rond 1900 39
1900-1930 Woningbouwcomplexen begin 20e eeuw 41
1910-1940 Expressionisme – Amsterdamse school 43
1925-1940 Jaren ’30 – Haagse School 45
1925-1955 Traditionalisme – Delftse school 47
G. VOLLEDIG TOEZICHT (BESCHERMD ERFGOED) 49
BIJLAGE II – REGLEMENT VAN ORDE OP DE ADVIESCOMMISSIE RUIMTELIJKE KWALITEIT 56
6. communicatie en perscontacten 58
BIJLAGE III – WERKWIJZE VAN DE ADVIESCOMMISSIE RUIMTELIJKE KWALITEIT 59
1. frequentie, openbaarheid en verslag van de vergaderingen 59
2. advisering over de plannen 59
3. advies om af te wijken van het in deze nota vastgelegde beleid 60
Deze gebieden zijn vrijgesteld van welstandstoezicht voor alle plannen met uitzondering van de volgende welstandscriteria:
a. Specifieke welstandscriteria – reclame zie hoofdstuk F4
B. Geen toezicht – plannen onder € 100.000
14. Binnenstad - Nieuwe Park behalve gebieden 2, 4 en 22
15. Bloemendaal - alle buurten behalve gebieden 3, 4, 5, 11 en 22
16. Kort Haarlem - alle buurten behalve gebieden 1, 6 en 7
17. Korte Akkeren - alle buurten behalve gebieden 1, 6 en 7
18. Noord - alle buurten behalve gebieden 8 en 22
19. Plaswijck - alle buurten behalve gebieden 5, 9 en 12
20. Stolwijkersluis - alle buurten behalve gebied 22
21. Westergouwe - alle buurten behalve gebieden 10 en 22
Deze gebieden zijn vrijgesteld van welstandstoezicht voor alle plannen onder € 100.000. met uitzondering van de volgende welstandscriteria:
a. Specifieke welstandscriteria – reclame zie hoofdstuk F4
C. Geen toezicht met aanvullende aspecten – plannen onder € 100.000
11. Bloemendaal - Boerhaave-, Groenhoven- en Windrooskwartier, Heesterbuurt
Plaswijck - Grassen/Water, Lusten en Werven
12. Bloemendaal - Gaardenbuurt
13. Korte Akkeren - Weidebloemkwartier
Deze gebieden zijn grotendeels vrijgesteld van welstandstoezicht voor alle plannen onder € 100.000 met uitzondering van de volgende welstandscriteria:
a. Specifieke welstandscriteria – reclame zie hoofdstuk F4
b. Specifieke welstandscriteria – gebied zie hoofdstuk C2
2. Specifieke welstandscriteria per gebied
Hier gelden, afhankelijk van het gebied, de hieronder beschreven aanvullende voorschriften op hoofdlijnen.
BLOEMENDAAL – BOERHAAVE-, GROENHOVEN- EN WINDROOSKWARTIER, HEESTERBUURT EN
PLASWIJCK – GRASSEN/WATER, LUSTEN EN WERVEN
Om te voorkomen dat de architectuur te zeer wordt aangetast geldt voor dit gebied een uitzondering. Hier geldt het volgende aanvullende criterium:
• Voor het gehele gebied geldt bij de plaatsing van dakkapellen de hoofdregel dat het dakvlak rondom vrij gehouden dient te worden met twee dakpannen of 50 cm bedekking. Al in gang gezette ontwikkelingen in hetzelfde bouwblok of directe omgeving worden gevolgd, d.w.z. dat aangesloten wordt op reeds bestaande oplossingen waarvoor vergunning met positief welstandsadvies is verleend.
Om te voorkomen dat de architectuur te zeer wordt aangetast geldt voor dit gebied een uitzondering. Hier geldt het volgende aanvullende criterium:
• Voor het gehele gebied dienen de aanbouwen aan de zijgevels ruim (min. 50 cm) onder de dakrand van het hoofddak te blijven.
KORTE AKKEREN – WEIDEBLOEMKWARTIER
Om te voorkomen dat de architectuur te zeer wordt aangetast geldt voor dit gebied een uitzondering. Hier geldt het volgende aanvullende criterium:
• Voor het gehele gebied geldt bij dakopbouwen en uitgebouwde entrees dat al in gang gezette ontwikkelingen (maatvoering, vormgeving, materialisatie, details en kleuren) in hetzelfde bouwblok of directe omgeving worden gevolgd. D.w.z. dat aangesloten wordt op reeds bestaande oplossingen waarvoor vergunning met positief welstandsadvies is verleend.
D. Beperkt toezicht – plannen vanaf € 100.000
11. Bloemendaal - Boerhaave-, Groenhoven- en Windrooskwartier, Heesterbuurt
Plaswijck - Grassen/Water, Lusten en Werven
12. Bloemendaal - Gaardenbuurt
13. Korte Akkeren - Weidebloemkwartier
14. Binnenstad - Nieuwe Park behalve gebieden 2, 4 en 22
15. Bloemendaal - alle buurten behalve gebieden 3, 4, 5, 11, 13 en 22
16. Kort Haarlem - alle buurten behalve gebieden 1, 6 en 7
17. Korte Akkeren - alle buurten behalve gebieden 1, 6 en 7
18. Noord - alle buurten behalve gebieden 8 en 23
19. Plaswijck - alle buurten behalve gebieden 5, 9, 12 en 13
20. Stolwijkersluis - alle buurten behalve gebied 22
21. Westergouwe - alle buurten behalve gebieden 10 en 22
Voor deze gebieden gelden voor alle plannen vanaf € 100.000 de volgende welstandscriteria:
a. Algemene welstandscriteria zie hoofdstuk F2
b. Specifieke welstandscriteria – reclame zie hoofdstuk F4
E. Volledig toezicht (gebieden met bijzondere aandacht)
8. Bloemendaal - Goudse Poort-Entree vanaf A12
9. Bloemendaal/Binnenstad - Spoorzone
10. Westergouwe - Eilanden, Tuinen, etc.
Voor deze gebieden gelden voor alle plannen de volgende welstandscriteria:
a. Algemene welstandscriteria zie hoofdstuk F2
b. Specifieke welstandscriteria – reclames zie hoofdstuk F4
c. Specifieke welstandscriteria – gebied zie hoofdstuk E2
2. Specifieke welstandscriteria per gebied
Hier gelden, afhankelijk van het gebied, de hieronder beschreven aanvullende voorschriften.
BLOEMENDAAL - GOUDSE POORT-ENTREE VANAF A12
Het gebied moet door zijn samenhang, goede architectuur en eensluidend en verantwoord kleuren materiaalgebruik een fraaie aanblik geven. De ontwerpen moeten van een hoog niveau zijn. Een beperkt scala aan kleur en materiaal kan de samenhang bevorderen. De opslag en goederen moeten aan het zicht worden onttrokken.
Ontwerpen die daaraan niet voldoen, moeten niet op de zichtlocatie worden gesitueerd: de adviescommissie geeft over die plaatsing een advies.
• geprofileerd metaal bij voorkeur met een klein en liggend profiel, licht kleur
• bij uitzondering staand profiel: klein profiel (max. 12 cm golf); aluminium of geprofileerd metalen gevel staand profiel, grof (min. 12 cm golf) en in dat geval donkere kleur
• geen onderbrekingen van het profiel; geen passtukken
• slank hoekdetail en smalle daktrim: max. 5 cm; of geen hoekstuk of trim
• gevelopeningen met een diepe metalen negge (min. 20 cm) en kozijn achter de gevel; binnenbeglazing, of gevelopeningen met voorkant gelijk of vóór de gevel. Van hetzelfde materiaal of dezelfde kleur
• garagedeuren en loopdeuren geheel gesloten en in dezelfde kleur als de gevel, of min. 80% doorzichtig / doorschijnend
• bij kozijnen: slanke profielen toepassen
• ook doorschijnende gevels kunnen toegepast worden (Reglit of Profilit, polycarbonaat, matglas, helder kleurloos glas)
• bij doorschijnende gevels de kleur afstemmen op het soort gevelmateriaal: dus van hetzelfde materiaal of de kleur nagenoeg hetzelfde.
• geen regenpijpen in het zicht; spuwers toepassen: diameter max. 30 mm.
• dock shelters vergen een andere verkaveling: een ruim voorterrein is nodig
• dock shelters vergen ook een goed ontwerp, waarbij de contrasterende portaalvorm (zwarte opening met rubbers in lichte gevel) wordt vermeden of opgenomen in een doorlopend zwart vlak, en afgezoomd met een luifel
• dock shelters die minder fraai ogen komen niet op de zichtlocatie.
• rode keramische gevels (Archeton), of:
• doorschijnende gevels (Reglit of Profilit, polycarbonaat, matglas, helder kleurloos glas).
• in de stenen gevels of keramische gevels worden diepe neggen toegepast (min. 20 cm); kozijn achter de gevel; binnenbeglazing); kozijnen, deuren, ramen panelen donkergroen of antraciet
• in andere gevels: zie onder “hallen”.
• een trasraam toepassen van donkere steen
• een grindkoffer van 20 cm diep en 60 cm breed, kleur gelijk aan de gevel (grind bij lichte plaat, keramisch materiaal of geëxpandeerde klei bij baksteen).
• In de stenen gevels kunnen beige stenen banden of natuursteenbanden (travertin) worden toegepast in de plint (tot 3 m hoogte) en in de beëindiging.
Wanneer sprake is van een gebouw bestaande uit een hal plus kantoor, dan dient het geheel als een volume te worden uitgevoerd: dus geen sprong in de gevel en in de daklijn, waarbij het kantoorgedeelte in een ander gevelmateriaal mag worden uitgevoerd (rode steen of keramiek; zie onder ‘gevels’). In zo’n combinatie geen afwijkende steen (beige, travertin) toepassen. Indien de metalen gevel een stenen of betonnen voet heeft, dan moet deze worden doorgezet in de stenen gevel door een donker trasraam van gelijke hoogte.
Bij zeer grote gebouwen (vanaf 80 m breedte ten opzichte van de rand van de zichtlocatie) is een grotere vrijheid voor materiaalgebruik en architectuur mogelijk. Hier wordt uitsluitend getoetst op niveau in verband met de locatie.
Voor de gebouwen (voor de rooilijn): geen hekken maar heggen. Alle hekken vanaf 2 m achter de rooilijn.
Om het doorzicht naar opslag en naar achtergelegen, soms onordelijke bedrijven te beperken en de samenhang te bevorderen, worden overal dezelfde hekken toegepast: eenvoudig verzinkt gaashek met een hoogte van 4 m, geheel begroeid met Hedera.
nutsvoorzieningen en nutsgebouwtjes
Deze worden geheel opgenomen in de bedrijfsgebouwen.
zonnepanelen (collectoren en PV-cellen)
Uitsluitend op het dak aanbrengen en minimaal op enige afstand van de rand van de dakrand (2x de hoogte van het paneel), of volkomen integreren in het gevelontwerp.
Alleen screens in de kleur van de gevel toepassen.
Uitzondering: Wanneer zich een voortreffelijk ontwerp aandient dat niet voldoet aan bovenstaande kenmerken, zal het getoetst worden aan de algemene welstandscriteria.
Alle installaties opnemen in het bouwvolume, of ver van de dakrand (min. 30% van de diepte van het gebouw t.p.v. de installatie) verborgen in een cache misère van een passende onopvallende kleur.
Alleen op het achterterrein, of op het dak bij de achter- gevel.
Uitsluitend op het achterterrein en niet-zichtbaar vanaf publiek domein.
latere wijzigingen, opbouwen, enz.
Bij verbouwplannen moet het gebouw ook na wijziging veer geheel voldoen aan het vastgestelde beleid.
Naar het open landschap wordt het bedrijventerrein afgezoomd met een forse houtwal en een dubbele rij bomen.
Voor gebouwen en bouwwerken worden, tenzij anders aangegeven, de volgende kleuren toegepast:
• Bij aan de buitenzijde toegepaste materialen moeten in de natuurlijke kleur van het materiaal (naturel) uitgevoerd worden of in een van de volgende kleuren:
- donkergroen, zoals mosgroen, flessengroen, dennengroen, grachtengroen of vergelijkbare kleur
- donkerrood , zoals robijnrood, bordeauxrood
- donkerblauw, Pruisisch blauw of vergelijkbare kleur
- beige, zoals saffraangeel, pastelgeel of vergelijkbare kleur
- gebroken wit, zoals paarlemoer, grijs-gebroken wit, crème of vergelijkbare kleur (geen wit).
• Bij moderne architectuur bovendien ook:
- bij smeedwerk: zwart, ijzerglimmer
- lichtgrijs, lichtgrijs warm, grijs crème, grijs-gebroken wit, grijs of vergelijkbare kleur
- gebroken wit, of vergelijkbare kleur (geen wit).
BLOEMENDAAL/BINNENSTAD - SPOORZONE
1. Het gebied moet door zijn samenhang, goede architectuur en eensluidend en verantwoord kleuren materiaalgebruik een fraaie aanblik geven. De ontwerpen moeten van een hoog niveau zijn. Een beperkt scala aan kleur en materiaal kan de samenhang bevorderen. De opslag en goederen moeten aan het zicht worden onttrokken.
2. Ontwerpen die daaraan niet voldoen, moeten niet op de zichtlocatie worden gesitueerd: de adviescommissie geeft over die plaatsing een advies.
WESTERGOUWE - EILANDEN, TUINEN, ETC.
In deze gebieden gelden tevens de volgende welstandscriteria:
1. De Kwaliteitsrichtlijnen Westergouwe:
• Fase 1: “Ontwerprichtlijnen Westergouwe fase 1”
• Fase 2: “Beeldkwaliteitsplan Westergouwe fase 2”
2. Specifieke welstandscriteria – historische bouwstijlen en stijlperiodes zie hoofdstuk F6
indien sprake is van één of meer van de volgende historische stijlen/stijlperiodes:
a) 1650-1920 Karakteristieke boerderijen
F. Volledig toezicht (cultuurhistorisch waardevolle gebieden)
1. Binnenstad e.o. - Binnenstad en randen (beschermd stadsgezicht)
2. Binnenstad/Nieuwe Park - Van Bergen IJzendoornpark
3. Bloemendaal/Plaswijck - Ridder van Catsweg en Bloemendaalseweg
4. Kort Haarlem - Karnemelksloot en Voorwillenseweg
Korte Akkeren - Wachtelstraat e.o.
5. Kort Haarlem - Martenssingel e.o.
Korte Akkeren - Woudstraat e.o.
6. Noord - Graaf Florisweg en Achterwillenseweg
7. Plaswijck - Bodegraafsestraatweg
Voor deze gebieden gelden voor alle plannen de volgende welstandscriteria:
a. Algemene welstandscriteria zie hoofdstuk F2
b. Specifieke welstandscriteria – regulier zie hoofdstuk F3
c. Specifieke welstandscriteria – reclames zie hoofdstuk F4
d. Specifieke welstandscriteria – per gebied zie hoofdstuk F5
e. Specifieke welstandscriteria – historische bouwstijlen en stijlperiodes zie hoofdstuk F6
indien sprake is van één of meer van de volgende historische stijlen/stijlperiodes:
I. 1650-1920 Karakteristieke boerderijen
II. 1850-1900 Rijtjeshuizen eind 19e eeuw
III. 1890-1920 Herenhuizen rond 1900
IV. 1900-1930 Woningbouwcomplexen begin 20e eeuw
V. 1910-1940 Expressionisme – Amsterdamse school
VI. 1925-1940 Jaren ’30 – Haagse School
VII. 1925-1955 Traditionalisme – Delftse school
Het beoordelen van de welstandskwaliteit van een bouwplan is in vakliteratuur op de volgende wijze beschreven:
1. De relatie van het gebouw als object met de context van zijn omgeving, de bijdrage die geleverd wordt aan de kwaliteit van de openbare ruimte die er mede door gevormd wordt, de wijze waarop de ruimten en elementen van het gebouw als object functioneren in de compositorische context van het geheel.
2. In samenhang daarmee en als gevolg daarvan: de helderheid en afleesbaarheid van het architectonisch concept en de wijze waarop complexiteit is gebezigd als middel om daarmee, zonder aan de helderheid wezenlijk afbreuk te doen, aan te sluiten op de verschillende thematieken die te onderkennen zijn in programma en situatie, om mede daardoor de compositie intrigerend te maken en daarmee de architectonische werking te versterken.
3. De wijze waarop in het concept wordt omgegaan met de betekeniswaarden van architectuur zoals die leven in de sociaal-culturele context, ofwel: de wijze waarop associatieve betekenissen en actuele opvattingen over architectuur in het concept worden gehanteerd.
4. De wijze waarop met maten, volumina en vlakverdelingen wordt omgegaan, de wijze waarop het gebruik van materiaal, textuur, kleur en licht bijdraagt aan en volgt uit het architectonisch concept en de mate waarin de ontwerper er in slaagt het door hem gewenste resultaat te bereiken met de hem daarbij ten dienste staande middelen.
Gouda hanteert op basis van deze beschrijving de volgende criteria:
• Het past goed in zijn omgeving (esthetisch), het draagt bij aan de kwaliteit ervan en het doet daaraan geen afbreuk.
• Het plan is helder en begrijpelijk en niet nodeloos ingewikkeld. Het sluit in dat opzicht aan op thema’s of kenmerken van de omgeving of van de opgave zelf.
• Het bouwplan lijkt op dat wat men er - gelet op de functie - normaal gesproken van mag verwachten.
• Het is - gelet op de opgave die de ontwerper zich gesteld ziet - een geslaagd ontwerp qua:
o materiaalgebruik, textuur en kleur
o compositie van massa’s en volumes
• De ontwerper heeft bereikt wat hij wilde of wat hier nodig was.
Als aan deze criteria is voldaan, voldoet het bouwplan aan redelijke eisen van welstand.
3. Specifieke welstandscriteria – regulier
Deze reguliere criteria gelden voor de gebieden 1 t/m 7. Indien een ‘Specifieke welstandscriteria – regulier’ in strijd is met een criterium genoemd onder ‘Specifieke welstandscriteria – per gebied’, dan prevaleert het criterium genoemd ‘Specifieke welstandscriteria – per gebied’.
vorm, materiaal en kleurgebruik
Het gevelmateriaal moet passen bij het gebouw en in de omgeving.
Vorm, materiaal en kleurgebruik
• De plaatsing en vormgeving van gevelopeningen en het kleurgebruik bij kozijnen moet in overeenstemming blijven met de architectuur / tijdsbeeld van het gebouw en dient aan te sluiten bij de omgeving. Het gaat daarbij om plaatsing al of niet in assen, wel of geen negge, en de soort opening (bijvoorbeeld staand of liggend).
• Voor kozijnen is hout het beste materiaal. Kunststof en aluminium zijn onder bepaalde voorwaarden aanvaardbaar.
• Hout dient normaal gesproken behandeld te worden om lelijke verkleuring en vergrijzing tegen te gaan.
• Bij vervanging van slanke stalen kozijnen (stoeltjesprofiel) dient een slank profiel (voorvlak max. 17 mm breedte) te worden toegepast en dient dezelfde kozijnindeling te worden aangehouden.
• Stalen kozijnen en ramen in principe vervangen door aluminium kozijnen en ramen vanwege de gewenste dimensionering: negge min. 3 cm in het kozijn. Kunststof kozijnen en ramen zijn in visueel opzicht overwegend te zwaar uitgevoerd.
• In principe geen kunststof bij vervanging van houten kozijnen toepassen. Worden toch kunststof kozijnen toegepast dan dienen deze verdiept of conform het oorspronkelijke profiel van het houten kozijn worden uitgevoerd: negge min. 3 cm in het kozijn.
• Suskasten en ventilatieroosters moeten esthetisch gezien passen in de kozijnindeling.
• Geen spiegelend glas of sterk getint glas.
• Geen dubbel glas tussen imitatieroeden van kunststof in naar publiek domein gerichte gevels
• Zie voor vorm, materiaal en kleur het betreffende onderdeel: kozijnen.
Bedrijfsdeuren en garagedeuren moeten zich in materiaalgebruik en detaillering voegen naar de bestaande architectuur. Dat betekent dat in oude gebouwen industriële roldeuren en plaatstalen garagedeuren niet passend zijn. De vormgeving moet uitdrukking geven aan het utilitaire gebruik van de achterliggende ruimte.
Het gebruik van helder vensterglas bij garages, werkplaatsen of opslagplaatsen beïnvloedt het gevelbeeld negatief.
rolluiken en andere inbraakvoorzieningen in woongebieden
Rolluiken beschermen tegen inbraak, maar beïnvloeden het stadsbeeld negatief. Rolluiken mogen het gevelbeeld niet verstoren.
• Rolluiken zijn niet toegestaan voor de pui, binnen de zone van 1 m achter de pui en als afsluiting van een winkelportiek.
• Voor rolluiken die voor 80% open zijn, is in een verantwoord ontwerp op bovenstaande regeling vrijstelling mogelijk, mits achter de pui geplaatst. De rolkast moet altijd binnen de gevel geplaatst zijn.
• Voor verticale zonweringrolluiken of veiligheidsrolluiken en schuifhekken is deze regeling ook van toepassing.
• Kleur: zwart, antraciet, donkergroen of aluminium.
vorm, materiaal en kleurgebruik
Passend bij het geheel en de omgeving.
Passend bij het geheel en de omgeving.
Dakkapellen leveren een vergroting van de ruimte en zijn aanvaardbaar als ze de aanblik van het gebouw niet wezenlijk aantasten. Dakkapellen horen bij het gebouw en moeten in het straatbeeld passen en dienen een ondergeschikte toevoeging aan het dak te zijn. Ze mogen geen storende ingreep zijn.
Hoogte max. 1 m (verticaal gemeten) boven de bestaande nok is toegestaan.
Dakbedekkingmateriaal gelijk aan bestaand; overig materiaal en kleurgebruik (zie onder onderdeel gevel).
dakopbouwen / geveloptrekkingen / penthouses
Dakopbouwen leveren een fikse vergroting van de ruimte en zijn aanvaardbaar als ze de kwaliteit van het stadsbeeld niet wezenlijk aantasten. Ze dienen geen storende toevoeging te zijn.
Dakopbouwen aan de voorzijde hebben niet de voorkeur.
• als het gebouw een schuin dak heeft:
- Aan de achterzijde met het voordakschild opgetrokken (zie onder dakoptrekking). Voor materiaal en kleurgebruik (zie onder onderdeel gevel).
- Of: een kopie van een dakopbouw op eenzelfde woning of gebouw in een vergelijkbare situatie die recent is goedgekeurd.
• als het gebouw een plat dak heeft:
- In de voorgevelrooilijn, opgetrokken van dezelfde materialen en met dezelfde gevelindeling en kozijnen als de verdieping er onder, dezelfde beëindiging (dakrand) als het oorspronkelijke dak.
- of: 1,5 m achter de rooilijn:
o van een geheel afwijkende indeling en ander materiaal en kleur dan de onderliggende gevel.
o bescheiden en verantwoord kleur- en materiaalgebruik: Materialen: hout, steen, stuc; geen plaatmateriaal met zichtbare bevestiging of contrasterende plaatnaden. Kleuren: gebroken wit, beige of lichtgrijs. De kozijnen en ramen gebroken wit, beige, lichtgrijs, donkergroen, antraciet, zwart, bordeaux rood, Pruisisch blauw of naturel gebeitst hout.
- of: een kopie van een dakopbouw op eenzelfde woning of gebouw in een vergelijkbare situatie die recent is goedgekeurd.
schoorstenen , lucht- en rookgasafvoeren
De worden uitgevoerd in metselwerk, gelijk aan het gebouw of bescheiden verzamelkappen grijs, antraciet of grijsrood in de kleur van de pannen.
De borstwering bij dakterrassen moet, indien zichtbaar vanaf het publieke domein, integraal onderdeel uitmaken van het ontwerp van de gevel waarboven het dakterras zich bevindt.
Aan- en uitbouwen dienen, indien zichtbaar vanaf publiek domein, als volgt te worden uitgevoerd:
• Vorm, materiaal en kleurgebruik in overeenstemming met het hoofdgebouw.
• Als er in een vlak wordt aangebouwd, kan ter voorkoming van lelijke aansluitingen, een ander materiaal worden gekozen (bijvoorbeeld hout of zink in plaats van baksteen).
• Indien bij een eindwoning als afsluiting van het bouwblok: metselwerk of donker geschilderde horizontale houten delen, afgedekt door plat dak met uitkragend boeiboord (gebroken wit of donkergroen) en gootklossen.
Bijgebouwen die zichtbaar zijn vanaf publiek domein dienen uitgevoerd te worden in metselwerk.
Ambtelijke toets via KAN-bepaling
Erfafscheidingen voldoen in elk geval aan redelijke eisen van welstand, indien:
- in (gesloten) metselwerk voorzien van penanten en ezelsrug,
- van houten delen (gepotdekseld of met messing en groef), in klassieke tinten (donkergroen, gebroken wit, antraciet)
- als geheel met blijvend groen begroeid gazen hekwerk (begroeiing bijvoorbeeld Hedera).
- smeedijzeren en gedecoreerd zwart hekwerk.
• Uitvoeren geheel overeenkomstig met de aanwezige kenmerken.
• Vooral zeer voorzichtig omgaan met reparaties en reinigen: eerst een proefstuk opzetten.
• Geen andere kozijnindeling en profilering; glas-in-lood handhaven en raamroedes waar mogelijk handhaven.
Niet toegestaan indien zichtbaar vanaf het publiek domein.
Ambtelijke toets via KAN-bepaling
Schotelantennes voldoen aan redelijke eisen van welstand indien:
• ze of zijn uitgevoerd in de kleur van de achterliggende gevel, of gebroken wit of licht grijs
• diameter niet groter dan 60 cm, of diameter niet groter dan 100 cm en voor min. 50% transparant
zonnepanelen (collectoren en PV-cellen)
Er zijn ruime mogelijkheden om zonnepanelen zonder bouwvergunning te plaatsen. Indien de zonnepanelen niet binnen de marges van vergunningvrij vallen zijn ze niet toegestaan.
Gevelverlichting en gevelversiering worden aangebracht met het oogmerk het visuele beeld te beïnvloeden. Het heeft direct gevolgen voor de ruimtelijke kwaliteit en daarom moet er terughoudend mee omgegaan worden. Het aanlichten van gevels kan een onwerkelijk beeld geven.
Het is niet in overeenstemming met de vormgeving en de architectuur. Het kan de ruimtelijke kwaliteit gemakkelijk verstoren. Voor enkele prominente gebouwen (de iconen van de stad, zoals het stadhuis, de Waag en de Sint Janskerk) kan aanlichten gewenst zijn. De kleur van het licht speelt daarin een belangrijke rol; zij dient geen afbreuk te doen aan de karakteristiek van het gebouw en zijn omgeving, maar deze juist nadrukkelijk te ondersteunen.
Permanente gevelversiering moet onderdeel van het totale gevelontwerp worden en met de daarvoor geldende criteria beoordeeld worden.
Tijdelijke gevelverlichting en versiering moeten ondergeschikt zijn aan het bestaande gevelbeeld. Deze mogen niet hoger dan de onderzijde van de ramen van de eerste verdieping aangebracht worden. De technische voorzieningen (bevestigingsmiddelen en elektriciteitsvoorzieningen) moeten na het verwijderen van de verlichting of versiering zo onzichtbaar mogelijk zijn.
• Alvorens een besluit tot kleurwijziging van een historisch waardevol pand (beschermd of niet-beschermd) te nemen is het dringend gewenst contact op te nemen met Bouw- en Woningtoezicht.
• Monumenten (beschermd): Het wijzigen van kleuren is een wezenlijke wijziging. Daarom is een omgevingsvergunning (‘activiteit monument’) noodzakelijk.
• Nieuwbouw en verbouw van niet-beschermde panden: Het kleurgebruik is onderdeel van de omgevingsvergunning (‘activiteit bouwen’).
• Overige bestaande bebouwing: Het wijzigen van kleuren is bij overige bestaande bebouwing vergunningsvrij. Maar als er sprake is van ontsiering, kan de gemeente achteraf besluiten dat de kleur moet worden veranderd. Het gemeentebestuur neemt dat besluit na advies van de welstandscommissie.
• Beschilderen van de beglazing: Het geheel of gedeeltelijk beschilderen van beglazing in de gevels of het beplakken daarvan met folie of iets dergelijks aan de binnen- danwel buitenzijde, wordt als kleurwijziging opgevat en als zodanig beoordeeld.
• Kleuronderzoek: Bij monumenten (beschermd) waarvan de gevels (en in het geval van winkelpanden de puien) in belangrijke mate een tijdsbeeld vertegenwoordigen moet een kleuronderzoek plaatsvinden. Op grond van dat onderzoek moet op de aangetroffen oude kleur worden aangesloten.
Bij monumenten (beschermd) waarbij dit niet het geval is, kan door de gemeente kleuronderzoek worden verlangd, alvorens de kleuren vast te stellen. In dat geval moet bij de aangetroffen oude kleuren worden aangesloten. Waar geen onderzoek nodig is, kunnen kleuren worden aangebracht.
• Kleurcollectie: Voor alle overige bestaande bebouwing bestaat een voorkeur voor de genoemde kleurcollectie. Andere kleuren zijn mogelijk, maar te sterke contrasten met (de karakteristiek van) de omgeving worden afgewezen.
• Relatie met de omgeving: Bij nieuwbouw dienen de kleuren te zijn afgestemd op de (historisch waardevolle) omgeving.
• Uitstallingen voor winkels bepalen het aanzicht tijdens de winkelopeningstijden.
• De uitstallingen moeten de visuele en ruimtelijke kwaliteit van het gebied verbeteren. Het moet een sfeervolle, positieve uitstraling op het straatbeeld hebben, een kwaliteitsverbetering voor het centrum zijn en de binnenstad aantrekkelijker maken. Het kan de winkel verfraaien en markeren.
• De uitstalling moet een mooie, elegante presentatie van handelswaar zijn. Aanvullende reclameteksten horen daar niet op. Opstapeling van goederen en bakken met ongesorteerde goederen zijn ongewenst.
• De uitstalling mag niet gepositioneerd worden voor de bestaande reclame, niet hoger dan de winkelpui.
• De uitstalling moet bij de winkelsluiting geheel verwijderd worden.
• In de winkelpuien moet de parcellering van de panden tot uiting komen.
• Het doortrekken van een pui, luifel, zonwering, reclame of gevel over twee panden is evenals het doortrekken van een pui over twee verdiepingen in strijd met het karakter van de cultuurhistorisch waardevolle gebieden.
• De winkelpui wordt in de rooilijn geplaatst.
• De deuropening van de winkelpui mag niet breder zijn dan 2 m.
• In de winkelpuien wordt helder glas toegepast.
• Bij het nieuw ontwerpen van een winkelpui moeten de reclame-uitingen integraal onderdeel van het ontwerp zijn, waarbij de criteria voor reclame toegepast worden.
• Materiaalgebruik en detaillering moet afgestemd zijn op de architectuur en bouwhistorie van het gebouw.
• Bij een klassiek vormgegeven winkelpui hoort een borstwering.
• Puien dienen deel uit te maken van de gevel als geheel. Dat kan door het metselwerk of stucwerk van de verdiepingen aan de zijkant door te laten lopen tot de grond of door een passende lijst om de winkelpui te ontwerpen. De lijst kan gemaakt worden van hout,
• natuursteen, grijze hardsteen, gietijzer of staal; het hout bewerkt en transparant gebeitst of geschilderd (zoals het overige houtwerk); het steen zoals elders omschreven, en gietijzer of staal in donkere kleuren (donkergroen, donkerblauw, donkerrood of antraciet).
• Symmetrie ligt voor de hand als klassiek ontwerpmiddel, tenzij er aan de zijkant van de gevel een toegang tot de bovenwoning is gesitueerd.
4. Specifieke welstandscriteria – reclames
• De reclame mag niet in strijd zijn met de Nederlandse reclamecode.
• Een beroep op reeds bestaande reclame die niet aan de richtlijnen voldoet zal niet worden aanvaard.
• Bij wijziging en verwijdering van de reclame vervalt de oude vergunning en dient een nieuwe vergunning te worden aangevraagd.
• Reclame is, op enkele uitzonderingen na als geregeld in de APV, vergunningplichtig.
• Onder reclame wordt verstaan: iedere openbare aanprijzing van goederen en diensten met behulp van een opschrift, aankondiging of afbeelding in welke vorm dan ook, waarmee kennelijk wordt beoogd een commercieel belang te dienen. Reclame kan een ontsierende werking hebben, dit geldt in Gouda met name voor haar vele historisch waardevolle panden en het beschermd stadsgezicht. De schoonheid van de gevels wordt aan het zicht onttrokken en het straatbeeld en de karakteristiek van het stadsgezicht worden verstoord.
reclames en naamsaanduidingen los van een gebouw
• De vrijstaande reclame moet voldoen aan het gebiedsgerichte beoordelingskader van het gebied waar deze geplaatst wordt.
• Voor deze reclames geldt: overdaad schaadt. In een kleinschalige omgeving, zoals buurtwinkelcentra, mag het oppervlak van de reclame-uiting alzijdig gemeten max. 2 m2 bedragen.
• De reclame mag de waarden van beschermde monumenten of het beschermde stadsgezicht niet aan tasten.
• Reclame moet een directe relatie hebben met het gebruik van/de activiteiten op het perceel waar deze geplaatst wordt.
• LED-reclames zijn toegestaan op basis van een verlichtingsplan dat voldoet aan de kaders van de Richtlijn Lichthinder van de NSVV.
• Knipperende lichtreclames zijn niet toegestaan.
• De plaats en (hoogte-)maatvoering wordt door middel van stedenbouwkundige voorschriften begrensd. De verkeersveiligheid en de vrije hoogte boven de openbare weg behoren bij het afwegingskader van de APV.
reclames en naamsaanduidingen op/aan een gebouw
• Reclame moet bij nieuwbouw en verbouw een geïntegreerd onderdeel uitmaken van het ontwerp.
• Binnenreclames kunnen zonder vergunning worden aangebracht. Hierbij geldt echter dat deze reclames slechts zijn toegestaan wanneer de afmeting, hoeveelheid, vorm en kleur zodanig zijn dat er geen sprake is van ontsiering.
• Het beplakken van ramen kan worden gezien als reclame, waarbij het beplakken van ramen op verdiepingsniveau niet is toegestaan.
• Voor reclameobjecten op monumenten prevaleren de monumentenvoorschriften.
• Tijdelijke reclame, in welke vorm dan ook, is slechts toegestaan wanneer de afmetingen, hoeveelheid, vorm en kleur zodanig zijn dat er geen sprake is van ontsiering.
• Standaardreclame van winkelketens wordt niet zondermeer geaccepteerd. Deze reclame dient in afmeting, vorm en kleur te worden aangepast aan de architectuur van het pand en de (historische) omgeving.
• Per pand gelden de volgende afmetingen;
- Buiten de gevel uitstekende reclame max. 0,5 m2.
- Tegen de gevel aangebrachte elementen als schilden, bakken en borden max. 0,75 m2 met een max. lengte van 2,5 m.
• Losse letters genieten de voorkeur, waarbij de uitvoering wel in juiste verhouding moet zijn met de gevel waarop zij worden aangebracht. Het oppervlak van de rechthoekige begrenzing van de letters mag max. 1 m2 zijn, de lengte max. 2,5 m en de hoogte max. 0,5 m.
• Met de toepassing van kleur bij reclame in de binnenstad en haar randen moet zorgvuldig worden omgegaan.
• De bovenzijde van de reclame, in welke vorm dan ook niet hoger dan 5 m boven de straat en niet hoger dan de onderzijde van de kozijnen op de eerste verdieping.
• De dikte van reclame-elementen max. 0,2 m.
• Reclame-elementen mogen niet meer dan 0,7 m uit de gevel steken.
• Reclame dient een relatie te hebben met de activiteiten in het pand.
• Het herhalen van een reclameaanduiding (tekst of afbeelding) aan een gevel is niet toegestaan.
• Reclamevlaggen en/of banieren worden beschouwd en beoordeeld als onderdeel van de totale hoeveelheid toegestane uit de gevel stekende reclame.
• Op de Markt en de Wijdstraat zijn lichtbakken niet toegestaan. In plaats daarvan kunnen losse letters (verlicht of onverlicht) of uithangborden worden toegepast.
5. Specifieke welstandscriteria – per gebied
Hier gelden, afhankelijk van het gebied, de hieronder beschreven aanvullende voorschriften.
1. Bij het vernieuwen, herstellen en het aanbrengen van kleine wijzigingen van gebouwen moet voor wat betreft de materiaalkeuze en de detaillering zoveel mogelijk worden aangesloten bij de architectuur en bouwhistorie van het pand. Er moeten bij oudere gebouwen traditionele materialen in traditionele detaillering toegepast worden. Voor zover het in de onderstaande onderdelen niet uitgewerkt is, zijn de algemene welstandscriteria van toepassing.
2. De nadruk wordt gelegd op alles wat zichtbaar is vanuit het publieke domein.
vorm, materiaal en kleurgebruik
• Gevels zijn vaak uitgevoerd in schoon metselwerk. Meestal geeft een rode, roze of bruine baksteen op termijn een mooi beeld. Witte stenen worden vaak lelijk, blonde zandkleurige stenen meestal niet. Bij gele steen hangt het van de soort steen af.
• Stucwerk is doorgaans het beste uit te voeren in gebroken wit of heel lichtgrijs. Vergrijzend hout wordt in ons land vaak lelijk door mos en erg donkere, streperige vergrijzing. Melamine gebonden papierplaat (zoals Trespa) kan goede resultaten geven, maar dit hangt sterk af van de detaillering: bevestiging met noppen leidt tot een armoedig en lelijk resultaat, evenals contrasterende rugvulling in de plaatnaden, met name als een dunne plaat wordt toegepast (wisselen en golven van de naad). Dit materiaal is toegestaan mits uitgevoerd zonder zichtbare bevestigingsmiddelen.
Plint (begane grondverdieping)
• Duidelijke afstemming op verdiepingen, meestal grotere openingen, soms ander materiaal. Indien de schaalgrootte van het gebouw het toelaat moet de vrije hoogte in deze plint min. 3,5 m zijn.
• Geen of heel kleine gevelsprongen; bouwen in de rooilijn met vaak kleine hoekverdraaiingen.
• Een hardstenen strook of stucwerk strook (smetplint) onderaan de gevel van circa 60 cm is gebruikelijk.
• Het doortrekken van een pui of gevel over twee panden of twee verdiepingen is in strijd met het karakter van de stad. Puien dienen deel uit te maken van de gevel als geheel. Dat kan door het metselwerk of stucwerk van de verdiepingen aan de zijkant door te laten lopen tot de grond of door een passende lijst om de winkelpui te ontwerpen. Deze moeten van hout of grijze hardsteen zijn, gebruikmakend van klassieke elementen, passend in de vensterassen van de bovenliggende gevel.
• Symmetrie ligt voor de hand als klassiek ontwerpmiddel, tenzij er aan de zijkant van de gevel een toegang tot de bovenwoning is gesitueerd. Daarbij geldt dat:
- de entree hooguit 2 m breed is
- de puien van helder glas zijn:
o met een lijst van hout, natuursteen, grijze hardsteen, gietijzer of staal; het hout bewerkt en transparant gebeitst of geschilderd, zoals het overige houtwerk; het steen zoals elders omschreven, en gietijzer of staal donkergroen, donkerblauw, donkerrood of antraciet of
o met een slank kozijn van hout (max. 65 mm), transparant gebeitst of geschilderd zoals het overige houtwerk of metaal (max. 45 mm).
Gevelvlak middendeel (schacht)
• Metselwerk: bakstenen in waalformaat of kleiner; geen betonsteen; rood of bruin metselwerk met gesneden voeg; soms zijn ze gepleisterd en voorzien van schijnvoegen; geschilderd in gebroken wit, lichtgrijs of beige.
• Stucwerk: fijne structuur; kleur: wit, lichtgrijs.
• Hout, staal, ijzer en natuursteen.
• Bij gebruik van houten kozijnen geldt het volgende:
- zwaar kozijnhout (min. 10 cm breed)
- diepe negge in kozijn: onderraam min. 10 cm achter voorzijde kozijn, bovenraam min. 6 cm achter voorzijde kozijn
- kalf op tweederde tot driekwart van de hoogte
- lichter kozijnhout (hoogstens 6 cm breed)
- diepe negge in kozijn: onderraam min. 8 cm achter voorzijde kozijn, bovenraam min. 4 cm achter voorzijde kozijn
- kalf op tweederde tot driekwart van de hoogte
- kleur kozijnen: gebroken wit, lichtgrijs of beige,
indien van metaal: slank (voorvlak max. 45 mm); kleur: antraciet
Hout, veelal geschilderd in donkergroen, donkerblauw of donkerrood.
Geen spiegelend glas of getint glas. Glasmaten: staande glasmaten, verhouding min. 1 staat tot wortel 2 (dit is 1:1,41 of groter)
Bovenlichten, zijlichten en snauwgaten, soms glas-in- lood.
Geen vlakke plaat-deur, maar hout, geprofileerd en voorzien van een venster of snauwgat.
Kleur: naturel gebeitst of geschilderd.
De erkers net als de kozijnen slank en hoog en passend bij de bestaande architectuur.
Alleen als bescheiden Frans balkon van sierlijk smeedijzer.
Regenpijpen: Aan de achtergevel of indien aan de voorgevel: op het hart van de bouwmuur of in een gevelsprong; Materiaal: zink of koper, het ondereind wordt van verzinkt staal gemaakt.
Een bij de bestemming en het pand passende ornamentiek ondersteunt de schoonheid en belevingswaarde.
Donkergroen, antraciet, bordeaux of Pruisisch blauw. Muurankers: zwart.
vorm, materiaal en kleurgebruik
Dakvorm en -richting in overeenstemming met het bestemmingsplan.
Materiaal: dakpannen met rode, grijze/zwarte ongeglazuurde keramische pannen, incidenteel natuursteen leien.
Sierende kroonlijst; doorgaans gebroken wit (soms lichtgrijs of beige).
Deze dienen zo te worden ontworpen dat ze samen met het hoofdgebouw een geheel vormen. Ze dienen aan te sluiten op de maatvoering, materiaalgebruik en detaillering van andere geveldelen.
Ambtelijke toets via KAN-bepaling
Dakkapellen voldoen in elk geval aan redelijke eisen van welstand indien sprake is van:
• plaatsing en hoogte gelijk ten opzichte van andere dakkapellen op het betreffende dak
• bij schuine daken met dakpannen:
- plaatsing rondom in de dakpannen
- onder de nok minimaal twee dakpannen in het zicht
- hoogte:. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . max. 150 cm
- breedte: . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . max. 120 cm
- tot de bouwmuur:. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . min. 70 cm
- tot de eindgevel: . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . min. 120 cm
- tot elke hoekkeper: . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . min. 30 cm
- tot een andere dakkapel op hetzelfde pand: . . . min. 100 cm
• staande glasmaten: min. 1 staat tot wortel twee
- breedte kozijnhout: . . . . . . . . . . . . . . . . max. 6 cm
- voorzien van negge:. . . . . . . . . . . . . . . . min. 3 cm
• aftimmerlatten slank: niet breder dan 12 cm en vanaf 6 cm geprofileerd
• materiaal zijwangen: zink of donkergrijs plaatmateriaal, uitgevoerd zonder zichtbare bevestigingsmiddelen
• kleur zijwangen: donker en aansluitend bij de bestaande kleuren van kozijnen of gevelpanelen: zinkkleur, donkerrood, donkergroen, donkerbruin, antraciet
• plat dakje of bij mansardekap aangekapt vanaf de knik
• hoogte boeiboord: . . . . . . . . . . . . . . . . . max. 25 cm
• boeiboord voorzien van een lijstprofilering, afgezoomd met een zinken kraal.
• kleur dakkapellen: gebroken wit, beige of lichtgrijs
• kleur draaiende delen: gebroken wit, beige, lichtgrijs, donkergroen, antraciet, zwart, bordeaux of Pruisisch blauw.
• bij dakkapellen verholen goten toepassen.
Alleen indien in overeenstemming met de kapvorm.
dakopbouwen / geveloptrekkingen
Deze moeten passen bij de kenmerken van de gevelbeëindigingen:
Voor een sterk terug liggende dakopbouw (“set back”) die niet of nauwelijks vanaf publiek domein wordt ervaren (let op zichtlijnen), wordt een terughoudende vormgeving en kleurstelling geëist.
Tussen de panden een zakgoot, op de kopgevels een kleine houten bakgoot.
Schoorstenen van metselwerk conform de gevel, geen losse afvoeren zichtbaar vanaf het openbaar gebied. Afvoeren bundelen in een verzamelkap; kleur: antraciet.
• Loggia’s die worden gerealiseerd door een uitsnede uit de kap, verstoren de karakteristiek van de historische bebouwing in het Beschermde Stadsgezicht met name t.a.v. de afdekking met een met keramische pannen gedekte kap. Loggia’s kunnen bovendien dat beeld verstoren en het silhouet van een pand zelf aantasten. Ook vanuit bouwtechnisch oogpunt bezien, brengen loggia’s de gebouwen in gevaar. De loggia’s doorbreken immers de regenwater afvoerende constructie en maken een goede regenwaterafvoer kwetsbaar.
• Loggia mogen niet zichtbaar zijn vanaf het publiek domein.
• De loggia moet in één dakvlak geplaatst zijn.
• De nok en hoekkepers moeten worden gehandhaafd en blijven met pannen gedekt.
• De loggia moet vanuit visueel oogpunt ondergeschikt zijn aan het dakvlak, doordat de loggia:
- aan de zijkanten en aan de bovenkant door min. 2 rijen met pannen begrensd wordt en
- max. 50% van de breedte van het dakvlak beslaat.
In afwijking van het bepaalde in de welstandscriteria – regulier, dienen in dit gebied aan- en uitbouwen in álle gevallen, qua vorm, materiaal en kleurgebruik in overeenstemming te worden uitgevoerd met het hoofdgebouw.
In afwijking van het bepaalde in de welstandscriteria – regulier, kunnen in dit gebied bijgebouwen die zichtbaar zijn vanaf publiek domein eveneens uitgevoerd worden in donker geschilderde horizontale houten delen.
Ambtelijke toets via KAN-bepaling
Bijgebouwen die zichtbaar zijn vanaf publiek domein voldoen in elk geval aan redelijke eisen van welstand, indien uitgevoerd:
- in donker geschilderde horizontale houten delen.
• Kleine ingrepen, zoals het aanbrengen van vensters en deuren, of het aanhelen en herstellen zal zodanig moeten gebeuren dat het geen storend beeld oplevert.
• Voeg- en metselwerk conform bestaand, met daarbij gevelreiniging om kleurverschillen te vermijden.
• Gevelreiniging mag de textuur, oppervlakte of aanblik van het metselwerk echter niet wijzigen: schoonmaken en stoom-cleanen mag, gritstralen niet en hydrofoberen evenmin.
zonnepanelen (collectoren en PV-cellen)
In afwijking van het bepaalde in de welstandscriteria – regulier, zijn zonnepanelen in dit gebied niet toegestaan indien zichtbaar vanaf het publiek domein, omdat zonnepanelen een hinderlijke inbreuk kunnen vormen op het waardevolle karakter van de binnenstad door hun uiterlijk en plaatsing. Zij dienen daarom niet zichtbaar te zijn vanuit de publieke ruimte.
• Zonwering kan het verblijf in de binnenstad veraangenamen. Het moet daarbij geen vormen aannemen die het stadsbeeld verstoren of teveel publieke ruimte bezetten.
• Zonweringen moeten ophaalbaar zijn en in de gevelopeningen worden geplaatst; echter markiezen moeten buiten de gevelopeningen geplaatst worden.
• De winkelnaam of het bedrijfslogo wordt slechts toegestaan op de volant.
• Voor reclame op de volant van de zonwering gelden dezelfde criteria als voor reclame in het algemeen (zie aldaar) en het wordt beschouwd en beoordeeld als onderdeel van de totale hoeveelheid reclame.
• Voor de kleur van zonwering; zie ook de papagraaf hierna over ‘kleurgebruik’.
• Zonweringen op verschillende verdiepingen moeten een eenheid vormen.
• In dit kader wordt als aandachtspunt vermeld dat er minimale vrije hoogtes gelden onderaan te brengen zonneschermen. Hiervoor waard verwezen naar de APV hieromtrent.
Tijdelijke units zijn niet met zorg voor het uiterlijk ontworpen. Voor dit gebied zullen ze snel in ernstige mate in strijd met redelijke eisen van welstand. Om gevoelige gebieden zoals de binnenstad te vrijwaren van dergelijke tijdelijke bouwsels, geven BenW in beginsel geen medewerking aan art. 2.1 lid 1 van de Wabo en, indien het bouwsel past binnen het bestemmingsplan, wordt de termijn waarna het bouwsel dient te verdwijnen (genoemd in artikel 45 lid 1 Woningwet) gesteld op max. 1 jaar en dan alleen nog als de noodzaak, urgentie, en maatschappelijke relevantie overtuigend is aangetoond naar het oordeel van BenW.
• Kleur is voor de historische binnenstad van groot belang. Zowel de karakteristiek van het beschermde stadsgezicht als de verschijningsvorm van monumenten en andere bouwwerken kan door de kleur van schilderwerk worden verbeterd, maar ook worden aangetast. Bij zorgvuldig omgaan met de historische stad hoort ook een zorgvuldig gebruik van kleur. Door de technische ontwikkelingen zijn synthetische pigmenten beschikbaar gekomen waarmee nieuwe en zeer felle kleuren kunnen worden vervaardigd. Deze contrasteren sterk met de traditionele kleuren van de historische stad.
• Doel van het kleurenbeleid is te sterke contrasten te voorkomen en voor monumenten de verdwenen kleuren weer naar voren te halen of te herstellen.
• Het kleurenbeleid geldt tevens voor alle vaste en losse onderdelen van en aan de gevel. Hieronder wordt verstaan zonweringen, reclame, verlichtingsornamenten, vlaggen en dergelijke. Daarnaast is het van toepassing op alle onderdelen van terrassen en straatmeubilair.
In afwijking van het bepaalde in Hoofdstuk F4 (reclames) gelden hier voor terrassen en reclame de “Beleidsregels Terrassen 2016”. In deze beleidsregels zijn tevens de hier geldende welstandscriteria opgenomen.
BINNENSTAD/NIEUWE PARK - VAN BERGEN IJZENDOORNPARK
1. Bij het vernieuwen, herstellen en het aanbrengen van kleine wijzigingen van gebouwen moet voor wat betreft de materiaalkeuze en de detaillering zoveel mogelijk worden aangesloten bij de architectuur en bouwhistorie van het pand. Er moeten bij oudere gebouwen traditionele materialen in traditionele detaillering toegepast worden. Voor zover het in de onderstaande onderdelen niet uitgewerkt is zijn de algemene welstandscriteria van toepassing.
2. De nadruk wordt gelegd op alles wat zichtbaar is vanuit het publieke domein.
Een bij de bestemming en het pand passende ornamentiek ondersteunt de schoonheid en belevingswaarde.
De loggia’s worden beoordeeld aan de hand van de algemene welstandscriteria en, indien van toepassing, de Specifieke welstandscriteria – historische bouwstijlen en stijlperiodes.
In afwijking van het bepaalde in de welstandscriteria – regulier, dienen in dit gebied aan- en uitbouwen in álle gevallen, qua vorm, materiaal en kleurgebruik in overeenstemming te worden uitgevoerd met het hoofdgebouw.
Ambtelijke toets via KAN-bepaling
Aan- en uitbouwen die zichtbaar zijn vanaf publiek domein voldoen in elk geval aan redelijke eisen van welstand, indien:
- uitgevoerd in hetzelfde materiaal als het hoofdgebouw, of in metselwerk of donker geschilderde horizontale houten delen en
- afgedekt door plat dak met een uitkragende dakrand met gootklossen (boeiboord in gebroken wit of donkergroen met daktrim of kraal).
In afwijking van het bepaalde in de welstandscriteria – regulier, kunnen in dit gebied bijgebouwen die zichtbaar zijn vanaf publiek domein eveneens uitgevoerd worden in donker geschilderde horizontale houten delen.
Ambtelijke toets via KAN-bepaling
Bijgebouwen die zichtbaar zijn vanaf publiek domein voldoen in elk geval aan redelijke eisen van welstand, indien uitgevoerd:
- in donker geschilderde horizontale houten delen.
Uitvoeren geheel overeenkomstig met de aanwezige kenmerken. Vooral zeer voorzichtig omgaan met reparaties en reinigen: eerst een proefstuk opzetten. Geen andere kozijnindeling en profilering; glas-in-lood handhaven, raamroedes waar mogelijk handhaven.
BLOEMENDAAL/PLASWIJCK - RIDDER VAN CATSWEG EN BLOEMENDAALSEWEG
1. Bij het vernieuwen, herstellen en het aanbrengen van kleine wijzigingen van gebouwen moet voor wat betreft de materiaalkeuze en de detaillering zoveel mogelijk worden aangesloten bij de architectuur en bouwhistorie van het pand. Er moeten bij oudere gebouwen traditionele materialen in traditionele detaillering toegepast worden. Voor zover het in de onderstaande onderdelen niet uitgewerkt is zijn de algemene welstandscriteria van toepassing.
2. De nadruk wordt gelegd op alles wat zichtbaar is vanuit het publieke domein.
Een bij de bestemming en het pand passende ornamentiek ondersteunt de schoonheid en belevingswaarde:
• bijzondere togen en rollagen;
• banden, sluitstenen, hoekstenen wit
De loggia’s worden beoordeeld aan de hand van de algemene welstandscriteria en, indien van toepassing, de Specifieke welstandscriteria – historische bouwstijlen en stijlperiodes.
In afwijking van het bepaalde in de welstandscriteria – regulier, dienen in dit gebied aan- en uitbouwen in álle gevallen, qua vorm, materiaal en kleurgebruik in overeenstemming te worden uitgevoerd met het hoofdgebouw.
Ambtelijke toets via KAN-bepaling
Aan- en uitbouwen die zichtbaar zijn vanaf publiek domein voldoen in elk geval aan redelijke eisen van welstand, indien:
- uitgevoerd in hetzelfde materiaal als het hoofdgebouw, of in metselwerk of donker geschilderde horizontale houten delen en
- afgedekt door plat dak met een uitkragende dakrand met gootklossen (boeiboord in gebroken wit of donkergroen met daktrim of kraal).
KORT HAARLEM - KARNEMELKSLOOT, VOORWILLENSEWEG EN
KORTE AKKEREN - WACHTELSTRAAT E.O.
1. Bij het vernieuwen, herstellen en het aanbrengen van kleine wijzigingen van gebouwen moet voor wat betreft de materiaalkeuze en de detaillering zoveel mogelijk worden aangesloten bij de architectuur en bouwhistorie van het pand. Er moeten bij oudere gebouwen traditionele materialen in traditionele detaillering toegepast worden. Voor zover het in de onderstaande onderdelen niet uitgewerkt is zijn de algemene welstandscriteria van toepassing.
2. De nadruk wordt gelegd op alles wat zichtbaar is vanuit het publieke domein.
vorm, materiaal en kleurgebruik
• Klein formaat donkere baksteen met smalle gesneden voeg of stuc met schijnvoegen.
• hout (evt. staal, kunststof van een passend profiel of aluminium)
• hout: slank (voorvlak max. 65 mm, negge min. 3 cm
• staal: slank profiel (voorvlak max. 17 mm breedte); dezelfde kozijnindeling aanhouden
• kunststof: in principe niet toepassen
• kleur kozijnen: gebroken wit
• schuiframen, of raam met bovenlicht in een goede maatverhouding (2 staat tot 3 tot 2 staat tot 4).
• kleur houtwerk: gebroken wit en donkergroen.
• Geen spiegelend of sterk getint glas. Glasmaten: staande glasmaten met uitzondering van de bovenlichten.
• Voordeuren samengesteld als bewerkte en geprofileerde deur met dicht onderpaneel en soms een glazen invulling t.p.v. het bovenpaneel, afgedekt met gedecoreerd gietijzeren rooster (kleur: donkerrood, donkerblauw, donkergroen of vergelijkbare kleur.
Indien toegestaan door het bestemmingsplan: rijzig en verticaal; staande glasmaten, sierlijk gedetailleerd; de borstwering in cassettes uitvoeren.
Houten constructie met geprofileerd boeideel en gedecoreerd hek smeedijzer (zwart of donkergroen).
Aan de achterzijde, of op het hart van de bouwmuur of langs een risaliet; geschilderd: wit, donkergroen, donkerrood.
Een bij de bestemming en het pand passende ornamentiek ondersteunt de schoonheid en belevingswaarde:
• bijzondere togen en rollagen;
• banden, sluitstenen, hoekstenen wit
vorm, materiaal en kleurgebruik
Plat dak met dakschild; incidenteel: topgevel.
Uitkragende houten bakgoot op bewerkte klossen met slank boeiboord (hoogte max. 15 cm); kleur: gebroken wit.
Ambtelijke toets via KAN-bepaling - dakkapellen
Dakkapellen voldoen in elk geval aan redelijke eisen van welstand indien sprake is van:
• plaatsing en hoogte gelijk ten opzichte van andere dakkapellen op het betreffende dak
- hoogte . . . . . . . . . . . . . .max. 150 cm
- breedte . . . . . . . . . . . . max. 150 cm
• gedecoreerd, staande glasmaten.
• slanke profileringen van kozijn en raamhout
- breedte kozijnhout . . . . . max. 65 mm
- breedte raamhout . . . . . . max. 65 mm
• zijwangen: zink of donkergrijs plaatmateriaal zonder noppen of helder glas.
- tot de bouwmuur . . . . . . min. 70 cm
- tot de eindgevel . . . . . . . min. 120 cm
- tot elke hoekkeper . . . . . . min. 30 cm
- tot een andere dakkapel op hetzelfde pand . . . . . . . . . min. 100 cm
of: een kopie van een dakkapel op eenzelfde woning of gebouw in een vergelijkbare situatie, die recent is goedgekeurd.
dakopbouwen / geveloptrekkingen
1. Voor dakopbouwen aan de voorzijde zijn er 2 mogelijkheden indien zichtbaar vanaf het publieke domein:
• Het verhogen van de gevel met een extra verdieping in dezelfde stijl als de verdiepingen eronder; de ramen in dezelfde vensterassen, dezelfde afwerking rondom.
• Alleen bij een lijstgevel: Het bouwen van een set back (terug liggende bovenverdieping) die min. 1,5 m terug ligt vanaf de voorgevel. Aan de set back worden geen bijzondere eisen gesteld behalve aan het kleur- en materiaalgebruik.
2. Dakopbouwen aan de voorzijde als het gebouw een plat dak heeft.
• In de voorgevelrooilijn, opgetrokken van dezelfde materialen en met dezelfde gevelindeling en kozijnen als de verdieping er onder, dezelfde beëindiging (dakrand) als het oorspronkelijke dak.
• of: 1,5 m achter de rooilijn (set back): van een geheel afwijkende indeling en ander materiaal en kleur dan de onderliggende gevel.
- bescheiden en verantwoord kleur- en materiaalgebruik: Materialen: hout, steen, stuc; geen plaatmateriaal met zichtbare bevestiging of contrasterende plaatnaden. Kleuren: gebroken wit, beige of lichtgrijs. De kozijnen en ramen gebroken wit, beige, licht-
- grijs, donkergroen, antraciet, zwart, bordeaux rood, Pruisisch blauw of naturel gebeitst hout.
• of: een kopie van een dakopbouw op eenzelfde woning of gebouw in een vergelijkbare situatie die recent is goedgekeurd.
Ambtelijke toets via KAN-bepaling
De set back voldoet in elk geval aan redelijke eisen van welstand, indien kleur- en materiaalgebruik bescheiden en verantwoord zijn:
• materialen: hout, steen, stuc; geen plaatmateriaal met zichtbare bevestiging of contrasterende plaatnaden;
• kleuren: gebroken wit, beige of lichtgrijs; Kozijnen en ramen gebroken wit, beige, lichtgrijs, donkergroen, antraciet, zwart, bordeaux rood, Pruisisch blauw of naturel gebeitst hout.
dakopbouwen aan de achterzijde
1. Dakopbouwen aan de achterzijde als het gebouw een schuin dak heeft. Aan de achterzijde met het voordakschild opgetrokken: zie onder ‘dakoptrekking’. Voor materiaal en kleurgebruik: zie onder ‘gevel’.
Ambtelijke toets via KAN-bepaling
Dakopbouwen aan de achterzijde voldoen aan redelijke eisen van welstand indien:
• het een kopie betreft van een dakopbouw op eenzelfde woning of gebouw in een vergelijkbare situatie die recent is goedgekeurd.
Voor zover zichtbaar: onopvallend.
Ambtelijke toets via KAN-bepaling
Schoorstenen en afvoeren voldoen aan redelijke eisen van welstand indien:
- ze zijn uitgevoerd in metselwerk, gelijk aan het gebouw of bescheiden verzamelkappen grijs of antraciet bij zwarte pannen, en grijs-rood bij rode pannen.
De loggia’s worden beoordeeld aan de hand van de algemene welstandscriteria en, indien van toepassing, de Specifieke welstandscriteria – historische bouwstijlen en stijlperiodes.
In afwijking van het bepaalde in de welstandscriteria – regulier, dienen in dit gebied aan- en uitbouwen in álle gevallen, qua vorm, materiaal en kleurgebruik in overeenstemming te worden uitgevoerd met het hoofdgebouw.
Ambtelijke toets via KAN-bepaling
Aan- en uitbouwen die zichtbaar zijn vanaf publiek domein voldoen in elk geval aan redelijke eisen van welstand, indien:
- uitgevoerd in hetzelfde materiaal als het hoofdgebouw, of in metselwerk of donker geschilderde horizontale houten delen en
- afgedekt door plat dak met een uitkragende dakrand met gootklossen (boeiboord in gebroken wit of donkergroen met daktrim of kraal).
bijgebouwen en erfafscheidingen
Ambtelijke toets via KAN-bepaling
Bijgebouwen en erfafscheidingen voldoen aan redelijke eisen van welstand indien uitgevoerd:
- in hetzelfde materiaal als het hoofdgebouw of donker zijn geschilderd of naturel gebeitst of uitgevoerd in gewolmaniseerde houten delen voor erfafscheidingen: achter de rooilijn niet hoger dan 2 m bij woningen.
Voor wat betreft de vormgeving, de detaillering en de kleur geheel in overeenstemming met de aanwezige kenmerken uitvoeren. Vooral voorzichtig omgaan met (beton) reparaties en reinigen.
KORT HAARLEM - MARTENSSINGEL E.O. EN
1. Bij het vernieuwen, herstellen en het aanbrengen van kleine wijzigingen van gebouwen moet voor wat betreft de materiaalkeuze en de detaillering zoveel mogelijk worden aangesloten bij de architectuur en bouwhistorie van het pand. Er moeten bij oudere gebouwen traditionele materialen in traditionele detaillering toegepast worden. Voor zover het in de onderstaande onderdelen niet uitgewerkt is zijn de algemene welstandscriteria van toepassing.
2. De nadruk wordt gelegd op alles wat zichtbaar is vanuit het publieke domein.
De loggia’s worden beoordeeld aan de hand van de algemene welstandscriteria en, indien van toepassing, de Specifieke welstandscriteria – historische bouwstijlen en stijlperiodes.
In afwijking van het bepaalde in de welstandscriteria – regulier, dienen in dit gebied aan- en uitbouwen in álle gevallen, qua vorm, materiaal en kleurgebruik in overeenstemming te worden uitgevoerd met het hoofdgebouw.
Ambtelijke toets via KAN-bepaling
Aan- en uitbouwen die zichtbaar zijn vanaf publiek domein voldoen in elk geval aan redelijke eisen van welstand, indien:
- uitgevoerd in hetzelfde materiaal als het hoofdgebouw, of in metselwerk of donker geschilderde horizontale houten delen en
- afgedekt door plat dak met een uitkragende dakrand met gootklossen (boeiboord in gebroken wit of donkergroen met daktrim of kraal).
bijgebouwen en erfafscheidingen
Bijgebouwen, indien zichtbaar vanaf publiek domein, dienen om te voldoen aan redelijke eisen van welstand, uitgevoerd te worden in metselwerk.
Ambtelijke toets via KAN-bepaling
Bijgebouwen voldoen in elk geval aan redelijke eisen van welstand, indien zichtbaar vanaf publiek domein, uitgevoerd te worden in metselwerk.
NOORD - GRAAF FLORISWEG EN ACHTERWILLENSEWEG
1. Bij het vernieuwen, herstellen en het aanbrengen van kleine wijzigingen van gebouwen moet voor wat betreft de materiaalkeuze en de detaillering zoveel mogelijk worden aangesloten bij de architectuur en bouwhistorie van het pand. Er moeten bij oudere gebouwen traditionele materialen in traditionele detaillering toegepast worden. Voor zover het in de onderstaande onderdelen niet uitgewerkt is zijn de algemene welstandscriteria van toepassing.
2. De nadruk wordt gelegd op alles wat zichtbaar is vanuit het publieke domein.
De loggia’s worden beoordeeld aan de hand van de algemene welstandscriteria en, indien van toepassing, de Specifieke welstandscriteria – historische bouwstijlen en stijlperiodes.
In afwijking van het bepaalde in de welstandscriteria – regulier, dienen in dit gebied aan- en uitbouwen in álle gevallen, qua vorm, materiaal en kleurgebruik in overeenstemming te worden uitgevoerd met het hoofdgebouw.
Ambtelijke toets via KAN-bepaling
Aan- en uitbouwen die zichtbaar zijn vanaf publiek domein voldoen in elk geval aan redelijke eisen van welstand, indien:
- uitgevoerd in hetzelfde materiaal als het hoofdgebouw, of in metselwerk of donker geschilderde horizontale houten delen en
- afgedekt door plat dak met een uitkragende dakrand met gootklossen (boeiboord in gebroken wit of donkergroen met daktrim of kraal).
bijgebouwen en erfafscheidingen
Bijgebouwen, indien zichtbaar vanaf publiek domein, dienen om te voldoen aan redelijke eisen van welstand, uitgevoerd te worden in metselwerk.
Ambtelijke toets via KAN-bepaling
Bijgebouwen voldoen in elk geval aan redelijke eisen van welstand, dienen, indien zichtbaar vanaf publiek domein, uitgevoerd te worden in metselwerk.
Uitvoeren geheel overeenkomstig met de aanwezige kenmerken. Vooral zeer voorzichtig omgaan met reparaties en reinigen: eerst een proefstuk opzetten . Geen andere kozijnindeling en profilering; glas-in-lood handhaven, raamroedes waar mogelijk handhaven.
PLASWIJCK - BODEGRAAFSESTRAATWEG
1. Bij het vernieuwen, herstellen en het aanbrengen van kleine wijzigingen van gebouwen moet voor wat betreft de materiaalkeuze en de detaillering zoveel mogelijk worden aangesloten bij de architectuur en bouwhistorie van het pand. Er moeten bij oudere gebouwen traditionele materialen in traditionele detaillering toegepast worden. Voor zover het in de onderstaande onderdelen niet uitgewerkt is zijn de algemene welstandscriteria van toepassing.
2. De nadruk wordt gelegd op alles wat zichtbaar is vanuit het publieke domein.
• klein formaat donkere baksteen
• bijzondere togen en rollagen
• banden, sluitstenen, hoekstenen wit
• hout: gebroken wit of donkergroen
• hout (evt. kunststof van een passend profiel, of aluminium)
• schuiframen, of raam met bovenlicht, conform de bestaande hoogte
• raamroedes gevel de ramen een nadere onderverdeling
• glasmaten: staande glasmaten m.u.v. de bovenlichten.
• voordeuren samengesteld als bewerkte en geprofileerde met dicht onderpaneel en een bovenpaneel, afgedekt met gedecoreerd gietijzeren rooster.
Niet toegestaan voor zover zichtbaar vanaf publiek domein.
Balkons zijn niet toegestaan voor zover zichtbaar vanaf publiek domein.
Niet toegestaan: alle water via een molgoot afvoeren.
In de gevel: sluitstenen en banden; boog boven de vensters uitgevuld met een bakstenen vlechtwerk in kleur.
Aan het dak: een windveer en een spitse makelaar in de top van de gevel.
Eenvoudige dakvorm zadeldak onder ruim 40º.
Toegepast kunnen worden: riet, pannen, maar ook fijn golfplaat of houten latten, waarbij aandacht moet
worden geschonken aan een verantwoord kleurgebruik: donker.
De dakrand kan zeer slank zijn bij een moderne dakbedekking. Wanneer er een grote hoogte van de dakrand nodig is (pannen, riet) is een sierlijke windveer nodig om deze maat te breken.
Uitkraging min. 50 cm. Goten zijn niet aanwezig.
Niet toegestaan voor zover zichtbaar vanaf publiek domein.
Niet toegestaan voor zover zichtbaar vanaf publiek domein.
dakopbouwen / geveloptrekkingen.
Niet toegestaan voor zover zichtbaar vanaf publiek domein.
Voor zover zichtbaar vanaf publiek domein: onopvallend.
Ambtelijke toets via KAN-bepaling:
Schoorstenen voldoen in elk geval aan redelijke eisen van welstand indien sprake is van:
De worden uitgevoerd in metselwerk, gelijk aan het gebouw of bescheiden verzamelkappen grijs of antraciet.
De loggia’s worden beoordeeld aan de hand van de algemene welstandscriteria en, indien van toepassing, de Specifieke welstandscriteria – historische bouwstijlen en stijlperiodes.
In afwijking van het bepaalde in de welstandscriteria – regulier, dienen in dit gebied aan- en uitbouwen in álle gevallen, qua vorm, materiaal en kleurgebruik in overeenstemming te worden uitgevoerd met het hoofdgebouw.
Ambtelijke toets via KAN-bepaling
Aan- en uitbouwen die zichtbaar zijn vanaf publiek domein voldoen in elk geval aan redelijke eisen van welstand, indien:
- uitgevoerd in hetzelfde materiaal als het hoofdgebouw, of in metselwerk of donker geschilderde horizontale houten delen en
- afgedekt door plat dak met een uitkragende dakrand met gootklossen (boeiboord in gebroken wit of donkergroen met daktrim of kraal).
6. Specifieke welstandscriteria – historische bouwstijlen en stijlperiodes
1. In deze deelgebieden bevinden zich één of meer van de volgende historische bouwstijlen of stijlperiodes. Wanneer deze reproduceerbaar en/of duidelijk herkenbaar zijn, dan gelden tevens onderstaande Specifieke welstandscriteria: historische bouwstijlen en stijlperiodes.
2. Het betreft de volgende historische bouwstijlen en stijlperiodes:
I. 1650-1920 Karakteristieke boerderijen
II. 1850-1900 Rijtjeshuizen eind 19e eeuw
III. 1890-1920 Herenhuizen rond 1900
IV. 1900-1930 Woningbouwcomplexen begin 20e eeuw
V. 1910-1940 Expressionisme – Amsterdamse school
VI. 1925-1940 Jaren ’30 – Haagse School
3. Genoemde stijlen komen in Gouda zelden in hun zuivere vorm voor. Meestal is er sprake van een mengvorm. Bij de toepassing van de welstandscriteria uit dit hoofdstuk (F6) is het van belang deze alleen toe te passen op de relevante gebouwonderdelen, waar deze stijl van toepassing is.
1650-1920 KARAKTERISTIEKE BOERDERIJEN
klein formaat donkere baksteen,
• bijzondere togen en rollagen,
• banden, sluitstenen, hoekstenen wit
• hout: gebroken wit of donkergroen
• hout (evt. kunststof van een passend profiel, of aluminium)
• schuiframen, of raam met bovenlicht, conform de bestaande hoogte
• raamroedes gevel de ramen een nadere onderverdeling
• glasmaten geen spiegelend glas of sterk getint glas.: staande glasmaten m.u.v. de bovenlichten.
• voordeuren samengesteld als bewerkte en geprofileerde met dicht onderpaneel en een bovenpaneel, afgedekt met gedecoreerd gietijzeren rooster.
Niet toegestaan voor zover zichtbaar vanaf publiek domein.
Niet toegestaan voor zover zichtbaar vanaf publiek domein.
Niet toegestaan: alle water via een molgoot afvoeren.
• In de gevel: sluitstenen en banden; boog boven de vensters uitgevuld met een bakstenen vlechtwerk in kleur.
• Aan het dak: een windveer en een spitse makelaar in de top van de gevel.
• Eenvoudige dakvorm zadeldak onder ruim 40º.
• Toegepast kunnen worden: riet, pannen, maar ook fijn golfplaat of houten latten, waarbij aandacht moet worden geschonken aan een verantwoord kleurgebruik: donker.
• De dakrand kan zeer slank zijn bij een moderne dakbedekking. Wanneer er een grote hoogte van de dakrand nodig is (pannen, riet) is een sierlijke windveer nodig om deze maat te breken.
Uitkraging min. 50 cm. Goten zijn niet aanwezig.
Niet toegestaan voor zover zichtbaar vanaf publiek domein.
dakoptrekkingen, dakopbouwen en geveloptrekkingen
Niet toegestaan voor zover zichtbaar vanaf publiek domein.
Voor zover zichtbaar vanaf publiek domein: onopvallend.
Schoorstenen voldoen in elk geval aan redelijke eisen van welstand indien zij worden uitgevoerd in metselwerk, gelijk aan het gebouw of bescheiden verzamelkappen grijs of antraciet.
Niet toegestaan voor zover zichtbaar vanaf publiek domein.
1850-1900 RIJTJESHUIZEN EIND 19E EEUW
• klein formaat donkere baksteen
• bijzondere togen en rollagen
• banden, sluitstenen, hoekstenen wit
• gekleurd vlechtwerk in het metselwerk
• hout: gebroken wit of donkergroen
• naturel gebeitst of geschilderd; kleur: donkerrood, donkerblauw, donkergroen.
• Kort Haarlem en Korte Akkeren: keramische vensterbanken
• Bloemendaal Plaswijck en Noord: hardstenen vensterbanken
• hout (evt. kunststof van een passend profiel, of aluminium)
• schuiframen, of raam met bovenlicht, conform de bestaande hoogte
• Geen spiegelend glas of sterk getint glas.
• Glasmaten: staande glasmaten.
Niet toegestaan voor zover zichtbaar vanaf publiek domein.
Niet toegestaan voor zover zichtbaar vanaf publiek domein.
Indien mogelijk aan de achterzijde.
In de gevel: sluitstenen en banden; vlechtwerk, gekleurde vlakken.
Plat dak of mansarde kap die vanaf de straat niet van grote invloed is.
Uitkragende houten bakgoot op klossen met slank boeiboord (max. 15 cm); kleur: gebroken wit.
Niet toegestaan indien zichtbaar vanaf publiek domein.
Niet toegestaan indien zichtbaar vanaf publiek domein.
dakopbouwen / geveloptrekkingen
Deze zijn altijd zichtbaar en van invloed op het publiek domein.
• Bij een doorgaande lijstgevel:
Het verhogen van de gevel met een extra verdieping in dezelfde stijl als de verdiepingen eronder; bij een afname van de vensterbreedte per verdieping betekent dat op de derde laag nog slechts een raam.
• Zowel bij een doorgaande lijstgevel als bij een topgevel:
Het bouwen van een set back (terug bovenverdieping) die min. 1,5 m terug ligt vanaf de voorgevel. Aan de set back worden geen bijzondere eisen gesteld behalve aan het kleuren materiaalgebruik.
Ambtelijke toets via KAN-bepaling
Een set back voldoet in elk geval aan redelijke eisen van welstand indien sprake is van:
• bescheiden en verantwoord kleur- en materiaalgebruik.
• materialen: hout, steen, stuc; geen plaatmateriaal met zichtbare bevestiging of contrasterende plaatnaden.
• kleuren: gebroken wit, beige of lichtgrijs. De kozijnen en ramen gebroken wit, beige, lichtgrijs, donkergroen, antraciet, zwart, bordeaux rood, Pruisisch blauw of naturel gebeitst hout.
schoorstenen, lucht- en rookgas afvoeren
Voor zover zichtbaar vanaf publiek domein: onopvallend.
Ambtelijke toets via KAN-bepaling
Schoorstenen voldoen in elk geval aan redelijke eisen van welstand indien zij worden uitgevoerd in metselwerk, gelijk aan het gebouw of bescheiden verzamelkappen grijs of antraciet.
1890-1920 HERENHUIZEN ROND 1900
• klein formaat donkere baksteen
• bijzondere togen en rollagen
• banden, sluitstenen, hoekstenen wit
• hout: gebroken wit of donkergroen
• kleur: donkerrood, donkerblauw, donkergroen.
• hout (evt. kunststof van een passend profiel, of aluminium)
• schuiframen, of raam met bovenlicht, conform de bestaande hoogte.
• geen spiegelend glas of sterk getint glas.
• glasmaten: staande glasmaten met uitzondering van de bovenlichten.
• voordeuren samengesteld als bewerkte en geprofileerde deur met dicht onderpaneel en soms een glazen invulling ter plaatse van het bovenpaneel, afgedekt met gedecoreerd gietijzeren rooster.
Afgeschuind en hoger dan de breedte; detaillering conform de overige gevel.
Houten constructie met geprofileerd boeideel en gedecoreerd hek van hout (wit of donkergroen) of smeedijzer (zwart of donkergroen).
Op het hart van de bouwmuur of langs een risaliet; geschilderd: wit, donkergroen, donkerrood.
In de gevel: sluitstenen en banden; boog boven de vensters uitgevuld met een bakstenen vlechtwerk n kleur.
Verschillende dakvormen; Plat dak met dakschild; topgevel; mansarde.
Uitkragende houten bakgoot op geprofileerde klossen met slank boeiboord (hoogte max. 15 cm); kleur: gebroken wit.
Dakkapellen leveren een vergroting van de ruimte en zijn aanvaardbaar als ze de aanblik van het gebouw niet wezenlijk aantasten. Dakkapellen horen bij het gebouw en in het straatbeeld te passen en dienen een ondergeschikte toevoeging aan het dak te zijn. Ze mogen geen storende ingreep zijn.
Ambtelijke toets via KAN-bepaling
Dakkapellen voldoen in elk geval aan redelijke eisen van welstand indien sprake is van:
• plaatsing en hoogte gelijk ten opzichte van andere dakkapellen op het betreffende dak
- hoogte . . . . . . . . . . . . . max. 150 cm
- breedte . . . . . . . . . . . . max. 150 cm
• gedecoreerd, staande glasmaten.
• slanke profileringen van kozijn en raamhout
- breedte kozijnhout . . . . max. 65 mm
- breedte raamhout . . . . . max. 65 mm
• zijwangen: zink of donkergrijs plaatmateriaal zonder noppen of helder glas.
- tot de bouwmuur . . . . . . . min. 70 cm
- tot de eindgevel . . . . . . . min. 120 cm
- tot elke hoekkeper . . . . . . min. 30 cm
- tot een andere dakkapel op hetzelfde pand . . . . . min. 100 cm
of: een kopie van een dakkapel op eenzelfde woning of gebouw in een vergelijkbare situatie, die recent is goedgekeurd.
Niet toegestaan indien zichtbaar vanaf publiek domein.
dakopbouwen / geveloptrekkingen
Er zijn 2 mogelijkheden, indien zichtbaar vanaf het publiek domein:
• Het verhogen van de gevel met een extra verdieping in dezelfde stijl als de verdiepingen eronder; de ramen in dezelfde vensterassen, dezelfde afwerking rondom,
• Zowel bij een doorgaande lijstgevel als bij een topgevel: Het bouwen van een set back (terug bovenverdieping) die min. 1,5 m terug ligt vanaf de voorgevel. Aan de set back worden geen bijzondere eisen gesteld behalve aan het kleur- en materiaalgebruik:
Ambtelijke toets via KAN-bepaling
Een set back voldoet in elk geval aan redelijke eisen van welstand indien sprake is van:
• bescheiden en verantwoord kleur- en materiaalgebruik.
• materialen: hout, steen, stuc; geen plaatmateriaal met zichtbare bevestiging of contrasterende plaatnaden.
• kleuren: gebroken wit, beige of lichtgrijs. De kozijnen en ramen gebroken wit, beige, lichtgrijs, donkergroen, antraciet, zwart, bordeaux rood, Pruisisch blauw of naturel gebeitst hout.
schoorstenen, lucht- en rookgas afvoeren
Voor zover zichtbaar vanaf publiek domein: onopvallend.
Ambtelijke toets via KAN-bepaling
Schoorstenen voldoen in elk geval aan redelijke eisen van welstand indien zij worden uitgevoerd in metselwerk, gelijk aan het gebouw of bescheiden verzamelkappen grijs of antraciet.
1900-1930 WONINGBOUWCOMPLEXEN BEGIN 20E EEUW
• rollagen, banden en patijts werk (koppenlagen) intact laten of herstellen
• sierdetaillering rond entree, schoorstenen, enz. intact laten of herstellen
• kleur: donkergroen geschilderd.
• negge ca. 4 cm in de dag van de muur.
• staande ramen; kruisvensters.
• vensterbanken van baksteen. Kozijnen
• kozijnen vervangen als bestaand
• hout (evt. kunststof van een passend profiel, of aluminium)
• klepramen, conform de bestaande hoogte
• geen spiegelend glas of sterk getint glas.
• glasmaten: staande glasmaten
Niet toegestaan voor zover zichtbaar vanaf publiek domein.
Niet toegestaan voor zover zichtbaar vanaf publiek domein.
• Afdakje boven de voordeuren met fraai geprofileerde rand, sierlijke consoles, smeedijzeren trekstangen en zinken dak met kraal.
• Zadeldak met topgevels op eind van het blok
• Tegenover dwarsstraten, en op andere plekken; rode en zwarte muldenpan.
Dakkapellen leveren een vergroting van de ruimte en zijn aanvaardbaar als ze de aanblik van het gebouw niet wezenlijk aantasten. Dakkapellen horen bij het gebouw en in het straatbeeld te passen en dienen een ondergeschikte toevoeging aan het dak te zijn. Ze mogen geen storende ingreep zijn.
Ambtelijke toets via KAN-bepaling
Dakkapellen voldoen in elk geval aan redelijke eisen van welstand indien sprake is van smalle en lage dakkapellen én:
• plaatsing en hoogte gelijk ten opzichte van andere dakkapellen op het betreffende dak; plat afgedekt
- hoogte . . . . . . . . . . . . . max. 120 cm
- breedte . . . . . . . . . . . . max. 150 cm
• telkens 2 ramen, staande glasmaten
• slanke geprofileerde rand zonder uitkraging
• slanke profileringen van kozijn en raamhout
- breedte kozijnhout . . . . max. 65 mm
- raamhout . . . . . . . . . . . . max. 65 mm
- slank boeiboord (max. 15 cm) uitkraging . . . . . . . . . . . . min. 15 cm
• zijwangen: zink of donkergrijs plaatmateriaal zonder noppen of helder glas.
- tot de bouwmuur . . . . . . min. 70 cm
- tot de eindgevel . . . . . . min. 120 cm
- tot elke hoekkeper . . . . . min. 30 cm
- tot een andere dakkapel op hetzelfde pand . . . . . min. 100 cm
of: een kopie van een dakkapel op eenzelfde woning of gebouw in een vergelijkbare situatie, die recent is goedgekeurd.
Niet toegestaan indien zichtbaar vanaf publiek domein.
dakopbouwen / geveloptrekkingen
Niet toegestaan indien zichtbaar vanaf publiek domein.
schoorstenen, lucht- en rookgasafvoeren
Gemetselde schoorstenen; geen andere afvoeren op het dakvlak aan de straatzijde.
1910-1940 EXPRESSIONISME – AMSTERDAMSE SCHOOL
• baksteen in waalformaat, gele steen en trasraam van roze steen
• brede geknipte voeg, grijs; in trasraam donker
• sierlijk gebogen metselwerkdetails bij topgevelbeëindiging.
• kleur: naturel gebeitst of geschilderd, kleur: donkerrood, donkerblauw, donkergroen.
• hout (evt. kunststof met een passend profiel, of aluminium)
• hout: gebroken wit of donkergroen
• houten (evt. aluminium) roeden: slank, (voorvlak max. 18 mm)
• geen spiegelend glas of sterk getint glas. Glasmaten: liggende glasmaten, verhouding min. 1 staat tot wortel 2 (dit is 1:1,41 of groter).
• bovenlichten, zijlichten en snauwgaten oorspronkelijk glas-in-lood.
• geen vlakke plaat-deur, maar hout, geprofileerd, voorzien van een venster of snauwgat.
Niet toegestaan indien zichtbaar vanaf het publiek domein.
Niet toegestaan indien zichtbaar vanaf het publiek domein.
Tussen de woonvensters, grijs PVC.
Siermetselwerk bij de dakvoet van de topgevels; schrijnwerk bij het raam tussen de voordeuren, golvende profilering langs de boeidelen.
Mansardekap met rode keramische pannen; overig: een zadeldak met zwarte of rode keramische pannen.
Uitkragende houten bakgoot met golvend profiel in boeiboord; kleur: gebroken wit.
Dakkapellen leveren een vergroting van de ruimte en zijn aanvaardbaar als ze de aanblik van het gebouw niet wezenlijk aantasten. Dakkapellen horen bij het gebouw en in het straatbeeld te passen en dienen een ondergeschikte toevoeging aan het dak te zijn. Ze mogen geen storende ingreep zijn. Voor deze stijl/stijlperiode is er een aantal situaties mogelijk: plat dak (geen dakkapel mogelijk), gebogen dak, en mansardekap.
Ambtelijke toets via KAN-bepaling
Dakkapellen voldoen in elk geval aan redelijke eisen van welstand indien sprake is van brede lage dakkapellen én:
• plaatsing en hoogte gelijk ten opzichte van belendingen; plat afgedekt
- hoogte . . . . . . . . . . . . . max. 100 cm
- breedte . . . . . . . . . . . . tussen 150 cm en 200 cm.
• brede profileringen van kozijn en raamhout
- breedte kozijnhout . . . . min. 75 mm
- raamhout . . . . . . . . . . . . min. 65 mm
• uitkragend boeiboord en windveren geprofileerd en voorzien van een gerend detail;
- uitkraging boeiboord en windveren . . . . . . . . . min. 15 cm
• Zijwangen: zink of donkergrijs plaatmateriaal zonder noppen
- tot de bouwmuur . . . . . . . min. 70 cm
- tot de eindgevel . . . . . . min. 120 cm
- tot elke hoekkeper . . . . . min. 30 cm
- op hetzelfde pand . . . . . . min. 50 cm
• Bij mansardekappen mag de dakkapel aangekapt zijn in de knik én:
- De voorzijde hoogstens 1 m hoog
- De onderzijde min. één pan of 35 cm boven de goot
- Max. de helft van de woningbreedte of de traveebreedte.
of: een kopie van een dakkapel op eenzelfde woning of gebouw in een vergelijkbare situatie, die recent is goedgekeurd.
Beperkte hoogte toegestaan: max. 1 m boven de bestaande nok.
dakopbouwen / geveloptrekkingen
Niet toegestaan indien zichtbaar vanaf publiek domein.
schoorstenen (lucht- en rookgasafvoeren)
Ambtelijke toets via KAN-bepaling
Schoorstenen voldoen in elk geval aan redelijke eisen van welstand indien zij worden uitgevoerd in metselwerk, gelijk aan het gebouw of bescheiden verzamelkappen grijs of antraciet.
1925-1940 JAREN ’30 – HAAGSE SCHOOL
• baksteen in waalformaat, donkerrode, rode, roze, bruine of gele steen
• trasraam van donkerder steen met donkere voeg
• brede verdiepte voeg; (was indertijd vaak gesneden, maar een pointmaster mag ook).
• naturel gebeitst of geschilderd; kleur: donkerrood, donkerblauw, donkergroen.
• een negge of negge min. 7 cm in de dag van de muur
• liggende gevelopeningen of, bij kleine ramen: raamstroken formeren.
• hout (evt. kunststof van een passend profiel, of aluminium)
• negge min. 3 cm in de dag van het kozijn (Korte Akkeren: weinig negge).
• raamhout: gebroken wit of donkergroen
• houten (evt. aluminium) roeden: slank, (voorvlak max. 18 mm).
• geen spiegelend of sterk getint glas
• glasmaten: liggende glasmaten voor de woonkamer, overige ramen: staand
• bovenlichten, zijlichten en snauwgaten oorspronkelijk glas-in-lood.
• geen vlakke plaatdeur, maar hout, geprofileerd,
• voorzien van een venster of snauwgat.
Ondiep, sterk afgeschuind, afgedekt door een plat uitkragend dakje (uitkraging min. 15 cm) met slank houten en geschilderd boeiboord (max. 15 cm).
Deze zijn kenmerkend voor deze stijl en in hoge mate bepalend voor de beeldkwaliteit. Boeiboorden dienen slank te zijn en ononderbroken. Dus geen Trespa toepassen, maar hout of paintboard. Een kraalprofiel in de onderkant maakt het boeiboord slanker. Een waterholletje voorkomt strepen en vlekken. De onderzijde van de uitkragingen van continu materiaal: planken of multiplex dat op de stuiknaden is verlijmd, geen Trespa. Boeiboorden zijn wit, en bij uitzondering donkergroen.
Balkons niet toegestaan indien zichtbaar vanaf het publiek domein.
Onopvallend, weggewerkt in een gevelsprong, zo min mogelijk in het zicht.
Soms glas-in-lood, soms fraai uitgemetselde entrees.
Zadeldak, met eventuele dwarskappen, met een hellingshoek van meer dan 40o en zwarte opnieuw verbeterde Hollandse pan (keramisch). Rode pannen alleen toepassen in combinatie met gele gevelsteen. Schilddaken komen vaak voor. Ook naar voren uitgeschoven schilddaken. Het dak dient voldoende maat te hebben voor eventuele dakkapellen wat betekent dat de nok meer dan 3 m boven zoldervloer moet liggen. De maat van het dak heeft een relatie met de hoogte van de gevel in een verhouding (dak : gevel) van min. 3 staat tot 4.
Uitkragende houten bakgoot met slank boeiboord (max. 15 cm); uitkraging min. 40 cm.
Dakkapellen leveren een vergroting van de ruimte en zijn aanvaardbaar als ze de aanblik van het gebouw niet wezenlijk aantasten. Dakkapellen horen bij het gebouw en in het straatbeeld te passen en dienen een ondergeschikte toevoeging aan het dak te zijn. Ze mogen geen storende ingreep zijn.
Ambtelijke toets via KAN-bepaling
Dakkapellen voldoen in elk geval aan redelijke eisen van welstand indien de nok van het dak meer dan 3 m boven zoldervloer ligt en sprake is van brede lage dakkapellen én:
• plaatsing en hoogte gelijk ten opzichte van andere dakkapellen op het betreffende dak; plat afgedekt
- hoogte . . . . . . . . . . . . . max. 120 cm (N.B. Korte Akkeren: max. 100 cm)
- breedte . . . . . . . . . . . . tussen 150 cm en 200 cm
• slanke profileringen van kozijn en raamhout
- breedte kozijnhout . . . . max. 65 mm
- raamhout . . . . . . . . . . . . max. 65 mm
• slank boeiboord (max.15 cm) uitkraging . . . . . . . . . . . . . . . min. 15 cm
• zijwangen: zink of donkergrijs plaatmateriaal zonder noppen of helder glas
- tot de bouwmuur . . . . . . . min. 70 cm
- tot de eindgevel . . . . . . min. 120 cm
- tot elke hoekkeper . . . . . . min. 30 cm
- op hetzelfde pand . . . . . min. 100 cm
of: een kopie van een dakkapel op eenzelfde woning of gebouw in een vergelijkbare situatie, die recent is goedgekeurd.
dakopbouwen / geveloptrekkingen
Niet toegestaan indien zichtbaar vanaf publiek domein.
Loggia’s in voorgevels komen voor en doen mee in het spel van horizontaal gestrekte vlakken.
De rand afgedekt met een rollaag en soms een stalen buis, donkergroen geschilderd.
1925-1955 TRADITIONALISME – DELFTSE SCHOOL
• baksteen in waalformaat, lichtrode steen
• bijzondere togen en rollagen
• hout: gebroken wit of donkergroen.
• naturel gebeitst of geschilderd, kleur: donkerrood, donkerblauw, donkergroen.
• stenen of gemetselde vensterbanken
• hout (evt. kunststof van een passend profiel, of aluminium)
• Geen spiegelend glas of sterk getint glas. Glasmaten: staande glasmaten.
Niet toegestaan indien zichtbaar vanaf publiek domein.
Niet toegestaan indien zichtbaar vanaf publiek domein.
Tussen de voordeuren grijs PVC.
Bescheiden: In de topgevels een markante schoorsteen.
Zadeldak met rode keramische pannen, helling min. 45º.
Simpele houten bakgoot of zinken mastgoot Uitkragende houten bakgoot met slank boeiboord (max. 15 cm); kleur: gebroken wit.
dakkapellen zichtbaar vanaf het publiek domein
Dakkapellen leveren een vergroting van de ruimte en zijn aanvaardbaar als ze de aanblik van het gebouw niet wezenlijk aantasten. Dakkapellen horen bij het gebouw en in het straatbeeld te passen en dienen een ondergeschikte toevoeging aan het dak te zijn. Ze mogen geen storende ingreep zijn.
Ambtelijke toets via KAN-bepaling
Dakkapellen voldoen in elk geval aan redelijke eisen van welstand indien sprake is van smalle hoge dakkapellen en:
• plaatsing en hoogte gelijk ten opzichte van belendingen; plat afgedekt
- breedte max. gelijk aan de hoogtemaat
• slanke profileringen van kozijn en raamhout
- breedte kozijnhout max. 65 mm
• zijwangen: zink of donkergrijs plaatmateriaal zonder noppen
- tot de eindgevel min. 120 cm
- tot elke hoekkeper min. 30 cm
- tot een andere dakkapel op hetzelfde pand min. 100 cm
of: een kopie van een dakkapel op eenzelfde woning of gebouw in een vergelijkbare situatie, die recent is goedgekeurd.
dakkapellen niet zichtbaar vanaf het publiek domein
Ambtelijke toets via KAN-bepaling
Dakkapellen voldoen in elk geval aan redelijke eisen van welstand indien zij worden uitgevoerd in een bescheiden en verantwoord kleur- en materiaalgebruik.
• Het schilderwerk moet voldoen aan de volgende kleureisen: gebroken wit, beige of lichtgrijs, de draaiende delen gebroken wit, beige, lichtgrijs, donkergroen, antraciet, zwart, bordeaux rood, Pruisisch blauw of naturel gebeitst hout.
• Toe te passen materialen zijn: hout, steen en stucwerk.
• Plaatmateriaal met zichtbare bevestiging of contrasterende plaatnaden is niet toegestaan.
dakopbouwen / geveloptrekkingen
Niet toegestaan indien zichtbaar vanaf publiek domein.
Ambtelijke toets via KAN-bepaling
Schoorstenen voldoen in elk geval aan redelijke eisen van welstand indien zij worden uitgevoerd in metselwerk, gelijk aan het gebouw of bescheiden verzamelkappen grijs of antraciet.
G. Volledig toezicht (beschermd erfgoed)
Bouwplannen voor beschermde monumenten zijn nooit vergunningvrij, ook niet welstandsvrij.
Voor bouwplannen bij en aan monumenten (beschermd erfgoed) moet een omgevingsgunning aangevraagd worden. Bij de aanvraag om omgevingsgunning (activiteit monument) wordt getoetst of de monumentale waarden voldoende gerespecteerd blijven. Het toepassen van de sneltoetscriteria doet geen recht aan de bijzondere waarden van deze panden. Daarom zijn de algemene welstandscriteria van toepassing (zie hoofdstuk F2).
Indien er tegengestelde belangen tussen monumentenzorg en welstand geconstateerd worden, prevaleert de belangen van monumentenzorg.
Aanbouw: grondgebonden toevoeging van een bouwlaag aan een gevel van een gebouw.
Aangekapt: met schuin dak bevestigd aan het dakvlak.
Aanlegvergunningenstelsel: Een regeling in een bestemmingsplan waarbij voor het aanleggen van werken, waarbij niet gebouwd wordt, een vergunning moet worden aangevraagd. Het stelsel kan ook ingezet worden voor het reguleren van slopen.
Achterkant: De achtergevel, het achtererf en het dakvlak aan de achterzijde van een gebouw.
AmvB: Algemene maatregel van bestuur: een ministerieel besluit of regeling.
Architect: Ontwerper van gebouwen.
Bakgoot: Een goot met een vlakke bodem en opstaande randen.
Baluster: Spijl van een borstwering of van een hekje.
Beeldkwaliteitsplan: Document waarin de beeldkwaliteit wordt vastgelegd.
BenW: College van Burgemeester en Wethouders
Beschermd stadsgezicht: De binnenstad van Gouda inclusief de singelbebouwing daarom heen zijn aangewezen als ‘Beschermd Stadsgezicht’. De Goudse binnenstad heeft een structuur (straten, waterwegen, verkaveling, bebouwing) die in de middeleeuwen ontstaan is. Deze karakteristieke structuur is door middel van de aanwijzing als Beschermd Stadsgezicht beschermd. In de bestemmingsplannen voor dit gebied zijn extra voorschriften opgenomen.
Bestemmingsplan: Door de gemeenteraad vastgesteld plan waarin het gebruik van gebouwen en terreinen, de plaats en de max. te realiseren omvang van gebouwen (bebouwingsvoorschriften) is vastgelegd.
Bewegende delen: De ramen en deuren in kozijnen.
Bijgebouw: Gebouw dat functioneel bij een hoofdgebouw hoort, los van het hoofdgebouw op het kavel staat.
Blinde muur of gevel: Gevel of muur zonder raam, deur of andere opening.
Boeiboord: Opstaande kant van een dakgoot of dakrand, meestal uitgevoerd in hout of plaatmateriaal.
Boerderette: Type vrijstaande woning met een grote kap en wolfseinden en met kleine verdeelruitjes dat wil lijken op een kleine boerderij
Borstwering: Lage dichte muur, de strook gevel tussen de vloer en de onderdorpel van het kozijn.
Bouwblok: Een geheel van geschakelde bebouwing.
Bouwhoogte: (toegestane) hoogte van een bouwwerk
Bouwlaag: Verdieping van een gebouw.
Bouwvergunning: Vergunning zoals bedoeld in artikel 40 van de Woningwet.
Bungalow: Vrijstaande woning, waarvan alle vertrekken op de begane grond zijn gesitueerd.
Cache-misère: Een bouwwerk om iets te verhullen; letterlijk betekent cache-misère “verbergen van de ellende”.
Carport: Afdak om auto onder te stallen.
Cassette: Verdiept vak in een houten deur of plafond.
Classicisme: Stroming in de bouwkunst, bouwstijl.
Consoles: Een ondersteuning van een uitkraging.
Dak: Afdekking van een gebouw aan de bovenzijde, vlak of hellend.
Dakbedekking: Het materiaal wat aan de buitenzijde zichtbaar is en het regenwater tegen houdt.
Dakkapel: Kleine uitbouw in een hellend dak.
Dakhelling: De hoek van het dak, gemeten vanaf de horizontale lijn.
Dakopbouw: Een toevoeging aan de bouwmassa door het verhogen van de nok en/of de dakrand van het dak, die het silhouet van het oorspronkelijke dak veranderd.
Dakoptrekking: Verhoging van de nok van het dak in de lijn van het dakvlak.
Dakschild: Eén vlak van een hellend dak.
Dakvoet: Laagste punt van een schuin dak, waar de goot zit.
Daktrim: Afwerking aan de rand van een plat dak.
Damwandprofiel: Metalen beplantingsmateriaal, op bepaalde wijze vorm geprofileerd om voldoende
Detail: Ontmoeting van verschillende bouwdelen, zoals gevel-dak, kozijn-muur, waarbij de uitvoering van belang is voor het wind- en waterdicht krijgen van een gebouw. De details hebben ook invloed op de vormgeving.
Dock shelter: deur met laadperron waartegen een vrachtauto met de achterkant parkeert om te lossen.
Dorpel: Onderste horizontale deel van een kozijn of deur.
Draairaam: Raam dat naar rechts of links opendraait.
Eclecticisme: Stroming in de 19e eeuwse architectuur die vrijelijk “leende” uit vroegere bouwstijlen.
Eindwoning: laatste woning in een rij; hoekwoning.
Ensemble: Architectonisch en stedenbouwkundige compositorisch geheel van meerdere panden.
Enveloppe: Ruimte waarbinnen gebouwd mag worden; de doorsnede, niet de plattegrond.
Erf: Onbebouwde terrein behorende bij een gebouw en gebruik wordt ten dienste van het gebouw.
Erfgrens: Grens van het erf met andere erven of met het openbaar gebied.
Erker: Kleine toevoeging, van ten hoogste een bouwlaag, aan de gevel van een gebouw.
Flat: Groot kantoor- of woongebouw met meerdere verdiepingen.
Footprint: Het grondoppervlak dat een gebouw beslaat.
Fotovoltaïsche of PV-cellen: Zonnepanelen die elektriciteit opwekken.
Galerij: Gang aan de buitenzijde van een (flat-)gebouw die toegang verschaft tot de afzonderlijke woningen.
Gebouw: Elk bouwwerk wat voor mensen toegankelijke, overdekte, geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt.
Geleding: Verticale of horizontale indeling van een gevel door middel van inspringingen.
Geometrische vormen: Wiskundige vormen zoals vierkant, rechthoek, cirkel, enzovoort.
Gepotdekseld: horizontale gedeeltelijk over elkaar vallende gevelbeplating (oorspronkelijk houten planken).
Géren: niet haaks op de as van een gebouw.
Gevel: Buitenmuur van een gebouw, verticale scheidingsvlak van een gebouw tussen buiten en binnen.
Gevelopeningen: Ramen en deuren; het gat in de muur waar die inpassen.
Geveloptrekking: Het verhogen van de gevel.
Gevelsprong: Het terug liggen en naar voren komen van gevels die naast elkaar staan in een rij.
Gewassen beton: beton dat hard bestraalt wordt, zodat het grind aan het oppervlak verschijnt.
Gootklos: In de muur bevestigd stukje balk ter ondersteuning van een dakgoot.
Gording: Balk in een dak evenwijdig aan de nok.
Glasdeur: Deur met een of twee glazen ruiten er in, of geheel uit glas gemaakt.
Hanenkam: Metselwerkdetail om een gevelopening te overspannen.
Hart van de bouwmuur: Het midden van de scheidingsmuur tussen twee gebouwen.
Historische kleuren: Donker groen (grachten groen, standgroen etc.), donker blauw (Pruisisch blauw, zwartblauw etc.), wit/crème (wit, gebroken wit, Bentheimer geel etc.), donker rood (robijn, bordeaux etc.).
Hoekkeper: Een schuine balk die op de snijlijn van twee aansluitende dakvlakken het dak draagt (uitspringende hoek).
Hoofdgebouw: een gebouw, dat op een perceel door zijn constructie of afmetingen als belangrijkste gebouw valt aan te merken.
Horizontaliteit: Richting in een gebouw: het gebouw heeft veel horizontale vormen en accenten.
Individueel gebouw: Zelfstandig, op zich zelf staand gebouw.
Industriebebouwing: Bebouwing met industriële bestemming.
Ingevlochten hoeken: metselwerkverband dat de hoek om loopt.
Kalf: Horizontaal deel van een kozijn tussen een bovenraam en een onderraam.
Kap: Samenstel van houten, ijzeren en betonnen delen, die de dakbedekking dragen.
Kaprichting: Richting waarin de lange zijde van het dak (de nok) georiënteerd is.
Kapiteel: Bovenste deel van een zuil.
Kavel: Grondstuk, kadastrale eenheid.
Keimen: Behandelen met Keim, een goed weersbestendige en ademende muurverf voor buiten.
Kilkeper: Een schuine balk die op de snijlijn van twee aansluitende dakvlakken het dak draagt (inwendige ontmoeting van twee dakvlakken).
Klamp: Stenen op de kant, dus met de platte kant naar voren (vaak tegen een dikkere muur aangemetseld).
Klassieke gevelopbouw: Gevelopbouw met klassieke kenmerken.
Klepraam: Raam met de scharnieren aan de bovenzijde.
Kloostermoppen: Zeer groot formaat steen (ca 30 x 12 x 7,5 cm) uit de middeleeuwen.
Klossen: Houten stelblokken of houten balkjes waarop een uitkraging rust.
Kop: De kopse kant van een steen; tevens een steenmaat (bij waalformaat 11 cm werkende breedte. In het algemeen gebruikt om de smalle kant van een rechthoekige vorm aan te duiden, bijvoorbeeld bij (de plattegrond van) een gebouw.
Kozijn: Een kozijn is een constructie (hout, staal, aluminium, plastic) waarin ramen en deuren worden geplaatst
Kroonlijst: Beëindiging van de gevel boven bij de goot met een sierlijst.
Kruisvensters: Kozijnindeling uit de middeleeuwen met een kalf en een stijl.
Laagbouw: gebouw met een of twee lagen.
Lak: Afwerklaag van schilderwerk.
Latei: Draagbalk in de gevel; overspant de gevelopening waarin b.v. een kozijn staat.
Lessenaarsdak: Dak met een hellend, niet onderbroken dakvlak.
Lichtkoepel: raamconstructie in een plat dak, met een bolle vorm.
Lintvoeg: De horizontale (liggende) voeg in metselwerk.
Loggia: Een soort balkon, dat ingebouwd is en zich binnen het gevelvlak van een gebouw bevindt.
Luifel: Uitstekend dakvlak, meestal bij een deur.
Maaiveld: Bovenzijde van het terrein dat een bouwwerk omgeeft.
Mansardekap: Dakvorm waarbij het onderste deel van het dak steiler is dan het bovenste deel waardoor en een geknikte vorm ontstaat.
Markies: Traditioneel type opvouwbaar zonnescherm.
Massa: Zichtbaar volume van het gebouw of bouwdeel.
Mastgoot: Goot met een halfronde doorsnede.
Melaminegebonden platen: Plaatmateriaal van papierlaagjes gebonden met de kunststof melanine. Heel bekend is Trespa. Er zijn meer merken zoals Print Abet Laminata, Plastica, maar Trespa is zo bekend dat het merk vaak als materiaalaanduiding wordt gebezigd
Metselverband: De wijze van stapelen van stenen in het metselwerk, waardoor er een zichtbare patroon ontstaat.
Metselwerk toog: Boog van metselwerk die als ondersteuning voor een muuropening fungeert (in plaats van een latei).
Mezzanino: Lage verdieping voorzien van vensters in de vorm van liggende rechthoek.
Middenstijl: Verticale roede in het midden van een deur of raamkozijn.
Middendeel of schacht: De gevels van de verdiepingen.
Muurdam: Stuk muur tussen twee openingen.
Negge: Het vlak c.q. de maat tussen de buitenkant van de gevel en het kozijn (muurvlakje loodrecht op het gevelvlak).
Neorenaissance: 19e eeuwse bouwstijl gebaseerd op de renaissance.
Neut: Natuurstenen onderkant van een kozijnstijl.
Nieuwe bouwen: Bouwstijl uit het beging van de 20e eeuw.
Nok: Horizontale snijlijn tussen twee dakvlakken, de hoogste lijn van het dak.
Onderbouw: Het onderste del van een gebouw.
Ontwerper: Auteur van het ontwerp.
Ontsluiting: De toegang tot een terrein of gebouw.
Ontwikkelaar: Initiatiefnemer van een plan; vaak grondeigenaar; meestal opdrachtgever; verkoopt doorgaans het plan na realisatie.
Openbaar gebied: Straten, pleinen, plantsoenen, enz.: eigendom van de overheid en toegankelijk voor het publiek
Oriëntatie: De hoofdrichting van een gebouw.
Ornamentiek: Versiering aangebracht op de buitenzijde van een gebouw.
Overstek: Bouwdeel dat vooruitsteekt ten opzichte van het eronder gelegen deel.
Paneel: Rechthoekig vlak geplaatst in omlijsting.
Paneeldeur: Deur met terug liggende panelen tussen het raamwerk van de deur.
Parcellering: De mate van indeling van percelen. Deze indeling van breedtes en hoogtes van bouwwerken bepaald het straatbeeld.
Patijts werk: Metselwerk dat alleen uit koppen bestaat (is geschikt om ronde vlakken mee te maken).
Pauwenstaart: Siermetselwerk in een waaiervorm.
Penant: Kolom (verzwaring) in de gevel.
Penthouse: Los geplaatste bungalow boven op een gebouw.
Pilaster: Weinig uitspringende muurpijler, die dient om een boog of hoofdgestel te dragen.
Piramidedak: Dak bestaande uit vier gelijk hellende vlakken die elkaar bovenaan in een punt ontmoeten.
Plint: Gevel van de benedenverdieping of een duidelijk te onderscheiden horizontale lijn aan de onderzijde van een gebouw.
Pointmaster (voegwerk 30er-jarenstijl): Werktuig om voegen terug liggend uit te voeren.
Portiek: Gemeenschappelijk trappenhuis of terugspringende ruimte aan de straat voor de toegangsdeur.
Profiel: Doorsnede van een bouwdeel (bijvoorbeeld kozijn).
Profilering: Aangebrachte vorm en maatvoering van profiel.
Publiek 0: Voor publiek toegankelijk, maar geen eigendom van de overheid. Als publiek domein is gedefinieerd: alle straten, wegen, plantsoen, parken, openbare parkeerplaatsen, begraafplaatsen, tentoonstellingsterrein, et cetera, alsmede watergangen die aan de overzijde begrensd worden door een van deze functies.
Niet als publiek domein gedefinieerd zijn achterpaden die alleen bedoeld zijn om de achterzijden van woningen te ontsluiten, garagepleinen, alle overige privé gronden, alsmede watergangen die aan de overzijde begrensd worden door een van deze functies
Pui: groot kozijn dat een gevel (-vlak) vult.
PV- of Fotovoltaïsche cellen: Zonnepanelen die elektriciteit opwekken.
Raam: Het raam is een constructie (hout, staal, aluminium, plastic) waarin het glas wordt geplaatst; kan soms draaien of schuiven en is dan een bewegend deel: draairaam of klepraam of taatsraam dan wel kantelraam (draaien beiden om een as) of schuifraam; als het niet beweegt is het een vast raam.
Raamdorpel: Horizontale stenen element onder de onderdorpel van een houten kozijn, dat er voor zorgt dat het regenwater buiten het gevelvlak afgevoerd wordt.
Raamstroken: Vensters (kozijnen) op een rijtje.
RAL: Nummercodering voor kleuren
Recent goedgekeurde plannen: Plannen die ná de laatste beleidswijziging zijn goedgekeurd. M.a.w. het gaat om de periode van de huidige (vigerende) welstandsnota.
Rechtskracht: Geldig volgens de wet.
Regenpijp: Afvoerpijp voor regenwater.
Regieplan: Een beleidsdocument waarin de beeldkwaliteit (en eventueel ook andere kwaliteiten) en de wijze waarop die kwaliteit tot stand komt is geregeld; het regieplan kan worden ingeroepen in een bestemmingsplan, en tevens als welstandsbeleid worden vastgesteld
Renovatie: Vernieuwing van een gebouw.
Risaliet: Een iets vooruitspringend - staand - vlak in de gevel.
Ritmiek: Regelmatige herhaling.
Rijtjeshuis: Huis als onderdeel van een reeks aaneen gebouwde gelijke woningen.
Rollaag: Een in verband gemetselde laag van op hun kant of kop gemetselde stenen.
Rooilijn: Lijn waar voorbij niet gebouwd mag worden (tenzij).
Ruimtelijk kwaliteitsbeleid: Beleid waarin de ruimtelijke kwaliteit wordt geregeld.
Schacht: De gevels van de verdiepingen.
Schilddak: Dak met vier hellende vlakken, gevormd door 2 driehoekige vlakken en 2 trapeziumvormige vlakken.
Schopschot: Een beschermplaat aan de onderzijde tegen een deur van bijvoorbeeld een berging of fietsenstalling.
Schrijnwerk: Fijn timmerwerk; freeswerk, snijwerk.
Screens: Zonnescherm, vlak tegen het raam.
Serre: Uitbouw aan een woonhuis, voornamelijk uitgevoerd in glas.
Set back: Terug liggende bovenverdieping.
Shingles: Dakbedekking van kleine plakjes dakleer met steenslagstrooisel.
Situering: Plaats(ing) in de omgeving.
Snauwgat: Opendraaiend raampje in een deur op ooghoogte.
Sneltoets: Meetbaar criterium (zonder interpretatieruimte) waarmee snel getoetst kan worden.
Spant: Samenstel van balken (hout, staat of beton) om een dakconstructie te dragen.
Speklaag: Lichte horizontale natuurstenen band als afwisseling in baksteenmetselwerk.
Sporen: Balkjes in een dak loodrecht op de nok.
Staande gevelopening: Gevelopening die smaller is dan de hoogte er van.
Staande glasmaat: Glasvlak dat smaller is dan de hoogte er van.
Stijl: Verticaal deel van een kozijn (kozijnstijl) of wijze van kunstuitvoering (bouwkunst).
Stoeltjesprofiel: Zeer slank stalen profiel (enkel glas, 50er jaren).
Stolpraam: Dubbel raam, die in het midden opengaan en aan de zijkant scharnieren.
Stootvoeg: Verticale voeg tussen twee koppen of kopse kanten van stenen in een muur.
Stucwerk: In pleisterkalk uitgevoerd werk.
Supervisie: Toetsende begeleiding van een ontwerpproces.
Textuur: De voelbare/waarneembare structuur van een materiaal.
Timpaan: Driehoekig gevelelement; bekroning van een klassiek gebouw, oorspronkelijk op Griekse tempels.
Topgevel: Gevel met een puntvorm waarachter een zadeldak dat loodrecht op de gevel staat.
Trasraam: Metselwerk dat harder is en niet waterdoorlatend; meestal vanaf een halve meter onder maaiveld tot een halve meter erboven.
Travee: Deel van een gebouw of afstand tussen dragende muren; in de gevel soms zichtbaar.
Trespa: Een merknaam voor melaminegebonden platen.
Tweekappers: twee woningen onder een dak.
Uitbouw: Aan het gebouw vastzittend bouwwerk dat rechtstreeks vanuit het gebouw toegankelijk is.
Vensteras: Denkbeeldige verticale lijn die precies door het midden van boven elkaar liggende vensters loopt.
Verholen goot: Onzichtbare goot (zitten onder de dakpannen).
Verkaveling: Stedenbouwkundige indeling van een gebied in straten, stoepen, paden, tuinen; gebouwen, enzovoort
Vlechtwerk: hier ook in de betekenis van metselverband waarbij kruislings en schuin stenen zijn gemetseld.
Volant: Strook stof onder aan een parasol of een markies.
Waalformaat: Soort steenformaat: schoon: 10,5 x 21,5 x 6,75; in het werk (dus met voegen) 11 x 22 x 7,5
Windveer: Afdekplank ter beëindiging van een pannendakvlak aan de zijkant.
Wolfseind: Afgeschuinde beëindiging van een zadeldak.
Woningscheiding: Wand of muur die twee woningen van elkaar scheidt.
WRO: Wet op de Ruimtelijke Ordening.
Zadeldak: Dak met twee tegenoverliggende dakvlakken die bij de nok samenkomen.
Zakgoot: Goot waarop twee tegenover elkaar gelegen dakhellingen afwateren, goot tussen twee dakvlakken.
Zichtlijn: Lijn waarlangs een oriëntatiepunt zichtbaar is: bijvoorbeeld: een zichtlijn naar de kerktoren.
Zonnecollectoren: Zonnepanelen voor de opwarming van water (bijvoorbeeld voor CV en/of boiler)
Zonnepaneel: Verzamelnaam voor panelen die voor de opwekking van energie gebruik maken zonlicht. Zie resp. PV- of Fotovoltaïsche cellen en Zonnecollectoren
Zijwangen: Zijkanten van een dakkapel.
bijlage II – reglement van orde op de adviescommissie ruimtelijke kwaliteit
Gouda kiest voor het voeren van een integraal ruimtelijk kwaliteitsbeleid. Niet alleen de gebouwen, maar ook de plaatsing en ordening daarvan, de inrichting van het publiek domein en de zorg voor het cultureel erfgoed bepalen die ruimtelijke kwaliteit. Dat betekent dat niet alleen geadviseerd wordt over bouwplannen, maar ook over reclames, restauratieplannen, stedenbouwkundige plannen, stedenbouwkundige randvoorwaarden en de inrichtingsplannen voor het openbaar gebied.
De Adviescommissie Ruimtelijke Kwaliteit kan gevraagd en ongevraagd advies geven over het ruimtelijk kwaliteitsbeleid.
De Adviescommissie Ruimtelijke Kwaliteit adviseert onder andere over de volgende onderwerpen:
a. bouwaanvragen (welstandstaak)
b. principeplannen (advies aan de aanvrager met een welstandsbeoordeling)
2. Restauratie of wijziging van beschermd erfgoed (monumenten, zowel rijks- als gemeentelijk)
3. Aanvragen voor reclames, terrassen en uitstallingen
4. Sloopaanvragen binnen een aanlegvergunningenstelsel
6. Stedenbouwkundige randvoorwaarden bij ontwikkelingen (onder andere artikel 2.12 WABO)
7. Regieplannen en beeldkwaliteitplannen
8. Plannen voor de inrichting van het openbaar gebied
Gouda voert een integraal beleid. Dat betekent dat de Adviescommissie Ruimtelijke Kwaliteit op diverse punten deskundig moet zijn. De volgende disciplines zijn noodzakelijk:
3. landschapsontwerp en inrichting van het openbaar gebied
De Adviescommissie Ruimtelijke Kwaliteit kan bij het uitoefenen van de verschillende adviesfuncties verschillende samenstelling hebben.
De commissie wordt voorgezeten door een onafhankelijk voorzitter. De voorzitter is geen vakinhoudelijke deskundige, maar moet wel affiniteit met het werk van de commissie hebben. Van de voorzitter mag verwacht worden dat hij innemend, maar niet toegeeflijk is en vooral duidelijk in zijn samenvatting van het advies. De commissie wordt ondersteund door een secretaris die het advies van de commissie op schrift stelt in heldere en begrijpelijke taal en daarin de verbinding legt met de welstandscriteria.
De leden van de Adviescommissie Ruimtelijke Kwaliteit moeten deskundig, gezaghebbend en overtuigend zijn. Daarnaast moeten ze de stad Gouda goed kennen en tegelijk onafhankelijk staan tegenover de ingediende bouwplannen. De commissie moet duidelijk en goed met de ontwerpers kunnen communiceren. Hieronder worden de gevraagde kwaliteiten toegelicht en gemotiveerd.
Deskundig: oordeel met voorspellende waarde en verzekering van blijvende waarde
Doorslaggevend moet zijn of een bouwwerk een blijvende waardering zal oogsten gedurende de daarop volgende decennia en nog veel langer. Het is aan het gemeentebestuur om zichzelf op dit punt van een vooruitziende blik te voorzien. Ze kan zich daarvan verzekeren door een deskundige adviescommissie die in staat is om de plannen goed te doorzien en te beoordelen, en waarvan het oordeel een grote voorspellende waarde heeft.
Voor een ontwerper is het niet gemakkelijk om kritiek op het eigen ontwerp te verwerken. Het is immers naar beste inzicht vervaardigd. Het helpt, wanneer de beoordelende instantie gezag heeft door eigen werk en prestaties. Ook helpt het, wanneer de beoordelaars begrip hebben voor de motieven van de ontwerper, maar in aansluiting daarop hun oordeel kunnen verhelderen, daarbij steunend op het door de gemeente geformuleerde beleid. De commissie moet in haar advies overtuigend zijn.
Onafhankelijk, goed bekend met de stad
De leden van de commissie moeten bij hun beoordeling geen ander motief hebben dan een goed resultaat voor de stad. De ervaring leert dat lokale professionele activiteit daarin soms complicerend werkt. Het aantrekken van landelijk gezaghebbende vakmensen kan er toe leiden dat de commissieleden niet in Gouda wonen. Dat is voor de onafhankelijkheid een voordeel. Maar het vergt een goede en regelmatig terugkerende kennismaking met de stad: de Adviescommissie Ruimtelijke Kwaliteit dient de stad zeer goed te kennen.
Onafhankelijk, geen (bouw)stijlvoorkeuren
Een ander aspect van onafhankelijkheid is de neutraliteit ten opzichte van (bouw)stijlen. Hoewel een ontwerper natuurlijk een eigen handschrift en stijlvoorkeur kent, zal hij of zij bij de beoordeling van andermans werk daardoor niet beïnvloed mogen worden. Beoordeeld moet worden of het ontwerp voldoet aan de gestelde criteria. Passendheid in de omgeving en kwaliteit binnen een bepaalde stijl is daarbij belangrijker dan een oordeel over die stijl zelf.
Ook moet de Adviescommissie Ruimtelijke Kwaliteit oog hebben voor wat er in de stad speelt en leeft. Niet alleen moet de commissie de stad goed kennen in bouwkundige en stedenbouwkundige zin. Maar ook wat er aan opvattingen leeft, is van belang bij het behandelen van de plannen, het overleg met de indieners en het advies aan BenW.
De welstandsleden van de Adviescommissie Ruimtelijke Kwaliteit worden benoemd door de Raad op voordracht van BenW. BenW gebruiken daarbij de kwalificaties uit deze nota.
De vertegenwoordiger(s) namens de Commissie Cultuurhistorie worden door BenW toegevoegd aan de Adviescommissie Ruimtelijke Kwaliteit. Alle leden worden door BenW benoemd. Er wordt landelijk geworven. De selectie wordt schriftelijk vastgelegd en vertrouwelijk behandeld door BenW. De voordracht wordt door BenW gemotiveerd. De commissie telt minimaal vier leden en een onafhankelijk voorzitter.
Supervisors of een kwaliteitsteam kunnen worden ingesteld en benoemd door BenW. Een supervisor is geen lid van de Adviescommissie Ruimtelijke Kwaliteit: hij/zij presenteert daar het plan, eventueel samen met de architect. Ook het kwaliteitsteam maakt geen deel uit van de Adviescommissie Ruimtelijke Kwaliteit, maar adviseert in een eerder stadium over de kwaliteitsaspecten en de vraag of en wanneer een plan in de procedure verder kan.
Een lid van de Adviescommissie Ruimtelijke Kwaliteit kan als supervisor worden benoemd, maar treedt vervolgens bij de behandeling van de betreffende plannen terug uit de Adviescommissie Ruimtelijke Kwaliteit. Een lid van de Adviescommissie Ruimtelijke Kwaliteit kan als adviseur aanzitten in het kwaliteitsteam.
Alvorens een lid te benoemen stelt de Raad zich op de hoogte van de kwaliteiten van de kandidaat. Dat kan door in een informele raadscommissie een korte presentatie te laten geven van het oeuvre door de betreffende kandidaat, gevolgd door een informatief gesprek. Zo wordt de Raad ook inhoudelijk betrokken bij het onderwerp.
De leden van de Adviescommissie Ruimtelijke Kwaliteit worden benoemd voor een termijn van max. drie jaar en kunnen daarna eenmaal worden herbenoemd. Om de continuïteit in de commissie te waarborgen, wordt telkens een deel van de commissie vervangen.
6. communicatie en perscontacten
Een goede communicatie over de ruimtelijke kwaliteit van de stad is belangrijk. De communicatie rond het werk van de Adviescommissie Ruimtelijke Kwaliteit is daarin een belangrijk aspect. Verantwoordelijk daarvoor is tijdens de vergadering de voorzitter van de commissie, in het dagelijks verkeer de secretaris en over het beleid de verantwoordelijke afdeling Ruimtelijk Beleid en Advies (waar de beleidsvelden ruimtelijke kwaliteit en stedenbouw zijn ondergebracht) en de portefeuillehouder.
De Adviescommissie Ruimtelijke Kwaliteit is een adviescommissie die een door de eigen gemeenteraad vastgesteld beleid uitvoert en dit naar beste vermogen doet. De commissie adviseert aan BenW, die uiteindelijk de beslissing nemen.
Regelmatig overleg met de portefeuillehouder is nodig om voeling te houden met het beleid, waarbinnen moet worden gewerkt. Raadsleden zijn welkom bij de vergadering. Het is immers het beleid van de Raad dat hier wordt uitgevoerd en de Raad moet oordelen over eventuele bijstelling.
Om verkeerde berichtgeving te voorkomen kunnen de leden van de Adviescommissie Ruimtelijke Kwaliteit alleen met instemming van de gemeente (verantwoordelijke portefeuillehouder, of ambtenaar) worden geïnterviewd en alleen onder de voorwaarde dat het interview door hen wordt geautoriseerd en onverhoopte onjuistheden vooraf kunnen worden gecorrigeerd.
De voorzitter en de leden genieten een door het uitvoerend orgaan vastgesteld presentiegeld overeenkomstig de gemeentelijke vergoedingenregeling. Reiskosten worden vergoed op basis van kosten openbaar vervoer of de verreden kilometers.
Declaraties dienen uiterlijk na afloop van elk kwartaal via de bedrijfsnota en het declaratieformulier te worden ingediend.
bijlage III – werkwijze van de adviescommissie ruimtelijke kwaliteit
1. frequentie, openbaarheid en verslag van de vergaderingen
De Adviescommissie Ruimtelijke Kwaliteit (grote commissie) vergadert in principe eens in de twee weken. Daarnaast adviseren elke twee weken maximaal twee gemandateerde leden van de commissie (kleine commissie) over kleine bouwplannen. Eén daarvan is een ‘monumenten/erfgoed-lid’, de ander een ‘nieuwbouw/architectuur-lid’. In bijzondere gevallen wijzen de gemandateerde leden een klein plan door naar de voltallige commissie.
De vergaderingen over bouwvergunningaanvragen, monumentenvergunningaanvragen, sloopvergunningaanvragen, reclamevergunningen en principeplannen zijn openbaar. Van de vergadering wordt een verslag gemaakt. Bij negatieve adviezen, voorwaardelijke adviezen en als van de welstandsrichtlijnen afgeweken wordt, worden de adviezen gemotiveerd. Dit verslag geldt als advies aan BenW. De aanvrager wordt schriftelijk geïnformeerd over de genoemde adviezen.
Behandeling van stedenbouwkundige plannen, stedenbouwkundige randvoorwaarden, regieplannen, beeldkwaliteitplannen, plannen voor de inrichting van het openbaar gebied zijn niet openbaar. Deze voorstellen zijn ambtelijk en nog niet voorgelegd aan BenW. Deze adviezen en ongevraagde adviezen zijn niet openbaar en worden als een besprekingsverslag geredigeerd. Ze worden pas na vaststelling in de eerstvolgende vergadering doorgeleid naar BenW en degenen die bij het overleg aanwezig waren. De adviezen worden gevoegd bij het betreffende voorstel aan BenW.
Voordat een bouwplan, restauratieplan, herbestemmingsplan, inrichtingsplan of reclameplan aan de commissie voorgelegd wordt, is het plan getoetst aan het bestemmingsplan. Indien het plan niet voldoet aan het bestemmingsplan en dus een verzoek tot vrijstelling van het bestemmingsplan inhoudt, wordt het plan eerst door de ambtelijke dienst voorzien van een stedenbouwkundig en/of cultuurhistorisch advies. Indien blijkt dat het plan niet past binnen de gemeentelijke ruimtelijke visie, wordt geen advies aan de commissie gevraagd. Er is immers al een grond tot afwijzing en vanwege de samenhang van stedenbouw, cultuurhistorie en architectuur is adequate advisering dan niet mogelijk. De commissie kan de volgende adviezen geven: positief, positief onder voorwaarden, negatief, of het plan aanhouden en de ontwerper uitnodigen om een toelichting op het ontwerp te geven.
Een positief advies onder voorwaarden kan alleen worden gegeven als deze voorwaarden simpel en eenduidig zijn, toegevoegd kunnen worden aan de vergunning en aangetekend op de vergunningstekening. Het overleg van een ontwerper met de commissie heeft soms het karakter van collegiaal overleg, waarbij het plan in gewijzigde vorm nogmaals aan de commissie ter beoordeling aangeboden wordt, voordat er een definitief advies afgegeven wordt. Toch is het wenselijk om beperkingen te stellen aan het aantal malen dat een plan in de commissie besproken wordt. In de regel zullen de aanvrager en de commissie binnen drie behandelingen tot afronding moeten komen. Bij de derde behandeling moet de commissie haar definitieve (gemotiveerde) advies geven. Alleen indien de ontwerper daar nadrukkelijk om verzoekt en de commissie van mening is dat er nog voortgang in het collegiale overleg zit, kunnen meer behandelingen mogelijk zijn. In enkele gevallen kan het zinvol zijn dat een van de commissieleden buiten de vergadering van de voltallige commissie om in overleg met de ontwerper gaat, omdat het plan nog onvoldoende kwaliteit heeft. Deze wijze van ontwerpbegeleiding wordt supervisie genoemd (niet te verwarren met supervisor).
Bij een herhaalde behandeling van een plan zijn de eerder behandelde stukken en verslagen aanwezig en deze worden als uitgangspunt voor de verdere bespreking genomen. De stukken die in de welstandsvergadering besproken zijn, worden door de behandelende afdeling gearchiveerd.
Er zal behoefte blijven bestaan aan vooroverleg. Dit biedt de aanvrager meer zekerheid in een eerder stadium en daardoor lagere voorbereidingskosten. Gouda kent daarvoor het principeplan. Het principeplan wordt ook voorgelegd aan de commissie. De commissie geeft een gemotiveerd richtinggevend welstandsadvies. Dat advies kan ook inhouden een uitnodiging om het plan aan te passen of een uitnodiging voor nader overleg. Een advies op een principeplan is niet gericht aan BenW maar aan de aanvrager en diens architect.
3. advies om af te wijken van het in deze nota vastgelegde beleid
De Adviescommissie Ruimtelijke Kwaliteit kan gaande het jaar stuiten op een aantal tekortkomingen in het vastgelegde beleid. In dat geval adviseert de Adviescommissie Ruimtelijke Kwaliteit aan het college het beleid bij te stellen, voorzien van een motivering. Gebeurt dit aan de hand van een concrete aanvraag, dan zullen BenW op die aanvraag beslissen, eventueel in afwijking van het vastgelegde beleid. Dit besluit is voor beroep vatbaar, zoals elke beschikking. BenW zijn gemachtigd het beleid op technische en ondergeschikte punten aan te passen. Indien BenW de Adviescommissie Ruimtelijke Kwaliteit volgen en afwijken van het vastgelegde beleid, en als zij het beleid aanpassen, wordt dit geagendeerd op de eerstvolgende raadscommissie ter kennisneming.
Kopieer de link naar uw clipboard
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/gmb-2018-51172.html
De hier aangeboden pdf-bestanden van het Staatsblad, Staatscourant, Tractatenblad, provinciaal blad, gemeenteblad, waterschapsblad en blad gemeenschappelijke regeling vormen de formele bekendmakingen in de zin van de Bekendmakingswet en de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen voor zover ze na 1 juli 2009 zijn uitgegeven. Voor pdf-publicaties van vóór deze datum geldt dat alleen de in papieren vorm uitgegeven bladen formele status hebben; de hier aangeboden elektronische versies daarvan worden bij wijze van service aangeboden.