Protocol Huisbezoek Toezichthouder BRP

Wettelijke grondslag(en) of bevoegdheid waarop dit protocol is gebaseerd

 

De wettelijke grondslag(en) of bevoegdheid waarop het afleggen van een huisbezoek, waarbij in een woning wordt binnengetreden, is gebaseerd, bestaat uit de Wet BRP artikel 4.2 en de Algemene wet bestuursrecht (Awb) artikel 5:15. De Algemene wet op het binnentreden (Awbi, artikel 1) is ook relevant en bevat voorwaarden voor het uitoefenen van de bevoegdheid tot binnentreden van een woning.

 

Artikel 4.2 Wet BRP

Het college van burgemeester en wethouders wijst ambtenaren aan die zijn belast met het toezicht op de naleving van de verplichtingen van de burger ingevolge hoofdstuk 2, afdeling 1, paragraaf 5.

 

Artikel 5:15 Awb

  • 1.

    Een toezichthouder is bevoegd, met medeneming van de benodigde apparatuur, elke plaats te betreden met uitzondering van een woning zonder toestemming van de bewoner.

  • 2.

    Zo nodig verschaft hij zich toegang met behulp van de sterke arm.

  • 3.

    Hij is bevoegd zich te doen vergezellen door personen die daartoe door hem zijn aangewezen.

 

Artikel 1 Awbi

  • 1.

    Degene die bij of krachtens de wet belast is met de opsporing van strafbare feiten of enig ander onderzoek, met de uitvoering van een wettelijk voorschrift of met het toezicht op de naleving daarvan, dan wel een bevoegdheid tot vrijheidsbeneming uitoefent, en uit dien hoofde in een woning binnentreedt, is verplicht zich voorafgaand te legitimeren en mededeling te doen van het doel van het binnentreden. Indien twee of meer personen voor hetzelfde doel in een woning binnentreden, rusten deze verplichtingen slechts op degene die bij het binnentreden de leiding heeft.

  • 2.

    Indien de naleving van de in het eerste lid bedoelde verplichtingen naar redelijke verwachting ernstig en onmiddellijk gevaar oplevert voor de veiligheid van personen of goederen, feitelijk onmogelijk is dan wel naar redelijke verwachting de strafvordering schaadt ten aanzien van misdrijven waarvoor voorlopige hechtenis is toegelaten, gelden deze verplichtingen slechts voor zover de naleving daarvan in die omstandigheden kan worden gevergd.

  • 3.

    Een persoon in dienst van een bestuursorgaan die zich ingevolge het eerste lid legitimeert, toont een legitimatiebewijs dat is uitgegeven door of in opdracht van dat bestuursorgaan. Het legitimatiebewijs bevat een foto van de houder en vermeldt diens naam en hoedanigheid. Indien de veiligheid van de houder van het legitimatiebewijs vordert dat zijn identiteit verborgen blijft, kan in plaats van zijn naam zijn nummer worden vermeld.

  • 4.

    De persoon, bedoeld in het eerste lid, die met toestemming van de bewoner wenst binnen te treden, vraagt voorafgaand aan het binnentreden diens toestemming. De toestemming moet blijken aan degene die wenst binnen te treden.

 

Inleiding

 

Gemeenten voeren adresonderzoeken in het kader van de BRP uit. Een van de acties die dan uitgevoerd kunnen worden, is een huisbezoek. Dit protocol beperkt zich tot de werkwijze rond het huisbezoek BRP, als onderdeel van het totale adresonderzoek 1

 

Het college van burgemeester en wethouders van een gemeente (hierna: de gemeente) start een adresonderzoek als er een signaal wordt ontvangen:

  • *

    dat er twijfel bestaat over de juistheid van het adres van een bewoner zoals dat in de basisregistratie personen (BRP) is geregistreerd;

  • *

    over een adres waar betrokkene mogelijk woont terwijl deze daar nog niet is ingeschreven.

  • *

    van overige bijzondere situaties, zoals overbewoning, aangifte naar een niet-woning, etc.

 

Het onderzoek van de gemeente dat volgt is een onderzoek naar de verblijfplaats van de betrokken persoon.

 

Omdat de uitkomst van het adresonderzoek mogelijk aanleiding kan zijn tot een ambtshalve wijziging van gegevens in de BRP moet het onderzoek zorgvuldig worden uitgevoerd. De gemeente kan niet lichtvaardig overgaan tot het doorvoeren van een ambtshalve wijziging, omdat de gevolgen voor de betrokken persoon en overheid groot kunnen zijn. Bijvoorbeeld: het recht op persoonsgebonden toeslagen (huurtoeslag, hypotheekrenteaftrek, kindgebondenbudget, etc.) kan verloren gaan en de overheid kan de persoon definitief uit het oog verliezen, waardoor vorderingen oninbaar worden of er geen zorg meer geboden kan worden aan een kwetsbaar persoon. Een adresonderzoek moet om deze reden altijd zorgvuldig worden uitgevoerd.

 

Een huisbezoek kan onderdeel uitmaken van een dergelijk onderzoek. Op 6 januari 2014 is de Wet BRP in werking getreden waarin het college van burgemeester en wethouders ambtenaren aanwijst die zijn belast met het toezicht op de naleving van de verplichtingen van de burger ingevolge hoofdstuk 2, afdeling 1, paragraaf 5 van de Wet BRP. Om de toezichthouder BRP van de gemeenten te ondersteunen bij een dergelijk huisbezoek, is dit protocol opgesteld in samenwerking tussen het project Landelijke Aanpak Adreskwaliteit (LAA) van ICTU en de Nederlandse Vereniging voor Burgerzaken (NVVB).

 

De afweging die gemaakt moet worden of er een huisbezoek moet worden uitgevoerd, maakt geen deel uit van dit protocol. Deze afweging moet gemaakt worden in het totale proces van het adresonderzoek. Wordt er besloten een huisbezoek uit te voeren, dan wordt dit protocol Huisbezoek Toezichthouder BRP als richtlijn gehanteerd.

 

De in dit Protocol beschreven werkwijze is van toepassing op huisbezoeken die in het kader van toezicht op de naleving van de verplichtingen van de burger worden afgelegd door aangewezen toezichthouders BRP.

 

Dit protocol is geschreven ter aanvulling op en uitwerking van de circulaire Adresonderzoek en het bijbehorende protocol Adresonderzoek.

 

Het protocol is gepubliceerd op de websites van de NVVB en het project LAA. In deze vorm wordt het protocol Huisbezoek Toezichthouder BRP up-to-date gehouden.

 

In het eerste hoofdstuk worden de verplichtingen van de burger beschreven waarop de bevoegdheden van de toezichthouder BRP betrekking hebben. Het tweede hoofdstuk omvat het juridische kader waarbinnen huisbezoeken plaatsvinden. Het laatste inhoudelijke hoofdstuk geeft richtlijnen voor het huisbezoek.

 

Inhoudsopgave

 

Wettelijke grondslag(en) of bevoegdheid waarop dit protocol is gebaseerd

Inleiding

1. Verificatie van verplichtingen van de burger rondom het adres

2. Het juridisch kader

2.1. Grondslagen huisbezoek

2.2. Het subsidiariteitsbeginsel en proportionaliteitsbeginsel

2.2.1. Het subsidiariteitsbeginsel

2.2.2. Het proportionaliteitsbeginsel

2.3. Het informed consent

2.3.1. Multidisciplinair onderzoek

2.4. Weigeren of intrekken toestemming huisbezoek

 

3. Richtlijnen huisbezoek

3.1. Algemene richtlijnen

3.1.1. Voorbereiding

3.1.2. Binnentreden

3.1.3. De uitvoering van het huisbezoek

3.1.4. Vervolg/nazorg

3.2. Veiligheid

3.3. Verslag van het huisbezoek

 

4. Ten slotte

 

Bijlagen

Bijlage 1: Verplichtingen van de burger

Bijlage 2: Bevoegdheden toezichthouder

Bijlage 3: Informatiebrief

Bijlage 4: Informed consent

Bijlage 5: Verslag huisbezoek

 

1. Verificatie van verplichtingen van de burger rondom het adres

 

In dit hoofdstuk worden de verplichtingen van de burger beschreven waarop de bevoegdheden van de toezichthouder BRP betrekking hebben.

 

In het kader van de Wet basisregistratie personen (Wet BRP) kan voor de controle op de naleving van de verplichtingen van de burger onder andere het huisbezoek als middel worden gebruikt. Om hiervan een succes te maken, is het van belang de juiste (wettelijke) kaders voor een huisbezoek te schetsen en een beschrijving te geven van de eisen waaraan een huisbezoek moet voldoen.

 

De toezichthouder BRP is belast met de controle op de naleving van de verplichtingen van de burger op grond van de Wet BRP, zoals deze vermeld zijn in hoofdstuk 2, afdeling 1, § 5.

 

De verplichtingen van de burger hebben betrekking op:

  • 1.

    het doen van aangifte van verblijf en adres;

  • 2.

    het doen van aangifte van adreswijziging;

  • 3.

    het kiezen van een briefadres;

  • 4.

    aangifte van vertrek uit Nederland;

  • 5.

    verstrekken van inlichtingen en overlegging van brondocumenten voor de aangiften genoemd onder 1 t/m 4 en voor rechtsfeiten die zich in het buitenland hebben voorgedaan;

  • 6.

    het overleggen van een vertaling door een beëdigde vertaler van de onder 5. genoemde documenten;

  • 7.

    het verstrekken van inlichtingen door instellingen, over de personen die in de instelling wonen; en

  • 8.

    de identificatieplicht.

 

De tekst van de wetsartikelen, die op deze verplichtingen betrekking hebben, is opgenomen in bijlage 1 bij dit protocol.

 

2. Het juridische kader

 

In dit hoofdstuk worden de wettelijke bepalingen van het huisbezoek weergegeven. Er wordt onder andere ingegaan op de toestemming voor een huisbezoek, het zogenoemde informed consent, de aanleiding voor een huisbezoek en de consequenties als de burger toestemming tot binnentreden van het pand 2 weigert.

 

Het afleggen van een huisbezoek wordt aangemerkt als een ingrijpende inbreuk op de privacy van de burger. In verdragen en verschillende wetten zijn daarom diverse bepalingen opgenomen ter bescherming van die privacy van de burger. Dit betreft onder andere het Europese Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM), de Grondwet, en de Algemene wet op het binnentreden (Awbi), de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en Jurisprudentie over het middel “huisbezoek”.

 

Uit vaste jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) blijkt dat een huisbezoek ter vaststelling of er recht op uitkering bestaat een inbreuk vormt op de persoonlijke levenssfeer als bedoeld in artikel 8 EVRM en artikel 10, lid 1 van de Grondwet. Indien de bijzondere omstandigheden van het geval dit noodzakelijk maken, kan deze inbreuk echter gerechtvaardigd zijn. Voorwaarde is onder meer wel dat er een legitiem doel (EVRM) gediend wordt met het huisbezoek.

 

Een juridisch kader is onderhevig aan voortdurende aanpassing op basis van veranderende wetgeving en maatschappelijke ontwikkelingen. Werd een huisbezoek tien jaar geleden door veel juridisch medewerkers gezien als een ‘te zwaar middel’, vandaag de dag is een huisbezoek vaker onderdeel van gemeentelijk beleid, om te controleren of de administratieve werkelijkheid en de realiteit overeenkomen.

 

2.1. Grondslag huisbezoek

De vraag of er een grondslag is voor een huisbezoek is mede afhankelijk van wat we onder een huisbezoek verstaan in het kader van de BRP. Op grond van artikel 4.2 Wet BRP 3 worden ambtenaren aangewezen die zijn belast met het toezicht op de naleving van de verplichtingen van de burger.

 

Het is van belang om te beseffen dat aanbellen en vragen stellen altijd is toegestaan. Hiervoor is geen juridische toestemming nodig. Het binnentreden van een woning kent wettelijke verboden, bevoegdheden en verplichtingen, en kan onderdeel uitmaken van het toezicht. Dit blijkt uit artikel 5:15 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Dit artikel bepaalt namelijk dat een toezichthouder, zij het alleen met toestemming van de bewoner een woning mag binnentreden.

 

Het begrip huisbezoek in de BRP is niet synoniem met betreden van het pand. Heeft u een vermoeden dat een pand wordt bewoond? Dan is het goed om te beseffen dat in dit kader altijd medewerking van de burger nodig is. Onder het begrip huisbezoek in het kader van dit protocol vallen de volgende aspecten:

  • -

    aanbellen en spreken met de bewoner aan de voordeur;

  • -

    aanbellen en spreken met de bewoner in een ruimte in het pand;

  • -

    een rondleiding krijgen door het pand en het zien van de verschillende ruimten.

 

NB: Ook het bezichtigen van de buitenkant van het pand, c.q. het feit dat er (bij herhaling) niet open gedaan wordt, kan deel uitmaken van het totale adresonderzoek en een vermelding krijgen in een verslag van een (poging tot) huisbezoek.

 

Naast de beschreven juridische grondslag en de toestemming voor een huisbezoek is geen verdere specifieke grondslag vereist.

 

Het belangrijkste van een huisbezoek in het kader van de BRP blijft echter het gesprek. Het contact waarbij je vraagt aan de bewoner om aan te tonen dat de situatie is zoals hij beweert, ongeacht of dat binnen of buiten het pand is.

 

Volledigheidshalve wordt vermeld dat de burger zelf bepaalt of deze medewerking verleent aan het huisbezoek en dus toestemming 4 geeft om het pand binnen te treden. De burger blijft het recht behouden om toegang tot het pand te weigeren. De weigering kan wel consequenties hebben voor de betreffende burger (informed consent).

 

De Algemene wet op het binnentreden (Awbi) schrijft voor dat voldaan moet worden aan de legitimatieplicht en dat het binnentreden van het pand toegestaan is in aanwezigheid en met toestemming van de bewoner op basis van volledige informatie.

 

2.2. Het subsidiariteitsbeginsel en proportionaliteitsbeginsel

De beginselen van subsidiariteit en proportionaliteit spelen een belangrijke rol in de bescherming van de privacy van de burger. Deze beginselen hebben zowel betrekking op de keuze die de gemeente moet maken of een huisbezoek het juiste middel is als op de uitvoering van het huisbezoek.

 

2.2.1. Het subsidiariteitsbeginsel

Als het beoogde doel door inzet van een ander middel dat minder ingrijpend is, gerealiseerd kan worden dient voor dat middel gekozen te worden.

 

De toezichthouder BRP verifieert altijd eerst de verstrekte inlichtingen aan de hand van de voor hem beschikbare authentieke bronbestanden.

 

Zoals gezegd heeft de burger het recht een huisbezoek te weigeren en zijn woonsituatie op een andere wijze dan door huisbezoek aan te tonen.

 

2.2.2. Het proportionaliteitsbeginsel

Voor al het overheidshandelen geldt dat het evenredig moet zijn in relatie tot de gestelde doelen.

Het ingezette middel en met name de wijze waarop moet in verhouding staan tot het beoogde doel (= het verkrijgen van volledige en de juiste informatie om het juiste adres vast te stellen).

 

2.3. Het informed consent

Informed consent wil zeggen dat de toestemming tot binnentreden van de burger berust op volledige en juiste informatie over reden en doel van het huisbezoek en de gevolgen in geval van weigering. Onder volledige informatie wordt verstaan:

  • 1.

    Mededeling aan de burger omtrent het doel/reden van het huisbezoek;

  • 2.

    Mededeling van de eventuele gevolgen van het weigeren van het huisbezoek.

 

Over de vraag of de burger al dan niet toestemming verleent, mag geen twijfel bestaan. De bewijslast van de toestemming tot het binnentreden van het pand nadat de burger volledig is geïnformeerd, ligt bij de gemeente.

 

Het huisbezoek wordt uitgevoerd door twee ambtenaren. In het verslag wordt over het informed consent duidelijk melding gemaakt van het feit dat beide ambtenaren overtuigd waren van de toestemming door de bewoner.

 

Verder is het een aanbeveling betrokkene een brief te geven met daarop vermeld wat de toezichthouders komen doen 5 en dat ze, als ze de woning betreden hebben dit altijd gedaan hebben met expliciete toestemming van de burger die de deur geopend heeft. Waar mogelijk kan aan de burger medeondertekening (voor akkoord of voor gezien) van de informed consent gevraagd worden 6 .

 

Eventueel kan de reden van het bezoek in algemene termen worden toegelicht. Hoe concreet dit gedaan kan worden, verschilt per situatie. Dit is afhankelijk van de vraag of het de waarheidsvinding helpt of juist kan belemmeren en van de vraag of anderen (tipgevers) daardoor in de problemen kunnen komen.

 

Voorbeeld van een algemene toelichting:

Het doel van het bezoek is de versterking van de leefbaarheid in onze gemeente:

  • -

    Iedereen staat ingeschreven op het adres waar hij of zij echt woont;

  • -

    Fraude met uitkeringen of toeslagen wordt voorkomen;

  • -

    Het gebruik van het pand/adres is in overeenstemming met het bestemmingsplan;

  • -

    De woonsituatie in een pand levert niet teveel overlast op voor de omgeving;

  • -

    Een pand is veilig.

Er kunnen verschillende redenen zijn waarom uw pand/adres bezocht wordt. Wij doen zelf onderzoek in onze registraties. Ook krijgen wij signalen van andere overheidsorganisaties, ondernemingen of inwoners .

 

2.3.1 Multidisciplinair onderzoek

Om onderzoeken snel en doeltreffend te kunnen oplossen kan samengewerkt worden in multidisciplinaire teams 7 . Bij dat onderzoek zijn meerdere disciplines betrokken, ook bij een huisbezoek. In dat geval is het zaak dat deze toezichthouders telkens juridisch zuiver handelen. Voor de uitvoering van elk van deze taken is ‘informed consent’ van toepassing. De burger moet over elk van die onderzoeken volledige en juiste geïnformeerd te worden.

Dit geldt ook in het geval een toezichthouder bij een huisbezoek meerdere verschillende toezichthoudende taken uitvoert. Deze dient in staat te zijn de verschillende bepalingen toe te passen die op dat moment gevraagd worden.

 

2.4. Weigeren of intrekken toestemming huisbezoek

Het kan zich voordoen dat de burger te kennen geeft een dringende reden te hebben voor de weigering van het huisbezoek. Als dit in een situatie gebeurt dat het hem nú niet uitkomt, kan het huisbezoek in de loop van deze dag, of één van de komende dagen plaatsvinden. Als voorbeeld zou kunnen gelden een afspraak van betrokkene bij de dokter/met het ziekenhuis.

 

Ook kan de burger zijn eenmaal gegeven toestemming intrekken. Vanaf dat moment bevindt men zich zonder toestemming van betrokkene in het pand en zal men het pand dienen te verlaten. Wordt dit niet gedaan dan vertoeft men wederrechtelijk in het pand en pleegt men een ambtsmisdrijf (ambtelijke huisvredebreuk) in de zin van artikel 370 Wetboek van Strafrecht.

 

Aan de burger wordt kenbaar gemaakt dat de weigering gevolgen kan hebben. Geef daarbij een uitleg dat er mogelijk een beslissing wordt genomen op basis van informatie die tot op dat moment verzameld is en de bewoner een kans mist om hier verandering in aan te brengen.

 

Bij het weigeren van een huisbezoek hoeft géén hersteltermijn gegeven te worden omdat een hersteltermijn de burger in de gelegenheid zou stellen om op een oneigenlijke manier te handelen. Bij weigering en intrekking van de toestemming kan de burger uitgenodigd worden om te verschijnen op het stadhuis voor een gesprek. Uit de praktijk blijkt dat terugkomen op een onverwacht moment ook waardevol kan zijn.

 

3. Richtlijnen huisbezoek

 

In dit hoofdstuk wordt ingegaan op de uitgangspunten bij huisbezoeken.

 

3.1. Algemene richtlijnen

Bij het afleggen van huisbezoeken worden de volgende richtlijnen gehanteerd:

 

3.1.1. Voorbereiding

  • *

    De noodzaak, proportionaliteit en subsidiariteit voor een huisbezoek worden voorafgaand aan het huisbezoek vastgesteld.

  • *

    Alvorens een huisbezoek wordt afgelegd wordt de door de burger opgegeven woonsituatie geverifieerd met behulp van de (authentieke bron)bestanden waarover de beheerder van de BRP de beschikking heeft.

  • *

    Bij voorkeur vindt huisbezoek plaats op die momenten dat de kans het hoogst is dat iemand thuis aangetroffen kan worden.

  • *

    Het huisbezoek wordt altijd door twee personen afgelegd om redenen van veiligheid en betere oordeels- en bewijsvorming waarvan ten minste één formeel door B en W aangewezen toezichthouder BRP.

     

3.1.2. Binnentreden

  • *

    Voordat het pand betreden wordt, legitimeren de toezichthouders BRP zich middels het door het gemeentebestuur verstrekte en geldige legitimatiebewijs.

  • *

    Er wordt gevraagd naar het identiteitsbewijs van betrokkene en van ieder die tijdens het huisbezoek aanwezig is.

  • *

    Voordat men het pand binnengaat, dient aan de eerder vermelde voorwaarden te zijn voldaan (informed consent).

  • *

    De reden van het huisbezoek - verificatie BRP - wordt, zo nodig, in algemene termen toegelicht.

  • *

    Uit privacyoverwegingen wordt het gesprek over de leefsituatie niet bij de voordeur van het pand gevoerd, maar in het pand van de burger of een andere daartoe geschikte ruimte naar keuze van de burger.

  • *

    Bij weigering van de toestemming van het huisbezoek, wordt altijd naar de reden hiervan gevraagd.

  • *

    Het huisbezoek wordt in eerste instantie gestart in de huiskamer van het pand.

  • *

    Een rondleiding door het pand van de burger is alleen toegestaan met de uitdrukkelijke toestemming van de burger en in diens aanwezigheid.

  • *

    Bij het betreden van de diverse woonruimten loopt de burger steeds voorop.

  • *

    Als in bijzondere situaties, als bij kamerbewoning en recreatiewoning, de verhuurder bezwaar heeft met betrekking tot het betreden van het pand, wordt afgezien van het binnentreden van het pand. Het is echter niet noodzakelijk dat bij een huisbezoek de verhuurder aanwezig is.

  • *

    Bij kamerbewoning is een toestemming van de verhuurder niet voldoende. Voor huisbezoek van de kamer is toestemming van de kamerhuurder nodig.

 

3.1.3. De uitvoering van het huisbezoek

  • *

    Kasten en/of deuren worden desgevraagd geopend door de burger.

  • *

    Tijdens het huisbezoek wordt er objectief waargenomen. Hierbij wordt ook op details gelet.

  • *

    Er worden alleen vragen gesteld, die noodzakelijk zijn voor het vaststellen van het doel dat voorafgaand aan het binnentreden aan de burger is meegedeeld.

  • *

    Het stellen van confronterende vragen in het pand van de burger is juridisch toegestaan. Om onnodige agressie en discussie te voorkomen kan er voor gekozen worden om de burger hiervoor op een later tijdstip uit te nodigen.

  • *

    Indien de burger zijn eenmaal gegeven toestemming intrekt moet het huisbezoek worden gestopt en dient men het pand te verlaten. Registreer het intrekken van de toestemming in het verslag.

  • *

    De ambtenaar stelt zich tegenover de burger correct (niet provocerend), zakelijk, respectvol, transparant en zorgvuldig op.

  • *

    In het pand mogen foto’s gemaakt worden als het toegevoegde waarde heeft voor het controleren van de woonsituatie. Aanbevolen wordt, om ook hier toestemming voor te vragen. Let op: heimelijk foto’s maken van een persoon in een woning is strafbaar.

  • *

    Aan het einde van het huisbezoek wordt de burger de ruimte geboden om vragen te stellen.

  • *

    Aan het einde van het huisbezoek leggen de medewerkers de vervolgprocedure uit aan de burger.

  • *

    Ten slotte wordt gevraagd of alles duidelijk is.

 

3.1.4. Vervolg/nazorg

  • *

    De burger wordt indien noodzakelijk zo spoedig mogelijk voor een vervolggesprek uitgenodigd.

  • *

    Tijdens het vervolggesprek in het gemeentehuis wordt de burger gelegenheid gegeven om de onderzoeksgegevens in te zien.

  • *

    Betrokkene kan in de gelegenheid worden gesteld het verslag van het huisbezoek te laten ondertekenen of voor akkoord, of voor gezien.

  • *

    Aan betrokkene kan desgevraagd een kopie van het getekende verslag van het huisbezoek worden meegegeven.

  • *

    Indien op basis van het huisbezoek duidelijkheid is ontstaan over de woonsituatie, dan wordt de burger hiervan in kennis gesteld, waarbij hem tevens het vervolg wordt meegedeeld.

  • *

    Betrokkene wordt meegedeeld dat een eventueel besluit van het gemeentebestuur in de vorm van een beschikking wordt toegestuurd.

 

3.2. Veiligheid

De gezondheid en de veiligheid van de uitvoerders van het huisbezoek is een belangrijke voorwaarde bij het afleggen van een huisbezoek. Er moet zoveel als mogelijk voorkomen worden, dat er een onveilige situatie ontstaat voor de uitvoerder van het huisbezoek en voor de burger. Belangrijke aanbevelingen zijn:

  • *

    Bij de voorbereiding van het huisbezoek dient aandacht te worden geschonken aan mogelijke onveilige situaties die zich al eerder in het contact met de burger of diens directe omgeving hebben voorgedaan.

  • *

    Vooraf worden de indicaties besproken die erop wijzen dat de kans van een onveilige situatie zich kan voordoen (bijvoorbeeld is de burger in het kader van het agressieprotocol de toegang tot het gemeentehuis ontzegd).

  • *

    Bij een sterke aanwijzing van onveiligheid wordt overleg gepleegd met leidinggevenden en eventueel met de politie.

  • *

    Huisbezoeken worden altijd door twee personen afgelegd.

  • *

    Voor bereikbaarheid in de vorm van een door de werkgever beschikbaar gesteld communicatiemiddel wordt gezorgd.

  • *

    Indien er een gevoel van onveiligheid ontstaat tijdens het onderzoek, wordt het pand zo snel mogelijk verlaten.

  • *

    Tijdens het huisbezoek zijn de medewerkers altijd in dezelfde ruimte, dus nooit een van de twee alleen bij de burger.

  • *

    De naaste collega’s weten bij wie, waar, met welk doel en wanneer het huisbezoek plaatsvindt.

  • *

    Collega’s nemen telefonisch contact op, in geval men niet op de afgesproken tijd terug is op kantoor.

 

3.3. Verslag van het huisbezoek

Van ieder huisbezoek dient een schriftelijk verslag opgemaakt te worden. Het verslag bevat in ieder geval de volgende gegevens:

  • *

    Namen van de toezichthouders BRP.

  • *

    De onderbouwing (vooraf) dat het huisbezoek een redelijk middel is om tot het uiteindelijke doel te komen en dat er geen minder ingrijpend middel voorhanden was.

  • *

    Plaats, adres, dag, datum en tijdstip van het huisbezoek.

  • *

    Dat betrokkene volledige informatie is verstrekt (informed consent, zie § 2.3).

  • *

    Dat de burger toestemming heeft gegeven voor het binnentreden van het pand (informed consent).

  • *

    Een eventuele intrekking van de toestemming.

  • *

    Dat de burger aanwezig is geweest tijdens het huisbezoek.

  • *

    De verschillende ruimten in het pand welke betreden zijn.

  • *

    Een zo goed mogelijke beschrijving van het pand (extern/intern).

  • *

    De zakelijke en objectieve feiten die relevant zijn voor het onderzoek en het doel; alleen hierop worden conclusies gebaseerd. Geen sfeerverslag met veronderstellingen.

  • *

    Dagtekening en ondertekening van het verslag door beide toezichthouders BRP.

 

En kan tevens de volgende gegevens bevatten (optioneel):

  • *

    Vermelding dat het verslag beschikbaar is gesteld aan de burger.

  • *

    Opmerkingen/aanvullingen van de burger.

  • *

    Handtekening betrokkene.

 

4. Ten slotte

 

Het huisbezoek is een belangrijk onderdeel van een zorgvuldig uitgevoerd adresonderzoek. De bevoegdheid om toe te zien op de naleving van de genoemde verplichtingen die de burger heeft op het terrein van de registratie in de BRP levert ook een verantwoordelijkheid op. Het college is verantwoordelijk voor de kwaliteit van de BRP. Er wordt inzet gevraagd om de gegevens in de BRP zoveel als mogelijk in overeenstemming te laten zijn met de feitelijke werkelijkheid. Het college doet er goed aan om van de bepaling uit artikel 4.2 van de Wet BRP gebruik te maken en toezichthouders BRP te benoemen die de feitelijke werkelijkheid controleren, om toe te zien op de naleving van de verplichtingen van de burger.

 

Het Protocol Huisbezoek Toezichthouder BRP is een hulpmiddel om de toezichthouders BRP van dienst te zijn en om de zorgvuldigheid van de adresonderzoeken te bevorderen. De gemeente kan en mag hier vervolgens van afwijken, zoals dat ook kan bij het protocol adresonderzoek. De gemeente is ook niet verplicht om dit protocol vast te stellen, maar het vaststellen heeft absoluut meerwaarde vanuit het oogpunt van zorgvuldigheid, bevoegdheden, vastgesteld beleid en rechtszekerheid. De NVVB en LAA adviseren dit protocol, met of zonder de optionele punten, vast te stellen.

 

Aldus besloten in de vergadering

van burgemeester en wethouders

van de gemeente Leek,

d.d. 5 december 2017.

B.C. Hoekstra, burgemeester M. Schomper, secretaris

Bijlage 1 Verplichtingen van de burger

 

Relevante wetsartikelen over verplichtingen van de burger in het kader van de Wet BRP.

 

Artikel 2.38

  • 1.

    Degene die naar redelijke verwachting gedurende een half jaar ten minste twee derde van de tijd in Nederland verblijf zal houden, meldt zich uiterlijk op de vijfde dag na de aanvang van zijn verblijf in persoon bij het college van burgemeester en wethouders van de gemeente waar hij zijn woonadres heeft om daarbij schriftelijk aangifte van verblijf en adres te doen. Indien hij geen woonadres heeft, kiest hij een briefadres en meldt hij zich binnen de gestelde termijn, bij het college van burgemeester en wethouders van de gemeente waar hij zijn briefadres heeft, om de bedoelde aangifte te doen.

  • 2.

    Hij doet in de aangifte mededeling van de gegevens over zijn toekomstig verblijf in Nederland, over zijn adres in de gemeente en over het vorige verblijf buiten Nederland.

  • 3.

    Hij geeft bij de aangifte de inlichtingen en overlegt de geschriften ter zake van feiten betreffende zijn burgerlijke staat, zijn nationaliteit en zijn eerder verblijf in Nederland, die noodzakelijk zijn voor de bijhouding met betrekking tot hem van de basisregistratie. Op verzoek van het college van burgemeester en wethouders legt hij van een geschrift een door een beëdigde vertaler vervaardigde Nederlandse vertaling over. Indien hij zich in Nederland vestigt, komende vanuit Aruba, Curaçao, Sint Maarten of een van de openbare lichamen, overlegt hij een hem betreffend verhuisbericht, verstrekt door de verantwoordelijke voor de verwerking van gegevens in de basisadministratie in Aruba, Curaçao, Sint Maarten of een van de openbare lichamen, waar hij laatstelijk als ingezetene was ingeschreven.

  • 4.

    Degene die naar redelijke verwachting gedurende een half jaar ten minste twee derde van de tijd in Nederland verblijf zal houden, doet aangifte van verblijf en adres overeenkomstig het eerste tot en met het derde lid, op het moment dat hij ophoudt te behoren tot een categorie als bedoeld in artikel 2.6.

  • 5.

    In een geval als bedoeld in het vierde lid vangt de in het eerste lid bedoelde termijn van vijf dagen aan met ingang van de dag na die waarop een in dat lid bedoelde situatie is ingetreden.

  • 6.

    Aangifte van verblijf en adres blijft achterwege indien:

    • a.

      het verblijf aanvangt door geboort en inschrijving plaatsvindt op grond van de geboorteakte,

    • b.

      de betrokkene behoort tot een catergorie van personen als bedoeld in artikel 2.6, of

    • c.

      de betrokkene een vreemdeling is die geen rechtmatig verblijf geniet.

 

Artikel 2.39

  • 1.

    De ingezetene die zijn adres wijzigt doet hiervan schriftelijk aangifte bij het college van burgemeester en wethouders van de gemeente waar hij zijn nieuwe adres heeft.

  • 2.

    Hij doet niet eerder aangifte dan vier weken vóór de beoogde datum van adreswijziging en niet later dan de vijfde dag na de adreswijziging. Hij doet in de aangifte mededeling van de datum van adreswijziging en van de gegevens over het nieuwe en het vorige adres.

  • 3.

    Indien een ingezetene geen woonadres heeft, kiest hij een briefadres. Het eerste en tweede lid zijn van overeenkomstige toepassing.

 

Artikel 2.40

  • 1.

    Degene die zijn woonadres heeft in een instelling die is aangewezen op grond van het derde of het vierde lid kan, in afwijking van de artikelen 2.38, eerste lid, en 2.39, eerste lid, in plaats van zijn woonadres een briefadres kiezen en daarvan overeenkomstig de genoemde bepalingen aangifte doen

  • 2.

    Een instelling wordt slechts aangewezen indien de aard van de instelling meebrengt, dat door opneming van het adres daarvan in de basisregistratie de persoonlijke levenssfeer van de betrokkenen onevenredig zou kunnen worden geschaad.

  • 3.

    Onze Minister kan categorieën van instellingen dan wel instellingen afzonderlijk aanwijzen, voor zover het betreft:

    • a.

      instellingen voor gezondheidszorg;

    • b.

      instellingen op het geboed van de kinderbescherming;

    • c.

      penitentaire instellingen.

  • 4.

    Het college van burgemeester en wethouders kan een in de gemeente gevestigde instelling aanwijzen indien het betreft een instelling op het terrein van maatschappelijke opvang, bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel g, onder 7°, van de Wet maatschappelijke ondersteuning.

  • 5.

    Het hoofd van een aangewezen instelling doet aan de betrokken personen tijdig schriftelijk mededeling van de mogelijkheid tot aangifte van een briefadres.

 

Artikel 2.41

  • 1.

    Voor zover het opnemen van een woonadres naar het oordeel van de burgemeester om veiligheidsredenen niet wenselijk is, kan de betrokkene in afwijking van artikel 2.38, eerste lid, en 2.39, eerste lid, in plaats van zijn woonadres een briefadres kiezen en daarvan overeenkomstig de genoemde bepalingen aangifte doen.

  • 2.

    Bij algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld omtrent de toepassing van het eerste lid.

 

Artikel 2.42

Als briefadresgever kan worden gekozen:

  • a.

    een natuurlijke persoon die als ingezetene is ingeschreven;

  • b.

    een rechtspersoon die zijn zetel heeft in Nederland en die door het college van burgemeester en wethouders is aangewezen om als briefadresgever in zijn gemeente op te treden.

 

Artikel 2.43

  • 1.

    De ingezetene die naar redelijke verwachting gedurende een jaar ten minste twee derde van de tijd buiten Nederland zal verblijven, doet bij het college van burgemeester en wethouders van de bijhoudingsgemeente voor zijn vertrek uit Nederland schriftelijk aangifte van vertrek. De aangiftetermijn vangt aan op de vijfde dag voor de dag van vertrek.

  • 2.

    De ingezetene doet in die aangifte mededeling van de gegevens over zijn vertrek en het volgende verblijf buiten Nederland.

  • 3.

    Ter uitvoering van het eerste lid verschijnt de ingezetene in persoon bij het college, indien:

    • a.

      niet alle ingezetenen met hetzelfde woonadres de verplichting, bedoeld in het eerste lid, vervullen, of

    • b.

      niet voor alle ingezetenen met hetzelfde woonadres de verplichting, bedoeld in het eerste lid, wordt vervuld.

  • 4.

    Een minderjarige verschijnt in persoon, tenzij alle ingezetenen met hetzelfde woonadres aangifte van vertrek doen of aangifte van vertrek voor hen wordt gedaan.

  • 5.

    Bij algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld omtrent bijzondere gevallen waarin het eerste lid niet van toepassing is.

 

Artikel 2.44

De ingezetene brengt alle feiten betreffende zijn burgerlijke staat en nationaliteit die zich buiten Nederland hebben voorgedaan, zo spoedig mogelijk ter kennis aan het college van burgemeester en wethouders. Hij verstrekt aan het college, desgevraagd in persoon, de inlichtingen en overlegt de geschriften die noodzakelijk zijn voor de bijhouding met betrekking tot hem van de basisregistratie. Op verzoek van het college legt hij van een geschrift een door een beëdigde vertaler vervaardigde Nederlandse vertaling over.

 

Artikel 2.45

  • 1.

    Degene die aangifte heeft gedaan als bedoeld in de artikelen 2.38 tot en met 2.40 en artikel 2.43, geeft op verzoek van het college van burgemeester en wethouders de inlichtingen ter zake van zijn aangifte die van belang zijn voor de bijhouding met betrekking tot hem van de basisregistratie. Deze verplichting is van overeenkomstige toepassing ten aanzien van het overleggen van geschriften. De betrokkene verschijnt hierbij desgevraagd in persoon.

  • 2.

    In de aangifte van een briefadres worden de redenen voor de aangifte van een briefadres medegedeeld. Bij de aangifte wordt een schriftelijke verklaring van instemming gevoegd van de briefadresgever.

  • 3.

    De briefadresgever draagt zorg dat voor de houder van het briefadres bestemde geschriften of inlichtingen daarover, aan hem worden doorgegeven of medegedeeld.

  • 4.

    De briefadresgever verstrekt op verzoek van het college van burgemeester en wethouders, desgevraagd in persoon, ter zake van dat briefadres de inlichtingen en overlegt de geschriften die noodzakelijk zijn voor de bijhouding van de basisregistratie.

  • 5.

    Bij algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld omtrent de toepassing van het eerste tot en met vierde lid.

 

Artikel 2.46

De ingezetene verstrekt op verzoek van het college van burgemeester en wethouders over feiten betreffende zijn burgerlijke staat en nationaliteit, desgevraagd in persoon, de inlichtingen en overlegt de geschriften die noodzakelijk zijn voor de bijhouding van de basisregistratie. Op verzoek van het college van burgemeester en wethouders legt hij van een geschrift een door een beëdigde vertaler vervaardigde Nederlandse vertaling over.

 

Artikel 2.47

Degene ten aanzien van wie het college van burgemeester en wethouders het redelijke vermoeden heeft dat hij in gebreke is met het doen van een aangifte als bedoeld in de artikelen 2.38 tot en met 2.43, verstrekt op verzoek van het college van burgemeester en wethouders, desgevraagd in persoon, binnen een door het college in het verzoek te noemen termijn, ter zake de inlichtingen en overlegt de geschriften die noodzakelijk zijn voor de bijhouding met betrekking tot hem van de basisregistratie.

 

 

artikel 2.48

De verplichtingen, vermeld in de artikelen 2.38, 2.39 en 2.43 tot en met 2.47, rusten op:

  • a.

    ouders, voogden en verzorgers voor minderjarigen jonger dan 16 jaar;

  • b.

    ouders, voogden en verzorgers voor inwonende minderjarigen van 16 jaar of ouder, tenzij de minderjarige zelf de verplichting vervult;

  • c.

    curatoren voor onder curatele gestelden.

 

Artikel 2.49

  • 1.

    De verplichtingen, vermeld in de artikelen 2.39 en 2.44 tot en met 2.46, kunnen worden vervuld door:

    • a.

      de ouder en zijn meerderjarige kind, indien beiden hetzelfde woonadres hebben, voor elkaar;

    • b.

      echtgenoten dan wel geregistreerde partners die hetzelfde woonadres hebben, voor elkaar;

  • 2.

    Elke meerderjarige voor een persoon die hem daartoe schriftelijk gemachtigd heeft.

  • 3.

    Het hoofd van een instelling voor gezondheidszorg voor een in die instelling verblijvende persoon die wegens de toestand van zijn gezondheid niet in staat kan worden geacht aan zijn verplichtingen te voldoen of een machtiging daartoe te geven, dan wel de echtgenoot, de geregistreerde partner of andere levensgezel of de bloed- of aanverwanten tot en met de tweede graad van een zodanig persoon, onder overlegging van een schriftelijke verklaring ter zake van het hoofd van de desbetreffende instelling.

  • 4.

    In de gevallen, bedoeld in het eerste lid, kan het college van burgemeester en wethouders de vertegenwoordigde overeenkomstig de genoemde artikelen oproepen om in persoon te verschijnen tot het verstrekken van inlichtingen.

  • 5.

    Het eerste en tweede lid zijn van overeenkomstige toepassing op de in artikel 2.38 vermelde verplichtingen voor zover het bij algemene maatregel van bestuur bepaalde gevallen betreft. De maatregel bepaalt tevens de gevallen waarin kan worden afgeweken van de in dat artikel vermelde verplichting om zich in persoon te melden bij het college van burgemeester en wethouders. De maatregel bepaalt slechts gevallen waarin er om zwaarwegende redenen van kan worden afgezien dat de betrokkene zelf de verplichtingen vervult en zich daartoe in persoon meldt bij het college.

  • 6.

    Het eerste lid, onderdelen a, b en d, en het tweede lid zijn van overeenkomstige toepassing op de in artikel 2.43 vermelde verplichting, met dien verstande dat, behoudens bij algemene maatregel van bestuur te bepalen gevallen, een ouder en zijn meerderjarige kind en echtgenoten dan wel geregistreerde partners voor elkaar slechts de aangifteplicht kunnen vervullen, indien:

    • a.

      zij die verplichting ook voor zichzelf vervullen, en

    • b.

      alle andere ingezetenen met hetzelfde woonadres die verplichting vervullen of die verplichting voor hen wordt vervuld.

  • 7.

    De tweede en derde volzin van het derde lid zijn van overeenkomstige toepassing.

  • 8.

    Voor de toepassing van het eerste lid wordt met betrekking tot de verplichtingen, vermeld in artikel 2.39, onder woonadres het nieuwe woonadres verstaan.

 

Artikel 2.50

Het hoofd van een instelling of bedrijf waar personen verblijf plegen te houden, de instellingen, bedoeld in artikel 2.40 daaronder begrepen, verstrekt, indien de instelling of het bedrijf ter zake door het college van burgemeester en wethouders is aangewezen, op door het college te bepalen tijdstippen aan het college de door het college gevraagde inlichtingen over de personen die naar redelijke verwachting in de instelling of het bedrijf voor onbepaalde tijd verblijf zullen houden dan wel gedurende drie maanden ten minste twee derde van de tijd zullen overnachten.

 

Artikel 2.51

De echtgenoot, de geregistreerde partner en andere nabestaanden tot en met de tweede graad van een ingezetene die in het buitenland is overleden, verstrekken op verzoek van het college van burgemeester en wethouders van de gemeente waar betrokkene is ingeschreven, aan het college, voor zover mogelijk, de inlichtingen over dat overlijden en overleggen de geschriften die noodzakelijk zijn voor de bijhouding van de basisregistratie.

 

Artikel 2.52

  • 1.

    Degene die ter uitvoering van ingevolge deze paragraaf op hem rustende verplichtingen in persoon bij het college van burgemeester en wethouders verschijnt, overlegt desgevraagd met het oog op de vaststelling van zijn identiteit een op hem betrekking hebbend document als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht.

  • 2.

    De in artikel 2.48 bedoelde ouders, voogden, verzorgers en curatoren van minderjarigen of onder curatele gestelden, laten desgevraagd de minderjarige of de onder curatele gestelde met het oog op de vaststelling van de identiteit verschijnen bij het college van burgemeester en wethouders en overleggen desgevraagd een op hem betrekking hebbend document als bedoeld in het eerste lid.

 

Bijlage 2 Bevoegdheden toezichthouder

 

Uit de Algemene wet bestuursrecht:

 

Artikel 5:15

  • 1.

    Een toezichthouder is bevoegd, met medeneming van de benodigde apparatuur, elke plaats te betreden met uitzondering van een woning zonder toestemming van de bewoner.

  • 2.

    Zo nodig verschaft hij zich toegang met behulp van de sterke arm.

  • 3.

    Hij is bevoegd zich te doen vergezellen door personen die daartoe door hem zijn aangewezen.

     

Artikel 5:16

Een toezichthouder is bevoegd inlichtingen te vorderen.

 

Artikel 5:16a

Een toezichthouder is bevoegd van personen inzage te vorderen van een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht.

 

Artikel 5:17

  • 1.

    Een toezichthouder is bevoegd inzage te vorderen van zakelijke gegevens en bescheiden.

  • 2.

    Hij is bevoegd van de gegevens en bescheiden kopieën te maken.

  • 3.

    Indien het maken van kopieën niet ter plaatse kan geschieden, is hij bevoegd de gegevens en bescheiden voor dat doel voor korte tijd mee te nemen tegen een door hem af te geven schriftelijk bewijs.

     

Artikel 5:18

  • 1.

    Een toezichthouder is bevoegd zaken te onderzoeken, aan opneming te onderwerpen en daarvan monsters te nemen.

  • 2.

    Hij is bevoegd daartoe verpakkingen te openen.

  • 3.

    De toezichthouder neemt op verzoek van de belanghebbende indien mogelijk een tweede monster, tenzij bij of krachtens wettelijk voorschrift anders is bepaald.

  • 4.

    Indien het onderzoek, de opneming of de monsterneming niet ter plaatse kan geschieden, is hij bevoegd de zaken voor dat doel voor korte tijd mee te nemen tegen een door hem af te geven schriftelijk bewijs.

  • 5.

    De genomen monsters worden voor zover mogelijk teruggegeven.

  • 6.

    De belanghebbende wordt op zijn verzoek zo spoedig mogelijk in kennis gesteld van de resultaten van het onderzoek, de opneming of de monsterneming.

     

Artikel 5:19

  • 1.

    Een toezichthouder is bevoegd vervoermiddelen te onderzoeken met betrekking waartoe hij een toezichthoudende taak heeft.

  • 2.

    Hij is bevoegd vervoermiddelen waarmee naar zijn redelijk oordeel zaken worden vervoerd met betrekking waartoe hij een toezichthoudende taak heeft, op hun lading te onderzoeken.

  • 3.

    Hij is bevoegd van de bestuurder van een vervoermiddel inzage te vorderen van de wettelijk voorgeschreven bescheiden met betrekking waartoe hij een toezichthoudende taak heeft.

  • 4.

    Hij is bevoegd met het oog op de uitoefening van deze bevoegdheden van de bestuurder van een voertuig of van de schipper van een vaartuig te vorderen dat deze zijn vervoermiddel stilhoudt en naar een door hem aangewezen plaats overbrengt.

  • 5.

    Bij regeling van Onze Minister van Veiligheid en Justitie wordt bepaald op welke wijze de vordering tot stilhouden wordt gedaan.

     

Bijlage 3 Informatiebrief

   

Aan de aanwezigen in / de eigenaar van

dit pand/adres

 

Gemeente […]

Postbus […]

[…]

 

Onderwerp

Kenmerk

Datum

huisbezoek pand/adres

[…]

[…]

 

 

 

 

 

 

 

Geachte heer/mevrouw,

 

Vandaag wordt uw pand/adres door een toezichthouder van de overheid bezocht. Tijdens dit bezoek wordt gekeken naar de bewoning in het pand. In deze brief leest u meer over de aanleiding en de bedoeling van dit bezoek.

 

Doel en reden bezoek

Het doel van dit bezoek is om te controleren of de gegevens zoals deze vastgelegd zijn in de basisregistratie personen (BRP) overeenkomen met de werkelijkheid. Iedereen moet namelijk zijn ingeschreven op het adres waar hij of zij echt woont.

Er kunnen verschillende redenen zijn waarom uw pand/adres bezocht wordt. Wij doen zelf onderzoek in onze registraties. Ook krijgen wij signalen van andere overheidsorganisaties, ondernemingen of inwoners.

 

Preventieve werking

De toezichthouder BRP komt uw pand/adres alleen binnen met toestemming van degene die de deur geopend heeft. Wij zien deze bezoeken vooral als ‘preventief’. Dat betekent dat wij eventuele problemen of onregelmatigheden juist willen voorkomen met ons bezoek. Als de toezichthouder BRP een overtreding constateert, dan komt er een vervolgactie. In de meeste gevallen krijgt diegene daarover dan schriftelijk bericht.

 

Vragen of opmerkingen?

Vragen of opmerkingen over het huisbezoek kunt u stellen aan de […], afdeling […], telefoonnummer […].

 

Met vriendelijke groet,

Burgemeester en wethouders van […],

namens dezen,

 

 

 

Bijlage 4 Informed consent

(optioneel onderdeel van het protocol Huisbezoek Toezichthouder BRP)

 

Voorbeeld instemmingsverklaring voor huisbezoek voor onderzoek naar de verblijfplaats

 

Adres: …………………………………………………………………………………………………………………………………………..……

Postcode: ……………………. te ………………………………………………………………………………………………………………

Datum huisbezoek …….…. -….……. - ……….…… Tijdstip gesprek ….… : ….. uur tot ….… : ….… uur

--------------------------------------------------------------------------------------------------------

 

Gegevens instemmingsgever:

Achternaam 8 : …………………………………………………………....…………………………………… man / vrouw

Voorletter(s): …………………………………………………………… Geboortedatum: …….. -….…. - …….…

-------------------------------------------------------------------------------------------------------

 

Voorafgaand aan het huisbezoek heeft u zich gelegitimeerd met een geldig legitimatiebewijs.

Voorafgaand aan het huisbezoek heeft u het doel hiervan bekendgemaakt, namelijk onderzoek naar de verblijfplaats van:

Achternaam 9 : …………………………………………………………....…………………………………… man / vrouw

Voorletter(s): …………………………………………………………… Geboortedatum: …….. -….…. - …….…

 

Waarbij onderzoek wordt verricht naar:

  • o

    de juistheid van het adres zoals dat in de basisregistratie personen (BRP) is geregistreerd;

  • o

    dit adres waar betrokkene mogelijk woont terwijl deze daar nog niet is ingeschreven.

 

Voorafgaand aan het huisbezoek ben ik geïnformeerd over het onderstaande:

U heeft mij meegedeeld dat ik het recht heb om u de toegang tot mijn woning te weigeren. In verband met het onderzoek naar de verblijfplaats, vraagt u mijn medewerking aan het huisbezoek. Om die reden verzoekt u mij dan ook toestemming te geven om mijn woning te betreden.

 

Na deze informatie verleen ik u wel/geen toestemming tot het huisbezoek.

Reden van de weigering om medewerking te verlenen aan dit huisbezoek:

 

…………………………………………………………………………………………………………..………………………………………………

 

………………………………………………………………………………………………………………………..…………………………………

  

Ondertekening:

 

Datum …….…. -….……. - ……….……

 

Handtekening betrokkene: ………………………..………………………………………………

  

(optioneel onderdeel van het informed consent)

 

Naam medewerker ………………………..………………… Naam medewerker ………………………..………………………

  

Handtekening ………………………..………………………… Handtekening ………………………..………………………………

U heeft de volgende ruimten in mijn woning betreden terwijl ik daarbij aanwezig was.

Voor het betreden van iedere afzonderlijke ruimte heeft U aan mij hiervoor toestemming gevraagd.

   

Ruimte Toestemming

…………………………………..………………………………………………….………… Ja/nee

 

…………………………………..………………………………………………….………… Ja/nee

 

…………………………………..………………………………………………….………… Ja/nee

 

…………………………………..………………………………………………….………… Ja/nee

  

Ondertekening:

 

Datum …….…. -….……. - ……….……

 

Handtekening betrokkene: ………………………..………………………………………………

    

Naam medewerker ………………………..………………… Naam medewerker ………………………..………………………

  

Handtekening ………………………..………………………… Handtekening ………………………..………………………………

 

 

Bijlage 5 Verslag huisbezoek (kort model)

Plaats :

Datum :

Reden : controle bewoning in het kader van de Wet BRP (basisregistratie personen).

Rapporteurs : <naam> en < naam> , beiden aangewezen toezichthouders BRP van de gemeente <naam> en belast met toezicht conform de wet BRP

 

Aanleiding:

 

Betrokkenen:

 

Bureauonderzoek:

 

Bevindingen:

 

Algemene en aanvullende informatie:

 

Conclusie:

 

Acties:

 

Naar waarheid opgesteld door:

<naam> en < naam>, beiden toezichthouder van de gemeente <naam>

Datum:

Handtekeningen:

 

Naar boven