Gemeenteblad van Tilburg

Datum publicatieOrganisatieJaargang en nummerRubriek
TilburgGemeenteblad 2018, 49763Verordeningen



Bomenverordening Gemeente Tilburg 2017

 

De raad van de gemeente Tilburg;

 

- gezien het voorstel van het college van burgemeester en wethouders;

 

Besluit

 

1) De Bomenverordening 2017 inclusief de bijbehorende 'uitleg BVO 2017' vaststellen;

2) Met de inwerkingtreding van de Bomenverordening 2017 de nota 'Tilburg boomT' intrekken.

3) Met de inwerkingtreding van de 'Compensatieregeling Bomen' en de 'Bijdrageregeling Bomen' de 'Bijdrageregeling Waardevolle en Monumentale Bomen Tilburg 2000 (gewijzigde versie juni 2004)' intrekken;

4) Het bestedingsplan van de Reserve Bomen, zoals opgenomen in Bijlage M vaststellen.

 

ARTIKEL 1: Begripsomschrijvingen

In deze afdeling wordt verstaan onder:

a. bebouwde kom: bebouwde kom vastgesteld in het kader van artikel 4.1 aanhef onder a Wet natuurbescherming.

b. bevoegd gezag: bevoegd gezag als bedoeld in artikel 1.1, eerste lid, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo).

c. bijdrageregeling: gemeentelijk fonds voor ondersteuning particuliere eigenaren voor controle en duurzaam onderhoud houtopstanden die staan op GLMB en voor groeiplaatsverbetering bomen in Ecowaarde en Hoofdwaarde.

d. bomeneffect-analyse (BEA): een beoordeling van de gevolgen van voorgenomen bouw of aanleg voor een houtopstand op basis van het handboek Bomen van het Norminstituut Bomen.

e. boom: een houtig opgaand overblijvend levend of dood gewas met een stamomtrek van minimaal 40 cm gemeten op 1,30 m hoogte boven het maaiveld. Voor bomen in artikel 12 geldt geen minimale stamomtrek.

f. boomdeskundige: deskundige met een door erkend instituut afgegeven certificaat European Tree Technician of deskundige met aantoonbare en vergelijkbare kennis van houtopstanden en boomveiligheid.

g. boomwaardezone: aangewezen gebieden op Boomwaardezoneringskaart onderverdeeld in Ecowaarde, Hoofdwaarde, Nevenwaarde, Basiswaarde.

h. boomwaarde-zoneringskaart: topografische overzichtstekening “Boomwaardezoneringskaart Tilburg” met daarop aangegeven zones met boomwaarden van houtopstanden.

i. buiten-zone: gebieden waarvoor op de Boomwaardezoneringskaart geen boomwaarden zijn aangegeven.

j. college: college van burgemeester en wethouders van de gemeente Tilburg.

k. compensatieregeling: gemeentelijk fonds voor herplant houtopstanden en aanleg groeiplaatsen.

l. dunning: kappen dat uitsluitend is bedoeld als verzorgingsmaatregel ter bevordering van groei van na dunning overblijvende houtopstand.

m. dunningsplan: plan waarin reden, uitvoer en gevolg dunning nader is

omschreven.

n. eigenaar-bewoner: een natuurlijk persoon, die de eigendom van een pand heeft en die blijkens de gemeentelijke basisadministratie in dat pand woonachtig is.

o. erf/tuin: al dan niet bebouwd perceel, of een gedeelte daarvan, dat direct is gelegen bij een hoofdgebouw en dat in feitelijk opzicht is ingericht ten dienste van het gebruik van dat gebouw.

p. GLMB: Gemeentelijke Lijst Monumentale Bomen.

q. haag: lijnvormige aanplant met een minimale breedte van 0,75 m, die een afscheiding of omheining vormt en die hoofdzakelijk bestaat uit inheemse heesters en boomvormers.

r. hakhout: één of meer houtopstanden, vanuit landschappelijk of cultuurhistorisch oogpunt aangeplant als hakhout, die na periodiek terugkerende snoei, opnieuw op de stronk uitlopen.

s. herplant: het opnieuw (elders) planten van een te verplanten houtopstand en/of het vervangen van een gevelde houtopstand door nieuwe op grond van een voorschrift als van artikel 10 of als herstelsanctie van artikel 11.

t. houtopstand: overblijvend levend of dood houtig gewas van één of meer bomen, hakhout, lintbegroeiing of het betreffen houtachtigen die zijn aangeplant in het kader van herplantplicht.

u. houtsingel: lijnvormige bosaanplant hoofdzakelijk bestaande uit inheemse heesters en boomvormers, met een minimale breedte van 0,75 m.

v. houtwal: lijnvormige bosaanplant hoofdzakelijk bestaande uit inheemse heesters en boomvormers staande op een aarden wal, met een minimale breedte van 0,75 m.

w. huurder-bewoner: een natuurlijk persoon, die een huurovereenkomst van de eigenaar van het pand heeft en die blijkens de gemeentelijke basisadministratie in dat pand woonachtig is.

x. inboet: het opnieuw inplanten van houtopstanden, binnen 2 jaar na aanplant van op die plaats weggevallen of wegkwijnende houtopstand.

y. kandelaberen: het tot op de hoofdtakken snoeien van de houtopstand.

z. kappen: het geheel of grotendeels verwijderen van het bovengrondse deel van de houtopstand.

aa. knotten: het afzagen van de kroon van de houtopstand.

bb. kweekgoed: houtopstanden, gekweekt door rechtspersoon en bedoeld voor verkoop.

cc. lintbegroeiing: buiten de bebouwde kom staande grotere begroeiing die een haag, houtwal of houtsingel vormen met een minimale breedte van 0,75 m en minimale lengte van 7,5 m.

dd. monetaire boomwaarde: de monetaire waarde van een houtopstand zoals getaxeerd volgens het ‘Rekenmodel Boomwaarde’ op grond van de meest recente richtlijnen van de Nederlandse Vereniging van Taxateurs van Bomen.

ee. monumentale boom: solitair of in groepsverband staande houtopstand, die staat vermeld op de GLMB.

ff. oppervlakte tuin: de bij elkaar opgetelde oppervlakten van voor-, zij- en

achtertuin behorende bij een woning.

gg. reconstructieplan: een stedenbouwkundig herinrichtingsplan, reconstructieplan of rioolvervangingsplan of vergelijkbaar plan.

hh. regulier periodiek

onderhoud: het in het kader van noodzakelijk periodiek terugkerend onderhoud tot behoud van de houtopstand.

ii. rooien: het geheel verwijderen van het bovengrondse en ondergrondse deel van de houtopstand.

jj. vellen: a. betreft vellen, doen vellen of laten vellen. Dit is rooien, kappen, verplanten of het snoeien van meer dan 20 procent van de kroon of het wortelgestel, met inbegrip van voor de eerste keer kandelaberen of knotten;

b. betreft het verrichten van handelingen, zowel boven- als ondergronds, die de dood, ernstige beschadiging of ernstige ontsiering van de houtopstand ten gevolge kunnen hebben.

kk. zelfstandige eenheid: houtopstanden die in ruimtelijke zin een aaneengesloten geheel vormen.

 

ARTIKEL 2: Boomwaardezoneringskaart en GLMB

  • 1.

    Het college stelt een Boomwaardezoneringskaart en GLMB vast.

  • 2.

    Het college kan de Boomwaardezoneringskaart en de GLMB iedere 3 jaar herzien en opnieuw vaststellen.

  • 3.

    De Boomwaardezoneringskaart bevat de volgende zones:

    • a.

      Ecowaarde;

    • b.

      Hoofdwaarde;

    • c.

      Nevenwaarde;

    • d.

      Basiswaarde;

    • e.

      Buiten-zone.

  • 4.

    De GLMB omvat in ieder geval:

    • a.

      boomnummer;

    • b.

      locatie;

    • c.

      Nederlandse naam;

    • d.

      wetenschappelijke naam;

    • e.

      kiemjaar;

    • f.

      stamomtrek;

    • g.

      kwaliteit/levensverwachting;

    • h.

      redengevende beschrijving;

    • i.

      jaar van vaststelling.

  • 5.

    Het college stelt een Compensatieregeling Bomen, voor herplant van houtopstanden en inrichting van groeiplaatsen als bedoeld in artikel 10 en 11, vast.

  • 6.

    Het college stelt een Bijdrageregeling Bomen vast die kan dienen voor:

    • a.

      groeiplaatsverbetering bij bomen die staan in Ecowaarde- en Hoofdwaarde-zone;

    • b.

      voor ondersteuning aan particuliere eigenaren voor controle en duurzaam onderhoud aan houtopstanden die staan op de GLMB of;

 

ARTIKEL 3: Velverbod GLMB, Ecowaarde, Hoofdwaarde

  • 1.

    Het is verboden te vellen:

    • a.

      GLMB: daarop vermelde houtopstanden;

    • b.

      Ecowaarde-zone: bomen met een minimale stamomtrek van 40 cm gemeten op1,30 m hoogte boven het maaiveld, hakhout, lintbegroeiing;

    • c.

      Hoofdwaarde-zone: bomen met een minimale stamomtrek van 40 cm gemeten op1,30 m boven het maaiveld, hakhout, lintbegroeiing;

  • 2.

    Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet voor:

    • a.

      houtopstand die moet worden geveld krachtens de Plantenziektenwet of krachtenseen aanschrijving van het bevoegd gezag;

    • b.

      in het kader van regulier periodiek onderhoud bij:

      • i.

        hakhout: snoeien;

      • ii.

        vormbomen: scheren, knotten of kandelaberen;

      • iii.

        zelfstandige eenheid vormende houtwal, houtsingel: tot maximaal 40 procent volumevermindering van de zelfstandige eenheid door op bosbouwkundig verantwoorde wijze snoeien, scheren of kappen van houtopstanden die een stamomtrek kleiner dan 40 cm gemeten op 1,30 m hoogte boven het maaiveld hebben;

      • iv.

        hagen: snoeien en scheren.

    • c.

      noodzakelijk inboeten van houtopstanden.

  • 3.

    Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet voor de volgende houtopstanden:

    • a.

      fruitbomen en windschermen om boomgaarden, behoudens hoogstambomen;

    • b.

      fijnsparren, niet ouder dan 20 jaar, bestemd om te dienen als kerstbomen;

    • c.

      kweekgoed;

    • d.

      uit populieren, wilgen, essen of elzen bestaande beplantingen die kennelijk zijnbedoeld voor de productie van houtige biomassa, indien zij:

      • i.

        ten minste eens per 10 jaar worden geoogst en;

      • ii.

        bestaan uit minstens tienduizend stoven per hectare per beplantingseenheid, zijnde een aaneengesloten beplanting die niet wordt doorsneden door onbeplante stroken breder dan 2 m en;

      • iii.

        zijn aangelegd na 1 januari 2013.

  • 4.

    Het bevoegd gezag kan indien houtopstand direct gevaar oplevert die noodvellingnoodzakelijk maakt, besluiten dat de omgevingsvergunning voor het vellen direct inwerking treedt. Het besluit wordt zo spoedig mogelijk bekendgemaakt.

 

ARTIKEL 4: Criteria ontheffing

  • 1.

    Het bevoegd gezag kan ontheffing om houtopstanden als bedoeld in artikel 3 eerstelid te vellen, verlenen dan wel onder voorschriften of beperkingen verlenen.

  • 2.

    Een omgevingsvergunning voor het vellen kan, slechts nadat alternatieven voldoendezijn onderzocht maar redelijkerwijs niet uitvoerbaar zijn, bij uitzondering worden verleend bij:

    • a.

      Monumentale boom: als een zeer zwaarwegend algemeen maatschappelijkbelang zwaarder weegt dan duurzaam behoud van de houtopstand;

    • b.

      Ecowaarde-zone: bij daar staande bomen met een minimale stamomtrek van40 cm gemeten op 1,30 m hoogte boven het maaiveld, hakhout of lintbegroeiing,indien een zeer zwaarwegend algemeen maatschappelijk belang zwaarder weegtdan duurzaam behoud van de houtopstand of sprake is van dunning.

    • c.

      Hoofdwaarde-zone: bij daar staande bomen met een minimale stamomtrek van40 cm gemeten op 1,30 m hoogte boven het maaiveld, hakhout of lintbegroeiingindien een algemeen maatschappelijk belang of zwaarwegend individueel belangvan niet tijdelijke aard, zwaarder weegt dan duurzaam behoud van de houtopstand of sprake is van dunning;

  • 3.

    De omgevingsvergunning voor vellen kan tevens worden verleend of onder voorschriften of beperkingen worden verleend:

    • a.

      indien de reden voor velling een vordering tot verwijdering van de houtopstand in het kader van artikel 5:42 Burgerlijk Wetboek is;

    • b.

      indien naar het oordeel van een boomdeskundige:

      • i.

        de verwachte levensduur van de houtopstand minder is dan 5 jaar of;

      • ii.

        instandhouding niet langer verantwoord is ter voorkoming van letsel of schade of;

      • iii.

        sprake is van noodzakelijke maatregelen tot behoud van de houtopstand, die niet vallen onder regulier periodiek onderhoud.

 

ARTIKEL 5: Velverbod overig

  • 1.

    Het is verboden zonder vergunning van het bevoegd gezag - onverminderd het gestelde in artikel 3 - houtopstanden als bedoeld in het tweede lid tot en met het vijfde lid te vellen.

  • 2.

    Het in het eerste lid gestelde verbod geldt eveneens voor herplant op grond van artikel 10 of 11, ongeacht hun standplaats of stamomtrek.

  • 3.

    Het in het eerste lid gestelde verbod geldt voor bomen met een minimale stamomtrek van 40 cm gemeten op 1,30 m hoogte boven het maaiveld in Basiswaarde-,Nevenwaarde-, Buiten-zone op:

    • a.

      percelen groter dan 500 m2;

    • b.

      aan elkaar liggende percelen van eenzelfde eigenaar, tezamen groter dan 500 m2;

    • c.

      verspreid liggende percelen die dienen voor dezelfde ruimtelijke ontwikkeling die groter zijn dan 500 m2.

  • 4.

    Het in het eerste lid gestelde verbod geldt verder voor bomen met een minimale stamomtrek van 65 cm gemeten op 1,30 m hoogte boven het maaiveld in Basiswaarde-, Nevenwaarde-, Buiten-zone op percelen kleiner dan 500 m2, mits zij niet vallen onder het derde lid onder b of c.

  • 5.

    Het in het eerste lid gestelde verbod geldt voor hakhout en lintbegroeiing.

  • 6.

    Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet voor:

    • a.

      alle houtopstanden in een tuin van een eigenaar-bewoner of huurder-bewoner, mits de oppervlakte van de tuin kleiner is dan 100 m2;

    • b.

      houtopstand die moet worden geveld krachtens de Plantenziektenwet of krachtens een aanschrijving van het bevoegd gezag;

    • c.

      regulier periodiek onderhoud bij:

      • i.

        hakhout: het snoeien;

      • ii.

        vormbomen: het scheren, knotten of kandelaberen;

      • iii.

        houtwal, houtsingel: het tot maximaal 40 procent volumevermindering van de zelfstandige eenheid door op bosbouwkundig verantwoorde wijze snoeien, scheren of kappen van houtopstanden die een stamomtrek kleiner dan 40 cm gemeten op 1,30 m hoogte boven het maaiveld hebben;

      • iv.

        hagen: het snoeien en scheren;

    • d.

      noodzakelijk inboeten van houtopstanden.

  • 7.

    Het in het eerste lid gestelde verbod geldt tevens niet voor:

    • a.

      fruitbomen en windschermen om boomgaarden, uitgezonderd hoogstambomen;

    • b.

      fijnsparren, niet ouder dan 20 jaar, bestemd om te dienen als kerstbomen;

    • c.

      kweekgoed;

    • d.

      uit populieren, wilgen, essen of elzen bestaande beplantingen die kennelijk zijn bedoeld voor de productie van houtige biomassa, indien zij:

      • i.

        ten minste eens per 10 jaar worden geoogst en;

      • ii.

        bestaan uit minstens tienduizend stoven per hectare per beplantingseenheid, zijnde een aaneengesloten beplanting die niet wordt doorsneden door onbeplante stroken breder dan 2 m, en;

      • iii.

        zijn aangelegd na 1 januari 2013.

    • e.

      Buiten-zone: houtopstanden buiten de bebouwde kom, staand buiten erven of tuinen mits in een zelfstandige eenheid van:

      • i.

        meer dan 10 are of;

      • ii.

        rijbeplanting van meer dan 20 bomen gerekend over het totaal aantal rijen.

  • 8.

    Het bevoegd gezag kan indien een houtopstand direct gevaar oplevert die noodvelling noodzakelijk maakt, besluiten dat de omgevingsvergunning voor het vellen direct in werking treedt. Het besluit wordt zo spoedig mogelijk bekend gemaakt.

 

ARTIKEL 6: Criteria vergunning

  • 1.

    Bevoegd gezag kan vergunning om te vellen als bedoeld in artikel 5 weigeren dan wel onder voorschriften of beperkingen verlenen.

  • 2.

    De omgevingsvergunning voor het vellen van een houtopstand als bedoeld in artikel 5 wordt geweigerd, indien de belangen van verlening niet opwegen tegen de belangen van behoud van de houtopstand op basis van één of meer van de volgende waarden:

    • a.

      de natuur- en milieuwaarde;

    • b.

      de landschappelijke waarde;

    • c.

      de waarde voor straat- of stadsbeeld;

    • d.

      de cultuurhistorische waarde;

    • e.

      de waarde voor recreatie.

  • 3.

    De omgevingsvergunning voor vellen kan onder andere worden verleend of onder voorschriften of beperkingen worden verleend indien de reden voor velling een vordering tot verwijdering van de houtopstand in het kader van artikel 5:42 Burgerlijk Wetboek is.

 

ARTIKEL 7: Aanvraag

  • 1.

    De omgevingsvergunning moet schriftelijk of elektronisch, gemotiveerd worden aangevraagd, door of namens dan wel met toestemming van degene, die krachtens zakelijk recht of door degene die krachtens publiekrechtelijke bevoegdheid gerechtigd is over de houtopstand te beschikken.

  • 2.

    Bij velling van lintbegroeiing wordt in de aanvraag het grondoppervlakte aan omgevingsvergunningplichtige houtopstanden per m2 vermeld en het aantal daarin staande omgevingsvergunningplichtige te vellen bomen of hakhout, per stuk.

  • 3.

    Bij de aanvraag wordt een tekening op bruikbare schaal van zowel de huidige- als de nieuwe situatie toegevoegd, waar mogelijk aangevuld met foto’s.

  • 4.

    De aanvraag vermeldt de tot behoud van de houtopstand onderzochte alternatieven.

  • 5.

    Het bevoegd gezag kan bepalen dat bij de aanvraag wordt overlegd:

    • a.

      een overzicht van de overige vergunningen, ontheffingen of toestemmingen die nodig zijn voor de realisatie van een project;

    • b.

      een Dunningsplan of Reconstructieplan;

    • c.

      een bomeneffect-analyse en/of taxatierapport met monetaire boomwaarde;

    • d.

      een plan voor herplant van houtopstanden.

 

ARTIKEL 8: Intrekking of wijziging

De vergunning of omgevingsvergunning kan worden ingetrokken of gewijzigd:

  • a.

    indien ter verkrijging onjuiste of onvolledige gegevens zijn verstrekt;

  • b.

    indien op grond van een verandering van omstandigheden of inzichten opgetreden na het verlenen, intrekking of wijziging noodzakelijk is vanwege de belangen ter bescherming waarvan de vergunning of omgevingsvergunning is verleend, is vereist;

  • c.

    indien de aan de vergunning of omgevingsvergunning verbonden voorschriften en beperkingen niet worden nagekomen;

  • d.

    indien de houder dit verzoekt.

 

ARTIKEL 9: Beperking geldigheidsduur

  • 1.

    De omgevingsvergunning tot vellen als bedoeld in deze verordening vervalt, indien daarvan niet binnen maximaal 2 jaar na het onherroepelijk zijn van de omgevingsvergunning gebruik is gemaakt.

  • 2.

    In het geval het een omgevingsvergunning voor het vellen van meer dan één houtopstand betreft, is de omgevingsvergunning voor alle te vellen houtopstanden slechts 2 jaar geldig, ook als in fasen geveld wordt of één of meerdere houtopstanden al geveld zijn.

 

ARTIKEL10: Bijzondere voorschriften

  • 1.

    Tot de aan de omgevingsvergunning te verbinden voorschriften, kan behoren het voorschrift dat binnen een bepaalde termijn en overeenkomstig de door bevoegd gezag te geven aanwijzingen moet worden herplant.

  • 2.

    Indien niet ter plaatse vergelijkbaar aan de te vellen houtopstand kan worden herplant, kan tot de aan een omgevingsvergunning tot vellen, het voorschrift worden verbonden dat een geldelijke bijdrage ter hoogte van de monetaire boomwaarde vermeerderd met kosten voor groeiplaatsinrichting, gestort dient te worden in de Compensatieregeling.

  • 3.

    Herplant vindt plaats binnen 2 jaar, behoudens een door het bevoegd gezag voorgeschreven afwijkende termijn.

  • 4.

    In het voorschrift als bedoeld in het eerste lid wordt telkens bepaald binnen welke termijn na de herplant en op welke wijze niet aangeslagen herplant moet worden vervangen.

  • 5.

    Tot de aan de omgevingsvergunning tot vellen te verbinden voorschriften, kan het voorschrift behoren dat pas tot vellen van de houtopstand op en bij bouw- en aanlegwerken of andere ruimtelijke herinrichting of reconstructie mag worden overgegaan indien er gebruik gemaakt kan worden van aanverwante ontheffingen, vergunningen, toestemmingen of ruimtelijke ordeningsprocedures en de feitelijke en financiële voortgang van de werken voldoende gewaarborgd is.

  • 6.

    Het bevoegd gezag kan aan de omgevingsvergunning het voorschrift verbinden dat de activiteit pas ten uitvoer mag worden gelegd tot een in de toekomst nauwkeurig omschreven moment.

  • 7.

    Degene aan wie de verplichting als bedoeld in het eerste tot het derde lid is opgelegd, alsmede zijn rechtsopvolger, is verplicht daaraan te voldoen.

 

ARTIKEL 11: Herplant-/instandhoudingsplicht

  • 1.

    Indien een houtopstand waarop het verbod tot vellen van toepassing is, zonder omgevingsvergunning van het bevoegd gezag is geveld, dan wel op andere wijze teniet is gegaan, kan het bevoegd gezag aan de zakelijk gerechtigde tot de grond waarop zich de houtopstand bevond dan wel aan degene die uit andere hoofde tot het treffen van voorzieningen bevoegd is, de verplichting opleggen te herplanten overeenkomstig de door hen te geven aanwijzingen.

  • 2.

    Indien niet ter plaatse vergelijkbaar aan de gevelde houtopstand kan worden herplant, kan aan de verplichting tevens het voorschrift worden verbonden dat een geldelijke bijdrage ter hoogte van de monetaire boomwaarde vermeerderd met kosten voor groeiplaatsinrichting, gestort dient te worden in de Compensatieregeling.

  • 3.

    Herplant vindt plaats binnen 2 jaar, behoudens een door het bevoegd gezag voorgeschreven afwijkende termijn.

  • 4.

    Bij de verplichting als bedoeld in het eerste lid, kan tevens worden bepaald binnen welke termijn na herplant en op welke wijze niet aangeslagen herplant moet worden vervangen.

  • 5.

    Indien een houtopstand waarop het verbod tot vellen van toepassing is in het voortbestaan ernstig wordt bedreigd, kan het bevoegd gezag aan de zakelijk gerechtigde tot de grond waarop zich de houtopstand bevindt dan wel aan degene die uit andere hoofde tot het treffen van voorzieningen bevoegd is, de verplichting opleggen om:

    • a.

      overeenkomstig de door hen te geven aanwijzingen binnen een door hen te stellen termijn voorzieningen te treffen, waardoor die bedreiging wordt weggenomen;

    • b.

      een BEA op te stellen en aan te bieden aan het bevoegd gezag.

  • 6.

    Degene aan wie de verplichting als bedoeld in het eerste tot het derde lid is opgelegd, alsmede zijn rechtsopvolger, is verplicht daaraan te voldoen.

 

ARTIKEL 12: Afstand tot de erfgrenslijn

  • 1.

    De afstand als bedoeld in artikel 5:42 Burgerlijk Wetboek is voor bomen in eigendom van het rijk, provincie, gemeente of waterschap:

    • a.

      25 cm voor bomen van de GLMB, of voor bomen die staan in Ecowaarde- of Hoofdwaarde-zone of die zijn aangeplant voor inwerkingtreding verordening:

    • b.

      50 cm voor overige bomen;

    • c.

      nihil voor heesters en heggen.

  • 2.

    De afstand als bedoeld in artikel 5:42 Burgerlijk Wetboek is voor houtopstanden in particulier eigendom:

    • a.

      25 cm voor bomen van de GLMB of voor bomen die staan in Ecowaarde- of Hoofdwaarde-zone;

    • b.

      50 cm voor overige bomen;

    • c.

      nihil voor heesters en heggen.

 

ARTIKEL 13: Bestrijding van boomziekten

  • 1.

    Indien zich op een terrein één of meer houtopstanden bevinden die naar het oordeel van het college gevaar opleveren voor verspreiding van een boomziekte of voor vermeerdering van de ziekteverspreiders zoals insecten, is de rechthebbende, indien hij daartoe door het college is aangeschreven, verplicht binnen de bij aanschrijving vast te stellen termijn:

    • a.

      de houtopstand te vellen;

    • b.

      conform richtlijnen van de gemeente de gevelde houtopstand direct zodanig te behandelen dat verspreiding van de boomziekte wordt voorkomen.

  • 2.

    Het is verboden zonder vergunning van het college gevelde houtopstanden of delen daarvan voor handen of in voorraad te hebben of te vervoeren, indien het een boomsoort betreft die de desbetreffende boomziekte kan verspreiden.

  • 3.

    Het niet voldoen aan de in het eerste lid bedoelde aanschrijving biedt een basis voor de toepassing van bestuursdwang, waarbij de noodzakelijke werkzaamheden, voor risico en voor rekening van aangeschrevene, door of namens de gemeente kunnen worden verricht.

 

ARTIKEL 14: Gevaar

Indien het college van mening is dat een houtopstand een risico voor de omgeving vormt, kan het college de zakelijk gerechtigde van de grond dan wel degene die uit andere hoofde bevoegd is tot het treffen van maatregelen, de verplichting opleggen de houtopstand te vellen of op een andere wijze verplichten maatregelen te nemen.

 

ARTIKEL 15: Bescherming publieke houtopstanden

  • 1.

    Het is verboden om houtopstanden, die eigendom van de gemeente Tilburg zijn te beschadigen, te bekladden of te beplakken of daaraan snoeiwerk te verrichten behoudens door ambtenaren of derden ter uitoefening van de door de gemeente aan hun opgedragen boomverzorgende taak.

  • 2.

    Het is verboden om één of meer voorwerpen in of aan houtopstanden die eigendom van de gemeente Tilburg zijn, aan te brengen of anderszins te bevestigen, behoudens vergunning van het college.

 

ARTIKEL 16: Strafbepaling

  • 1.

    Hij die handelt in strijd met artikel 13 of 15, wordt gestraft met hechtenis van ten hoogste twee maanden of een geldboete van de tweede categorie als bedoeld in artikel 23 Wetboek van Strafrecht.

  • 2.

    Bij de eis tot strafmaatbepaling kan rekening worden gehouden met de boomwaarde.

 

ARTIKEL 17: Toezicht en opsporing

  • 1.

    Met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens deze verordening zijn belast de bij besluit van bevoegd gezag aangewezen personen.

  • 2.

    Met de opsporing van de in deze afdeling strafbaar gestelde feiten zijn behalve de ambtenaren, genoemd in artikel 141 van het Wetboek van Strafvordering, belast de daartoe door bevoegd gezag aangewezen buitengewone opsporingsambtenaren.

 

ARTIKEL 18: Overgangsbepaling

Indien voor het tijdstip van inwerkingtreding van deze Bomenverordening gemeente Tilburg 2017 een aanvraag om een omgevingsvergunning of vergunning op grond van Bomenverordening Tilburg 2007 is ingediend en voor de inwerkingtreding van deze Bomenverordening nog niet op die aanvraag is beslist, worden de bepalingen overeenkomstig Bomenverordening Tilburg 2007 toegepast. Op een aanhangig bezwaar- of beroepschrift betreffende een omgevingsvergunning of vergunning waarvan de aanvraag is ingediend ten tijde van de geldigheid van Bomenverordening Tilburg 2007 wordt beslist conform die verordening.

 

ARTIKEL 19: Slotbepaling

  • 1.

    Deze verordening kan worden aangehaald als: "Bomenverordening gemeente Tilburg 2017”.

  • 2.

    Deze verordening treedt pas in werking na bekendmaking van de Bomenverordening, de Compensatieregeling en na het onherroepelijk zijn van de vastgestelde en bekendgemaakte Boomwaardezoneringskaart en GLMB.

  • 3.

    Tegelijkertijd met de inwerkingtreding van deze verordening wordt Bomenverordening Tilburg 2007, ingetrokken.

 

 

Aldus vastgesteld in de openbare raadsvergadering van 5 februari 2018,

de griffier,

de voorzitter

Toelichting

Bomenverordening gemeente Tilburg 2017

ARTIKELSGEWIJS

ARTIKEL 1: Begripsomschrijvingen

d. bomeneffect-analyse (BEA)

Houtopstanden worden regelmatig (ernstig) beschadigd of vernietigd door bouw en aanleg van huizen, wegen, rioleringen of kabels en leidingen. Vaak gebeurt dit ongewenst en onbedoeld, omdat er te laat is gekeken naar de gevolgen voor de houtopstanden, waardoor ze niet ingepast of (onherstelbaar) beschadigd raken. De BEA is een nauwgezette en onafhankelijke beoordeling, voorafgaand aan voorgenomen bouw of aanleg. De BEA waarborgt de boomtechnische kwaliteit en garandeert een goede beoordeling van alle effecten en mogelijke alternatieven. Een BEA dient uitgevoerd te worden door een deskundig boomverzorger of boomtechnisch adviseur. De resultaten van deze beoordeling kunnen vervolgens worden meegenomen in de besluitvorming rond bouw of aanleg.

l. dunning

Dunning is een vorm van kappen van houtopstanden die slechts zo ver mag gaan dat hiermee de conditie van de overblijvende houtopstand zal verbeteren. Dunning is niet het rooien van stobben of verplanten van houtopstanden.

r. hakhout

Hakhout zijn houtopstanden die periodiek en op een hoogte lager dan 1,30 m boven het maaiveld worden ontdaan van al de uitgelopen twijgen tot op de hakhoutstomp (snoei). Ondanks dat hakhout vaak geen stamomtrek te meten op 1,30 m hoogte boven het maaiveld heeft, valt hakhout vaak wel onder het velverbod.

t. houtopstand

De term houtopstand wordt als definitie gebruikt voor bomen, hakhout, en lintbegroeiing. Verder wordt de term gebruikt voor houtachtigen die zijn aangeplant in het kader van een door het bevoegd gezag opgelegde herplantplicht.

x. inboet

Inboeten is het vervangen van reeds aangeplant plantmateriaal. Dit kan nodig zijn omdat in een beplanting houtopstanden zijn weggevallen door niet aanslaan of dat zij verwijderd moeten worden vanwege een gebrek aan kwaliteit of toekomstverwachting.

aa. knotten

Knotten is het afzagen van de kroon van een boom. Hierdoor ontstaan bijvoorbeeld knotwilgen of knotpopulieren. De knot zal vervolgens weer uitlopen met dunne takken. Onderhoud van knotbomen is onder andere het periodiek verwijderen van deze dunne takken.

jj. vellen

Elke wijze van het te gronde richten van een houtopstand ongeacht of dit gedeeltelijk is, bijvoorbeeld bij snoeien, of volledig, zoals bij rooien (inclusief stobbe verwijderen). Ook ingrepen die een ingrijpende wijziging betekenen, zoals kandelaberen of het snoeien van meer dan 20 procent van het kroonvolume, vallen onder vellen. Dit om het ernstig beschadigen of ontsieren van een kroon van een houtopstand tegen te kunnen gaan. Het in stand houden door periodieke snoei van de door kandelaberen of knotten ontstane kroonvorm is niet omgevingsvergunningplichtig. De eerste keer kandelaberen of knotten is dat wel.

11

Het verwijderen van hoofdwortels, waarvan kan worden aangenomen dat daardoor de houtopstand ernstige schade oploopt, valt eveneens onder het begrip vellen. Ook het plaatsen van voorwerpen onder bomen of het verdichten van grond die dood of ernstige beschadiging tot gevolg kan hebben, valt onder vellen. Door de verordening ook van toepassing te laten zijn op het ernstig beschadigen of ontsieren van samengestelde verschijningsvormen, worden grootschalige ingrepen in houtopstanden eveneens omgevingsvergunningplichtig.

ARTIKEL 3: Velverbod GLMB, Ecowaarde, Hoofdwaarde

Lid 2 onder b onder 3°.

In houtwallen en houtsingels dient regulier periodiek onderhoud plaats te vinden. Dit is onderhoud dat met regelmaat wordt uitgevoerd. Is dit onderhoud aan houtopstanden met een stamomtrek kleiner dan 40 cm, gemeten op 1,30 m hoogte boven het maaiveld, dan is geen omgevingsvergunning voor velling nodig. Er mag dan echter maximaal 40 procent houtopstandvolume van de zelfstandige eenheid houtwal of houtsingel worden weggenomen. Wordt meer dan 40 procent weggenomen dan dient een omgevingsvergunning te worden aangevraagd. In dat geval dient een aanvraag voor een omgevingsvergunning voor bijvoorbeeld dunning te worden ingediend.

Lid 2 onder c.

Tijdens de eerste jaren van aanslaan van aanplant kan het voorkomen dat aanplant moet worden vervangen door nieuwe aanplant. Dit ‘inboeten’ in het kader van nazorg van de houtopstand is vrijgesteld van het velverbod.

Lid 3 onder a tot en met d.

Hier staan de vrijstellingen van het velverbod die gelijk zijn aan de vrijstellingen van de meld- en herplantplicht van artikel 4.2 en 4.3 Wet natuurbescherming (bescherming houtopstanden).

Een vrijstelling velverbod die betrekking heeft op houtopstanden die wel onder de meld- en herplantplicht van artikel 4.2 en 4.3 Wet natuurbescherming vallen, ontbreekt hier echter. Voor de beschermde houtopstanden van artikel 3 kan buiten de bebouwde kom een velverbod op grond van artikel 3 van toepassing zijn en de meld- en herplantplicht van artikel 4.2 en 4.3 Wet natuurbescherming.

Lid 4.

Indien een houtopstand direct gevaar oplevert kan het bevoegd gezag besluiten dat de omgevingsvergunning voor het vellen direct in werking treedt. Dit houdt in dat dan direct tot velling overgegaan kan worden. Achteraf dient er nog wel een omgevingsvergunning worden aangevraagd. Belanghebbenden hebben dan wel nog steeds de mogelijkheid tot het indienen van bezwaar. Dit is van belang omdat aan de verleende omgevingsvergunning voorschriften kunnen zijn verbonden.

ARTIKEL 4:Criteria ontheffing

Lid 3 onder b onder 3o.

Met de ‘uitvoer van noodzakelijke maatregelen’ wordt niet het regulier periodiek onderhoud bedoeld. Het kan zijn dat juist als gevolg van achterstallig onderhoud een groter deel van een houtopstand moet worden verwijderd. Voor regulier periodiek onderhoud aan houtopstanden geldt onder voorwaarden, een vrijstelling van het velverbod.

12

ARTIKEL 5: Velverbod overig

Lid 2.

Ook houtopstanden die zijn aangeplant op grond van een voorschrift van een omgevingsvergunning of in het kader van een herstelsanctie, worden beschermd door het velverbod van artikel 5. Tijdens de eerste jaren van aanslaan van aanplant kan het voorkomen dat aanplant moet worden vervangen door nieuwe aanplant. Onder andere ‘inboeten’ in het kader van nazorg is vrijgesteld van het velverbod.

Lid 7 onder a tot en met d.

Hier staan de vrijstellingen van het velverbod die gelijk zijn aan vrijstellingen van de meld- en herplantplicht van artikel 4.2 en 4.3 Wet natuurbescherming.

Lid 7 onder e.

Hier staan vrijstellingen van het velverbod die betrekking hebben op houtopstanden die onder de meld- en herplantplicht van artikel 4.2 en 4.3 Wet natuurbescherming vallen. Dit is ter voorkoming van overbodige dubbele regels.

Lid 8.

Indien een houtopstand direct gevaar oplevert kan het bevoegd gezag besluiten dat de omgevingsvergunning voor het vellen direct in werking treedt. Dit houdt in dat dan direct tot velling overgegaan kan worden. Achteraf dient er nog wel een omgevingsvergunning worden aangevraagd. Belanghebbenden hebben dan wel nog steeds de mogelijkheid tot het indienen van bezwaar. Dit is van belang omdat aan de verleende omgevingsvergunning voorschriften kunnen zijn verbonden.

ARTIKEL 7: Aanvraag

Lid 2. Lintbegroeiing bevat vaak grote bomen en kleinere struiken. Om te voorkomen dat iedere kleinere struik in de aanvraag moet worden vermeld, dient de aanvraag in dat geval voor deze kleinere maat houtachtigen, het aantal te vellen m2 te bevatten. Staan in deze groenelementen echter ook bomen (zie maatgeving in artikel 3 en 5), dan worden die alsnog separaat in de aanvraag vermeld.

ARTIKEL 12: Afstand tot de erfgrenslijn

De afstanden die genoemd worden in artikel 5:42 Burgerlijk Wetboek, zijn in artikel 12 verkleind. Zodoende kunnen meer houtopstanden die in de buurt van perceelgrenzen staan, behouden blijven.

ARTIKEL 14: Gevaar

Dit artikel heeft betrekking op gevaarlijke situaties met houtopstanden, daar waar het geen noodvelling betreft. Noodvelling komt aan bod in artikel 3 lid 4 en artikel 5 lid 8.

ARTIKEL 15: Bescherming publieke houtopstanden

Dit artikel is onder andere bedoeld om te voorkomen dat gemeentelijke houtopstanden beschadigd raken door voorwerpen zoals verlichtingsdraden, die lange tijd blijven hangen. Ook het aanbrengen van voorzieningen aan, onder of bij houtopstanden is daarmee verboden. Houtopstanden kunnen namelijk gemakkelijk beschadigd raken door bijvoorbeeld voorlopige opslag van bouwmaterialen of verkeersvoorzieningen binnen de kroonprojectie.